[24.19836] Verordening fysieke leefomgeving Reusel-De Mierden 2025
Tekst van het document
Verordening fysieke leefomgeving Reusel-De Mierden 2025 De raad van de gemeente Reusel-De Mierden; overwegende dat de Omgevingswet voorschrijft dat bepalingen betreffende de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk opgenomen worden in een omgevingsplan; gezien de behandeling van het voorstel door de commissie Ruimte op 20 januari 2025 besluit: de ‘Verordening fysieke leefomgeving Reusel-De Mierden 2025’ vast te stellen:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1.1 Inleidende regels
Artikel 1.1 Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet, zoals aangegeven in artikel 1.2 en 1.3 van die wet, en die niet mogen worden opgenomen in omgevingsplan.
Artikel 1.2 Doel van de verordening 1. Het doel van deze verordening is het samenbrengen van bestaande regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. 2. Deze regels worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) verwerkt in het omgevingsplan. 3. Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels:
a. een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; b. een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften
Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Afdeling 2.1 Naamgeving en nummering (BAG)
Artikel 2.1.1 Naamgeving woonplaatsen en openbare ruimte 1. Het college stelt de grens en de naam van een of meer woonplaatsen vast en kunnen deze in wijken en buurten verdelen. 2. Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare ruimte en zo nodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken. 3. Onder vaststellen, verdelen en toekennen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.
Artikel 2.1.2 Nummering objecten 1. Het college stelt de standplaatsen vast. 2. Het college kent nummeraanduidingen toe aan verblijfsobjecten en standplaatsen. 3. Zij bepalen de afbakening van panden, verblijfsobjecten en standplaatsen en afgebakende terreinen. 4. De toekenning of afbakening, bedoeld in het tweede en derde lid, kan ook op voor personen toegankelijke objecten, niet zijnde verblijfsobjecten, dan wel op afgebakende terreinen worden toegepast in bijzondere situaties indien het college dit noodzakelijk acht. 5. Onder vaststellen, toekennen en bepalen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan.
Artikel 2.1.3 Aanbrengen aanduiding 1. De door het college aan de openbare ruimte of een gedeelte daarvan toegekende namen, bedoeld in artikel 2.1.1 worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 2. De door het college aan een object toegekende nummers, bedoeld in artikel 2.1.2, tweede en vierde lid, worden door de rechthebbende daaraan op doeltreffende wijze aangebracht. 3. Het is eenieder die daartoe niet bevoegd is verboden namen aan de openbare ruimte of delen daarvan, dan wel nummers aan een pand, verblijfsobject of standplaats of afgebakend terrein toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen.
Artikel 2.1.4 Gedoogplicht naamaanduiding 1. Als het college het nodig oordeelt dat de door hen toegekende aanduidingen, bedoeld in artikel 2.1.1, tweede lid, aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, draagt de rechthebbende er zorg voor dat de hier bedoelde aanduidingen vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Als het college het nodig oordeelt een naamaanduiding, waarop de vervallen naam is doorgehaald, gedurende ten hoogste een jaar naast de naamaanduiding met de nieuwe naam te handhaven laat de rechthebbende dit toe. 3. De rechthebbende draagt er voor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde aanduidingen vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven.
Artikel 2.1.5 Aanbrengplicht nummeraanduiding 1. Tenzij het college anders heeft besloten, draagt de rechthebbende van een object er zorg voor dat de nummers, bedoeld in artikel 2.1.2, tweede lid, worden aangebracht overeenkomstig het krachtens artikel 2.1.6 bepaalde.
2. De rechthebbende draagt er zorg voor dat de nummers binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van het college zijn aangebracht. 3. Als een verblijfsobject of standplaats of afgebakend terrein nog niet gereed is gekomen, wordt het nummer binnen vier weken na het gereedkomen daarvan aangebracht. 4. Als het college het nodig oordeelt een nummeraanduiding, waarop het vervallen nummer is doorgehaald, gedurende ten hoogste een jaar naast de nummeraanduiding met het nieuwe nummer te handhaven laat de rechthebbende dit toe of geeft de rechthebbende daaraan uitvoering. 5. Het college kan de in het tweede en derde lid genoemde termijnen verlengen.
