[22.14319] - 220802 Bijlage toelichting
Tekst van het document
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BUITENMAN 2 TE LAGE MIERDE
Rapportage quickscan flora en fauna Buitenman 2 te Lage Mierde Opdrachtgever
Dhr. T.A.P.M. Romme Buitenman 2 5094 EJ Lage Mierde
Rapportnummer Versienummer
5121.003 D5
Status
Eindrapportage
Datum
22 mei 2019
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
ir. F.M. IJdema
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ir. B.H.H. Verdijck
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen ......................................................................................................................... 15 Amfibieën ........................................................................................................................ 15 Ongewervelden............................................................................................................... 16 Vaatplanten..................................................................................................................... 17
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 18 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Broedvogels .................................................................................................................... 18 Zoogdieren...................................................................................................................... 19 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 20 Amfibieën ........................................................................................................................ 20 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 21
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 22 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 22 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 23
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 24
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 25
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 5121.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van de heer T.A.P.M. Romme opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Buitenman 2 te Lage Mierde. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen gefaseerde realisatie van een veldschuur met een tijdelijke vergunning (fase I) en een groenten- en kruidenkas met terras en een rondhouse dierenverblijf met een bestemmingsplan (fase II) en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 5121.003 versie D5
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 5,2 ha) ligt aan de Buitenman 2, circa 1 kilometer ten noorden van de kern van Lage Mierde. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 50H (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 138.025, Y = 380.818.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie
De onderzoekslocatie is grotendeels in gebruik als agrarisch weiland. Het oostelijke deel van de onderzoekslocatie betreft een erf met verschillende schuren, een herberg, een woonhuis en een siertuin behorende bij de biologische boerderij ‘Landhoeve Buitenman’. Tevens zijn er twee verschillende parkeerplaatsen aanwezig. Aan de noord-, oost- en zuidzijde van de onderzoekslocatie is akkerland aanwezig. Aan de westzijde van de onderzoekslocatie bevindt zich de rivier de Reusel met aan de overzijde bos. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 5121.003 versie D5
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. (Te renoveren) schuur op de onderzoekslocatie.
Figuur 4. Boomopstand en tuin achter de (te slopen) schuur.
Figuur 5. Achterzijde erf.
Figuur 6. Parkeerterrein en weiland.
Figuur 7. Weiland zuidelijk op de onderzoekslocatie.
Figuur 8. Sloot centraal op de onderzoekslocatie.
Rapport 5121.003 versie D5
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfsmatige activiteiten uit te breiden middels: de uitbreiding van het gastenverblijf; de realisatie van een kas met daarin (biologische) tuinbouw; een horecagelegenheid met buitenterras, een informatiecentrum en de bouw van een roundhouse dierenverblijf voor het houden van dieren (zie figuur 9). Deze uitbreidingen zullen gefaseerd plaatsvinden: fase I vindt plaats in augustus tot en met december 2019 en bestaat uit de realisatie van de veldschuur ten westen van het bestaande erf. Fase II zal op een later tijdstip plaatsvinden, waarbij de realisatie van de roundhouse dierenverblijf, de horeca gelegenheid en groenten- en kruidenkas alsmede renovatiewerkzaamheden plaatsvinden.
Figuur 9. Voorgenomen inrichtingsvoorstel.
Rapport 5121.003 versie D5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 20 februari 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 5121.003 versie D5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 5121.003 versie D5
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Rapport 5121.003 versie D5
genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 5121.003 versie D5
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: boomvalk, bosuil, bruine kiekendief, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil en steenuil. Huismus en gierzwaluw Op de onderzoekslocatie is de huismus veel waargenomen. De huismussen bevinden zich voornamelijk in de begroeiing van de bedrijfswoning (figuur 11). Huismussen en gierzwaluwen broeden voornamelijk in de ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot. De bedrijfswoning heeft geschikte dakpannen waaronder huismussen en gierzwaluwen zich kunnen vestigen (figuur 12). In de voorgenomen herontwikkelingsplannen blijft deze bedrijfswoning echter onaangetast en verstoring ten opzichte van de huismus en gierzwaluw is dan ook niet aan de orde. De schuur die gerenoveerd gaat worden, biedt vanwege het ontbreken van een dakbeschot geen geschikte nestlocaties voor huismus en gierzwaluw (figuur 10). Verstoring ten opzichte van deze soorten is in het huidige herontwikkelingsplan dan ook niet aan de orde.
