CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[23.01207] - (Bijlage 1) Woonzorgvisie- Gebiedsanalyse De Kempengemeenten IFR

Gemeenteraad 18 april 2023, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Woonzorgvisie9.030 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

WOONZORGVISIE DE K E M P E N G E M E E N T E N Gebiedsanalyse 25-01-2022

Titel:

Gebiedsanalyse De Kempengemeenten IFR

Auteurs:

Johan van lersel (In.Fact.Research)

Opdrachtgever:

Kempengemeenten

Kenmerk:

HHM/IT/22/0641/wzvkem

© In.Fact.Research

ínhoud 1

Inleiding

2

2

Beeld van de Kempengemeenten

2

2.1

Demografische ontwikkelingen

2

2.2

Zorggroepen

7

2.3

Beperkingen en behoeften

9

2.4

Intramuraal wonen

12

2.5

Zelfstandig wonen met zorg: huidige en toekomstige woonsituatie 16

2.6

Omgevingskenmerken

22

2.7

Draagkracht

25

2.8

Het huidige aanbod

31

IT/22/0641/wzvkem

Pagina 1 van 38

1

Inleiding De meeste mensen willen zo lang mogelijk thuis blijven wonen of (weer) zelfstandig gaan wonen. Door de vergrijzing, de decentralisatie van zorgtaken en de wijzigingen in de zorgwetgeving verandert de wijze van het aanbieden van zorg en de kijk op (geschikte) huisves­ ting. De Kempengemeenten willen een integrale langetermijnvisie op wonen in relatie tot welzijn en zorg ontwikkelen. Deze gebiedsanalyse geeft een beeld over de demografische ontwikkelingen, zorgdoelgroepen, beperkingen en behoeften, zorg gerelateerde onderwer­ pen en de draagkracht van de Kempengemeenten.

2

Beeld van de Kempengemeenten In dit hoofdstuk wordt een beeld gegeven van de situatie wat betreft wonen met zorg in de gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden, in deze studie ook wel de Kem­ pengemeenten genoemd. Zowel de vraagzijde als de aanbodzijde worden daarbij toegelicht. In hoofdstuk 3 worden vervolgens - mede gebruik makend van de resultaten van de uit­ vraag - de fricties tussen vraag en aanbod besproken.

2,1

Demografische ontwikkelingen Demografische opbouw In totaal stonden er begin 2021 bijna 72.000 inwoners ingeschreven in de Kempengemeenten. Ongeveer 920 personen verbleven in een institutioneel huishouden (verpleeghuizen en der­ gelijke), de andere personen vormden in totaal 30.120 particuliere huishoudens. In figuur 1 staat de leeftijdsopbouw van de inwoners van de Kempengemeenten afgezet tegen het Ne­ derlands en provinciaal gemiddelde. De figuur maakt duidelijk dat de Kempengemeenten anno 2021 sterker zijn vergrijsd dan de rest van het land, en dat er meer vergrijzing in het vooruitzicht ligt (de groep aankomende ouderen tissen de 55 en 75 jaar is fors van omvang). De leeftijdsgroep van 18 tot 55 jaar is ondervertegenwoordigd.

Pagina 2 van 38

figuur 1

De leeftij dsopbouw van de bevolking in Nederland, Noord-Brabant en de Kempenge­

meenten per 1-1-2021 i Nederland

2M

Bron: CBS, bewerking In.Fact.Research

Er wonen in de Kempengemeenten meer inwoners van 75 jaar of ouder dan in Nederland (9,7Z.; landelijk 8,5Zi). In Eersel wonen met 10,5Z. de meeste 75-plussers; in Reusel-De Mier­ den ligt het aandeel met 7/7% onder het landelijk gemiddelde (figuur 2). figuur 2 De l eeftij dsopb o uw van de inwoners van de Kempengemeenten, 2021

0-25 jaar

Bergeijk

Bladel

Eersel

Reusel-De Mierden

totaal Kempengemeenten

26Z

27Z

26Z

27Z

26Z

25 -55 jaar

35Z

360Zo

35Z

36Z

35Z

55 - 65 jaar

16Z

150Zo

16Z

16Z

16Z

65 -75 jaar

13Z

12Z

12Z

13Z

12Z

75 -85 jaar

8Z

8Z

8Z

6Z

7Z

S5+

2Z

2Z

3Z

2Z

2Z

totaal

100Z

100Z

100Z

100Z

100Z

75+

10,1Z

9,9Z

10,5Z

7,7Z

9,7Z

Bron: CBS, bewerking In.Fact.Research

In figuur 3 staat het aandeel 75-plussers in de kernen van de Kempengemeenten weergege­ ven. Op dit moment wonen de 75-plussers nog vrij geconcentreerd, in bepaalde wijken of buurten. Maar dat zal de komende jaren gaan veranderen.

Pagina 3 van 38

figuur 3

Aandeel Ĩ5+ in de Kempengemeenten, 2020

Prognose De op dit moment sterk vertegenwoordigde groep van 55 tot 65 jaar is over tien jaar tussen de 65 en 75 jaar. Het aantal inwoners in deze laatste leeftijdsklasse neemt dan ook het ko­ mende decennium toe (zie ook figuur 4 en figuur 5), net als het aantal 75-plussers. Het aan­ deel inwoners van 75 jaar of ouder neemt toe van 9/7% in 2021, naar 13% in 2030 en 17% in 2040. In de toekomst wonen deze ouderen meer verspreid over de gemeenten (figuur 6) dan dat nu het geval is (figuur 3).

Pagina 4 van 38

figuur 4 Aantal inwoners naar leeftijd,, totaal in de Kempengemeenten in 2021 , 2030 en 2040

2021

2030

2040

2021-2030

2021-2040

0-25 jaar

18.925

18.505

18.835

-420

-90

25 - 55 jaar

25.530

24.640

24.420

-890

-1.110

55 - 65 jaar

11.510

9.930

8.140

-1.580

-3.370

65 - 75 jaar

8.990

10.510

9.125

1.520

135

75 - 85 jaar

5.250

6.890

8.350

1.640

3.100

85t

1.730

2.695

3.800

965

2.070

totaal

71.940

73.170

72.670

1.230

730

Bron: CBS, Prognose Provincie Noord-Brabant, bewerking In.Fact.Research figuur 5 Aantal inwoners naar leeftijd , per gemeente, in 2021 en ontwikkeling in 2021 tot 2030 en 2040

0 - 25 jaar 25 - 55 jaar totaal Kempen

2021

gemeenten

2021-2030 2021-2040

Bergeijk

55 - 65jaar

65 - 75jaar 75- 85 jaar

25.530

11.510

8.990

-420

-890

-1.580

1.520

-90

-1.110

-3.370

135

2021

4.870

6.585

3.010

2.405

2021-2030

-185

-380

-235

430

2021-2040 Bladel

2021

18.925

85+

totaal

1.730

71.940

1.640

965

1.230

3.100

2.070

730

1.440

450

18.755

325

275

235

5.250

-95

-445

-945

190

725

505

-60

5.465

7.400

3.170

2.460

1.545

490

20.530 230

2021-2030

-230

-250

-355

290

490

285

2021-2040

-195

-325

-910

35

805

595

5

2021

5.030

6.860

3.200

2.385

1.505

545

19.530

2021-2030

-160

-310

-525

585

340

260

185

2021-2040 Reusel-De Mierden 2021

-60 3.560

-560 4.685

-1.030 2.125

140 1.740

900 765

525 250

-90 13.125

Eersel

2021-2030

155

45

-460

220

470

135

570

2021-2040

255

215

-480

-225

660

435

855

Bron: CBS, Prognose Provincie Noord-Brabant, bewerking In.Fact.Research

Pagina 5 van 38

figuur 6

Aandeel Ĩ5+ in de Kempengemeenten, 2040

Bron: Prognose Provincie Noord-Brabant en het microprognosemodel van In.Fact.Research

