[24.19836] Verordening fysieke leefomgeving Reusel-De Mierden 2025
Tekst van het document
Paragraaf 3.6.2 Cultuurhistorische waarden
Artikel 3.6.2.1 Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning van het college objecten, gebieden of cultuurhistorische ensembles met een cultuurhistorische waarde zoals aangeduid op de gemeentelijke cultuurhistorische beleidskaart, te wijzigen, te beschadigen of te verstoren. 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing: a. Indien voor de activiteit een omgevingsvergunning is verleend;
b. in het geldende omgevingsplan cultuurhistorische waarden en beschermende regels zijn opgenomen, die in overeenstemming zijn met het vastgestelde erfgoedbeleid; c. De uitvoering van normaal onderhoud is en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt. 3. Het college vraagt de commissie als een vergunning wordt aangevraagd in objecten, gebieden of cultuurhistorische ensembles met een cultuurhistorische waarde zoals aangeduid op de gemeentelijke cultuurhistorische beleidskaart. Binnen de termijn van artikel 7 van de Verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden brengt de commissie schriftelijk advies uit aan het college. 4. Het college kan nadere regels aan de omgevingsvergunning stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden. Ook kan het nadere gegevens van de aanvrager verlangen, waaronder de resultaten van een bouwhistorisch onderzoek, een cultuurhistorische analyse of een werkomschrijving/bestek van de werkzaamheden. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid. 5. De gevraagde omgevingsvergunning kan worden geweigerd, indien de cultuurhistorische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college behouden dienen te blijven.
Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren
Paragraaf 3.6.1 Het bewaren van houtopstanden en overig gemeentelijk groen
Artikel 3.6.1.1 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, te vellen of te doen vellen: a. houtopstand met een stamomtrek van meer dan 150 cm, gemeten op 130 cm hoogte boven het direct aangrenzend maaiveld;
b. houtopstand met een stamomtrek van minder dan 150 centimeter welke in het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht als bedoeld in artikel 3.6.1.3 is geplant; of c. houtopstand welke staat vermeld op de bomenlijst als bedoeld in artikel 3.6.1.2. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; b. fruitbomen, uitgezonderd wal- of okkernootbomen, en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld, mits de oppervlakte van de houtopstand in stand blijft; f. houtopstand ten aanzien waarvan bij het geldende omgevingsplan of bij het geldende voorbereidingsbesluit is bepaald dat het verboden is deze te vellen zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag; g. houtoptand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving op last van het college; h. erfbeplanting vastgelegd in het kader van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan.
Op het verwijderen van waardevolle erfbeplanting die in het beplantingsplan als zodanig is aangegeven, is en blijft een omgevingsvergunning van toepassing; i.
houtopstand die aantoonbaar op bosbouwkundige of bedrijfseconomische wijze wordt geëxploiteerd als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving;
j.
bospercelen buiten de bebouwde kom die vallen onder het Besluit activiteiten leefomgeving, onderdeel houtopstand, groter dan 10 are
(1.000 m²). Dan is het doen van een melding bij Provincie Noord-Brabant vereist. k. houtopstand met een stamomtrek van minder dan 150 centimeter welke onderdeel uitmaakt van een hoofdlanenstructuur, zoals opgenomen in de onder artikel 3.6.1.2 genoemde bomenlijst. 3. Het eerste lid is voort niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. 4. De omgevingsvergunning kan worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of f. de waarde van de houtopstand voor recreatie en leefbaarheid.
Artikel 3.6.1.2 Bomenlijst 1. De gemeenteraad kan een bomenlijst met beschermwaardige houtopstand en hoofdlaanstructuren vaststellen. 2. De eigenaar van een houtopstand die vermeld staat op de bomenlijst is verplicht aan het college schriftelijk mededeling te doen van: a. eigendomsoverdracht van de houtopstand; b. de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan. 3. De gemeenteraad kan aan de standplaats van een beschermwaardige houtopstand in een omgevingsplan de bestemming ‘te beschermen houtopstand’ toekennen.
Artikel 3.6.1.3 Bijzondere vergunningsvoorschriften
1. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant en daarbij tevens aangeven op welke wijze niet-geslaagde herbeplanting moet worden vervangen. 2. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren tot het opstellen van een bomen effect analyse in geval van bouw of aanleg van werken nabij te behouden bomen. 3. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat ten behoeve van herplant een bijdrage wordt gestort in het geoormerkt groenkrediet van de gemeente.
