CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

24.13194 Memo inpassing natuurvergunningen 18-06-2024

Gemeenteraad 24 september 2024, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied 20231.635 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Juridisch kader één op één inpassing onherroepelijke natuurvergunningen Uitleg van het probleem Veehouderijbedrijven kunnen vergunde, niet-gerealiseerde ruimte (latente ruimte) in de 'natuurtoestemming' hebben en deze latente ruimte inzetten voor interne saldering in het projectspoor. Deze latente ruimte ziet vaak toe op emissiearme stalsystemen. Tijdens de ontwerpfase van het bestemmingsplan was de kamerbrief van de Minister in reactie op de gerechtelijke uitspraken en de daarop volgende vergunningenstop van de provincie Noord-Brabant leidend: voor alle emissiearme stalsystemen, inclusief luchtwassers, moet een passende beoordeling gemaakt worden. Dit betekent dat niet-gerealiseerde vergunde emissiearme stalsystemen opnieuw passend beoordeeld moeten worden^üit de Raad van State uitspraak Den Hout van januari 2024 volgt dat dit alleen geldt voor de onderzochte (brongerichte) emissiearme stalsystemen waar de jurisprudentie zich op richt en dus niet voor de niet-onderzochte stalsystemen inclusief alle luchtwassers. Dit neemt niet weg dat er 'signalen' zijn dat de gecombineerde biologische luchtwassers niet altijd 85lXi ammoniak reduceren. Momenteel loopt er vanuit de provincie Noord-Brabant i.s.m. de WüR een onderzoek naar maatregelen om de werking van gecombineerde luchtwassers te verbeteren.

Het Ministerie van LNV is ook betrokken en wil de onderzoeksresultaten betrekken voor landelijk beleid. Het kan zijn dat er aanvullende maatregelen nodig zijn om 85'Xi te kunnen waarborgen en dat leaflets of wetgeving hierop worden aangepast. Daarnaast spelt mee dat uit jurisprudentie volgt dat de (oude) RAV-emissiefactoren (nu opgenomen in Bijlage V van de Omgevingsregeling) bedoeld zijn voor het 'milieuspoor' en niet zonder nadere beoordeling kunnen worden toegepast in het 'natuurspoor'. In alle onherroepelijke natuurvergunningen is de RAV- emissiefactor aangehouden zonder nadere beoordeling (in theorie kunnen er recente natuurvergunning zijn verleend waarbij wel de nadere beoordeling heeft plaatsgevonden, maar gezien de vergunningenstop van de provincie NB is dit niet heel waarschijnlijk). üit artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als de met een bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Dat is het geval als een plan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen voor die gebieden kunnen hebben.

üit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: 'de Afdeling') blijkt dat in het planspoor significante gevolgen door de stikstofuitstoot op voorhand kunnen worden uitgesloten, indien voor de gebruiksmogelijkheden in het plan wordt aangesloten bij de feitelijk en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. In een dergelijk geval kan een passende beoordeling achterwege blijven. Er geldt ook geen verplichting om een passende beoordeling op te stellen, indien gebruik kan worden gemaakt van de uitzondering als bedoeld in artikel 2.8 lid 2 van de Wnb (de zogenoemde één-op-één inpassing van een natuurvergunning die reeds passend is beoordeeld). Deze bepaling luidt als volgt: "2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.".

De in het projectspoor verkregen natuurtoestemming kan op grond van de in artikel 2.8 lid 2 van de Wnb vastgelegde uitzonderingsregeling, onder omstandigheden, worden ingezet in het planspoor. In een bestemmingsplan kan worden aangesloten bij de mogelijkheden die voortvloeien uit een (1) natuurvergunning die ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan in rechte onaantastbaar was, (2) waaraan een passende beoordeling ten grondslag heeft gelegen, én (3) die in het bestemmingsplan één-op-één is ingepast. Gelet op artikel 2.8 lid 2 van de Wnb kan dan een nieuwe passende beoordeling voor het plan in beginsel achterwege blijven, als (4) een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van de reeds natuurvergunde projecten. De veronderstelling daarbij is dat de planologische mogelijkheden al passend zijn beoordeeld in het kader van de verlening van de natuurvergunning en een nieuwe passende beoordeling voor het bestemmingsplan geen nieuwe inzichten geeft.

Voor de toepassing van de uitzondering op het maken van een passende beoordeling als bedoeld in artikel 2.8 lid 2 van de Wnb betekent het voorgaande dat een bestemmingsplan zonder passende beoordeling op grond van artikel 2.8 lid 2 van de Wnb kan worden vastgesteld, indien aan de volgende (cumulatieve) voorwaarden wordt voldaan: - er moet sprake zijn van een onherroepelijk besluit waaraan een passende beoordeling ten grondslag ligt; - de natuurvergunde situatie moet zijn geborgd in de planregels, waarbij uit oogpunt van rechtszekerheid duidelijk moet zijn welke natuurvergunning precies wordt bedoeld, door bijvoorbeeld te verwijzen naar de datum en het kenmerk van de natuurvergunning dan wel deze als bijlage bij de planregels te voegen; én - er dienen redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten te zijn op basis waarvan een nieuwe passende beoordeling moet worden opgesteld. Als een bestemmingsplan andere of gewijzigde activiteiten mogelijk maakt dan de (eerder) natuurvergunde situatie, moet daarvoor voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan een ecologisch onderzoek (voortoets) worden uitgevoerd om te beoordelen of - als gevolg van dit meerdere - significante gevolgen optreden voor Natura 2000-gebieden.