Vergrijzing en de arbeidsmarkt In het vervolg van deze gebiedsanalyse staan we stil bij de gevolgen van de vergrijzing voor het aantal mensen met beperkingen en de behoefte aan zorg en ondersteuning. De vergrij­ zing heeft echter niet alleen invloed op de 'vraagkant': ook de woonomgeving verandert er­ door (meer specifiek: de verhouding tussen de groep kwetsbaren en niet kwetsbaren) en daarnaast heeft de vergrijzing ook gevolgen voor de arbeidsmarkt. De beroepsbevolking wordt door het CBS afgebakend door de leeftijdsgrenzen van 15 en 75 jaar. Op dit moment wonen er in de Kempengemeenten ruim 54.000 15 tot 75 jarigen, in 2040 zijn dat er bijna 49.000: een afname van 10%. Het aantal 75-plussers neemt in deze periode toe van bijna 7.000 tot ruim 12.000: een toename van 75%. Op dit moment is de arbeidsmarkt

Pagina 6 van 38

in de Kempengemeenten (en de rest van het land het land) al krap, dit geldt zeker voor de zorg. Ook geldt zeker voor de zorg dat de krapte door de toenemende behoefte alleen maar groter zal worden. Dat heeft grote gevolgen voor het beleid. Er zal stevig moeten worden ingezet op innovatie, maar ook bij de vraag of (woon)voorzieningen centraal of decentraal in de kernen worden opgezet moet oog zijn voor de gevolgen voor het benodigde personeel. 2.2 Zorggroepen De WoonZorgwijzer De WoonZorgwijzer is door de onderzoekers van In.Fact samen met Platform31 ontwikkeld in opdracht van het ministerie van BZK. Het instrument beoogt gemeenten en andere lokale stakeholders inzicht te bieden in de omvang van bepaalde zorggroepen en hun beperkin­ gen/behoeften. Het instrument focust op die groepen waar gemeenten verantwoordelijkheid voor hebben. Dit zijn - beschermd wonen uitgezonderd - vooral de mensen die met beper­ kingen zelfstandig wonen. De groepen die institutioneel wonen zijn in het instrument niet meegenomen. Het aandeel inwoners met een bepaalde aandoening binnen een gemeente hangt samen met verschillende factoren. Naast de sociaaleconomische samenstelling van de bevolking speelt bijvoorbeeld ook de aanwezigheid van bepaalde voorzieningen een rol.

Voor de Kempenge­ meenten geldt dat het aandeel inwoners met LVB-problematiek en angst- en stemmingsproblematiek lager ligt dan het landelijk en provinciaal gemiddelde (figuur 7). In Eersel komen door de vergrijzing ouderdom gerelateerde aandoeningen iets vaker voor (dementie en so­ matische problematiek). Hoewel het aandeel inwoners met LVB-problematiek lager ligt dan het landelijk gemid­ delde, gaat het nog altijd om de grootste groep. Het is zeker niet zo dat de totale groep een acute behoefte heeft aan zorg of ondersteuning, maar men is wel kwetsbaar. Vele deskundi­ gen en instanties als het SCP vragen dan ook met regelmaat om aandacht voor deze groep, die steeds moeilijker mee kan in de moderne maatschappij.1 Het geschetste beeld van de aandoeningen onder de bevolking verandert niet van de ene op de andere dag. Wel moet er voor de komende jaren rekening worden gehouden met een sterke toename van het aantal mensen met dementie en somatische problematiek (figuur 8). Bij de andere zorggroepen nemen de aantallen beperkt toe of blijven gelijk. Ook bij deze groepen kunnen er kwalitatieve woonopgaven zijn, maar de kwantitatieve uitbreidingsopgaven zijn beperkt.

1

Zie bijvoorbeeld: https://www.nrc.nl/nieuws/2021/12/07/steeds-minder-mensen-met-een-beperkingervaren-dat-zii-meetellen-in-de-maatschappii-a4068199

Pagina 7 van 38

figuur 7

Het aandeel inwoners van 19 jaar of ouder dat zelfstandig woont met een bepaalde

Bladel

Eersel

Reusel-De Mierden

Kempengemeenten

Nederland

dementie (extramuraal) licht verstandelijk beperkt/laaggeletterden matig of ernstig verstandelijk beperkt somatische problematiek zintuiglijke aandoeningen angst- en stemmingsproblematiek psychiatrische problematiek niet-aangeboren hersenletsel

Bergeijk

aandoening in de Kempengemeenten en Nederland, 2018

1,50 9,30Zo 0,20 7,50 0,50 2,40 0,40 0,70

1,60 10,80 0,30 8,60 0,50 3,20 0,50 0,80

1,70 7,30 0,50 9,40 0,70 2,90 0,60 0,90

1,30 10,50 0,20 7,30 0,50 3,00 0,40 0,70

1,60 9,40 0,50 8,30 0,60 2,90 0,50 0,70

1,50 16,20 0,60 9,20 0,50 4,90 1,10 0,70

Bron: WoonZorgwijzer figuur 8

Het aantal inwoners van 19 jaar of ouder dat zelfstandig woont met een bepaalde

aandoening in de Kempengemeenten, in 2018 en 2030

totaal Kempengemeenten

2018

2030

2018-2030

dementie (extramuraal)

700

1.200

500

4.700

4.700

0

100

100

0

4.300

4.700

400

licht verstandelijk beperkt/laaggeletterden matig of ernstig verstandelijk beperkt somatische problematiek zintuiglijke aandoeningen

300

400

100

1.500

1.600

100

psychiatrische problematiek

300

400

100

niet-aangeboren hersenletsel

400

400

0

angst- en stemmingsproblematiek

Bron: WoonZorgwijzer

Jongeren en gezinnen Via de jeugdmonitor van het CBS is bekend hoeveel kinderen er gebruik maken van jeugd­ zorg. In figuur 9 staan de aantallen voor 2020 weergegeven. In totaal zaten er in de Kempen­ gemeenten 1.500 jongeren in de jeugdzorg. Het gaat hier om 8/6% van alle jongeren tot 23 jaar, wat lager is dan het landelijk gemiddelde van 9,8%. De groep die nu jeugdzorg met verblijf ontvangt (135 jongeren), zal rond vanaf de 18de ver­ jaardag een nieuwe verblijfplek moeten vinden. Soms zal dit in een andere instelling zijn, soms zal men zelfstandig moeten/kunnen gaan wonen. Deze uitstroom is een specifiek aan­ dachtspunt, want het vinden van een passende woonruimte is niet eenvoudig. Daar komt bij dat deze jongeren en andere kwetsbare jongeren vaak minder goed zijn opgeleid en een laag inkomen hebben. Als de jongeren in deze levensfase niet goed worden geholpen/bijgestaan, kan dat tot langdurige problemen leiden. Het is daarom belangrijk de jongerenproblematiek te agenderen, waarbij er ook oog moet zijn voor het netwerk waarin zij acteren.

Pagina 8 van 38

figuur 9

Het aantal en aandeel jongeren in jeugdzorg in de Kempengemeenten en in Neder­

land, 2020

JZ Totaal JZ Totaal jeugdzorg jeugdzorg in (0-23 jaar) natura (0-23 jaar) Bergeijk Bladel Eersel Reusel-De Mierden Kempengemeenten

Bergeijk Bladel Eersel Reusel-De Mierden Kempengemeenten Nederland

JH Totaal Jeugdhulp (0-23 jaar)

JH Totaal jeugdhulp met verblijf (0-23 jaar)

JB Jeugd­ bescherming (0-18 jaar)

JR Jeugd­ reclassering (12-23 jaar)

410 405 400 250 1.465

410 410 400 255 1.475

40 35 35 25 135

30 30 35 30 125

-

JZ Totaal JZ Totaal jeugdzorg jeugdzorg in (0-23 jaar) natura (0-23 jaar)

JH Totaal Jeugdhulp (0-23 jaar)

JH Totaal jeugdhulp met verblijf (0-23 jaar)

JB Jeugdbescherming (0-18 jaar)

JR Jeugdreclassering (12-23 jaar)

9,1y0 8,2y0 8,7y0 7,7y0 8,5y0 9,507o

0,9y0 0,7y0 0,8y0 0,8y0 0,8y0 1,0yD

0,9y0 0,8y0 1,0yD 1,1y0 0,9y0 1,207o

-

420 415 405 260 1.500

9,4y0 8,3y0 8,8y0 7,9y0 8,6y0 9,807o

9,1y0 8,1y0 8,7y0 7,6y0 8,4y0 9,707o

0,407o

Bron: CBS

Het CBS houdt ook indicatoren bij die een beeld geven van de kans (het risico) dat jongeren problemen krijgen en een beroep moeten doen op de jeugdzorg. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar de schoolprestaties, criminaliteitscijfers en het aantal kinderen in bijstandsgezinnen. In figuur 10 staan enkele van deze indicatoren weergegeven. De Kempengemeenten scoort op de weergegeven indicatoren relatief laag ten opzichte van het landelijk gemid­ delde. figuur 10