Artikel 3.6.1.4 Financiële compensatieplicht 1. Indien houtopstand waarvoor een kapverbod geldt, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan of ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de veroorzaker daarvan de verplichting opleggen binnen een bepaalde termijn een geldelijke vergoeding voor de schade te storten in het geoormerkt groenkrediet van de gemeente. 2. Bij het bepalen van de hoogte van de geldelijke vergoeding wordt de monetaire boomwaarde als uitgangspunt gehanteerd. 3. Het geoormerkt groenkrediet wordt gebruikt voor herplant en/of nieuwe aanplant binnen de gemeente overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen.
Artikel 3.6.1.5 Bescherming publieke houtopstand Het is verboden om houtopstanden, die publiek eigendom zijn en overig gemeentelijk groen, zoals bijvoorbeeld hagen en plantsoenen: a. te beschadigen, bekladden, beplakken of anderszins voorwerpen daaraan te bevestigen; b. te snoeien (in de zin van verwijderen van delen), behoudens door het bevoegd gezag opgedragen groenverzorgende taken.
Artikel 3.6.1.6 Afstand van de erfgrenslijn De afstand grenzend aan iemand anders zijn erf als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.
Artikel 3.6.1.7 Beschermde planten 1. Ter bescherming van natuur en landschap is op het grondgebied gelegen buiten de bebouwde kom verboden de door het college nader aangeduide paddenstoelen, bloemen of planten te plukken of bij zich te hebben. 2. Het in dit artikel bepaalde geldt niet: a. ten aanzien van paddenstoelen, bloemen of planten gekweekt in particuliere tuinen, tuincentra of kwekerijen; b. indien de in dit artikel genoemde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden en of exploitatie van terreinen. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het hierboven gestelde verbod 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Afdeling 3.7 Overige bepalingen
Paragraaf 3.7.1 Collecteren en Venten
Artikel 3.7.1.1 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven
of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: a. in besloten kring; of b. door een instelling die is vermeld op het landelijke collecte- of wervingsrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving, mits de inzameling of werving plaatsvindt in de voor die instelling gereserveerde periode en uitsluitend op maandag tot en met zaterdag tussen 09.00 uur en 21.00 uur; c. door een andere, door het college aangewezen erkende instelling, mits de inzameling of werving uitsluitend plaatsvindt op maandag tot en met zaterdag tussen 09.00 uur en 21.00 uur.
Artikel 3.7.1.2 Ventverbod 1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Ook is het verboden te venten binnen een straal van 10 meter rondom de ingang(en) van winkels en supermarkten. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op maandag tot en met zondag tussen 21.00 uur en 09.00 uur. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard. Het venten van gedrukte of geschreven stukken kan verboden worden op door het
college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren.
Paragraaf 3.7.2 Standplaatsen en snuffelmarkten
Artikel 3.7.2.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan 3. Aanvullend op het bepaalde in artikel 5.2.2 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.
Artikel 3.7.2.2 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.
Artikel 3.7.2.3 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 3.7.2.1, eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 3.7.2.1, lid 3 onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Artikel 3.7.2.4 Organiseren van een snuffelmarkt 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. 2. Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.
Paragraaf 3.7.3 Stoken van vuur en het verstrooien van as
Artikel 3.7.3.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.2 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht, de provinciale omgevingsverordening of bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 3.7.3.2 Verboden plaatsen 1. Incidentele as verstrooiing is verboden op:
a. verharde delen van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid as verstrooiing plaatsvindt. 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a.
Artikel 3.7.3.3 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
Paragraaf 3.7.4 Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 3.7.4.1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.2 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht.
Artikel 3.7.4.2 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 3.7.4.1, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 3.7.4.1, vierde lid.
Hoofdstuk 4 Beheer en onderhoud
Afdeling 4.1 Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen
Artikel 4.1.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1.13 van bijlage 2 (begrippen) of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 4.1.2 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college op of aan een onroerende zaak (handels)reclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de openbare weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. 2. Het college kan in het belang van de verkeersveiligheid of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen. 3. Het college kan activiteiten, categorieën of gevallen van (handels)reclame aanwijzen waarvoor het verbod in het eerst lid niet geldt. 4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien de (handels)reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 5. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar of hinder zijn betrokken bij de afweging.
