CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[24.10259] Samenvatting PlanMER Buitengebied 2023

Gemeenteraad 24 september 2024, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied 20237.113 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Samenvatting MER MER van 8 juni 2023 en Aanvulling MER van 15 mei 2024 1. Herziening van het bestemmingsplan buitengebied De geldende juridische planologische situatie van het buitengebied van de Brabantse gemeente Reusel-De Mierden dateert uit 2009. In 2013 is dit bestemmingsplan op onderdelen herzien, uitsluitend met betrekking op de ontwikkelingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderijen. Er zijn in het verleden wel stappen gezet om het bestemmingsplan buitengebied te actualiseren, maar het in 2016 opgestelde ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied 2017" is niet vastgesteld. Door het vaststellen van de gemeentelijke Omgevingsvisie in 2018 (gemeente Reusel-De Mierden, 2018) is dat plan niet meer actueel. Daarnaast is inmiddels het provinciaal beleid gewijzigd door de Interim omgevingsverordening NoordBrabant (Provincie Noord-Brabant, 2019-2021). Op 7 juli 2020 heeft de gemeenteraad de nota van uitgangspunten voor het buitengebied vastgesteld, waarin beleidskeuzes worden gemaakt die later in het bestemmingsplan worden door vertaald (Nota van Uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied 2021). Het doel van het nieuwe bestemmingsplan is het bieden van een actueel, eenduidig en uitvoerbaar planologisch-juridisch beleidskader voor het buitengebied van de gemeente.

Enerzijds is het gericht op het beheer van bestaande kwaliteiten en functies, anderzijds biedt het binnen randvoorwaarden ook mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen, kwaliteiten en functies. Voor het realiseren van het gewenste vitaal en bruisend buitengebied van de gemeente, wil de gemeente aan boeren en ondernemers op de juiste plaats ruimte bieden om verder te kunnen ontwikkelen. Daarnaast wordt herontwikkeling van stoppende of reeds gestopte agrarische bedrijven met één of meerdere andere functies vergemakkelijkt. Belangrijke randvoorwaarden hiervoor zijn verbetering van het woon- en leefklimaat en versterking van de omgevingskwaliteit. Op basis van de door de raad vastgestelde Nota van Uitgangspunten (juli 2020) is het voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2021 opgesteld. Dit voorontwerp bestemmingsplan heeft van maandag 11 januari 2021 tot en met maandag 22 februari 2021 ter inzage gelegen. Naar aanleiding van het voorontwerp bestemmingsplan zijn reacties binnengekomen. Om de gemeenteraad hierover te consulteren is een Addendum op de Nota van Uitgangspunten opgesteld. Hierin is een aantal te maken beleidsmatige keuzen benoemd voor de verwerking van die reacties. De voorstellen met betrekking tot de beleidsmatige wijzigingen zijn beperkt van aard.

Het college en de gemeenteraad hebben in het najaar van 2021 ingestemd met de beleidsmatige keuzen zoals verwoord in het addendum. De naam van het (ontwerp) bestemmingsplan is geactualiseerd naar bestemmingsplan Buitengebied 2023. Op 30 juni 2023 is door het college het ontwerp-bestemmingsplan Buitengebied 2023 vastgesteld en heeft vanaf 3 juli 2023 voor 8 weken ter inzage gelegen.

2. Milieueffectrapport met focus op mogelijke milieugevolgen veehouderij Het voorgenomen planologisch beleid voor de veehouderij kan worden aangemerkt als een kader voor latere m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten, te weten besluiten over de omgevingsvergunning van veehouderijen met een omvang boven de drempelwaarde. Om die reden dient voor het bestemmingsplan de m.e.r.-procedure te worden doorlopen en is een milieueffectrapport (MER) opgesteld, met de focus op de mogelijke milieugevolgen van de ontwikkeling van veehouderijen in relatie tot de planologische ruimte die is opgenomen in het bestemmingsplan buitengebied. In 2020 is een Notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) opgesteld. Deze notitie beschrijft de opzet en inhoud van het op te stellen MER. Iedereen kon een zienswijze geven op de inhoud van de NRD en aangeven wat in het milieueffectrapport moet worden onderzocht. Op basis van de NRD en ingediende zienswijzen is vervolgens het MER opgesteld en zijn de milieueffecten van het bestemmingsplan inzichtelijk gemaakt.

De milieugevolgen van het ontwerp-bestemmingsplan zijn onderzocht in het 'MER bestemmingsplan Buitengebied 2023, Pouderoyen Tonnaer, 8 juni 2023', dat als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd. De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over het MER en ook de zienswijzen op het ontwerp-bestemmingsplan hierbij te betrekken. In het toetsingsadvies van 2 november 2023 spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER. De Commissie signaleerde bij de toetsing van het MER dat nog belangrijke informatie ontbreekt om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over het bestemmingsplan door de gemeenteraad. Het MER is op basis van het toetsingsadvies en ingekomen zienswijzen aangevuld en geactualiseerd in het rapport 'Aanvulling MER Bestemmingsplan Buitengebied, Pouderoyen Tonnaer, 1 mei 2024'. Het MER van 8 juni 2023 en de aanvulling van 1 mei 2024 vormen samen 'het MER' waar deze samenvatting op toeziet en op basis waarvan besluitvorming over het bestemmingsplan plaatsvindt. Het MER en de ingebrachte zienswijzen en adviezen worden meegewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad.

3. Onderzochte scenario's In het MER worden de mogelijke milieueffecten ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan in beeld gebracht. Omdat niet bekend is hoe de ontwikkeling er exact uit gaat zien (welke bedrijven gaan stoppen, welke bedrijven gaan groeien) is er gewerkt met ontwikkelscenario's. Er zijn voor de veehouderij twee scenario's onderzocht: een trendmatig scenario en een worstcase scenario. Uit een trendanalyse blijkt dat komende 10 jaar de trend naar minder, maar grotere veebedrijven zal doorzetten. Bij deze ontwikkeling nemen groeiende veehouderijen grond, productierechten, ammoniakrechten en (in geval van hokdieren) stalderingsmeters over van de stoppende bedrijven.

Trendmatig scenario Uit BVB-gegevens volgt een afname van de vergunde omvang van de veestapel in Reusel-De Mierden. De afwijking tussen vergunde dieraantallen en werkelijke dieraantallen is gebaseerd op provinciale CBS-cijfers (2022). Dit geeft een realistisch beeld van de trendmatige ontwikkeling. Bij het gebruiken van de provinciale CBS-cijfers zijn de diercategorieën die niet in de gemeente Reusel-De Mierden aanwezig zijn buiten beschouwing gelaten. De trend binnen de provincie Noord-Brabant is dat bij een gelijkblijvende of groeiende veestapel het aantal bedrijven gestaag afneemt (schaalvergroting).