Artikel 2.1.6 Nadere regels 1. Het college kan nadere regels stellen over het proces en de wijze van: a. naamgeving en begrenzing van woonplaatsen, wijken, buurten en bouwblokken; b. naamgeving en begrenzing van de openbare ruimte; c. nummering van verblijfsobjecten en standplaatsen en afgebakende terreinen; d. opmaak van formulieren, besluiten en verklaringen. 2. De nadere regels zijn niet strijdig met het Convenant inzake postcodes.
Afdeling 2.2 Winkeltijden
Artikel 2.2.1 Algemene vrijstelling Voor de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Winkeltijdenwet vervatte verboden geldt een algemene vrijstelling: a. op zon- en feestdagen van 06.00 en 22.00 uur; b. op Goede Vrijdag en 24 december van 19.00 uur tot 22.00 uur.
Artikel 2.2.2 Individuele ontheffingen 1. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de Winkeltijdenwet vervatte verboden, voorzover deze betrekking hebben: a. op werkdagen voor 06.00 en na 22.00 uur; b. zon- en feestdagen voor 06.00 uur en na 22.00 uur; c. Goede Vrijdag en 24 december na 22.00 uur. 2. Aanvullend op de in artikel 5.2.2 genoemde weigeringsgronden kan de ontheffing worden geweigerd als de woon- en leefsituatie of de openbare orde in de omgeving van de winkel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van de winkel op basis van de ontheffing.
Afdeling 2.3 Cultureel erfgoed
Paragraaf 2.3.1 Algemeen
Artikel 2.3.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. Gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. Het bevat tenminste de plaatselijke en kadastrale aanduidingen, beschrijvingen van het monument met een motivering van de aanwijzing, tenaamstelling en datum van de aanwijzing; b. Gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid van de Erfgoedwet en instructies als
bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.
Paragraaf 2.3.2 Aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling
Artikel 2.3.2.1: Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1. Het college kan besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijke cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. 2. Het college kan besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling. 3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4.
Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijke beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan de commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a. door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en
b. Cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in lid 3.17 lid 1 van de Erfgoedwet. 6. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 2.3.2.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1. Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.2.1, lid 1 of lid 2, wijzigen of intrekken. Artikel 2.3.2.1, lid 4, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. door de minister beschermd cultuurgoed of verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of b. Beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.7 lid 1 van de Erfgoedwet. 3. Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Paragraaf 2.3.3 Aanwijzing gemeentelijk monument
Artikel 2.3.3.1 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college kan besluiten, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuur historische waarde zoals gedefinieerd in artikel 1 aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. De aanwijzing wordt gebaseerd op een redengevende beschrijving aan de hand van selectiecriteria die door het college zijn vastgesteld.
3. Voordat het college een monument aanwijst met een religieuze bestemming, dat uitsluitend of waarvan een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert het college overleg met de eigenaar. 4. Degenen die in de kadastrale registers als eigenaar en / of beperkt gerechtigde staan vermeld, de hypothecaire schuldeisers en - als om de aanwijzing is verzocht - de verzoeker worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. 5. Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt, tot het moment dat de registratie als bedoeld in artikel 2.3.3.2 heeft of vaststaat dat het monument niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 3.5.1.1 tot en met 3.5.1.4 bij wijze van voorbescherming van overeenkomstige toepassing. 6. Het college kan bepalen, dat ten behoeve van de aanwijzing van een monument als gemeentelijk monument een bouwhistorisch, cultuurhistorisch en / of archeologisch onderzoek wordt verricht. 7. Dit artikel is niet van toepassing op: a. Rijksmonumenten, en b. Monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17 lid 1 van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.
Artikel 2.3.3.2 Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.3.3.1, eerste lid wordt door het college schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 lid 1 van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar.
Artikel 2.3.3.3 Voorbescherming
1. De voorbescherming van paragraaf 3.5.1 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2.3.3.2, eerste lid is bekend gemaakt. 2. De voorbescherming als bedoeld in lid 1 vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 2.3.3.4 Advies commissie Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.3.3.1, eerste lid advies aan een commissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden.