Het aantal kinderen in bijstandsgezinnen en het aantal geregistreerde verdachten

jonger tot 25 jaar in de Kempengemeenten en in Nederland, 2020

kinderen (0 tot 18) in bijstandsgezinnen

aandeel 0 tot 18 jarigen in bijstandsgezinnen

geregistreerde verdachten tot 25 jaar

Bergeijk

90

2,6y

30

116

Bladel

90

2,2y

50

153

Eersel

120

3,3y

30

98

Reusel-De Mierden

70

2,7y

20

123

Kempengemeenten

370

2,6y

130

123

204.330

6,1ū7o

54.600

179

Nederland

verdachten per 10.000 inwoners

Bron: CBS

2.3 Beperkingen en behoeften De nadruk in dit onderzoek/ deze visie ligt vooral op het bepalen van de behoefte aan vor­ men van wonen met zorg en/of ondersteuning. Daarnaast moet er oog zijn voor de aanvul­ lende behoeften van de zorgdoelgroepen. In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de be­ perkingen die mensen die zelfstandig wonen als gevolg van aandoeningen ervaren in het al­ ledaagse leven. Vervolgens wordt nader ingezoomd op de woonzorgbehoefte van ouderen.

Pagina 9 van 38

In de afsluitende paragraaf wordt mede op basis van voorgaande iets gezegd over de huisvestingsbehoefte van de verschillende zorgdoelgroepen. Daarbij moet worden opgemerkt dat alleen bij intramurale woonvormen een directe (een-op-een) koppeling bestaat tussen het zorgniveau en het verblijf. Als mensen extramuraal wonen, zijn er veel verschillende vormen mogelijk, waardoor er zelden een directe link is te leggen tussen een zorgdoelgroep en één specifieke woonvorm. De meeste groepen kunnen in verschillende woningen prima wonen, zolang deze maar betaalbaar zijn en de ondersteuning op orde is. Beperkingen naar aandoening Het aantal personen met een bepaalde aandoening wordt in de WoonZorgwijzer bepaald met statistisch gevalideerde modellen. Aan vele professionals is vervolgens gevraagd in hoeverre een dergelijke aandoening leidt tot beperkingen in het alledaagse leven. Op basis van deze inschatting is bepaald hoeveel mensen er naar schatting beperkingen hebben op een bepaald levensdomein.2 In figuur 11 staat per aandoening aangegeven hoeveel mensen met een beperking te maken hebben. Het is hierbij van belang te beseffen dat het om een oordeel van professionals gaat, en niet van de desbetreffende personen zelf.

Zo kan iemand met psychiatrische problemen het zelf prima vinden om de hele dag op de bank te liggen, maar een professional kan vin­ den dat dat geen zinvolle dagbesteding is. In de figuur staat ook het totaal aantal inwoners dat beperkingen ondervindt op een bepaald levensdomein weergegeven. De snelle rekenaar zal direct hebben gezien dat dit totaal lager is dan de optelsom van de in de betreffende rij weergegeven aantallen. Dat is een gevolg van overlap tussen de verschillende aandoeningen: iemand met dementie kan bijvoorbeeld ook somatische problemen en/of een zintuiglijke aandoening hebben. De figuur kan ook worden benut voor het vinden van mogelijkheden voor samenwerking tussen sectoren. Zo zal een alarmcentrale - op gemeentelijk niveau - niet haalbaar zijn voor alleen de groep met psychiatrische problemen, maar mogelijk wel als deze ook andere groe­ pen kan bedienen.

2

In eerste instantie is van deze raming alleen de face-validiteit getoetst, met positief resultaat. Later is het mogelijk geweest bestanden over het Wmo-gebruik te koppelen aan de data. Uit deze statistische validatie bleek dat de geografische spreiding van beperkingen en gebruik vrij­ wel een op een overeen te komen.

Pagina 10 van 38

figuur 11

Het aantal inwoners van 19 jaar of ouder dat als gevolg van een bepaalde aan­

190 190 470 310 140 930 630 4.700

170 170 140 170 100 170 100 170 170 140 140 170 170 170 100

2.470 720 3.150 1.670 1.540 1.540 2.530 3.130

120 4.300

300

770 770 510 510

510 770 510 770 510 1.500

210 180 210 100 10 100

190 250 100 90 190 90 300

200 40 200 100 170 180 100 180 260 200 40 40 40 30 400

totaal

niet-aangeboren hersenletsel

250 220 180 180 160 60 90 140 150 190 20

psychiatrische problematiek

3.180

angst- en stemmingsproblematiek

zintuiglijke aandoeningen

700 930 470 470

somatische problematiek

80 510 80 290 40 40 30 80 80 510 270 510 200 510 700

matig of ernstig verstandelijk beperkt

licht verstandelijk beperkt/laaggeletterden

dagbesteding administratie/ financiën contacten/sociaal netwerk medicijngebruik/medische verzorging mobiliteit buitenshuis algemene dagelijkse levensverrichtingen mobiliteit in huis veiligheid in huis het huishouden doen stemmingen/angsten probleemgedrag/verslaving cognitief functioneren regie alarmering totaal

dementie (extramuraal)

doening beperkt is op een bepaald levens domein in de Kempengemeenten, 2018

4.700 2.000 3.700 2.200 3.300 2.400 1.700 2.000 3.700 4.700 600 2.100 1.900 1.300

Bron: WoonZorgwijzer

In figuur 12 staat aangegeven welk aandeel inwoners beperkt is op een bepaald levensdo­ mein in de Kempengemeenten, afgezet tegen het landelijk en provinciaal gemiddelde. Voor de Kempengemeenten geldt dat er relatief weinig inwoners met beperkingen wonen. Ouder­ dom gerelateerde beperkingen zoals mobiliteit buitenshuis en in huis liggen in Eersel rond of iets boven het landelijk gemiddelde.

Pagina 11 van 38

figuur 12

Het aandeel inwoners van 19 jaar of ouder dat zelfstandig woont en naar ver­

Kempengemeenten

Nederland

10 40 40 20

Reusel-De Mierden

90 40 70 40 60 50 30 40 70 90

Eersel

dagbesteding administratie/ financiën contacten/sociaal netwerk medicijngebruik/medische verzorging mobiliteit buitenshuis algemene dagelijkse levensverrichtingen mobiliteit in huis veiligheid in huis het huishouden doen stemmingen/angsten probleemgedrag/verslaving cognitief functioneren regie alarmering

Bladel

Bergeijk

wachting beperkt is op een bepaald levens domein in de Kempengemeenten en Nederland, 2018

100 40 80 5o 7o 5o 3o 4o 8o 9o 1o 4o 4o 2o

110 5o 80 50 70 50 40 50 80 100 20 50 40 30

80 30 60 40 60 40 30 30 60 80 10 30 30 20

100 40 80 40 60 50 30 40 70 90 10 40 40 20

170 130 130 100 70 80 40 60 120 130 30 140 110 30

Bron: WoonZorgwijzer

2.4 Intramuraal wonen Indicaties WLZ In de voorgaande paragraaf is gefocust op die zorgdoelgroepen die zelfstandig wonen. Het zijn deze groepen waarvoor de gemeente primaire verantwoordelijkheid heeft, onder meer via de Wmo. Bij een ander deel van de zorgdoelgroepen wordt de zorg (en vaak ook het ver­ blijf) gefinancierd via de WLZ. Deze groepen wonen relatief vaak intramuraal. Een indicatie van de omvang van deze groepen kan worden herleid uit de afgegeven indicaties, zoals ge­ registreerd door het CIZ. Uit figuur 13 blijkt dat er totaal in de Kempengemeenten 635 indicaties zijn afgegeven voor verpleging en verzorging. Als aandeel van de totale bevolking gaat het om 0,88‘7o, wat rela­ tief laag is. Dat kan duiden op een hogere zelfredzaamheid, maar vermoedelijk zijn de inwo­ ners van de Kempen deels aangewezen op voorzieningen in de nabije steden. Binnen de Kempengemeenten vervult Bladel een opvangfunctie. Er zijn in de Kempengemeenten 665 indicaties afgegeven voor verstandelijk gehandicapten, waarvan 380 in Eersel (1,95yo). Dit is relatief meer dan in de rest van de provincie en in Ne­ derland, mogelijk vanwege een regionale opvangfunctie. Voor wat betreft de andere doelgroepen leunen de gemeenten deels op voorzieningen elders in de regio.