Figuur 10. Het dak van de te renoveren schuur biedt geen beschutting voor gierzwaluw of huismus.
Rapport 5121.003 versie D5
Figuur 11. Huismus in de begroeiing aan de bedrijfswoning.
Figuur 12. Bedrijfswoning met geschikte nestlocaties voor huismussen.
Kerkuil De kerkuil broedt in schuren, kerktorens en veelal in speciale nestkasten. In de meest oostelijk gelegen schuur op de onderzoekslocatie is een (kerk)uilenkast waargenomen (figuur 13 en 14). Als gevolg van de voorgenomen plannen is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de kerkuil niet op voorhand uit te sluiten (hoofdstuk 6).
Figuur 13. Ingang uilenkast in de meest oostelijk gelegen schuur.
Figuur 14. Uilenkast aan de binnenkant van de meest oostelijk gelegen schuur.
Steenuil De steenuil broedt voornamelijk in nestkasten en natuurlijke holtes in wilgen op kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de steenuil in 2016 op 2 km van de huidige onderzoekslocatie roepend waargenomen. De steenuil kan mogelijk gebruik maken van de aanwezige uilenkast in de oostelijk gelegen schuur. Tevens is er in de westelijke schuur een steenuilenkast aanwezig, waar mogelijk steenuilen kunnen verblijven. Het boerenerf en de weilanden vormen tevens geschikte foerageermogelijkheden voor de steenuil. Als gevolg van de voorgenomen plannen is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenuil niet op voorhand uit te sluiten (hoofdstuk 6). Boomvalk, bruine kiekendief, buizerd, havik Volgens verspreidingsgegevens worden in het gebied op en rond de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van boomvalk, bruine kiekendief, buizerd en havik. Deze soorten zijn voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstand. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden goed onderzocht worden op de aanwezigheid van nesten. Op de onderzoekslocatie zijn er geen grote nesten waargenomen, waardoor nestlocaties kunnen worden uitgesloten. Wel vormen de weilanden aan de westzijde van de onderzoekslocatie mogelijk geschikt foerageerhabitat voor nabij gevestigde roofvogelsoorten.
In de voorgenomen herontwikkelingsplannen zal een deel van dit foerageergebied verloren gaan door de gefaseerde bouw van de schuur, het dierenverblijf en de kruidenkas, echter is er in de nabije omgeving nog genoeg geschikt foerageergebied voor deze soorten. Het gaat hierbij om de weilanden die de onderzoekslocatie in alle richtingen omringen. Verstoring van deze soorten is dan ook niet aan de orde.
Rapport 5121.003 versie D5
5.1.2
Overige broedvogels
De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, winterkoning, groenling, roodborst en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Het noordelijke- en westelijke terreindeel bevat veel jonge boomopstand, met voldoende beschutting en nestgelegenheid voor de soorten. Tevens is er op het westelijke terreindeel een klein nest aangetroffen (figuur 15). Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
Figuur 15. Kleine vogelnest westelijk op de onderzoekslocatie.
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster, torenvalk en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Voor de algemene soorten is het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6), echter dienen ten opzichte van de torenvalk aanvullende maatregelen genomen te worden. Torenvalk Op de onderzoekslocatie is een torenvalkkast waargenomen (figuur 16). Volgens waarnemingen van de NDFF heeft een torenvalk een gevestigd territorium op de onderzoekslocatie. In de huidige herontwikkelingsplannen is men voornemens om in fase I een landbouwschuur te bouwen binnen 50 meter van de huidige torenvalkkast. Indien de kast in gebruik is als nestlocatie voor deze soort kan verstoring plaatsvinden van broedgevallen tijdens de aanlegfase van de schuur. Als gevolg van de voorgenomen plannen zal echter geen essentieel leefgebied van de torenvalk verloren gaan.