Worstcase scenario Het worstcase scenario gaat uit van maximale benutting van de planologische mogelijkheden die het nieuwe bestemmingsplan biedt. Met toepassing van het worstcase scenario worden de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan in beeld gebracht. Voor varkensbedrijven kunnen vooral normen op het gebied van geur en ammoniak sturen in de ontwikkelingsmogelijkheden. Voor pluimveebedrijven kunnen vooral normen op het gebied van luchtkwaliteit (fijn stof, endotoxine) sturen in de ontwikkelingsmogelijkheden. Ook is de (voormalige) Wet natuurbescherming van belang (deze wet is per 1 januari 2024 onderdeel geworden van de Omgevingswet). Hierbij gaat het om sturing op de effecten van de veehouderij (bebouwingsmogelijkheden, ruimtelijke inpassing, geurbelasting, concentratie fijn stof, ammoniakemissie en stikstofdepositie) en niet om een directe sturing op dieraantallen. De omvang, spreiding en uitvoering van melkveebedrijven wordt in mindere mate ruimtelijk gestuurd door provincie en gemeenten. Voor deze bedrijven zijn vooral de (voormalige) Wet natuurbescherming, de provinciale staleisen in de Omgevingsverordening en bestemmingsVomgevingsplannen van belang. Ook hierbij gaat het om een sturing op effecten (bebouwingsmogelijkheden, ruimtelijke inpassing) en niet om een directe sturing op dieraantallen.

4. Waarmee zijn de milieueffecten vergeleken? Voor het MER is het van belang om te bepalen wat de huidige situatie is en welke ontwikkelingen voorzien zijn. De huidige situatie is gebaseerd op vergunningen en meldingen van veehouderijbedrijven in combinatie met de planologisch legale situatie. De vergunde dieraantallen kunnen afwijken van de werkelijk gehouden dieraantallen. In de voortoets voor Natura2000-gebieden moet uitgegaan worden van de feitelijke, planologisch legale situatie. Hiervoor is de vergunde situatie gecorrigeerd voor veebezetting op basis van een gemiddeld bezettingspercentage van 80% (afgeleid van CBS-gegevens). Over de autonome ontwikkelingen in de referentiesituatie moet al besluitvorming hebben plaatsgevonden. De belangrijkste autonome ontwikkeling is de Omgevingsverordening Noord-Brabant (voormalige IOV). Hierin staan wettelijke eisen opgenomen voor de maximale emissies van ammoniak die veehouderijbedrijven mogen uitstoten. Verouderde stallen van 10 tot 15 jaar oud, moeten worden aangepast in de periode 2024-2028. De volgende referentiesituaties zijn in het MER onderzocht: 1) Huidige situatie vergund. 2) Huidige situatie vergund, met CBS-correctie voor veebezetting. Dit is de referentie voor de voortoets voor de Natura2000-gebieden.

3) Huidige situatie vergund, met CBS-correctie voor veebezetting en alle bedrijven voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting én IOV*. Dit is de referentie voor het MER. * Staleisen provincie Noord-Brabant m.b.t. de emissie van ammoniak; de IOV is per 1 januari 2024 vervangen door de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De emissie-eisen voor dierenverblijven zijn niet gewijzigd.

5. Ontwikkeling veehouderij in Reusel - De Mierden In de gemeente Reusel-De Mierden bevinden zich in juni 2022 166 veehouderijbedrijven met een vergunning of melding voor het behouden van vee binnen het plangebied (web BVB, 30 juni 2022). Hiervan zijn er 100 (circa 60%) een volwaardig agrarisch bedrijf. De volwaardige bedrijven zijn vooral gespecialiseerde melkrundvee- en varkensbedrijven. Een deel van de bedrijven is mogelijk (gedeeltelijk) gestopt met de veehouderijactiviteiten of aan het afbouwen, maar beschikt nog wel over een vergunning. Het is ook mogelijk dat de vergunning nog staat geregistreerd in web BVB /KRD, terwijl planologisch geen sprake meer is van een veehouderij. De veehouderijen liggen verspreid over het plangebied, met uitzondering van de natuurgebieden behorend tot Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000 gebieden in het noorden en zuidoosten. Hierdoor zijn de veehouderijen gevestigd tussen de natuurgebieden en de kernen van Reusel en de dorpen Hooge Mierde, Lage Mierde en Hulsel. In het gebied ten zuidwesten van Reusel zijn een aantal grote varkenshouderijen gevestigd. In het noorden van het plangebied is een groot aantal bedrijven met een vergunning voor rundvee aanwezig. Een aanzienlijk gedeelte van de veehouderijen liggen binnen een kilometer van de kernen Reusel, Hulsel en Hooge Mierde (34% binnen 500 meter, 57% binnen een kilometer).

Dit betreft voornamelijk kleinere veehouderijen. De afgelopen jaren is het aantal veehouderijbedrijven in het buitengebied van gemeente Reusel-De Mierden afgenomen. Dit blijkt uit de opgave veebezetting in landbouwtellingen van het centraal bureau statistiek (CBS, opgave veebezetting in landbouwtellingen). Alle type veehouderijbedrijven zijn in aantallen gedaald sinds het jaar 2000. Het aantal varkens-, rundvee- en paardenbedrijven is sterk gedaald, met respectievelijk -64%, -57% en -6^ in 2020 ten opzichte van 2000. Uit de gegevens blijkt geen algemene eenduidige stijging of daling van het aantal dieren. Het aantal rundvee, paarden en kippen laat overwegend een dalende trend zien. Het aantal varkens is sinds 2000 gestaag toegenomen en deze trend is in 2020 gebroken door een afname ten opzichte van voorgaande jaren. Het aantal geiten is na 2012 sterk gaan dalen.

Plantaardige teelten Naast de veehouderijbedrijven zijn er agrarische bedrijven met plantaardige teelten. Binnen de gemeente zijn akkerbouw-, tuinbouw- en glastuinbouwbedrijven en bedrijven met grasland en groenvoedergewassen aanwezig. Het grootste aantal bedrijven bestaat uit percelen grasland en groenvoedergewassen, gevolgd door akkerbouwbedrijven. De akkerbouwbedrijven bezitten het grootste oppervlakte landbouwgrond. Daarnaast zijn er ook tuinbouwbedrijven open grond, waarvan het grootste gedeelte boomkwekerijgewassen en vaste planten. Vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing (VAB) Gerelateerd aan de ontwikkelingen in de landbouwsector en de transitie van de veehouderij, vindt in toenemende mate beëindiging van agrarische bedrijven plaats. Voor veel gestopte agrariërs geldt dat zij nog op het erf blijven wonen en de bedrijfsgebouwen voor hobbymatige agrarische activiteiten gebruiken. Op andere locaties worden de bedrijfsgebouwen hergebruikt door andere agrarische bedrijven, waarbij de voormalige agrarische bedrijfswoningen door derden worden bewoond. Daarnaast vindt er in veel gevallen ook herbestemming plaats. De plattelandseconomie wordt hierdoor multifunctioneler en hergebruik biedt kansen om het buitengebied leefbaar en vitaal te houden. In het verleden lag het accent bij het hergebruik van VAB-locaties op kleine familiebedrijven met verouderde bebouwing.