Artikel 2.3.3.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 12 weken na ontvangst van het advies van de commissie, maar in ieder geval binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en beschrijving van het gemeentelijk monument. 3. Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is, beperkt de bescherming en registratie zicht tot dat specifieke deel. In de beschrijving dient dit tot uitdrukking te komen.
Artikel 2.3.3.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld als in artikel 8 lid 1 van de Kadasterwet. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 2.3.3.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument
1. In een spoedeisend geval kan het college een monument of een archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 2.3.3.4 wordt in dat geval aan de commissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt zodra het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.3.1, eerste lid. 3. Paragraaf 3.5.1 is overeenkomstig van toepassing vanaf het moment dat de zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 2.3.3.6 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.
Artikel 2.3.3.8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register, is paragraaf 2.3.3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologische monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17 derde lid van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Paragraaf 2.3.4 Rijksmonumenten, vervallen
Artikel 2.3.41, vervallen
Paragraaf 2.3.5 Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Artikel 2.3.5.1 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Het college zendt het voorstel voor advies aan de commissie, bedoeld in artikel 2.3.3.4 lid 1. 3. De gemeenteraad beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van de commissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in lid 2. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt. 7.
Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermend of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2.3.5.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.5.1 lid 1 wijzigen of intrekken. Artikel 2.3.5.1 lid 2 en lid 3, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. Beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid van de Omgevingswet. 3. Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 2.3.5.3 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1. Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. Artikel 3.5.1.4 is overeenkomstig van toepassing. 4. Het eerst lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 2.3.6 Archeologische verwachtingswaarden
Artikel 2.3.6.1 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als daar in
het omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing: a. Indien voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, lid 1, onder a van de Omgevingswet is verleend; b. Indien in het geldende omgevingsplan gespecificeerde archeologische verwachtingen en bepalingen zijn opgenomen omtrent de archeologische monumentenzorg, die in overeenstemming zijn met het vastgestelde gemeentelijke archeologiebeleid; c. In terreinen van archeologische waarde (categorie 2) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart: i. Bij bodemingrepen tot een diepte van 40 cm onder maaiveld; ii. Bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld met een omvang minder dan 100m2; d. In gebieden met een hoge archeologische verwachting, historische kern (categorie 3) als aangegeven op de gemeentelijk archeologische beleidskaart; i. Bij bodemingrepen tot een diepte van 40 cm onder maaiveld; ii. Bij bodemingrependieper dan 40 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 250m2 e. In gebieden met een hoge archeologische verwachting (categorie 4) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; i. Bij bodemingrepen tot een diepte van 40 cm onder maaiveld; ii.
Bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 500m2; f. In gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (categorie 5) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; i. Bij bodemingrepen tot een diepte van 40 cm onder maaiveld;
ii. Bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 2.500m2; g. In gebieden met een lage archeologische verwachting of geen verwachting (categorie 6 en 7) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart gelden geen beperkingen ten aanzien van archeologie; h. Indien de bodemverstoring plaatsvindt op basis van een door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg opgestelde deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade aan archeologische waarden wordt voorkomen. i.
Indien met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Artikel 2.3.6.2 Wijzigen kwalificatie van een locatie Op grond van een melding ingevolge artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet en op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan het college een terrein of locatie alsnog aanwijzen als een gemeentelijk archeologisch monument, gebied van archeologische waarde, of een gebied met hoge of middelhoge verwachting of een gebied met lage of geen archeologische verwachting.
Artikel 2.3.6.3 Omgevingsvergunning 1. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. het behoud van de archeologische waarde in voldoende mate is geborgd; of b. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of c. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
2. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. De verplichting tot het doen van inventariserend veldonderzoek en/of een opgraving; c. De verplichting tot de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een gecertificeerde partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 3. De gevraagde omgevingsvergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college in situ behouden dienen te blijven. 4. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in overeenstemming met paragraaf 3.1 van de Erfgoedwet zijn aangewezen als beschermd archeologisch rijksmonument.