Artikel 4.1.3 Verbod borden, vlaggen, spandoeken en objecten 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college borden, vlaggen, spandoeken en objecten te plaatsen, te doen plaatsen, aan te brengen of te houden, die vanaf de openbare weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. 2. Het college kan in het belang van de verkeersveiligheid of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen. 3. Het college kan categorieën activiteiten, categorieën of gevallen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerst lid niet geldt. 4. Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd:
a. indien, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldaan wordt redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
Hoofdstuk 5 Procesregels
Afdeling 5.1 Aanvraag
Artikel 5.1.1 Indiening aanvraag, melding 1. Indien krachtens artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht of bij of krachtens enige wettelijke bepaling een formulier is vastgesteld voor het doen van een aanvraag of melding of voor het indienen van enig document of het doen van enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening, is het gebruik van dat formulier verplicht. 2. Een aanvraag, melding of enig document of enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening kan langs elektronische weg worden ingediend, indien de elektronische weg daarvoor is opengesteld.
Afdeling 5.2 Besluit
Artikel 5.2.1 Beslistermijn 1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing, instemmingsbesluit of andere toestemming binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de termijn met ten hoogste acht weken verlengen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. 4. Op de vergunning of ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5.2.2 Weigeringsgronden 1. 1.De vergunning of ontheffing kan worden geweigerd in het belang van: a. de volksgezondheid; b. de bescherming van het milieu; c. het woon- en leefklimaat; d. het uiterlijk aanzien van de gemeente;| e. het doelmatig beheer, gebruik of onderhoud van openbare plaatsen; 2. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Artikel 5.2.3 Voorschriften, voorwaarden en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning .
Artikel 5.2.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 5.2.5 Geldingsduur 1. De vergunning of ontheffing wordt verleend voor onbepaalde tijd. 2. In afwijking van het eerste lid kan of moet de vergunning voor bepaalde tijd worden verleend, als de aard van de vergunning of ontheffing zich tegen verlening voor onbepaalde tijd verzet. 3. Het tweede lid is in ieder geval van toepassing op de vergunning of ontheffing, als de Dienstenwet zich tegen verlening voor onbepaalde tijd verzet.
Afdeling 5.3 Intrekking of wijziging
Artikel 5.3.1 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder dit verzoekt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Hoofdstuk 6 Handhaving
Afdeling 6.1 Strafregels, toezicht en binnentreden woningen
Artikel 6.1.1 Strafregels 1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2. Overtreding van artikel 2.1.4, tweede en derde lid, artikel 2.1.5 en artikel 2.1.6, eerste tot en met vierde lid, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. 3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet op de economische delicten voorziet in strafbaarstelling. 4. Dit artikel is niet van toepassing op afdeling 2.3 en afdeling 3.5 (cultureel erfgoed) en hoofdstuk 4 (onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen).
Artikel 6.1.2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: a. de in artikel 141, onder b van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren; b. de in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering genoemde buitengewoon opsporingsambtenaar; c. de bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten belaste personen; d. de door het college dan wel de burgemeester aangewezen personen.
Artikel 6.1.3 Binnentreden woningen
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde en veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6.1.4 Opvolgen aanwijzingen Alle ambtenaren van de politie als bedoeld in artikel 141, onderdeel b, buitengewoon opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 142, eerste lid, en militairen van de Koninklijke marechaussee als bedoeld in artikel 141, onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering zijn bevoegd aanwijzingen en bevelen ter uitvoering van deze verordening te geven. Alle aanwijzingen en bevelen ter uitvoering van deze verordening gegeven door daartoe bevoegde functionarissen dienen stipt en onmiddellijk opgevolgd te worden.
Hoofdstuk 7 Overgangsrecht
Afdeling 7.1 Overgangsrecht
Artikel 7.1.1 Overgangsrecht 1. Besluiten, genomen krachtens de Verordening fysieke leefomgeving Reusel-De Mierden, vastgesteld op 12 december 2023, en die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing op: a. de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, of een aanvraag om een
beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend, b. de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, indien voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of c. een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is. 3. In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt: a. een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening; b. een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening, op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden. 4. Beperkingen waaronder een beschikking als bedoeld in het eerste of derde lid is verleend, worden gelijkgesteld met aan voorschriften als bedoeld in artikel 5.2.3.
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen
Afdeling 8.1 Inwerkingtreding en citeertitel
Artikel 8.1.1 Inwerkingtreding nieuwe en oude verordeningen en regels 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking. 2. De Verordening fysieke leefomgeving Reusel-De Mierden, vastgesteld op 12 december 2023, wordt ingetrokken.
Artikel 8.1.2 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Reusel-De Mierden 2025.
Aldus besloten in de vergadering van 4 februari 2025.