Door de schaalvergroting in de landbouw is echter een deel van de agrarische bedrijven steeds omvangrijker geworden en zijn de stallen steeds groter. Leegstand van vrijkomende agrarische bebouwing kan grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van het buitengebied. Om onwenselijke gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen zijn een aantal nieuwe beleidsvoorstellen met betrekking tot sloop en hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing opgenomen in de Nota van Uitgangspunten. In alle gevallen moet de nieuwe functie naar aard en omvang passend zijn in de omgeving en leiden tot verbetering van de omgevingskwaliteit. De in de gemeentelijke Omgevingsvisie opgenomen gebiedszonering biedt een handvat bij de beoordeling van aanvaardbaarheid van nieuwe functies in het gebied. Niet-agrarische bedrijven De niet agrarische bedrijven in het buitengebied bevinden zich met name in de nabijheid van de kernen en de bebouwingslinten. Met name in het gebied ten noorden van Reusel is het onderscheid tussen de agrarische sector, de industrie en de dienstverlening vervaagd. Alle positief bestemde bedrijven zijn volgens het huidige bestemmingsplan vastgelegd. De landbouw is en blijft een belangrijke gebruiker en beheerder van het buitengebied, maar is niet meer de enige speler in het buitengebied. Het buitengebied wordt ook meer en meer gewaardeerd als onderdeel van Brainport.

Dit heeft tot gevolg dat nu én zeker ook in de toekomst steeds vaker ook andere functies ruimte in het buitengebied zoeken, zoals wonen, recreëren en kleinschalig werken. Recreatie In het buitengebied krijgt recreatie een steeds groter wordende rol en naar verwachting gaat de recreatiedruk op het platteland in de toekomst verder oplopen. Een andere ontwikkeling is dat het landschap een steeds belangrijkere vestigingsfactor wordt. Hiermee dient een aantrekkelijk landschap ook een economisch belang. De kwaliteiten van het landelijk gebied - rust, groen en ruimte - blijken van groot belang voor een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. In de omgevingsvisie 2018 beschouwt de gemeente Reusel - De Mierden recreatie als (hulp)motor van economische ontwikkeling. Het nieuwe bestemmingsplan maakt geen nieuwe recreatieve voorzieningen of ontwikkelingen mogelijk. De geldende planologische (uitbreidings)mogelijkheden voor de bestaande recreatieve bedrijven zijn wel overgenomen, maar die zijn beperkt en kleinschalig van aard.

6. Beoordeling effecten onderzochte scenario's In het MER zijn de effecten van de onderzochte scenario's op verschillende aspecten in beeld gebracht en vergeleken met de referentiesituatie. Per aspect worden één of meer criteria gebruikt voor de effectbeoordeling. De effecten worden kwalitatief beoordeeld met de zevenpunts-beoordelingsschaal zoals weergegeven in navolgende tabel. Tabel effectscores

Score ++ + 0/+ 0 0/--

Omschrijving Zeer positief ten opzichte van de referentiesituatie Positief ten opzichte van de referentiesituatie Licht positief ten opzichte van de referentiesituatie Neutraal Licht negatief ten opzichte van de referentiesituatie Negatief ten opzichte van de referentiesituatie Zeer negatief ten opzichte van de referentiesituatie

Relevante milieuaspecten De ontwikkeling van de veehouderij kenmerkt zich door een aantal prominente gevolgen voor de leefomgeving en het milieu, die in het MER aan de orde komen. Het betreft verkeer, natuur, geur, fijn stof en endotoxinen, geluid, gezondheid, bodem en water, klimaatadaptatie en duurzame energie, landschap, cultuurhistorie en archeologie.

6.1 Effectscores verkeer Totale effectscores verkeer Criterium Gevolgen voor de verkeersafwikkeling Gevolgen voor de verkeersveiligheid

Trendmatig scenario

Worstcase scenario

0/0/-

-

De toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkelingsmogelijkheden van de agrarische bedrijven en de andere in het buitengebied aanwezige functies is beperkt, maar kan voor de capaciteit van de lokale wegen tot problemen leiden. Op specifieke bestaande locaties kunnen door plaatselijke schaalvergroting en de toename van het aantal vrachtverkeersbewegingen op de smalle lokale wegen zonder vrij liggende fietspaden, mogelijke onveilige situaties ontstaan. Uitbreiding en schaalvergroting heeft de afgelopen jaren geresulteerd in een toename van transportbewegingen. De wegenstructuur is echter niet aangepast op deze schaalvergroting. Zonder maatregelen is het niet zeker dat de wegenstructuur in het buitengebied voldoende capaciteit heeft om een mogelijke toename van (vracht)verkeer veroorzaakt door uitbreiding van veehouderijen in het trendmatig scenario en worstcase scenario te verwerken zonder dat dit leidt tot knelpunten. Door de toename van aan landbouw gerelateerd verkeer neemt de verkeersveiligheid af. De effecten zijn het grootst bij het worstcase scenario dat de meeste planologische ruimte biedt. Ingeschat is dat er bij het trendmatig scenario en het worstcase scenario sprake is van een toename van vrachtautobewegingen en daarmee een afname van de verkeersveiligheid.

De invloed van overige functies en bedrijvigheid met een verkeersgeneratie is vanwege de kleinschaligheid en beperkte ontwikkelingsmogelijkheden als minder zwaar beoordeeld, mede omdat er sprake is van lichtere.

6.2 Effectscores Natuur Criterium Stikstofdepositie op Natura2000-gebieden* Stikstofdepositie op (voormalige) Wav-gebieden en Natuurnetwerk * Verdroging Natura2000-gebieden en Natuurnetwerk Soortenbescherming (flora en fauna)

Trendmatig scenario + +

Worstcase scenario --

0

0

-

--

--

Scorei+t = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; — negatief; - - = zeer negatief * geen rekening houdend met de stikstof(plafond)regeling in het bestemmingsplan Aan de noordkant ligt binnen de gemeentegrenzen een deel van het Natura2000 gebied 'KempenlandWest'. Op ongeveer 2 km ligt het Natura2000 gebied 'Regte Heide & Riels Laag' en op ongeveer 12 km ligt het Natura2000 gebied 'Kampina & Oisterwijkse Vennen'. Ten zuiden en westen grenst het plangebied aan twee Belgische Natura2000 gebieden. Binnen het plangebied is ten aanzien van stikstof(di)oxiden (NO2/NOX) enige milieugebruiksruimte aanwezig. Kanttekening is dat ontwikkelingen met verkeersaantrekkende werking en/of tijdelijk bouwverkeer op korte afstand van 'Kempenland-West' al snel tot een depositietoename kan leiden. Binnen het plangebied is ten aanzien van ammoniak (NH3) weinig milieugebruiksruimte aanwezig. Uitbreiding van een veehouderij kan in het plangebied nauwelijks gepaard gaan met een uitbreiding in ammoniakemissie zonder dat de stikstofdepositie toeneemt op de Natura2000 gebieden. Voor veehouderijen die nog verouderde stallen moeten aanpassen aan de provinciale staleisen in de periode 2024-2028 zal het over het algemeen mogelijk zijn om deze investering gepaard te laten gaan met een (beperkte) uitbreiding in dieren.