Pagina 12 van 38

figuur 13 Het aantal afgegeven WLZ-indicaties per 1-1-2021 in de Kempengemeenten en het aandeel ten opzichte van het totaal aantal inwoners in de Kempengemeenten, Noord-Brabant en Nederland Bergeijk

Bladel

Kempen­ Noord- Nederland gemeenten Brabant abs. perc. perc. perc.

abs.

perc.

abs.

130

0,69/

250 1,22/

185 0,95/

70

0,53/

635

0,88/

1,03/

Verstandelijk gehandicapt (VG)

105

0,56/

125 0,61/

380 1,95/

55

0,42/

665

0,92/

0,69/

0,66/

Licht verstandelijk gehandicapt (LVG)

0,01/

0,01/

Zintuiglijk auditief (ZGAUD)

0,01/

0,01/

Zi ntui gl i jk vi sueel (ZGVIS)

0,01/

0,01/

0,09/

0,09/

0,03/

0,02/

0,05/

0,06/

10

0,05/

10 0,05/

abs.

Reusel-De Mierden perc. abs. perc.

Verplegi ng en verzorgi ng (VV)

Lichamelijk gehandicapt (LG)

perc.

Eersel

10 0,05/

15

0,11/

45

0,06/

Geestelijke gezondheidszorg (GGZ-B) GGZ-Wonen

5

0,03/

15 0,07/

20

0,03/

0,98/

Bron: CIZ

Het aantal indicaties in de categorie VG in de Kempengemeenten was in de afgelopen jaren constant. Deze aantallen worden op gemeentelijk niveau niet zozeer bepaald door de be­ hoefte onder de bevolking van de Kempengemeenten, maar door de capaciteit van de aan­ wezige instellingen. Op landelijk niveau geldt - globaal gezien - dat het aandeel inwoners met een verstandelijke handicap ongeveer gelijk blijft. Door prenataal onderzoek worden er minder mensen met een verstandelijke handicap geboren, maar de levensverwachting van de verstandelijk gehandicapten neemt toe. Beide ontwikkelingen houden elkaar kwantitatief grotendeels in evenwicht, maar de samenstelling van de groep verandert wel. Toenemende behoefte bij ouderen Door de vergrijzing neemt de groep ouderen de komende decennia sterk toe en daarmee ook de groep ouderen met een zorgbehoefte. In dit onderzoek brengen we deze trend in beeld aan de hand van het ramingsmodel wonen met zorg van In.Fact.Research. In dit model wor­ den twee niveaus onderscheiden: ^

Zorg op afroep. Het gaat hier om ouderen met beperkingen die leiden tot een behoefte aan zorg op afroep. In het verleden woonde deze groep veelal in het verzorgingshuis, tegenwoordig kan deze zorg op vele (sommigen zeggen alle) locaties worden geleverd.

^

24-uurszorg. Het gaat hier om ouderen met beperkingen die leiden tot een behoefte aan 24-uurszorg. Het grootste deel van deze groep verblijft in een verpleeghuis, maar een in aantal toenemende groep ontvangt de zorg via een PBG, VPT of MPT in de eigen wo­ ning.

In figuur 14 staat de ontwikkeling van beide groepen in de Kempengemeenten weergegeven. Het aantal ouderen met beperkingen die leiden tot een behoefte aan 24-uurszorg neemt de komende jaren sterk toe, van 640 in 2021 naar 970 in 2030 naar 1.290 in 2040 (figuur 15). Be­ langrijke vraag voor het beleid is of en in welke mate deze behoefte wordt opgevangen in 'traditionele' verpleeghuizen en in welke mate wordt ingezet op alternatieven. De aantallen nemen met name toe in die gebieden waar deze nu nog laag zijn. Het gevolg daarvan is dat de behoefte aan 24-uurszorg veel meer gespreid zal zijn dan nu het geval is. In figuur 16 en figuur 17 wordt dit duidelijk gemaakt. Dat maakt dat naast de vraag in

Pagina 13 van 38

welke mate de behoefte intra- of extramuraal wordt opgevangen, ook de vraag relevant is in welke mate dit decentraal en centraal gebeurt. figuur 14

De ontwikkeling van het aantal ouderen met beperkingen die leiden tot een be­

hoefte aan 24-uurs zorg of zorg op afroep in de Kempengemeenten

3.500 3.000

a 24-uurs zorg

2.500 a zorg op afroep

2.000 1.500 1.000 500 0 T-tNO^in(DSlDO)OT-OJ(0^lO(DS«)0)0 CMCMCMCMCMCMCMCMCMCOCOCOCOCOCOCOCOCOCO-^-

oooooooooooooooooooo CMCMCMCMCMCMCMCMCMCMCMCMCMCMCMCMCMCMCMCM

Kempengemeenten Bron: ramingsmodel wonen met zorg In.Fact.Research figuur 15

Het aantal ouderen met beperkingen die leiden tot een behoefte aan 24-uurs zorg

of zorg op afroep in de Kempengemeenten

2021

2030

2040

1.030

1.360

1.570

24-uurs zorg

640

970

1.290

zorg op afroep

310

410

480

24-uurs zorg

130

200

260

zorg op afroep

220

280

300

24-uurs zorg

250

380

500

zorg op afroep

300

390

450

24-uurs zorg

190

280

360

zorg op afroep

190

280

340

24-uurs zorg

70

110

160

totaal Kempengemeenten zorg op afroep Bergeijk Bladel Eersel Reusel-De Mierden

Bron: ramingsmodel wonen met zorg In.Fact.Research

Pagina 14 van 38

figuur 16 Het aantal ouderen in de Kempengemeenten met een behoefte aan 24-uurs zorg als aandeel van het totaal aantal inwoners in 2020

mu Bron: ramingsmodel wonen met zorg

Pagina 15 van 38

figuur 17 Het aantal ouderen in de Kempengemeenten met een behoefte aan 24-uurs zorg als aandeel van het totaal aantal inwoners in 2040

Bron: ramingsmodel wonen met zorg

2.5 Zelfstandig wonen met zorg: huidige en toekomstige woonsituatie Huidige woonsituatie van ouderen In figuur 18 staat de huidige woonsituatie van generaties ouderen in de Kempengemeenten weergegeven. In de woonsituatie komen generatieverschillen tot uiting. Oudere generaties ouderen wonen vaker in een appartement en vaker in de huursector. Het aandeel eigenwoningbezit bij de leeftijdsklasse van 75 tot 85 jaar ligt op 74% (85+: 56%)/ terwijl deze bij de groep in de leeftijd van 55 tot 65 jaar op 80% ligt. Dit verschil kan deels verklaard worden door de levensfase: een deel van de ouderen gaat op latere leeftijd kleiner wonen en een

Pagina 16 van 38

deel van deze groep maakt daarbij de stap van koop naar huur. Omdat het aantal ouderen dat deze stap maakt relatief gezien beperkt is, moet de reden voor het verschil in eigenwoningbezit vooral worden verklaard door generatieverschillen. Bij de huurders van corporaties ligt het aandeel 65-plussers op dit moment rond de 39% en bij de eigenaar bewoners op 32%. De corporatie huursector is op dit moment dus het sterkst vergrijst. In figuur 19 is de leeftijdsverdeling naar eigendomssituatie weergegeven. Met name in de koopsector is de leeftijdsklasse van 55 tot 65 jaar sterk vertegenwoordigd. Dat betekent dat met name in de koopsector de toekomstige vergrijzing zal plaatsvinden, in elke gemeente. figuur 18 Woonsituatie van generaties ouderen in de Kempengemeenten, 2020