De raad voornoemd, de griffier, mw. I. de Groot
de voorzitter, mw. A.J.M.H. van de Ven
Bijlage 1 Kaart geurhinder
Bijlage 2 Begrippen Artikel 1.1 Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: -
APV: Algemene plaatselijke verordening Reusel-De Mierden;
-
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
-
Beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
Een beperkingengebied is een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of een object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied
-
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
-
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
-
fysieke leefomgeving: de fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed;
-
inrichting: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
-
omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet;
-
openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan;
-
weg: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
Artikel 1.2 Voor de toepassing van hoofdstuk 2 en afdeling 2.1 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
adres;
openbare ruimte;
pand;
standplaats;
verblijfsobject;
woonplaats;
dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen.
afgebakend terrein: een terrein met een kunstmatige of natuurlijke afbakening, waarop zich geen verblijfsobjecten bevinden en dat betreedbaar en afsluitbaar is.
nummeraanduiding: dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, met dien verstande dat deze bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- of cijfercombinatie, en ook betrekking kan hebben op een afgebakend terrein.
rechthebbende: een ieder die krachtens eigendom of een beperkt zakelijk recht of een persoonlijk recht zodanig beschikking heeft over een onroerende zaak dat hij naar burgerlijk recht bevoegd is om in die zaak te handelen zoals in deze afdeling is voorgeschreven, alsmede de beheerder.
Artikel 1.3
Voor de toepassing van hoofdstuk 2 en afdeling 2.2 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
•
feestdagen: Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste en tweede Kerstdag;
•
werkdagen: maandag tot en met zaterdag;
•
winkel: dat wat daaronder wordt verstaan in de Winkeltijdenwet;
Artikel 1.4 Voor de toepassing van hoofdstuk 2 en afdeling 2.3 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -
Archeologisch monument: Terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;
-
Archeologische vondst: Overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument;
-
Archeologisch verwachtingsgebied: Terrein dat in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening is aangewezen vanwege zijn betekenis voor de gemeentelijke archeologische monumentenzorg en geregistreerd is op de gemeentelijke archeologische beleidskaart;
-
Archeologisch vooronderzoek: In schriftelijke rapportage vastgelegd inventariserend onderzoek naar de geschiedenis van de archeologische waarden van een locatie in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, in de vorm van archeologisch bureauonderzoek of inventariserend veldonderzoek;
-
Archeologisch bureauonderzoek: Vorm van archeologisch onderzoek waarbij de aan- of afwezigheid , het karakter en de omvang , de gaafheid, de conservering en de relatieve kwaliteit van archeologische waarden worden bepaald aan de hand van bestaande bronnen over archeologische waarden die voor een bepaald gebied al bekend zijn of worden verwacht;
-
Archeologische begeleiding: Vorm van onderzoek waarbij de uitvoering van niet archeologische werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid. Het proces kan 3 doelen dienen: 1. Om bij afwezigheid van adequaat vooronderzoek door fysieke belemmeringen alsnog een vorm van inventariserend veldonderzoek te kunnen verrichten (cf. IVO-proefsleuven); 2. Om eventueel aanwezige archeologische informatie te behouden (cf. opgraven); 3. Om bij (beperkte) ingrepen in gewaardeerde terreinen aanwezige archeologische informatie te behouden (cf. opgraven).
-
Gemeentelijk beschermd cultuurgoed: Cultuurgoed als bedoeld in:
-
artikel 1.1. van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2.3.2.1 tweede lid van deze verordening;
-
Gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2.3.5.1 van deze verordening;
-
Gemeentelijk beschermde verzameling: Verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2.3.2.1, tweede lid van deze verordening;
-
Bodemarchief: Alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en daarin terecht is gekomen door activiteiten van mensen en door natuurlijke processen;
-
Bodemingreep: Alle grondwerkzaamheden/ activiteiten die een effect hebben op het voortbestaan van archeologische waarden in situ, ook wel bodemverstoring genoemd;
-
Bouwhistorisch onderzoek: Onderzoek, in een schriftelijke rapportage vastgelegd, naar de bouwgeschiedenis, de bouwhistorische kwaliteit en de monumentale waarde van een monument;
-
Certificaat: Certificaat als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 van de Erfgoedwet;
-
Cultuurhistorische ensemble: Een groep van gebieden en/of objecten met (stede)bouwkundige waarden, historisch-geografische of historische landschapswaarden die een nauwe samenhang hebben;
-
Cultureel erfgoed: Uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurende ontwikkelende waarden, overtuiging, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden;
-
Cultuurgoed: Roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;
-
Cultuurhistorisch onderzoek: In schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van een monument, een complex, van monumenten en/of een gebied, overeenkomstig de door het college te stellen eisen;
-
Cultuurhistorische waarde: De waarde die aan een gebied of object worden toegekend in verband met het voorkomen van (stede-)bouwkundige waarden, historisch-geografische of historische landschapswaarden al dan niet in onderlinge samenhang of beïnvloeding;
-
Deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg: Bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
-
Gebied met hoge archeologische verwachting (historische kern): Gebied of terrein in dat zich bevindt de zone die op de archeologische beleidskaart van de gemeente is aangeduid als categorie 3 en 4 en waarvan op basis van historische, geologische en/of bodemkundige opbouw een hoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht;
-
Gebied met lage archeologische verwachting: Gebied of terrein in dat zich bevindt de zone die op de archeologische beleidskaart van de gemeente is aangeduid als categorie 6 en waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw een lage dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht;