Uit rechtspraak volgt dat significant nadelige gevolgen voor Natura2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten als in het bestemmingsplan wordt aangesloten bij de feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. In dat geval kan een passende beoordeling achterwege blijven. Er geldt, als uitzondering hierop, ook geen verplichting om een passende beoordeling op te stellen bij een zogenoemde één-op-één inpassing van een onherroepelijke natuurvergunning, onder de voorwaarde dat voor deze natuurvergunning een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van het bestemmingsplan. Het één op één inpassen van onherroepelijke natuurvergunningen in het bestemmingsplan kan ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen. Van iedere onherroepelijke natuurvergunning die ingepast wordt in het bestemmingsplan moet daarom beoordeeld worden of het met de huidige inzichten voldoende zeker is dat de ingepaste natuurvergunning niet kan leiden tot significant nadelige gevolgen voor Natura2000 gebieden. Natuurvergunningen die zijn verleend met toepassing van de Programmatische Aanpak Stikstof (met toepassing van de PAS-referentiedatum en/of PAS-ontwikkelruimte) kunnen niet ingepast worden.

En bij natuurvergunningen met vergunde, niet-gerealiseerde ruimte moet beoordeeld zijn of een nieuwe passende beoordeling kan leiden tot andere inzichten waardoor significant nadelige gevolgen voor Natura2000 gebieden niet zijn uitgesloten.

Gezien het grote aantal veehouderijen in de gemeente Reusel-De Mierden is besloten om voor dit bestemmingplan niet alle onherroepelijke natuurvergunningen binnen het plangebied één voor één inhoudelijk te beoordelen. Een aantal veehouderijen hebben in een zienswijze verzocht om hun onherroepelijke natuurvergunning op te nemen in het bestemmingsplan, echter niet onderbouwd waarom de specifieke natuurvergunning wél inpasbaar zou zijn op basis van de actuele lijn in jurisprudentie en ook geen nieuwe passende beoordeling aangeleverd. Dus zijn ook deze specifieke natuurvergunningen niet één op één ingepast in het bestemmingsplan. Het niet opnemen van de natuurvergunning in het bestemmingsplan doet overigens niets af aan het onherroepelijke karakter van de natuurvergunning. Bedrijven die beschikken over een onherroepelijke natuurvergunning kunnen deze gewoon benutten. Dit betekent alleen dat veehouderijen die hun latente stikstofruimte in de natuurvergunning willen gaan benutten moeten afwijken van de stikstofregeling in het bestemmingsplan en daarvoor een omgevingsplanactiviteit-vergunning (omgevingsvergunning) moeten aanvragen en op basis van actuele inzichten onderbouwen dat de aangevraagde situatie het aspect stikstof niet leidt tot significant nadelige effecten voor Natura2000 gebieden.

Dit gaat in de praktijk meestal samen met andere activiteiten waarvoor toch al een omgevingsvergunning met stikstofonderbouwing nodig is, zoals milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. De uitgangssituatie voor de plantoets voor Natura2000-gebieden is de bestaande, planologisch legale situatie ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Een vergelijking met de (milieu)vergunde situatie met CBS correctie is een zo goed mogelijke benadering. Het trendmatig scenario resulteert ten opzichte van de bestaande situatie in een afname van de ammoniakemissie en stikstofdepositie. De provinciale staleisen zorgt voor een verdere afname van de ammoniakemissie, maar naar verwachting gaat de verplichte investering in emissiereductie gepaard met een uitbreiding in dieren om de investering terug te kunnen verdienen. Dit zie je terug in het trendmatig scenario. In het worstcase scenario wordt de vergunde ruimte volledig benut en neemt de ammoniakemissie licht toe ten opzichte van de bestaande situatie. Een maximale benutting van de geboden planologische mogelijkheden kan in theorie leiden tot een toename van stikstofemissie en -depositie op Natura2000gebieden. Hierdoor is het noodzakelijk om een stikstofplafondregeling op te nemen in het bestemmingsplan.

Effecten door verdroging Om te voorkomen dat de huidige hydrologische situatie van hydrologisch kwetsbare natuurgebieden verder verslechtert wordt een beschermingsbeleid gevoerd. Er mogen in het gebied of in de omgeving geen activiteiten plaatsvinden die een verslechtering van de hydrologische situatie tot gevolg hebben. Conform de provinciale omgevingsverordening is in het bestemmingsplan voor betreffende gronden de aanduiding 'Overige zone - attentiegebied natuur netwerk brabant' opgenomen en voorzien van een omgevingsvergunningplicht. Dit betreft werkzaamheden en ingrepen, die mogelijk van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding. Agrarische bouwvlakken worden uitgezonderd van deze vergunningplicht. Binnen de natuurgebieden en de bufferzones (beschermingsgebieden c.q. attentiegebieden) worden alleen vergunningen voor extra onttrekkingen verleend indien de onttrekking geen negatief hydrologisch effect op verdrogingsgevoelige natuur heeft, dan wel indien deze negatieve effecten door compenserende maatregelen worden voorkomen. Nieuwe of grootschalige onttrekkingen (vanaf 10 mYuur) in de beschermingszones zijn op grond van de provinciale omgevingsverordening uitgesloten.

In gebieden waar nieuwe boomteelt bij recht en zonder beperkingen wordt toegestaan kan dit leiden tot een toename van de watervraag. Het is niet aannemelijk dat een grootschalige uitbreiding van boomteelt zal gaan plaatsvinden. De landbouwgronden in Reusel-De Mierden zijn vanwege de geomorfologische kenmerken niet optimaal voor boomteelt. Vanaf 2014 tot 2017 is daarbij sprake van een dalende trend en sindsdien is het oppervlakte boomteelt min of meer stabiel. Verder heeft een groot deel van de landbouwgronden planologische randvoorwaarden ten gevolge van een dubbelbestemming (bijvoorbeeld voor archeologische waarden) of gebiedsaanduiding (bijvoorbeeld voor open gebied) op basis waarvan een teeltwisseling naar boomteelt niet vanzelfsprekend toegestaan kan worden en een omgevingsvergunning voor nodig is. Effecten soorten In het kader van de soortenbescherming (flora en fauna) kunnen vooral de kap van bomen, de aanpassing van bestaande bebouwing en de realisatie van nieuwe bebouwing mogelijk leiden tot effecten. Hoe groter de aanpassing, hoe groter de kans dat beschermde soorten hier hinder van ondervinden. Bij het worstcase scenario kan het grootste effect ontstaan door uitbreidingen binnen bestaand bouwvlakken en uitbreidingen van bouwvlakken.