ïooyo B corporatie huur appartement 800Zo

B corporatie huur grondgebonden

6oyo

B particuliere huur appartement B particuliere huur grondgebonden

Wo

B koop appartement 2oyo

B koop grondgebonden

oo

Bron: CBS, Woningstichting de Zaligheden, LC-model In.Fact.Research figuur 19 De leeftijdsopbouw in de koop- en de huursector in de Kempengemeenten, 2020

6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 LD

LD

LD

-M

-M

r\i

m

O -M

O -M

-M

LD

rsj

rr

O -M LD

m

LD LD -M O -M LD ^

LD U0 -M O -M LD LD

LD r^ -M O -M LD U3

LD

00

■M O ■M

+

LO

00

LD

h-

Kempengemeenten Bron: CBS, Woningstichting de Zaligheden, LC-model In.Fact.Research,

Een deel van de ouderen raakt op leeftijd slechter ter been of krijgt te maken met andere ou­ derdom gerelateerde beperkingen. Op dat moment gaat men andere eisen stellen aan de wo­ ning en woonomgeving. In figuur 20 is de woonsituatie van ouderen weergegeven naar wo­

Pagina 17 van 38

ningtype. Daarbij geldt dat de typen (grof) zijn geordend naar mate van geschiktheid. Bo­ venin staan de ongeschikte typen (appartementen zonder lift, portieketagewoningen en kleine rijwoningen) en onderin de meer geschikte typen. Het aandeel 75+ dat woont in veelal ongeschikte woningtypen ligt in de Kempengemeenten op 7% ten opzichte van 14% landelijk. In Eersel gaat het om 8%, in Reusel-De Mierden om 6% (figuur 21). Onder 65 tot 75 jaar woont circa 6% in de Kempengemeenten in veelal onge­ schikte woningtypen, ten opzichte van 15% in Nederland. Voor de meerderheid van de ouderen in ongeschikte woningtypen geldt dat zij een woning huren bij een van de corporaties (figuur 22). Dat maakt dat corporaties deze groep huurders kunnen voorlichten en mogelijk verleiden en helpen bij een aanstaande verhuizing. De ove­ rige ouderen wonen in de particuliere huur of hebben een eigen woning. Deze groep kan wellicht met een voorlichtingscampagne worden bereikt. figuur 20 Woonsituatie van generaties ouderen in de Kempengemeenten, 2020

100/0 B appartement zonder lift 80/

B appartement met eigen op/ingang aan straat

60/

B grondgebonden rij < 80 m2

40/

B grondgebonden rij > 80 m2 B grondgebonden vrijstaand en 2-kap

20/

B appartement met lift Z benedenwoning

0/ 55 - 65 jaar 65 - 75 jaar 75 - 85 jaar

85+

Bron: LC-model In.Fact.Research figuur 21 Aandeel 65 tot 75 jaar en Ĩ5+ in ongeschikte woningtypen in de Kempengemeenten, 2020

Eersel Reusel-De Mierden Bergeijk Bladel totaal Kempengemeenten

65 - 75 jaar 8/ 4/ 5/ 5/ 6/

75+ 8/ 6/ 7/ 7/ 7/

figuur 22 Woonsituatie naar eigendom van ouderen in woningen die minder of niet geschikt zijn voor bewoning met mobiliteitsbeperkingen in de Kempengemeenten, 2020

55 - 65 jaar

65 - 75 jaar

75 - 85 jaar

854

koop

54/

51/

36/

19/

particuliere huur

17/

14/

37/

50/

44/

100/

100/

corporatie huur

29/

11/ 38/

totaal

100/

100/

Bron: LC-model In.Fact.Research

Pagina 18 van 38

Woningvraag en woonwensen van ouderen Ouderen zijn over het algemeen vrij honkvast, slechts een klein deel heeft een verhuiswens. Voor de Kempengemeenten is geraamd dat ongeveer 15% van de 75-plussers een verhuizing overweegt, wat ongeveer gelijk is aan het landelijk gemiddelde van 14%. Het gaat hier om een diverse groep: sommigen hebben een paar keer aan een verhuizing gedacht, anderen hebben zich al gedegen georiënteerd. Kenmerkend voor ouderen is dat een relatief groot deel uiteindelijk niet de daad bij het woord voegt. Dit bijvoorbeeld omdat men meer ge­ hecht blijkt aan de huidige woning, dat men opziet tegen een verhuizing, dat men de juiste woning niet kan vinden of schrikt van de huur- en woningprijzen. Bij dat laatste punt geldt dat ouderen simpelweg ook niet gewend zijn geld uit geven en dat men zich vaak niet beseft hoeveel de eigen woning waard is (de waarde is de afgelopen jaren sterk gestegen). An­ dersom geldt overigens ook dat relatief veel ouderen die niet zeggen te willen verhuizen, dit juist wel doen. Dit omdat er zich onvoorziene omstandigheden voordoen, zoals het overlij­ den van een partner of intredende ouderdomsgebreken. Naarmate men ouder is, neemt de oriëntatie op de koopsector af.

Van de groep 55 tot 65-jarigen heeft circa 70% voorkeur voor een koopwoning, van de groep 65 tot 75-jarigen circa 60% en van de groep 75-plussers een op de drie (figuur 23). Voor een deel is dit een gevolg van de levensfase (men wil op latere leeftijd ontzorgd worden) maar ook generatie-effecten spe­ len een rol. De nieuwe generatie ouderen woont vaker in een koopwoning en de meeste ou­ deren zijn bij een verhuizing sectortrouw (huurders verhuizen binnen de huursector en ko­ pers binnen de koopsector). Naarmate de leeftijd vordert neemt ook de vraag naar appartementen toe. Bij de groep 55 tot 65-jarigen zoekt nog ruim de helft een grondgebonden woning. Bij de groep 65 tot 75-jarigen gaat het om ongeveer een derde en bij de 75-plussers om circa 18%. figuur 23 Woonwensen van ouderen in de Kempengemeenten naar eigendom en type, 2020

koop huur

grondgebonden appartement grondgebonden appartement

totaal aandeel verhuisgeneigd

55 - 65 jaar 440 250

65 - 75 jaar 270 330

100 200 1000 180

70 330 1000 160

55 - 65 jaar grondgebonden 530 appartement toegankelijk 190 niet toegankelijk /onbekend 170 geclusterde woonvorm 120 totaal 1000 Bron: LC-model In.Fact.Research

Pagina 19 van 38

75+ 80 240 90 580 1000 150 65 - 75 jaar 320 300 180 190 1000

75t 130 320 170 370 1000

Geclusterde woonvormen Sinds 2013/2014 is de toegang tot de verpleeghuiszorg onder de noemen 'extramuralisering' beperkt. Door zorgzwaartepakketten 1 t/m 3 is de toegang tot verpleeghuiszorg ontzegd. In de praktijk raakte dit beleid weinig personen, de meeste ouderen met dit soort lichte beper­ kingen verhuisden in de praktijk al niet meer naar verpleeg- of verzorgingshuizen. Ze ble­ ven vaak al zelfstandig wonen. Een deel van de groep die voorheen ZZP3 kreeg vormde hierop een uitzondering. Deze groep kan wel (meer) zelfstandig wonen, maar daar zijn wel grenzen aan. Over het algemeen wordt gesteld dat een geclusterde woonvorm voor deze groep vaak noodzakelijk is. De clustering biedt de benodigde geborgenheid en veiligheid en daarnaast creëert de clustering draagvlak voor gezamenlijke voorzieningen. De totale behoefte aan geclusterde woonvormen/ tussenvormen is groter. In figuur 23 is te zien dat rond de 37% van de 75-plussers met een verhuiswens aangeeft dat men een voor­ keur heeft voor een geclusterde woonvorm. De behoefte aan geclusterde woonvormen/ tus­ senvormen is dan ook veelkleurig: 1.

Er is een groep voor wie de geclusterde woonvorm een noodzaak is. Deze groep bestaat uit: a.

Een deel van de groep die voorheen een ZZP3 kreeg;

b.

Een deel van de groep die verpleeghuiszorg in een zelfstandige woonvorm (via een VPT, MPT of PGB) wil ontvangen.

2.

Daarnaast is er een groep die simpelweg de wens heeft om naar een dergelijke woning te verhuizen: a.

Op dit moment gaat het om een kwaliteitsvraag, maar:

b.