Artikel 2.3.6.4 Archeologisch (voor)onderzoek en opgravingen 1. Indien binnen het grondgebied van de gemeente archeologisch (voor)onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de archeologische monumentenzorg, in de zin van de Erfgoedwet, dient dit onderzoek te voldoen aan de gemeentelijke archeologische richtlijnen die in aanvulling op programma’s van eisen door het college zijn vastgesteld en waarmee aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld aan de uitvoeringsmethodiek en rapportage van archeologisch onderzoek. 2. Indien binnen het grondgebied van de gemeente archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van paragraaf 5.1 van de Erfgoedwet, dient onverminderd de overige bepalingen van deze wet: a. Het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1.4 van bijlage 2 van deze verordening fysieke leefomgeving, waarbij nadere eisen worden gesteld aan het onderzoek;
b. De verstoorder, voorafgaand aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1.4 van bijlage 2 van deze verordening fysieke leefomgeving ter goedkeuring aan het college te overleggen; 3. In de nadere regels kan het college bepalingen opnemen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 4. Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere eisen voldoet, vraagt het college advies aan een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg.
Afdeling 2.4. Stilte gebieden en natuurgebieden
Artikel 2.4.1 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden of binnen een afstand van 30 meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen of aangrenzende erven.
Artikel 2.4.2. Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing als de activiteit is toegelaten bij of krachtens de Omgevingswet, in het bijzonder afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving en binnen de in het omgevingsplan aangewezen terreinen voor zover die activiteit daarbij is toegelaten of als sprake is van een situaties waarin wordt voorzien door de Zondagswet of het Besluit geluidsproductie sportmotoren.
Artikel 2.4.3 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, bossen, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen: a. zich buiten de wegen en opengestelde paden te bevinden; b. te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig of een bromfiets. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen, paarden:
a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29 eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijke gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid en tweede lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. c. binnen de in het omgevingsplan aangewezen terreinen voor zover die activiteit daarbij is toegelaten. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Afdeling 2.5 Geurhinder en veehouderij
Artikel 2.5.1:
Aanwijzing gebieden
Als gebieden als bedoeld in artikel 6 van de Wet worden de volgende gebieden aangewezen: A. Invloedsgebied woonkernen Reusel, Hulsel, Hooge Mierde, Lage Mierde.
De gebieden die de woonkernen Reusel, Hulsel, Hooge Mierde en Lage Mierde omsluiten en die nader aangegeven zijn op de bijlage 1 van deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. B. Invloedsgebied Buitengebied De gebieden buiten de woonkernen Reusel, Hulsel, Hooge Mierde en Lage Mierde en deze omsluiten. Het betreffen de kernrandzones, het agrarisch gebied (verweving en landbouwontwikkelingsgebied) en natuur welke nader zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. C. Invloedsgebied Bedrijventerrein Kleine Hoeven Het gebied dat het bedrijventerrein Kleine Hoeven omsluit en dat grenst aan woonkernen Reusel en gelegen is in de kernrandzone van Reusel.
Artikel 2.5.2:
Andere waarden voor de geurbelasting
In de gebieden A als omschreven in artikel 2.5.1 van deze afdeling, geldt de volgende andere waarde. Op grond van artikel 6, lid 1 van de Wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij voor zover de voor geur gevoelige objecten in het gebied zich bevinden binnen de bebouwde kom: 0,1 odour units (ouE/m3).
In gebied B als omschreven in artikel 2.5.1 van deze afdeling, geldt de volgende andere waarde. Op grond van artikel 6, lid 1 van de Wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geur gevoelige objecten: 5 odour units (ouE/m3).
In gebied C als omschreven in artikel 2.5.1 van deze afdeling, geldt de volgende andere waarde.
Op grond van artikel 6, lid 1 van de Wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geur gevoelige objecten: 10 odour units (ouE/m3).