Op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie blijft namelijk Figuur 16. Torenvalkkast tussen de weilanden centraal op de voldoende foerageergebied behouden en/of onderzoekslocatie. wordt verbeterd. Om verstoringen te voorkomen, dient de kast, indien deze in gebruik is, buiten het broedseizoen te worden verplaatst. Op deze manier zijn er geen zwaarwegende ecologische belangen dat dit nest van de torenvalk jaarrond beschermd zou zijn (hoofdstuk 6).
Rapport 5121.003 versie D5
5.2
Vleermuizen
Volgens het cursusdictaat “Vleermuizen en Planologie” (Limpens H., Regelink J. (2017)) en de verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlierger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, watervleermuis, franjestaart, ingekorven vleermuis en baardvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De schuren die in de herontwikkelingsplannen op termijn gerenoveerd gaan worden zijn in principe geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de ruimte tussen de planken en vanwege geschikte openingen die toegang verlenen tot ruimtes onder het dak (figuur 17 en 18).
Figuur 17. Ruimte tussen de planken aan de zijkant van de schuur kunnen een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen bieden.
Figuur 18. Ruimte tussen de planken aan de bovenkant van de schuur.
De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf en als baltsverblijf (zie hoofdstuk 6). De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, welke kunnen dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie De boomopstand op het noordelijk en westelijk deel van de onderzoekslocatie is geïnspecteerd op holtes en is niet geschikt bevonden voor boombewonende vleermuizen. Ten westen van de onderzoekslocatie is echter een bos met hogere boomopstand, waar potentieel geschikte nestlocaties voor verschillende boombewonende vleermuizen mogelijk zijn. Echter bevindt zich er een watergang tussen het bos en de onderzoekslocatie en zijn er in de huidige herontwikkelingsplannen geen voornemens om bebouwing te realiseren nabij dit bos. Mogelijke belemmering van aanvliegroutes voor boombewonende vleermuizen is dan ook niet aan de orde.
Foerageerhabitat Het weiland op de onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk ruige dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aan-
Rapport 5121.003 versie D5
bod van foerageermogelijkheden door de bouw van de schuur, tuinkas en roundhouse dierenverblijf iets beperkt worden, echter is er in de directe omgeving meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de weilanden ten zuiden, oosten en noorden van de onderzoekslocatie almede het bos ten westen van de onderzoekslocatie. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: eekhoorn, bunzing, wezel, hermelijn en steenmarter. 5.3.1
Streng beschermde soorten
Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Tevens kunnen steenmarters gebruik maken van steen-, puin- en takkenhopen, welke op de onderzoekslocatie veelvuldig aanwezig zijn (figuur 19). Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn de schuren geïnspecteerd op sporen zoals uitwerpselen of prooiresten. Op het erf zijn geen sporen aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Ten westen van het erf nabij de sloot tussen de twee weilanden in zijn echter wel prooiresten van een marterachtige gevonden (figuur 20), wat indiceert dat er mogelijk een steenmarter in de omgeving actief is. Steen-, puin- en takkenhopen op het erf kunnen een geschikte verblijfslocatie voor marterachtigen vormen. Bij het verplaatsen/verwijderen van deze elementen kan dan ook overtreding ten aanzien van de Wet natuurbescherming plaatsvinden (zie hoofdstuk 6).
Rapport 5121.003 versie D5
Figuur 19. Steenhopen op de onderzoekslocatie kunnen een geschikte verblijfplaats voor marterachtigen vormen.
Figuur 20. Afgebeten veren indiceren op prooiresten van een marterachtige.