Op de langere termijn zal een deel van deze groep met (ernstige) beperkingen te maken krijgen (gaat tot groep 1 behoren) en op dat moment is een verhuizing niet langer nodig.

In de uitwerking zal het zoeken zijn naar de juiste balans tussen beide groepen. Vanuit het oogpunt voor draagvlak voor bepaalde zorg en ondersteuning zal minimaal een deel van de inwoners tot de eerste categorie moeten behoren. Mocht het zo zijn dat de capaciteit in de verpleeghuizen niet toeneemt met de behoefte, dan zal groep 1 sterk in omvang gaan groeien. Van belang is te beseffen dat voor geclusterde woningen niet altijd nieuwbouw noodzakelijk is. Ook in de bestaande voorraad kunnen ouderen geclusterd wonen en kan door het in de straat of het complex opofferen van één woning een gezamenlijke ruimte/zorgpost worden gecreëerd. Toekomstige woonsituatie van ouderen In de toekomst wonen er in de Kempengemeenten steeds meer ouderen in een koopwoning. Op dit moment zijn er circa 3.100 75-plussers met een eigen woning, in 2030 zijn dit er naar schatting 4.950 (figuur 24 en figuur 25). Het gaat hier om een toename van circa 1.850 75plussers (+59%), verspreid over de vier gemeenten (figuur 25). In de corporatie huursector neemt het aantal ouderen nauwelijks nog toe (onder gedane aannamen een toename van 407o).

Pagina 20 van 38

De behoefte aan huurwoningen is in de toekomst mogelijk iets groter als ouderen vaker dan in het recente verleden verhuizen naar een huurappartement, conform de uitgesproken woonwensen. Dit is weergegeven in figuur 26. Ouderen wonen dan minder vaak in een grondgebonden koopwoning, maar vaker in een huur- (of koop-) appartement. Deels gaat het om huurwoningen met een huurprijs boven de C 752 (van een bepaalde woonkwaliteit). Daarnaast is er een (beperkte) groep ouderen die met een laag inkomen in de koopsector woont en die een verhuizing naar een sociale huurwoning overweegt. Ouderen willen en kunnen vaak in hun vertrouwde woning blijven wonen, maar om dit mo­ gelijk te maken zijn vaak wel woningaanpassingen nodig. Deze aanpasbehoefte zal zich met name in de (grondgebonden) koopsector manifesteren. In de huursector neemt de aanpasbehoefte slechts beperkt toe. figuur 24 De leeftijdsopbouw in de koop- en de huursector in 2020 en 2030 in de Kempenge­ meenten

6.000

B 2020

figuur 25 Het aantal huishoudens van 75 jaar of ouder naar woonsituatie in de Kempenge­ meenten in 2020 en 2030

Kempengemeenten 75+

ontw. 2020-2030 2020

2030

abs.

perc.

koop

3.100

4.950

1.850

59yo

corporatie huur

1.000

1.050

50

4yD

particuliere huur

400

450

50

13ū7o

2020

2030

abs.

perc.

Eersel

900

1.400

450

51yo

Reusel-De Mierden

450

900

450

95yo

Bergeijk

850

1.250

400

46yo

Bladel

850

1.400

500

60yD

3.100

4.950

1.850

59ū7o

ontw. 2020-2030 75+ in koop

Kempengemeenten Bron: LC-model In.Fact.Research

Pagina 21 van 38

figuur 26 Ontwikkeling behoefte van 75-plussers in 2020 tot 2030 in de Kempengemeenten bij constante woonpatronen en rekening houdend met woonwensen

koop

huur

grondgebonden appartement totaal grondgebonden appartement totaal

totaal

woonsituatie en feitelijk verhuisgedrag

woonsituatie en woonwensen

1.505 335 1.840 -70 165 95 1.935

1.235 430 1.665 -50 320 270 1.935

Bron: LC-model In.Fact.Research

2.6 Omgevingskenmerken Later in dit hoofdstuk wordt het aanbod aan (fysieke) woonzorgvormen besproken, mede op basis van lokale bronnen. Het is van belang te beseffen dat bij 'het aanbod' moet worden gekeken naar het volledige arrangement. Dat wordt bepaald door de woonvorm, de beschik­ bare ondersteuning maar ook door de bredere woonomgeving. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het voorzieningenniveau en de bereikbaarheid, en bij een aantal zorgdoelgroepen is het vooral ook van belang dat de omgeving prikkelvrij is. Voorzieningenniveau Voorzieningen zijn er in vele soorten en maten. Bepaalde zorgdoelgroepen hebben maatwerkvoorzieningen nodig, maar voor vrijwel iedereen met een beperking zijn volgens velen de volgende voorzieningen van belang: een supermarkt, een huisarts en een apotheek. Deze drie voorzieningen worden ook wel aangeduid als de 'triple a' (arts, apotheek en Albert Hein/ Aldi). In het kader van dit onderzoek is voor deze voorzieningen geen lokale inventarisatie uitge­ voerd, maar gewerkt met landelijke bronnen (deze geven een eerste beeld, maar dit beeld is niet altijd volledig/actueel). Uitgaande van deze bronnen zijn er in de Kempengemeenten enkele gebieden waar de volledige 'triple a' aanwezig is, bereikbaar binnen een loopafstand van 500 meter (figuur 27). In de kleinere kernen zijn weinig voorzieningen aanwezig.

Dit maakt dat vervoer een belangrijk thema is, om de bereikbaarheid van essentiële voorzienin­ gen te borgen.

Pagina 22 van 38

figuur 27 De aanwezigheid van de Jtriple A' voorzieningen binnen 500 meter loopafstand in de Kempengemeenten en omgeving

Bron: Huisartsen-overzicht.nl, Ministerie van VWS, websites supermarkten, Kadaster, OpenStreetMap, be­ werking Object Vision en In.Fact.Research

Bereikbaarheid In figuur 28 staan de loopstanden tot OV-haltes aangegeven. In de meeste gebieden hoeven de inwoners niet meer dan 500 meter te lopen alvorens bij een halte aan te komen. In enkele gebieden is dit meer dan 500 meter. En dan moet er maar net een bus in de juiste richting vertrekken. Maatwerk in het openbaar vervoer lijkt dan ook cruciaal.

Pagina 23 van 38

figuur 28 De loopafstand tot ov-haltes in de Kempengemeenten en omgeving

Bron: Open OV, Kadaster, OpenStreetMap, bewerking Object Vision en In.Fact.Research

Prikkelvrij Voor zorgdoelgroepen als mensen met autisme en mensen met een psychiatrische problema­ tiek is het van belang dat men in een prikkelvrije omgeving woont. Dat betekent in de prak­ tijk vaak een omgeving met zo min mogelijk overlast. In de Kempengemeenten ligt het ni­ veau van de overlast over het algemeen laag en is de leefbaarheid hoog. Als in de landelijke Leefbaarometer (zie www.leefbaarometer.nl) naar de Kempengemeenten wordt gekeken kleuren bijna alle kernen in de gemeenten groen. Dat is bezien vanuit een lokale/regionale bril geen juist beeld. Er zijn lokaal wel degelijk be­ langrijke verschillen die maken dat de ene woonomgeving meer geschikt is dan de andere. Om deze in beeld te krijgen zijn in figuur 29 de scores op de dimensie 'overlast en veilig­ heid' afgezet tegen het gemiddelde totaal in de Kempengemeenten. Dan wordt duidelijk dat er gebieden zijn waar het niveau van overlast relatief hoog is, zoals in Reusel, Bladel en Ha­ pert. In en nabij deze gebieden is het zaak voorzichtig te zijn met plannen van nieuwe woonzorgvormen voor zorgdoelgroepen die een prikkelvrije omgeving wensen.