In de gebieden A, B en C als omschreven in artikel 2.5.1 van deze afdeling, geldt de volgende andere waarde voor de vaste afstand van melkveehouderijen. Op grond van artikel 6, lid 3 van de Wet en in afwijking van artikel 4, lid 1 van de Wet bedraagt de vaste afstand van melkveehouderijen tot de voor geur gevoelige objecten, de in onderstaande tabel aangegeven waarde.
Vaste afstanden (meters)
Melkkoeien, jongvee, zoogkoeien
1-100
101-200
201-300
301-400
401 dieren
dieren
dieren
dieren
dieren
en meer
100
125
175
250
300
Buitengebied 50
70
90
140
180
Bebouwde kom
Hoofdstuk 3 Activiteiten
Afdeling 3.1 Openbare plaatsen
Paragraaf 3.1.1 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 3.1.1.1 Voorwerpen op of aan een openbare plaats 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. het gebruik niet voldoet aan de eisen van ruimtelijke kwaliteit. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,50 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 meter op de rijbaan voor fietsers en gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden voor zover deze regels niet zien op een activiteit die de fysieke leefomgeving wijzigt, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit. 6. Het verbod is niet van toepassing: a. op evenementen als bedoeld in artikel 2:24 APV; b.
op standplaatsen als bedoeld in artikel 3.7.2.1 van deze verordening of het omgevingsplan; c. in overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; d. als door het gebruik, bedoeld in het eerste lid, de fysieke leefomgeving wijzigt, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit. 7. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of
krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. 8. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt en waarvoor op basis van het vierde lid geen ontheffing is vereist
Artikel 3.1.1.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeersweg 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepqaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Verordening ondergrondse infrastructuur.
Artikel 3.1.1.3 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.2 kan de vergunning worden geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het bevoegd gezag kan nadere regels vaststellen ten aanzien van het maken of veranderen van een uitweg. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
Artikel 3.1.1.4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 3.1.1.5 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 3.1.1.6 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 3.1.1.7 Objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Paragraaf 3.1.2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 3.1.2.1 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 3.1.2.2 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijke leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Paragraaf 3.1.3 voorkomen en beperken geluidshinder en hinder van verlichting
Artikel 3.1.3.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. Als collectieve festiviteiten worden aangewezen: a. Carnaval (zaterdag tot en met dinsdag per dorpskern); b. Kermis (de dagen waarop de kermis per dorpskern plaatsvindt); en c. Jaarwisseling in de gehele gemeente.
2. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a, en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.1.3.3 gelden niet voor de aangewezen collectieve festiviteiten. 3. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor de aangewezen collectieve festiviteiten. 4. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 5. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L ArLT) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A) en 85 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 6. De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid, geldt zowel voor het bebouwde gedeelte van de inrichting als voor de buitenruimte. 8.
Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, als bedoeld in de artikelen 2.17, 2:17a, 2.19, 2:19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.1.3.3, uiterlijk om 01.00 uur beëindigd wanneer sprake is van de buitenruimte. Wanneer sprake is van het bebouwde gedeelte van de inrichting wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm uiterlijk beëindigd op het tijdstip dat de inrichting conform artikel 2:29 APV gesloten moet worden. 9. Bij het ten gehore brengen van extra muziek in het bebouwde gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 10. Het college kan nadere regels vaststellen met andere normen dan bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 3.1.3.2 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 4 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.1.3.3 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 4 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. De melding is gedaan wanneer het formulier als bedoeld in artikel 5.1.1, eerste lid, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 4. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 5.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L ArLT) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A) en 85 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 6. De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 7. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.1.3.3, uiterlijk om 01.00 uur beëindigd wanneer sprake is van de buitenruimte. Wanneer sprake is van het bebouwde gedeelte van de inrichting wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm uiterlijk beëindigd op het tijdstip dat de inrichting conform artikel 2:29 APV gesloten moet worden.
8. De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid, geldt zowel voor het bebouwde gedeelte van de inrichting als voor de buitenruimte. 9. Bij het ten gehore brengen van extra muziek in het bebouwde gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 10. Het college kan nadere regels vaststellen met andere normen dan bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 3.1.3.3 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1 onder d, van het Besluit geluidhinder zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.