Bunzing, wezel en hermelijn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de bunzing, wezel en hermelijn. De bunzing, wezel en hermelijn maken gebruik van oude holen van onder andere konijnen, mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen, holle bomen, ruimtes onder boomwortels, hooizolders en stallen. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Op de onderzoekslocatie zijn diverse holen van muizen of konijnen waargenomen (figuur 21). Tevens zijn er op het erf meerdere steen-, puinen takkenhopen, welke geschikt zijn als potentiFiguur 21. Konijnholen op de locatie kunnen een verblijfsele verblijfplaats voor de bunzing, wezel en her- plaats voor kleine marterachtigen vormen. melijn. Voor de voorgenomen herontwikkeling van het erf in fase II dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen alvorens de steen-, puin- en takkenhopen worden verwijderd (zie hoofdstuk 6). Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn kan worden uitgesloten.
Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, vos, konijn, haas en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat dergelijke soorten verstoord worden (zie hoofdstuk 6).
Rapport 5121.003 versie D5
5.4
Reptielen
Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de volgende reptielensoorten waargenomen: hazelworm en levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Alle waarnemingen ten opzichte van de hazelworm zijn afkomstig uit de Mispeleindsche Heide en de directe omgeving, enkele kilometers den noordoosten van de onderzoekslocatie. De waarnemingen met betrekking tot de levendbarende hagedis zijn grotendeels afkomstig uit de Mispeleindsche Heide. De meest nabije waarneming van de levendbarende hagedis is op 1 kilometer ten noordoosten van de onderzoekslocatie gedaan, op de heidegrond van het landgoed Wellenseind. Gezien de afstand van de waarnemingen tot de onderzoekslocatie en het ontbreken van geschikt habitat op de onderzoekslocatie is de aanwezigheid van de levendbarende hagedis en de hazelworm op de onderzoekslocatie redelijkerwijs uit te sluiten. 5.5
Amfibieën
Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, poelkikker en vinpootsalamander. Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander is een streng beschermde soort die weinig kritisch is over zijn habitat. De soort heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. In het voorjaar komt de soort in allerlei typen water voor, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. In de winter overwintert de soort op het land (BIJ12, 2018). De alpenwatersalamander is volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF op 2500 meter ten noorden van de onderzoekslocatie in een poel waargenomen. Tussen de locatie van de waarneming en de huidige onderzoekslocatie bevinden zich meerdere sloten en bebossing. De onderzoekslocatie vormt door de aanwezigheid van sloten en poelen en door de vele beschutting geschikt habitat voor de alpenwatersalamander (zie hoofdstuk 6). Poelkikker en vinpootsalamander Volgens gegeven van de NDFF zijn op 1 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie de poelkikker en de vinpootsalamander waargenomen in een sloot.
Deze sloot staat in verbinding met de watergang de Reusel, die ten westen van de onderzoekslocatie loopt. De poelkikker komt vooral voor in gebieden met schone, stilstaande wateren in de landschaptypen bos, heide en hoogveen. Tevens kan de soort voorkomen in halfnatuurlijke graslanden, agrarisch kleipolders met kwel, laagveen en ruderaal terrein. Het voorkeur habitat van de poelkikker bestaat uit onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oever. De vinpootsalamander kan gebruik maken van permanente vennen, plassen en bospoelen. Na de voortplantingsperiode trekken de vinpootsalamanders naar het omliggende landhabitat. Met name het habitat op de westzijde van de onderzoekslocatie is geschikt voor deze soorten. Het feit dat er een verbinding is tussen de locatie van de waarnemingen en de huidige onderzoekslocatie en dat er geschikt habitat is, maakt dat de aanwezigheid van deze soorten op de onderzoekslocatie niet uit te sluiten is (zie hoofdstuk 6).