6.3. Effectscores Geur Criterium Leefklimaat binnen de bebouwde kom Leefklimaat buiten de bebouwde kom

Trendmatig scenario

Worstcase scenario

0/+ 0/+

0/-

0

Scoren = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; — negatief; - - = zeer negatief In delen van woonkernen, het buitengebied en kernrandzones is in de bestaande situatie sprake van een overschrijding van de gemeentelijke geurnormen en provinciale geurgebiedsnorm van 10 Ou (woonkernen) respectievelijk 20 Ou (buitengebied). Op een aantal plaatsen is lokaal sprake van een verhoogde geurbelasting ter plaatse van de direct naastgelegen woningen. In de bebouwde kom voldoet 96% van de woningen aan de provinciale geurnorm van 10 Ou en 17% aan de GGD-advieswaarde van 5 Ou. In het buitengebied voldoet 89% aan de provinciale geurnorm van 20 Ou en 48% aan de GGDadvieswaarde van 10 Ou.

Tabel Aantal verblijfsobjecten (BAG met woonfunctie) met overschrijding van de normen voor achtergrondbelasting geur in vergunde situatie, op basis van de normen van de provincie (rood) en op basis van de advieswaarden van GGD GHOR Nederland (oranje en rood).

Klasse achtergrond­ belasting geur

Aantal objecten bebouwde kom

Percentage objecten bebouwde kom

Aantal objecten buitengebied

Percentag e objecten buitengebi ed

0-5 Ou 5-10 Ou 10-20 Ou Meer dan 20 Ou Totaal

849 4.044 215 0 5.108

170zž 790zž 40zž 07o 10007o

85 223 262 75 645

137o 357o 417o 127o 1007o

Totaal

934 4.267 477 75 5.753

Er zijn drie gebieden te onderscheiden waar sprake is van een hoge achtergrondbelasting door een concentratie aan intensieve veehouderijbedrijven: 1. het gebied tussen Hooge Mierde en Reusel, en 2. het gebied ten zuidoosten van Hulsel. Hier zorgt de strenge geurnorm voor de woonkernen ervoor dat er geen verslechtering van de geursituatie zal optreden. 3. Het zuidelijke deel van de gemeente (Laarakkerdijk, Neterselsedijk, Postelsedijk). Dit gebied heeft de primaat landbouw. Hier liggen de bedrijven niet in de provinciale zone beperkingen veehouderij en zijn nauwelijks burgerwoningen of niet-veehouderij bedrijven aanwezig. Het trendmatig scenario zorgt ten opzichte van de bestaande situatie voor een lichte afname van de geuremissie en geurbelasting en een lichte verbetering van het woon- en leefklimaat. Vanwege de strenge geurnormen hebben bedrijven geen of nauwelijks ruimte om nog te groeien in geuremissie. Stoppers en toepassen van ammoniakemissie reducerende maatregelen in het kader van de provinciale omgevingsverordening resulteren ook in een afname van de geuremissie. Het worstcase scenario geeft een beperkte toename in geuremissie ten opzichte van de bestaande situatie. In het buitengebied is er vrijwel geen verschil in de geurbelasting en woon- en leefklimaat.

Door de gemeentelijke geurnormen is de kans op een toename in geurbelasting en verslechtering van het leefklimaat zeer beperkt. In de worstcase situatie wordt latente ruimte maximaal opgevuld en in overbelaste situaties gebruik gemaakt van de zogenaamde 50%-regel. In beide ontwikkelscenario's geldt dat de toename beperkt is vanwege de strenge geurnormen en het hierdoor ontbreken van groeimogelijkheden (van de geuremissie).

6.4 Effectscores fijn stof en endotoxinen Totale effectscores fijn stof -endotoxinen Criterium

Bedrijfsvoering - fijn stof en endotoxinen Verkeer - fijn stof

Trendmatig scenario

0/0/-

Worstcase scenario

-

Trendmatig scenario

Worstcase scenario

met toepassing endotoxine toetsingskader 0 0/0/-

-

Scorei+t = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; — negatief; - - = zeer negatief De actuele achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) is van het jaar 2022 en ligt volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) in de grootste delen van het plangebied rond de 16-17 pg/m3.

Aan de oostelijke gemeentegrens ligt de achtergrondconcentratie iets hoger, ten gevolge van veehouderijen in de gemeente Bladel. Rondom grote pluimveehouderijen en een concentratie van grootschalige varkenshouderijen ligt lokaal de achtergrondconcentratie PM10 hoger. Dit is zichtbaar in de hogere achtergrondconcentratie ten westen van Reusel (circa 18-19 pg/m3) en in het zuidelijk deel van het plangebied (circa 17-18 pg/m3). De indicatieve, cumulatieve bijdrage door veehouderijen aan deze actuele achtergrondconcentratie ligt in een groot deel van het buitengebied tussen de 0-1 pg/m3. In gebieden met een concentratie van grootschalige varkens- en pluimveehouderijen zien we ter plaatse van (bedrijfs)woningen van derden een bijdrage variërend van 1 tot 5 pg/m3. De jaargemiddelde achtergrondconcentraties van fijnstof (PM10) benaderd of overschrijdt nergens de wettelijke grenswaarden. De actuele achtergrondconcentratie overschrijdt de gezondheidskundige advieswaarde in grote delen van het buitengebied met ongeveer 0 tot 2 pg/m3. Bij met name pluimveehouderijen kan de overschrijding groter zijn, tot ongeveer 4 pg/m3. In het plangebied is geen sprake van een (dreigende) normoverschrijding ten aanzien van fijn stof. Fijn stof en de landelijke fijn stof normen zijn geen sterk beperkende factor voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen.