-
Gebied met een middelhoge archeologische verwachting: Gebied of terrein in dat zich bevindt de zone die op de archeologische beleidskaart van de gemeente is aangeduid als categorie 5 en waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw een middelhoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht;
-
Gebied zonder archeologische verwachting: Gebied of terrein in dat zich bevindt de zone die op de archeologische beleidskaart van de gemeente is aangeduid als categorie 7 en waarvan is vastgesteld dat de archeologische verwachting of archeologische waarde niet meer aanwezig is;
-
Gemeentelijk erfgoedregister: De lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als gemeentelijk beschermd monument aangewezen zaken en terreinen;
-
Gemeentelijk monument: Monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;
-
Commissie: gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, genaamd Adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden;
-
Gemeentelijke archeologische beleidskaart: Kaart meen ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke archeologische verwachtingsgebieden en het te voeren beleid, vastgesteld door de bevoegde overheid;
-
Gemeentelijke cultuurhistorische beleidskaart: Kaart met een ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke cultuurhistorisch waardevolle gebieden en het te voeren beleid, vastgesteld door de bevoegde overheid;
-
Inventariserend veldonderzoek (IVO): Vorm van onderzoek waarbij extra informatie wordt verworven om het gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologisch bureauonderzoek is gebaseerd aan te vullen en te toetsen door middel van waarnemingen in het veld;
-
Kerkelijk monument: Monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;
-
Lijst van beschermde dorpsgezichten: De lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht aangewezen gebieden;
-
Minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
-
Monument: Onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;
-
Normaal onderhoud: Noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van de monumentale waarde;
-
Opgraving: Het onderzoeken van archeologische vindplaatsen, met als doel de gegevens van de vindplaats te documenteren en daarmee de informatie te behouden die van belang is voorkennisvorming over het verleden. Opgravingen worden verricht door een partij met certificaat als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 van de Erfgoedwet en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse archeologen (KNA);
-
Plan van aanpak: Een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen te voldoen. Ook wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden;
-
Programma van eisen: Het programma van Eisen (PvE) is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft eb de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk;
-
Rijksmonument: Monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister;
-
Rijksmonumentenregister: Register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet;
-
Terrein van archeologische waarde: Gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische beleidskaart van de gemeente is aangeduid als categorie 2 en waar archeologische waarden, door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond, die als behoudenswaardig kunnen worden gekarakteriseerd;
-
Verzameling: Cultuurgoederen die die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen;
Artikel 1.5 Voor de toepassing van hoofdstuk 2 en afdeling 2.5 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
veehouderij:
inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet
milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren; Wet: de Wet geurhinder en veehouderij;
Artikel 1.6 Voor de toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 3.1, paragraaf 3.1.2 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
inrichting elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft
Artikel 1.7 Voor de toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 3.1, paragraaf 3.1.3 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -
Activiteitenbesluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
-
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
-
gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
-
gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
-
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
-
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
-
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
-
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 1.9
Voor de toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 3.6 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -
houtopstand: (lint)begroeiing van heesters en struiken in enige omvang, beplanting van een bosplantsoen, hakhout, een houtwal of één of meer bomen;
-
hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;
-
dunning: velling, welke uitsluitend als voorzorgsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;
-
monetaire boomwaarde: de financiële waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de
-
meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB);
-
bomen effect analyse: een gestandaardiseerde methode om de (negatieve) invloed van een (bouw)project in de nabijheid van bomen te beoordelen;
-
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
-
vellen het rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
Artikel 1.10 Voor de toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 3.7, paragraaf 3.7.1 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder venten het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 1.11 van deze bijlage;
c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 1.11 van deze bijlage of van het omgevingsplan.
Artikel 1.11 Voor de toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 3.7, paragraaf 3.7.2 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 APV.
Snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24 APV.
Artikel 1.12 Voor de toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 3.7, paragraaf 3.7.3 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
incidentele as verstrooiing : het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
Artikel 1.13 Voor de toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 3.7, paragraaf 3.7.4 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.