Als op grond van objectieve gegevens uit dat onderzoek volgt dat significante gevolgen op de betrokken gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient ook een passende beoordeling te worden gemaakt. Het bestemmingsplan kan in dat geval pas worden vastgesteld nadat de gemeenteraad uit de passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.

Waarom is gekozen voor geen generieke één op één inpassing van onherroepelijke natuurvergunningen in Bestemmingsplan Reusel de Mierden Omwille van de juridische houdbaarheid van het bestemmingsplan is ervoor gekozen om in het ontwerpbestemmingsplan niet actief de onherroepelijke natuurvergunningen (Nbwet of Wnb) van veehouderijen één-op-één in te passen, om te dienen als uitgangssituatie voor het stikstofplafond (i.p.v. de feitelijke planologische legale situatie). Niet iedere onherroepelijke natuurvergunning kan namelijk één op één ingepast worden: ^ De Wnb-vergunningen die zijn verleend met toepassing van de Programmatische Aanpak Stikstof (met toepassing van de PAS-referentiedatum en/of PAS-ontwikkelruimte) kunnen niet ingepast worden. ^ Bij één op één inpassing van natuurvergunningen (Nbwet en Wnb) met vergunde, niet-gerealiseerde ruimte (latente ruimte) moet beoordeeld zijn of een nieuwe passende beoordeling kan leiden tot andere inzichten waardoor significant nadelige gevolgen voor Natura2000 gebieden niet zijn uitgesloten.

Gezien het grote aantal veehouderijen in de gemeente Reusel-De Mierden is besloten om voor dit bestemmingsplan niet alle onherroepelijke natuurvergunningen één voor één inhoudelijk te beoordelen. Een aantal veehouderijen hebben in een zienswijze verzocht om een onherroepelijke natuurvergunning op te nemen in het bestemmingsplan, echter daarbij hebben ze niet onderbouwd waarom de specifieke natuurvergunning wél inpasbaar zou zijn op basis van de actuele lijn in jurisprudentie en ook geen nieuwe passende beoordeling aangeleverd. Dus zijn ook deze specifieke natuurvergunningen niet één op één ingepast in het bestemmingsplan. Als een zienswijze was voorzien van een toereikende onderbouwing waaruit blijkt dat de natuurvergunning niet toeziet op de (brongerichte) emissiearme stalsystemen waar de jurisprudentie op toe ziet, of in geval van overige emissiearme stalsystemen -met name gecombineerde luchtwassers - niet voorzien is van een voortoets of indien nodig een nieuwe passende beoordeling, kan de natuurvergunning niet één op één ingepast worden zonder dat de gemeente zelf de natuurvergunning opvraagt en beoordeelt en indien nodig een voortoets of passende beoordeling opstelt. Vanuit het oogpunt van kosten en tijd is hier niet voor gekozen. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de veehouder.

Geen enkele zienswijze is voorzien van een afschrift van de genoemde onherroepelijke natuurvergunning en ook niet voorzien van een toereikende onderbouwing, voortoets of (nieuwe) passende beoordeling.

Wat betekent dit voor veehouders in de praktijk Het niet opnemen van de onherroepelijke natuurvergunning in het bestemmingsplan doet niets af aan het onherroepelijke karakter van de natuurvergunning. Dit betekent alleen dat veehouderijen die in de toekomst hun latente stikstofruimte in de natuurvergunning willen gaan benutten moeten afwijken van de stikstofregeling in het bestemmingsplan en daarvoor een omgevingsplanactiviteit-vergunning (omgevingsvergunning) moeten aanvragen en op basis van actuele inzichten onderbouwen dat de aangevraagde situatie het aspect stikstof niet leidt tot significant nadelige effecten voor Natura2000 gebieden. Dit gaat in de praktijk samen met andere activiteiten waarvoor toch al een omgevingsvergunning met stikstofonderbouwing nodig is, zoals milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Nadeel voor de veehouder: 1. Extra kosten (legeskosten en advieskosten voor opstellen aanvraag) 2. In geval in de toekomst het reductiepercentage van een emissiearm stalsysteem of luchtwasser wettelijk wordt verlaagd en de emissie per dier dus hoger wordt, kan geen omgevingsvergunning (bopa) worden verleend voor afwijken van het bestemmingsplan, ook al is er een onherroepelijke natuurvergunning.

Als in de tussentijd extra maatregelen verplicht zijn geworden om de ammoniakreductie te waarborgen (opgenomen in de wet en/of leaflet), zullen deze betrokken moeten worden in de aanvraag Bopa, ook al staan deze niet in de natuurvergunning. Kortgezegd: de veehouder zal zijn aanvraag om een Bopa moeten aanpassen op basis van de actualiteit en gezien alle onzekerheden omtrent stikstof en emissiearme stalsystemen is de kans aanwezig dat ze geen bopa verleend kunnen krijgen voor exact de onherroepelijke natuurvergunning. Punt 2 is tevens de reden waarom je als gemeente terughoudend wilt zijn met één op één inpassen van een onherroepelijke natuurvergunning voor een emissiearm stalsysteem, waarbij sprake is van latente ruimte die later ingezet kan worden voor interne saldering. Je wilt als gemeente voorkomen dat je nu al planologische toestemming geeft voor een toekomstig (bouw)plan wat in de toekomst niet meer mogelijk kan zijn, maar wat je op dat moment niet kunt tegenhouden of beïnvloeden, omdat er een onherroepelijke natuurvergunning ligt en het bestemmingsplan (omgevingsplan) de activiteit rechtstreeks toelaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=58985034-576d-426b-b58d-7cfacc33f768