2. Tabel:
07.00-
19.00-
23.00-
19.00
23.00
07.00
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
3. Onversterkte muziek vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode is uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 3.1.3.1 en 3.1.3.2.
Artikel 3.1.3.4 Geluidhinder in de openlucht 1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau;
b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. 5. Het verbod is niet van toepassing als de activiteit bij of krachtens de Omgevingswet is toegelaten of sprake is van een situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 3.1.3.5 Geluidhinder door dieren Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.
Artikel 3.1.3.6 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.
Artikel 3.1.3.7 Geluidhinder door vrachtauto’s 1. Het is verboden een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 3.1.3.8 Routering 1. Het is verboden met een vrachtauto als bedoeld in artikel 3.1.3.7 waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 uur en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 3.1.3.9 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende en/of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt of een ernstig risico bestaat op letsel en/of ander vormen van gehoorschade. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het college kan nadere regels vaststellen om geluidhinder en letsel en/of andere vormen van gehoorschade, bedoeld in het eerste lid, te voorkomen. 4. Het verbod is niet van toepassing als de activiteit bij of krachtens de Omgevingswet is toegelaten of sprake is van een situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
Afdeling 3.2 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten (vervallen)
Paragraaf 3.2.1 Bodem bouwgrond (vervallen)
Artikel 3.2.1.1 Indeling van het gebied van de gemeente (vervallen)
Artikel 3.2.1.2 Bodemonderzoek (vervallen)
Artikel 3.2.1.3 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem (vervallen)
Artikel 3.2.1.4 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen (vervallen)
Artikel 3.2.1.5 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften (vervallen)
Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten
Artikel 3.3.1 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 3.3.2 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Artikel 3.3.3 Ballonnen oplaten 1.
Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete
lucht afkomstig van vuur op te laten stijgen. 2.
Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon,
sfeerballon, geluks-lampion, Thaise wensballon, papierballon en geluks-ballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur en zonder sturing wegdrijft. 3.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
4.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een heteluchtballon, zijnde
een luchtvaartuig. 5.
Het college kan nadere regels vaststellen ten behoeve van het op laten stijgen van
ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van helium of andere gassen.
Afdeling 3.4 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente
Artikel 3.4.1 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van tien meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 3.4.2 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 3.4.3 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 3.4.4 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet Milieubeheer, zoals die luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.4.5 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 3.4.5a Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 3.4.5, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.
Artikel 3.4.6 Reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 3.4.7 Grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 uur tot 18.00 uur. 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.
Artikel 3.4.8 Uitzichtbelemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 3.4.9 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (vervallen)
Artikel 3.4.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook (onder groenstroken wordt mede verstaan: bermen), of het daarin te doen of laten staan. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 3.4.11 Overlast van fietsen of bromfietsen 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen, bromfietsen of vergelijkbare vervoermiddelen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden fietsen, bromfietsen of vergelijkbare vervoermiddelen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan. 3. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen, bromfietsen of vergelijkbare vervoermiddelen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.
Artikel 3.4.12 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbaar wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Afdeling 3.5 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed
Paragraaf 3.5.1 Bescherming gemeentelijk monument
Artikel 3.5.1.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 3.5.1.2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder een omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. De uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. Alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. c. Het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is, is met inachtneming van de monumentale waarden: Plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; Doen van begravingen of asbijzettingen, of Ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.
3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Ook kan het nadere regels van de aanvrager verlangen, waaronder de resultaten van een bouwhistorisch onderzoek, een cultuurhistorische analyse of een werkomschrijving van de werkzaamheden/bestek van de werkzaamheden. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van een verbod, bedoeld in lid 1, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in lid 2. 4. Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de commissie voor advies of, indien het een archeologisch monument betreft, aan een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg voordat zij beslissen op de aanvraag. Binnen 4 weken na de datum van verzending van het afschrift van deze aanvraag brengt de commissie schriftelijk advies uit aan het college.
Artikel 3.5.1.3 Intrekken van de vergunning (vervallen)
Artikel 3.5.1.4 Weigeringsgronden 1. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overleg met de eigenaar.