Rapport 5121.003 versie D5
Heikikker De heikikker is een soort die erg kritisch is ten aanzien van zijn habitat. Het habitat waar de heikikker wordt aangetroffen is in grote lijnen te kenschetsen als schraal, ietwat ruig en vochtig. Het bestaat vooral uit heide, hoogveen, laagveen en half natuurlijk grasland, maar ook bos en struweel, alles met een hoge grondwaterstand. De heikikker komt veel voor in relatief voedselarme, vaak zwak zure wateren. Verzuurt het water verder of vervuilt het, dan verliest het water haar voortplantingsfunctie. Waterhabitat is vaak relatief voedselarm en bestaat uit ondiep, zon beschenen water. Heidevennen en wateren op hoog- en laagveen zijn de belangrijkste voortplantingswateren. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de heikikker op meer dan 2 kilometer van de locatie waargenomen, op de Pannenven, waargenomen. Gezien de afstand van de waarneming tot de onderzoekslocatie en doordat geschikt landhabitat en tevens winterverblijven voor de heikikker op de onderzoekslocatie ontbreken, kan de aanwezigheid van de heikikker op de onderzoekslocatie redelijkerwijs worden uitgesloten (BIJ12, 2018). Algemene amfibieënsoorten Voor algemene amfibieënsoorten als gewone pad, bastaardkikker en bruine kikker die verder van hun voortplantingswater verblijven geldt dat deze soorten wel binnen het plangebied kunnen worden aangetroffen.
Deze kunnen mogelijk bij verwijdering van het groen en werkzaamheden aan de sloot verstoord worden. Voor de te verwachten soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht (hoofdstuk 6). Vissen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is op 2,5 kilometer ten noorden van de onderzoekslocatie de beekprik waargenomen. Deze beschermde vissoort komt voornamelijk voor op grindrijke plaatsen met stromend water. De sloot die op de onderzoekslocatie aanwezig is voldoet niet aan de geschikte habitatkenmerken voor de beekprik. Voor de te verwachten soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht (hoofdstuk 6). 5.6
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Volgens de huidige herontwikkelingsplannen blijft de poel in de noordwestelijke hoek op de onderzoekslocatie behouden, waardoor overtredingen ten opzichte van mogelijk beschermde libellen die van deze poel gebruik maken niet aan de orde zijn. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort.
Rapport 5121.003 versie D5
Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.7
Vaatplanten
Volgens waarnemingen van de NDFF is in de sloot direct ten westen van de onderzoekslocatie de drijvende wegenbree waargenomen. Deze watergang zal in de huidige herontwikkelingsplannen niet worden aangetast, waardoor er geen rekening gehouden dient te worden met deze beschermde plantensoort. Het gedeelte van de onderzoekslocatie waar nieuwbouw gaat plaatsvinden is geïnspecteerd op de aanwezigheid van beschermde planten, welke tijdens het veldbezoek niet zijn waargenomen. Het gaat hier om productiegrasland, waardoor er geen beschermde plantensoorten op deze locatie worden verwacht.
Rapport 5121.003 versie D5
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels
Kerkuil en steenuil In een van de schuren op de onderzoekslocatie is een kerkuilenkast waargenomen. Tevens is volgens de initiatiefnemer ook een steenuilenkast aanwezig in de tweede schuur. Tijdens de quickscan flora en fauna is niet vastgesteld of de uilenkast in gebruik is genomen door een kerkuil of steenuil. In de voorgenomen herontwikkelingsplannen blijft de betreffende schuur inclusief de kast behouden, echter worden er wel een nieuwe schuur, roundhouse dierenverblijf en kruidenkas gerealiseerd, waardoor mogelijk essentieel foerageergebied van de uil verloren gaat. Fase I: Voor de nieuwbouw van de schuur in fase I gaat enkel een klein deel van het foerageergebied van de uil verloren, immers is er in de directe omgeving nog veel foerageergebied aanwezig. Wel kan de bouw van de landbouwschuur een verstorend effect op de mogelijk aanwezige uilen hebben. De geplande werkzaamheden voor de aanleg van de landbouw schuur in fase I dienen ecologisch verantwoord- en buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. De te treffen maatregelen kunnen worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Een nader onderzoek naar het foerageergebied van de uil is voor de uitvoering van deze fase niet noodzakelijk, mits de veldschuur ecologisch wordt ingepast conform ecologisch werkprotocol.