Pagina 24 van 38

figuur 29 De score op de dimensie 'overlast en veiligheid' t.o.v. het gemiddelde in de Kempen­ gemeenten

overlast en veiligheid (2018) | zeer veel slechter dan gemiddeld | veel slechter dan gemiddeld slechter dan gemiddeld iets slechter dan gemiddeld gemiddeld in de Kempengemeenten iets beter dan gemiddeld beter dan gemiddeld | veel beter dan gemiddeld m | zeer veel beter dan gemiddeld

Bron: Leefbaarometer

2,7 Draagkracht Bij het realiseren van nieuw aanbod op het vlak van wonen met zorg is het van belang te toetsen of het betreffende gebied ook voldoende 'draagkracht' heeft. Bij draagkracht gaat het over de verhouding tussen het aantal inwoners dat ondersteuning nodig heeft en de groep die dat niet heeft. Als er te veel mensen met een ondersteuningsbehoefte in één buurt

Pagina 25 van 38

wonen, is er feitelijk geen sprake meer van een inclusieve maatschappij die wordt nage­ streefd. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat een hogere concentratie van kwetsbare inwoners kan leiden tot een toename van overlast en onveiligheidsgevoelens.3 Dat laatste is niet zozeer het geval bij ouderen, maar bij groepen met psychiatrische proble­ men en/of verstandelijke beperkingen. Bij grote concentraties van ouderen is het vooral een probleem dat minder geleund kan worden op de informele zorg (er wonen minder mensen die mantelzorg kunnen verlenen). Ontbreekt informele zorg, dan zal men sneller zijn aange­ wezen op professionele zorg en wordt het zelfstandig wonen bemoeilijkt. Mogelijkheden voor informele zorg In navolging van het SCP brengen we in deze studie de mogelijkheden voor informele zorg in beeld aan de hand van de Oldest Old Support Ratio (OOSR).4 Simpel gezegd gaat het hier om de verhouding tussen het aantal 50 tot 75-jarigen en het aantal 85-plussers. Vanuit de eerste leeftijdsgroep wordt vaak mantelzorg geboden, de tweede groep ontvangt deze veelal. Landelijk ligt de OOSR op 13,7, hetgeen betekent dat er tegenover elke 85-plussers 13,7 50 tot 75-jarigen staan. In de Kempengemeenten ligt de OOSR iets hoger, rond de 15,3. Dit betekent dat kijkend naar de leeftijdsverdeling er op dit moment mogelijkheden zijn voor mantelzorg.

De OOSR is een heldere doch eenvoudige benadering van de werkelijkheid. Een iets genu­ anceerder beeld ontstaat als de benadering meer leeftijdsspecifiek wordt gemaakt. Uit on­ derzoek is bekend dat: ^

150o van de inwoners in de leeftijdsklasse van 75 tot 80 jaar mantelzorg ontvangt;

^

210o van de 80 tot 85-jarigen mantelzorg ontvangt;

^

240o van de 85-plussers mantelzorg ontvangt.

En voor de mantelzorgers geldt dat: ^

90o van de 18 tot 50-jarigen mantelzorg verleend;

^

240o van de 50 tot 75-jarigen mantelzorg verleend;

^

190o van de 75-plussers mantelzorg verleend.

Op basis van deze leeftijdsspecifieke OOSR is de verhouding tussen potentiële mantelzorgontvangers en potentiële mantelzorgverleners in de Kempengemeenten 1 tot 7,5. De variatie binnen de gemeenten is echter groot. In sommige gebieden ligt deze OOSR boven de 8, in andere gebieden onder de 4. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het verhoudingsgetal is berekend inclusief de bewoners van verpleeghuizen. Deze bewoners ontvangen professio­ nele zorg en hebben daardoor minder/geen behoefte aan mantelzorg. Als puur naar de zelf­ standig wonende bevolking zou worden gekeken, valt het verhoudingsgetal hoger uit.

3

Zie ook: https://www.infactresearch.eu/opdrachten-1/veerkracht-corporatiebezit

4

Toekomstverkenning mantelzorg aan ouderen in 2040, Sociaal en Cultureel Planbureau Den Haag, november 2019.

Pagina 26 van 38

In figuur 30 is te zien dat er binnen de kernen en wijken grote verschillen zijn. De bestaande verpleeghuizen kleuren in de kaart voor 2020 rood, daar wonen veel ouderen die geen infor­ mele maar professionele zorg ontvangen. Het is van belang te vermelden dat mantelzorg zeker niet altijd door buurtgenoten wordt geleverd. Vaak wordt deze geleverd door familieleden die soms tientallen kilometers ver­ derop wonen. Naar de toekomst toe geldt dat het kan zijn dat de gezondheidssituatie van ouderen verandert en daarmee ook de behoefte aan mantelzorg. Ook kunnen door maat­ schappelijke trends meer of minder mensen bereid zijn mantelzorg te verlenen. Het gaat hier dus nadrukkelijk om een indicatief beeld, van de mate waarin buurtgenoten ouderen bij kunnen staan op het moment dat gebreken intreden. Wellicht belangrijker dan het niveau is de trend die de OOSR laat zien: de komende jaren zullen de mogelijkheden voor informele hulp en ondersteuning vanuit de netwerken in buurten en kernen afnemen (figuur 31). In het beleid zal hier rekening mee moeten worden gehouden, want deze trend kan gevolgen hebben voor de behoefte aan formele zorg en on­ dersteuning.

Pagina 27 van 38

figuur 30 Leeftijdsspecifieke OOSR in 2020 in de Kempengemeenten

Bron: CBS I micro-prognose model In.Fact.Research

Pagina 28 van 38

figuur 31 Leeftijdsspecifieke OOSR in 2040 in de Kempengemeenten

Bron: CBS I micro-prognose model In.Fact.Research

Veerkracht van wijken In het landelijke onderzoek 'Veerkracht in het corporatiebezit' is aangetoond dat er in Ne­ derland sprake is van een trend naar hogere concentraties van kwetsbare inwoners. Deze concentraties vinden met name plaats in buurten met veel corporatiebezit. In deze buurten gaat de toenemende concentratie vaak samen met een toenemende overlast en onveiligheid. Mensen kunnen om allerlei redenen kwetsbaar zijn. In het Veerkracht-onderzoek zijn de vol­ gende groepen samengenomen: ^

Mensen die afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering;

^

Mensen met een herkomst uit één van de vluchtelingenlanden;

Pagina 29 van 38

^

Mensen met een licht verstandelijk beperking;

^

Mensen met een psychiatrische aandoening;

^

Mensen met meervoudige, chronische somatische aandoeningen en mobiliteitsbeperkingen.

Er zijn in de Kempengemeenten geen gebieden waar sprake is van concentraties van kwets­ bare inwoners (zie figuur 32). Alleen in Eersel en Bergeijk zijn enkele buurten waar het aan­ deel rond het landelijke gemiddelde ligt. Voor deze gebieden geldt dat er enige reden is voor waakzaamheid en men kan wat meer terughoudend zijn om in deze gebieden woon­ vormen voor specifieke zorggroepen toe te voegen. figuur 32 Het aandeel kwetsbare inwoners in de Kempengemeenten, 2018 kwetsbare inwoners (2018)

I ll III Bron: CBS microdata, Leefbaarometer, Woonzorgwijzer

Pagina 30 van 38

2.8

Het huidige aanbod Het huidige aanbod aan specifieke vormen van wonen met zorg wordt door HHM via een aanvraag onder stakeholders in beeld gebracht. Hier focussen we op de samenstelling van de reguliere woningvoorraad. Voor de groep met somatische beperkingen en mobiliteitsproblemen is het van belang dat er voldoende gelijkvloerse woningen zijn. Er zijn in de Kempengemeenten ongeveer 1.700 zelf­ standig wonende personen die problemen hebben met de mobiliteit binnenhuis. Daar staan ruim 3.300 geschikte woningen tegenover (110o van de voorraad, figuur 33 en figuur 34) en daarnaast zijn er bijna 25.300 aanpasbare woningen (geschikt te maken, 810 van de voor­ raad). Kijkend naar puur de fysieke kenmerken inzake de toe- en doorgankelijkheid van de woningen, is er dus geen sprake van tekorten. Ook onder het corporatiebezit zijn de meeste woningen geschikt of aanpasbaar, als ligt het aandeel ongeschikte woningen met 180 wel hoger dan onder de totale woningvoorraad (80). figuur 33 De geschiktheid van de woningvoorraad in de Kempengemeenten ten opzichte van het landelijk gemiddelde

Ongeschikt

Aanpasbaar

Geschikt

Bergeijk

77

827

117

Bladel

87

807

117

Eersel

870

797

137

Reusel-De Mierden

970

857

67

Kempengemeenten

87

817

117

Nederland

187

617

217

Bron: CBS microdata, ramingsmodel geschiktheid woningvoorraad

Het is niet zo dat iedereen die met mobiliteitsproblemen te maken krijgt direct 'passend' woont. De woning moet mogelijk nog aangepast worden, maar men kan ook besluiten te (willen) verhuizen. Deze verhuiswens is geen noodzaak die voortkomt uit de ongeschikt­ heid van de huidige woning. Andere elementen spelen vaak een belangrijke rol, zoals: klei­ ner willen wonen, nabij voorzieningen willen wonen, met andere buren te willen wonen, meer veiligheid/geborgenheid etc.