Op enkele plaatsen liggen woningen van derden binnen endotoxine risico-contouren. Dit zijn met name woningen naast pluimveehouderijen. Bij toepassing van het endotoxine-toetsingskader betekent mogen deze veehouderijbedrijven uit voorzorg niet toenemen in fijnstof emissie als ze gaan ontwikkelen. In gebieden met primaat landbouw zijn veel bedrijfswoningen bij veehouderijen aanwezig en kan het voorkomen dat er op basis van het endotoxine toetsingskader nog wel een emissie toename mogelijk is, doordat de 'eigen' bijdrage aan de endotoxine blootstelling buiten beschouwing gelaten kan worden. De ontwikkeling van de fijn stof concentratie wordt met name bepaald door de bestaande pluimveehouderijen. Het bestemmingsplan sluit omschakelen naar pluimvee uit, maar bestaande pluimveehouderijen mogen wel uitbreiden. Nieuw te bouwen pluimveestallen moeten voldoen aan maximale emissiewaarden voor fijn stof in het Besluit emissiearme huisvesting. Hiermee is geen rekening gehouden in de scenario's. In beide scenario's wordt ook geen rekening gehouden met de indirecte effecten van het stikstofemissieplafond en de strenge gemeentelijke geurnormen. Het trendmatig scenario wijkt ten aanzien van fijnstof emissie weinig af van de referentiesituatie en heeft daardoor ook geen nadelige gevolgen voor de achtergrondconcentratie fijnstof.

De lokaal hogere achtergrondconcentratie ten westen van Reusel en in het zuidelijk deel van het plangebied blijft van dezelfde orde van grootte. Zoals hiervoor al toegelicht is kan er op bedrijfsniveau wel een toename van fijnstofemissie en -concentratie ter plaatse van woningen plaatsvinden. Maar in situaties waar woningen (te) dicht bij de veehouderij liggen zal de toepassing van het endotoxine toetsingskader voorkomen dat er een toename van fijnstofemissie en -concentratie plaatsvindt. In het worstcase scenario zijn er gebieden waar ter plaatse van woningen van derden de wettelijke grenswaarden worden benaderd of overschreden. Dit is aan de orde bij de clusters van veehouderijen ten westen van Reusel ('t Holland, Hooge Mierdseweg en Kattenbos), ten zuidoosten van Reusel (Langedijk, Heibloem) en ten oosten van Lage-Mierde (Neterselsedijk). Overschrijding van de wettelijke grenswaarden is voor een individueel bedrijf niet vergunbaar. In de rekensystematiek voor de toets voor de omgevingsvergunning wordt ook rekening gehouden met cumulatieve effecten. Als een individueel bedrijf de fijnstof grenswaarden overschrijdt is er sprake van een zogenaamd 'fijnstof knelpunt', hetgeen niet aanvaardbaar is. De mogelijkheden voor uitbreiding worden in Reusel-De Mierden met name beperkt door de strenge gemeentelijke geurnormen.

Vooral bij varkenshouderijen is het worstcase scenario ten aanzien van fijnstof niet realistisch. Op plekken met woningen op relatief korte afstand van de veehouderij zal het worstcase scenario ook voor pluimveehouderijen geen realiteit zijn.

In het worstcase scenario is daarbij geen rekening gehouden met de toepassing van het endotoxine toetsingskader. De gemeente past dit toetsingskader wel toe door middel van de “Beleidsregel Toetsingskader fijnstof-endotoxine vergunningaanvragen in de varkens- en pluimveehouderij", vastgesteld in de raadsvergadering van 20 december 2016. Veehouderijen waar een woning binnen de indicatieve endotoxine risicocontour ligt mogen op basis van dit toetsingskader niet uitbreiden in fijnstof emissie. Dit voorkomt over het algemeen dat de achtergrondconcentratie fijnstof de wettelijke grenswaarden zal benaderen. Dit neemt echter niet weg dat er ook veehouderijen gevestigd zijn die niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt worden door het aspect endotoxinen en in een vergunningaanvraag binnen het milieuspoor nog mogen toenemen in fijnstof. Andere aspecten zullen dan beperkend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden, met name geur. In het trendmatig ontwikkelscenario ontstaan ook ten aanzien van endotoxinen geen wezenlijke verschillen met de huidige vergunde situatie. In het worstcase scenario schakelen alle legpluimveebedrijven fictief over naar vleeskuikens. Hierdoor ontstaat een dubbele worstcase benadering en een overschatting van de maximale mogelijkheden van het plan.

In de worstcase worden grote contouren zichtbaar ter plaatse van twee vleeskuikenbedrijven, echter deze bedrijven mogen op basis van het endotoxine toetsingskader in de vergunde situatie niet verder toenemen in fijnstof emissie en daardoor zal de endotoxinen uitstoot ook niet toenemen. In gevallen waar in de huidige vergunde situatie nog geen gevoelige objecten van derden binnen de endotoxine risicocontour liggen, zal in beginsel een vergunning geweigerd worden als de endotoxine risicocontour ten gevolge van de aanvraag over bestaande gevoelige objecten komt te liggen. Zoals al vermeld heeft de gemeente een beleidsregel en enige beleidsvrijheid om gemotiveerd van het endotoxine toetsingskader af te wijken, maar dit betreft altijd een maatwerkbeoordeling over de aanvaardbaarheid van de situatie. Onder de Omgevingswet heeft het aspect gezondheid een zeer prominente plek gekregen waardoor de gemeente weinig ruimte voor maatwerk heeft. De veehouderijen met nog traditionele stallen zullen deze moeten aanpassen aan de provinciale staleisen en moeten hiervoor ammoniak reducerende maatregelen treffen. Daarbij zal door varkenshouderijen veelal gekozen (moeten) worden voor een gecombineerde luchtwasser in combinatie met een uitbreiding in dieren. Deze gecombineerde luchtwassers hebben 80% fijnstof reductie. Hoe groot die uitbreiding kan zijn hangt van de specifieke situatie af.

Voor pluimveehouderijen resulteert een ammoniak reducerend stalsysteem niet altijd in een fijnstof reductie. Wel moet volgens het sectorplan pluimveehouderij bij alle bestaande pluimveestallen uiterlijk 31 december 2030 minimaal 30% reductie van fijnstof zijn bereikt. Bij nieuwbouw van pluimveestallen geldt sinds 1 januari 2022 een minimale fijnstof reductie van 50%.

6.5 Effectscores geluid Totale effectscores geluid Criterium Invloed op geluidhinder Aantasting rust en stilte in stiltegebieden

Trendmatig scenario 0/0

Worstcase scenario 0

Scoren = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; — negatief; - - = zeer negatief Uitbreiding binnen bestaand bouwblok van veehouderijen is mogelijk. In de gebieden waar uitbreiding van veehouderijen kan plaatsvinden wordt de kans op een lokale toename van de geluidbelasting vanwege stationaire bronnen (ventilatoren stallen) en in mindere mate geluidbelasting door verkeer (vrachtauto's) op woningen en geluidgevoelige gebouwen en terreinen vergroot. Dit is met name aan de orde bij de intensieve veehouderij.