Fase II: Met de voorgenomen realisatie van het terras, de roundhouse dierenverblijf en de kruidenkas in fase II van het ontwikkelingsplan, zal er echter meer foerageergebied verdwijnen en zal er tevens meer verstoring optreden door de toename in activiteit in dit gebied. Een nader onderzoek dient voor de uitvoering van fase II uit te wijzen of de uilenkasten in gebruik zijn, welke soort gebruik maakt van de kast en wat de functie van de kast is en of het onderzoeksgebied bij de voorgenomen nieuwbouw in fase II zijn functionaliteit voor de uilen verliest. Torenvalk Als gevolg van de uitbreidingen in fase II treedt mogelijk verstoring van de torenvalk op. Verstoring van een broedgeval kan echter voorkomen worden door de kast buiten het broedseizoen van de torenvalk te verplaatsen buiten de invloedsfeer van het toekomstige terras. De verplaatsing dient onder begeleiding van een ter zake kundige op het gebied van de torenvalk te worden uitgevoerd. 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden nesten te
Rapport 5121.003 versie D5
beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. 6.2 6.2.1
Zoogdieren Vleermuizen
De centraal gelegen en meest westelijke schuren op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Sloop- en/of renovatiewerkzaamheden van deze schuren zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen zal, indien de schuren gesloopt of gerenoveerd worden, aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden.
Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij toekomstige werkzaamheden aan de schuren overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. 6.2.2
Steenmarter
Een steenmarter heeft binnen zijn leefgebied meerdere dagrustplaatsen, die hij afwisselend gebruikt. Hieronder vallen ook dichte struwelen, takkenhopen, takkenrillen en steenhopen binnen de onderzoekslocatie. In de voortplantingsperiode gebruikt een vrouwtje steenmarter een van de dagrustplaatsen om ook haar jongen op te voeden. In dat geval vormt deze verblijfplaats tevens een voortplantingsplaats. Het is op basis van de huidige onderzoeksinspanning onduidelijk of tevens sprake is van verstoring van een voortplantingsplaats van de steenmarter bij de voorgenomen herontwikkeling van het erf in fase II. Voor de realisatie van de schuur in fase I op het onbebouwd weiland worden geen negatieve gevolgen ten opzichte van de steenmarter verwacht. Middels nader onderzoek door middel van wildcamera’s dient er meer duidelijkheid over de aanwezigheid van de steenmarter op het erf te komen, alvorens de herontwikkelingen in fase II worden gerealiseerd.
Rapport 5121.003 versie D5
6.3.3
Bunzing, wezel en hermelijn
In de provincie Noord-Brabant behoren de bunzing, wezel en hermelijn tot de beschermde inheemse diersoorten. De onderzoekslocatie bevat meerder oude holen van konijnen en muizen en zijn er binnen de onderzoekslocatie meerdere takken- en steenhopen en struiken aangetroffen die kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaatsen voor de bunzing, wezel en hermelijn. Het grasland en akkerland rondom de onderzoekslocatie kan dienen als foerageergebied voor desbetreffende soorten. Het verwijderen van boom-, steen- en struikopstanden en/of graaf- en maaiwerkzaamheden tijdens fase II van de voorgenomen herontwikkelingen kunnen leiden tot verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Een nader onderzoek door middel van wildcamera’s dient uitsluitsel te geven over het gebruik van de locatie door kleine marterachtigen. 6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4 6.4.1
Amfibieën Alpenwatersalamander, poelkikker en vinpootsalamander
Voor verstoring of vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen tijdens de voorgenomen herinrichting in fase II geldt in het kader van de Wet natuurbescherming een ontheffingsplicht. Indien de vaste rust- en verblijfsplaats van de alpenwatersalamander worden aangetast, is een ontheffingsaanvraag niet per definitie noodzakelijk, maar dienen er wel voorzorgsmaatregelen getroffen te worden om eventueel voorkomende individuen te beschermen. Deze maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Met behulp van het ecologisch werkprotocol is verstoring van de alpenwatersalamander te voorkomen en is een ontheffing niet noodzakelijk. Indien de sloot die over de onderzoekslocatie loopt (gedeeltelijk) gedempt gaat worden, kan er mogelijk essentieel leefgebied van deze soorten verloren gaan. In dit geval zal een nader onderzoek uitsluitsel moeten geven of de poelkikker, alpenwatersalamander en/of vinpootsalamander daadwerkelijk gevestigd zijn op deze locatie. 6.4.2
Algemene amfibieën
De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd.