Pagina 31 van 38

figuur 34 Aandeel geschikte woningen in de Kempengemeenten, 2018

Bron: CBS microdata, ramingsmodel geschiktheid woningvoorraad

Ouderen wonen (gelukkig) vooral in gebieden waar de woningen geschikt of aanpasbaar zijn. De aanpasbehoefte zal zich in de toekomst met name manifesteren in gebieden met aanpasbare woningen én toekomstige vergrijzing. In elke kern in de Kempengemeenten ko­ men dit soort gebieden voor (figuur 35). De aanpasbehoefte zal zich dan ook gemeentebreed manifesteren. In een beperkt aantal gebieden met vergrijzing is de woningvoorraad niet geschikt (of aan­ pasbaar) voor bewoning met mobiliteitsproblemen. Het gaat bijvoorbeeld om woningen rondom het centrum van Reusel of in gebieden in Bladel (figuur 36). De strategie om in deze gebieden desgewenst de doorstroming onder de (aankomende) ouderen te bevorderen, kan verschillen. Het gaat deels om corporatiebezit, maar vaak ook om eigenwoningbezit.

Pagina 32 van 38

min

figuur 35 Aandeel aanpasbare woningen in de Kempengemeenten, 201S

Bron: CBS microdata, ramingsmodel geschiktheid woningvoorraad

Pagina 33 van 38

figuur 36 Aandeel ongeschikte woningen in de Kempengemeenten, 2018

Bron: CBS microdata, ramingsmodel geschiktheid woningvoorraad

Uitstroom naar corporatiebezit Voor veel andere kwetsbare groepen als die in de jeugdzorg, GGZ en maatschappelijke op­ vang geldt dat men veelal is aangewezen op de corporatiesector. Om deze groepen goed te kunnen huisvesten is het van belang inzicht te hebben in de omvang en samenstelling van het bezit van de corporaties. Circa 15% van de woningvoorraad in de Kempengemeenten is in het bezit een corporatie (landelijk 29%). In figuur 37 is te zien dat het bezit verspreid is, alleen in Eersel en Bergeijk zijn er buurten waar het aandeel corporatiebezit boven de 60% ligt. In figuur 38 is te zien dat de corporaties in vrijwel elke kern in de gemeenten bezit heb-

Pagina 34 van 38

ben. Daardoor is spreiding van de doelgroepen mogelijk (wel geldt dat het aanbod vermoe­ delijk beperkt is) en kan het - als het aanbod aansluit op de specifieke wensen - mogelijk zijn doelgroepen in de vertrouwde omgeving te laten terugkeren. Woningstichting de Zaligheden verhuurt de meeste woningen in de Kempengemeenten (circa 3.500), met name in Reusel, Bladel, Hapert en Eersel (figuur 38). In Luyksgestel en Bergeijk hebben ook andere woningcorporaties bezit. figuur 37 Aandeel van de woningvoorraad in het bezit van woningcorporaties

Bron: CBS microdata, Leefbaarometer, Woonzorgwijzer

Pagina 35 van 38

figuur 38 Panden van woningcorporaties in de Kempengemeenten

Bron: Republiq, bewerking In.Fact.Research

Het bezit van Woningstichting de Zaligheden bestaat voor bijna twee derde uit grondgebon­ den woningen en voor ruim een derde uit appartementen. In figuur 39 staat de samenstel­ ling van het bezit van Woningstichting de Zaligheden naar huurprijs weergegeven. Circa 840o van de corporatiewoningen heeft een huurprijs beneden de eerste aftoppingsgrens. Circa 120o heeft een huurprijs beneden de kwaliteitskortingsgrens, het segment waarop be­ paalde doelgroepen - zoals jongeren - vaak zijn aangewezen (landelijk gaat het om circa 110o). Deze woningen staan met name in Eersel (figuur 40).

Pagina 36 van 38

figuur 39 De samenstelling van het bezit van Woningstichting de Zaligheden naar woning­ type en huurprijsklasse in de Kempengemeenten, 2021

t/m C 442,46 totaal abs. grondgebonden 137 appartement met lift 11 appartement zonder 276 totaal 424 totaal perc. grondgebonden 4/ appartement met lift 0/ appartement zonder lift 8/ totaal 12/

C 442,47 t/m C 633,26 t/m C 678,67 t/m meer dan C 633,25 C 678,66 C 752,33 C 752,33 1.897 271 152 12 478 34 46 39 134 4 3 0 2.509 309 201 51 54/ 8/ 4/ 0/ 14/ 1/ 1/ 1/ 4/ 0/ 0/ 0/ 72/ 9/ 6/ 1/

totaal 2.469 608 417 3.494 71/ 17/ 12/ 100/

Bron: Woningstichting de Zaligheden figuur 40 De samenstelling van het bezit van Woningstichting de Zaligheden naar woning­ type en huurprijsklasse in de Kempengemeenten, 2021

t/m C 442,46 C 442,47 t/m C 633,25 C 633,26 t/m C 678,66 C 678,67 t/m C 752,33 meer dan C 752,33 totaal

Bergeijk 4/ 84/ 8/ 3/ 1/ 100/

Bladel 10/ 73/ 9/ 6/ 2/ 100/

Eersel 16/ 69/ 8/ 5/ 1/ 100/

grondgebonden appartement met lift appartement zonder lift totaal

83/ 16/ 1/ 100/

66/ 24/ 10/ 100/

70/ 15/ 15/ 100/

Reusel-De Mierden totaal Kempengemeenten 11/ 12/ 69/ 72/ 11/ 9/ 8/ 6/ 0/ 1/ 100/ 100/ 76/ 10/ 13/ 100/

71/ 17/ 12/ 100/

Bron: Woningstichting de Zaligheden

Het aantal verhuringen van woningen van Woningstichting de Zaligheden bleef in de peri­ ode 2016 t/m 2020 ongeveer constant (rond de 250 woningen per jaar, figuur 41). Wel nam het gemiddeld aantal reacties per geadverteerde woning van Woningstichting de Zalighe­ den toe van 34 in 2016 tot 71 in 2020 (figuur 42). Met name voor grondgebonden woningen geldt dat er uitschieters zijn in het aantal reacties. Daarmee is de spanning op de huurmarkt in de afgelopen jaren toegenomen in de Kempengemeenten. Deze toename is wat minder sterk dan in stedelijke regio's als in Brabant en in de Randstad, waar het aantal reacties is opgelopen tot gemiddeld zo'n 150 tot 200 reacties per woning in 2020. figuur 41 Ontwikkeling aantal verhuringen van Woningstichting de Zaligheden in de Kempen­ gemeenten

2016

2017

2018

2019

Bergeijk

24

12

18

24

24

Bladel

63

66

66

78

102

Eersel

94

106

146

93

92

Reusel-De Mierden

52

53

57

55

46

totaal De Kempen

233

237

287

250

264

- waarvan bestaande voorraad

216

224

233

212

233

- waarvan nieuwbouw

17

13

54

38

31

Bron: Jaarverslagen Woningstichting de Zaligheden

Pagina 37 van 38

2020

figuur 42 Ontwikkeling gemiddeld aantal reacties per geadverteerde woning van Woning­ stichting de Zaligheden in de Kempengemeenten

2016

2017

2018

2019

2020

Bergeijk

21

18

29

29

52

Bladel

39

39

53

62

65

Eersel

33

41

42

41

74

Reusel-De Mierden

35

37

42

47

80

totaal De Kempen

34

39

44

49

71

Bron: Jaarverslagen Woningstichting de Zaligheden

Pagina 38 van 38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=359db67c-f311-439e-b96a-c5526e607822