Bij de melkveehouderij en andere veehouderij met natuurlijk geventileerde stallen, wordt de kans op een lokale toename aan geluidbelasting door ventilatoren als niet aanwezig verondersteld, omdat deze stallen natuurlijk geventileerd worden. De verkeersgeneratie van melkveehouderijen is daarbij ook zeer beperkt. Een groot deel van het plangebied is aangewezen als Zone Beperkingen Veehouderij (ZBV), rondom natuur, de woonkernen en de kernrandzones. Dit zijn de voormalige extensiveringsgebieden. Hier heeft de intensieve veehouderij geen uitbreidingsmogelijkheden. Alleen in het buitengebied buiten de ZBV kan uitbreiding van intensieve veehouderij plaatsvinden en zorgen van een toename van de geluidsbelasting. De te verwachten toename aan geluidsbelasting is bij het worstcase scenario groter dan bij het trendmatig scenario. De regels voor stiltegebieden in de provinciale omgevingsverordening voorkomen dat rust en stilte in de stiltegebieden kan worden aangetast.

6.6 Effectscores gezondheid Totale effectscores gezondheid Criterium Effecten door veehouderijen Effecten door gewasbeschermingsmiddelen Overige gezondheidseffecten

Trendmatig scenario 0/0 0

Worstcase scenario 0 0

Scoren = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; — negatief; - - = zeer negatief De adviezen van de GGD hebben onder meer betrekking op het hanteren van gezondheidskundige advieswaarden over geur uit stallen van veehouderijen, luchtkwaliteit, endotoxinen en geluid. Voor met name geur, fijnstof, endotoxinen en geluid is ten gevolge van ontwikkelingen bij veehouderijen een verslechtering van de milieukwaliteit niet uit te sluiten, hetgeen kan leiden tot nadelige gezondheidseffecten. Deze milieuaspecten zijn afzonderlijk beoordeeld. Het is algemeen bekend dat juridische normen voor milieukwaliteit niet altijd overeenkomen met gezondheidskundige advieswaarden. De adviezen van de GGD hebben onder meer betrekking op het hanteren van gezondheidskundige advieswaarden over geur uit stallen van veehouderijen, luchtkwaliteit, endotoxinen en geluid. Daarnaast wordt geadviseerd uit te gaan van grotere minimum afstanden tussen bronnen van milieuoverlast (zoals drukke wegen en veehouderijen) en gevoelige functies (zoals woningen in het buitengebied).

De gezondheidskundige adviezen sluiten deels aan bij het gemeentelijke en provinciaal beleid, zoals de strenge gemeentelijke geurnormen voor de vergunningverlening van veehouderijen, het sturen op de afname van de voor geur overbelaste situaties bij ontwikkeling van veehouderijen en het meewegen van de verwachte concentraties van endotoxinen bij het toetsen van initiatieven. Ten dele strekken de adviezen van de GGD verder, zoals het hanteren van minimum afstanden of strengere normen dan nu opgenomen in het gemeentelijke en provinciaal beleid. De VGO-onderzoeken hebben invloed op het beleid voor veehouderijen, gericht op vermindering van de uitstoot van fijnstof van pluimveebedrijven en een sectoraal onderzoeks- en innovatieprogramma om de pluimveehouderij emissiearmer te maken. Daarnaast zet het Kabinet in op een maatschappelijk innovatieprogramma voor duurzame veehouderij. Gemeenten hebben ondersteuning in de belangenafweging gekregen in de vorm van de 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid'. Geitenhouderijen, pluimveehouderijen en concentraties van varkens- en pluimveehouderijen zijn gezien de lopende VGO-onderzoeken met name relevant ten aanzien van gezondheidseffecten van veehouderijen voor omwonenden. Binnen de gemeente gaat het volgens het vergunningenbestand om 2 geitenhouderijen, 11 pluimveehouderijen en 53 varkenshouderijen.

Naast veehouderij kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen effecten voor de gezondheid hebben. Dit is binnen het plangebied met name relevant ten aanzien van boomteelt en teelt van vaste planten op open grond. Er zijn binnen de gemeente 34 tuinbouwbedrijven op open grond, waarvan 23 bedrijven met boomkwekerijgewassen en 1 fruitteeltbedrijf. In de gebruiksregels van het bestemmingsplan wordt met betrekking tot spuitvrije zones volgens de huidig gangbare normen een beschermingsregeling opgenomen en is gewaarborgd dat de aanleg van nieuwe boomgaarden niet tot onevenredige afbreuk van het woon- en leefklimaat leidt. Gezien het relatief beperkt aantal situaties waar gewassen dichter dan 50 meter op gevoelige bestemmingen zijn gesitueerd en dat nadelige gezondheidseffecten door meerdere factoren voorkomen kunnen worden tot een afstand van 25-30 meter, wordt in het bestemmingsplan gekozen om te regelen dat de situatie niet kan verslechteren en het aantal blootgestelden niet verder kan toenemen.

6.7 Effectscores bodem en water Totale effectscores bodem en water Criterium Invloed op bodemstructuur en geomorfologische waarden Effect op het grond- en oppervlaktewatersysteem Effect op bodemkwaliteit en grond- en oppervlaktewaterkwaliteit

Trendmatig scenario

Worstcase scenario

0/-

-

0

0

0/-

-

Scoren = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; — negatief; - - = zeer negatief Een toename van de oppervlakte/omvang van bouwvlakken zorgt mogelijk voor een aantasting van de bodemstructuur en geomorfologische waarden. De effecten zijn het grootst bij het scenario dat de meeste planologische ruimte biedt. Doordat ruimtelijke ontwikkelingen waterneutraal uitgevoerd moeten worden en er beschermingszones zijn ten aanzien van de hydrologisch gevoelige natuur zijn beide scenario's voor effecten op het grond- en oppervlaktewatersysteem als neutraal beoordeeld. Door de mogelijkheden in het bestemmingsplan voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen is het trendmatig scenario voor effecten op bodemkwaliteit en grond- en oppervlaktewaterkwaliteit beoordeeld als licht negatief en in het worstcase scenario als negatief (-).

6.8 Effectscores klimaatadaptatie en duurzame energie Totale effectscores klimaat Criterium Klimaatadaptatie Duurzame energie

Trendmatig scenario

Worstcase scenario

0

0/0/+

0/+

Scoren = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; — negatief; - - = zeer negatief Klimaatadaptatie De gevolgen van wateroverlast, hitte en droogte hebben verschillende effecten op de beheertypen en natuursoorten, maar ook op type ondergrond, gebruik, en biotische en abiotische factoren zoals waterkwaliteit. De transitieopgave van de landbouw en het vergroten van de biodiversiteit zijn verbonden met klimaatverandering. In de gemeente zijn er knelpunten ten aanzien van water zoals verdroging, ondergrondverdichting en zuurstofstress.

Met het oog op het voorkomen van natschade op landbouwbedrijven, is het buitengebied momenteel sterk ingericht op het snel afvoeren van water en het laag houden van het grondwaterpeil. Het is zaak water goed vast te houden en vertraagd af te voeren. Bij individuele plannen wordt beoordeeld of het toekomstige grond- en bodemwatersysteem de beoogde functie wel duurzaam kan blijven faciliteren. Bijvoorbeeld geen dorstige gewassen verbouwen in gebieden die gevoelig zijn voor verdroging. In het bestemmingsplan buitengebied 2023 zijn de enkelbestemmingen 'Water' en 'Water - Natuur' overgenomen. Ook zijn de gebieden voor gereserveerd voor waterberging in 'Waterstaat - Waterberging' en 'Waterstaat - waterkering'. In deze gebieden kunnen geen gebouwen of bouwwerken worden opgericht of werkzaamheden worden verricht zoals ophogen van gronden of wijzigen van de kade, zonder omgevingsvergunning. De gronden in het bestemmingsplan buitengebied 2009 bestemd als “Natte parel" vallen in het bestemmingsplan buitengebied 2023 onder de waarde 'Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant'. Aanvullend is in het bestemmingplan buitengebied de zone 'Primaat water en klimaatadaptatie' uit de gemeentelijke omgevingsvisie (2018) opgenomen.

Het bestemmingsplan heeft de principes van de handreiking 'hydrologisch neutraal ontwikkelen' van het waterschap opgenomen, dat ingaat op de rol van water bij een toename van verstening. De uitgangssituatie van het watersysteem mag door de ruimtelijke ingreep niet verslechteren. Daarnaast moeten de kansen om bestaande ongewenste situaties te verbeteren zoveel mogelijk benut worden. Bij een toename van verhard oppervlak groter dan 500 m2 moeten compenserende maatregelen genomen worden om versnelde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem te voorkomen. Op basis van de gemeentelijke hemelwaterverordening en bijbehorende gebiedsaanwijzing dient in gebieden aangewezen als vacuüm/druk riolering, dat als het hemelwater 100% op eigen terrein geborgen moet worden. Door voornoemde regelingen zijn de effecten ten aanzien van klimaatadaptatie als neutraal beoordeeld. Duurzame energie De gemeente Reusel-De Mierden heeft de ambitie om in 2025 energieneutraal te zijn (Klimaatvisie 2007­ 2025). Het bestemmingsplan buitengebied 2023 voorziet niet in nieuwe grootschalige ontwikkelingen ten aanzien van opwekking van duurzame energie. Het project (windturbinepark) Agro-Wind maakt geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan staat binnen het bouwvlak wel kleine windmolens toe van maximaal 15 m.

Bij sloop van vrijkomende agrarische bebouwing (Vab-locaties) met bestaande zonnepanelen op dak staat het bestemmingsplan toe om binnen het bouwvlak de zonnepanelen van het dak naar de grond te verplaatsen tot maximaal 0,5 ha. Dit leidt niet tot nieuw ruimtebeslag, aangezien de zonnepanelen binnen de bestaande bebouwingscontouren moeten worden gesitueerd. Ook is er geen nieuwe netaansluiting nodig.

6.9 Effectscores landschap, cultuurhistorie en archeologie Totale effectscores landschap Criterium

Beïnvloeding van specifieke landschappelijke patronen/objecten en elementen.

Trendmatig scenario 0/-

Worstcase scenario -

Scoren = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; — negatief; - - = zeer negatief In beide scenario's is de invloed van de ontwikkelingsruimte voor met name de agrarische bedrijven op landschap zeer beperkt, omdat ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk zijn wanneer voldaan wordt aan een breed scala aan landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen.

Het rechtstreeks toestaan van boomteelt en tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap' maakt dat negatieve effecten voor landschappelijke waarden niet helemaal kunnen worden uitgesloten. Het bestemmingsplan staat alleen binnen bestaand bouwvlak kleine windmolens van maximaal 15 meter toe, waardoor er geen sprake van nadelige effecten voor het landschap. Totale effectscores cultuurhistorie en archeologie Criterium Beïnvloeding cultuurhistorische waarden Beïnvloeding van archeologische waarden

Trendmatig scenario 0 0

Worstcase scenario 0 0

Scoren = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; — negatief; - - = zeer negatief De gemeente heeft een uitgebreide inventarisatie uitgevoerd en een uitgebreide regeling in het bestemmingsplan opgenomen ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden. Het erfgoedbeleid is door vertaald in het bestemmingsplan. De archeologische en de cultuurhistorische beleidskaart zijn vertaald in het bestemmingsplan met een beschermingsregeling. De scenario's zijn beoordeeld als neutraal ten opzichte van de referentiesituatie vanwege de bescherming die in het bestemmingsplan is opgenomen.

6.10 Samenvattende scoretabel Samenvattende scoretabel effectbeoordelingen (t.o.v. de referentiesituatie) Criterium

Trendmatig scenario

Worstcase scenario

0/0/-

-

+ + 0 -

--0 --

0/+ 0/+

0 0/-

0/0 0/-

0/-

0/0

0

0/0 0

0 0

0/0 0/-

0 -

0 0/+

0/0/+

0/0 0

0 0

Verkeer

Gevolgen voor de verkeersafwikkeling Gevolgen voor de verkeersveiligheid Natuur

Stikstofdepositie op Natura2000 gebieden Stikstofdepositie op overige natuurgebieden Verdroging in beschermde natuurgebieden Effecten voor beschermde soorten Geur

Leefklimaat binnen de bebouwde kom Leefklimaat buiten de bebouwde kom Fijnstof en endotoxinen

Effecten door bedrijfsvoering met toepassing endotoxine toetsingskader Effecten door verkeer Geluid

Invloed op geluidhinder Aantasting stiltegebieden Gezondheid

Effecten door veehouderijen Effecten door gewasbeschermingsmiddelen Overige gezondheidseffecten Bodem en water

Invloed op bodemstructuur en geomorfologische waarden Effecten op grond- en oppervlaktewatersysteem Effecten op bodem- en waterkwaliteit Klimaat

Klimaatadaptatie Duurzame energie Landschap, cultuurhistorie en archeologie

Beïnvloeding van landschappelijke patronen, objecten en elementen Beïnvloeding van cultuurhistorische waarden Beïnvloeding van archeologische waarden

Scorei+t = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; — negatief; - - = zeer negatief

7 Vervolg van de procedure De ingekomen zienswijzen en adviezen en de aanvullingen op het MER hebben geresulteerd in aanpassingen in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan wordt gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad en vervolgens gepubliceerd en ter inzage gelegd. De termijn voor het indienen van een beroepschrift door belanghebbenden bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bedraagt zes weken vanaf de dag na terinzagelegging van het besluit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=a5695832-1925-4e8e-814c-264c7af17e45