Rapport 5121.003 versie D5
Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 5121.003 versie D5
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is gelegen in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kempenland-West, bevindt zich aangrenzend aan de westzijde van de onderzoekslocatie en op circa 200 meter afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 22).
Figuur 22. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsfeer van het Natura-2000 gebied Kempenland-West. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Er is reeds door de provincie Noord-Brabant een vergunning Wet natuurbescherming verleend voor 280,80 kg NH3/jaar (Definitieve beschikking van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, kenmerk: Z/069681-119471, d.d. 14 september 2018). Aanvullend onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
Rapport 5121.003 versie D5
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De westzijde van onderzoekslocatie maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het betreft nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting) en vochtig bos met productie. In figuur 23 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 23. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijk situatie mogelijk veranderen. Er is reeds een nee, tenzij-toets uitgevoerd bij de aanvraag en dit is namens de provincie akkoord bevonden in het ontwerpbesluit.
Rapport 5121.003 versie D5
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De te kappen bomen op de onderzoekslocatie vallen onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Bij het verwijderen van deze bomen dient een melding gedaan te worden. Aangezien de bomen niet op dezelfde locatie terug geplant kunnen worden, dient tevens een ontheffing Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Rapport 5121.003 versie D5
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van de heer T.A.P.M. Romme een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Buitenman 2 te Lage Mierde. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfsmatige activiteiten uit te breiden middels de gefaseerde aanleg van de veldschuur (fase I); de realisatie van een kas met daarin (biologische) tuinbouw, een horecagelegenheid met buitenterras, een informatiecentrum en de bouw van een roundhouse dierenverblijf voor het houden van zoogkoeien (fase II). Tevens zullen er renovatiewerkzaamheden plaatsvinden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Broedvogels
kerkuil en steenuil
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
ja
ja
nee (fase I)
mogelijk
nader onderzoek is voor fase I niet noodzakelijk, de aanleg van de schuur in fase I werkzaamheden uitvoeren volgens een ecologisch werkprotocol.
ja (fase II)
Vleermuizen
Grondgebonden zoogdieren
Amfibieën
voor de herontwikkeling in fase II nader onderzoek uitvoeren naar de aanwezigheid en functionaliteit van het leefgebied van de kerkuil en/of steenuil
torenvalk
ja
ja
nee
nee
torenvalk kast onder ecologische begeleiding voorafgaand aan fase II buiten de kwetsbare periode verplaatsen
algemeen
ja
ja
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten
verblijfplaatsen
ja
ja
ja
mogelijk
indien er sloop- en/of renovatiewerkzaamheden plaatsvinden, nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen in de schuren
foerageergebied
ja
ja
nee
nee
-
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
steenmarter
ja
ja
ja
mogelijk
nader onderzoek naar de aanwezigheid van de steenmarter vóór de start fase II
kleine marterachtigen
ja
ja
ja
mogelijk
nader onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen vóór de start fase II
algemene grondgebonden
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten
alpenwaterslamander
ja
mogelijk
nee
mogelijk
werkzaamheden uitvoeren volgens ecologisch werkprotocol. indien er dempingen plaatsvinden, nader onderzoek naar alpen-
Rapport 5121.003 versie D5
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
watersalamander. poelkikker en vinpootsalamander
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
indien er dempingen plaatsvinden, nader onderzoek naar poelkikker en vinpootsalamander
algemene soorten
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
<200 m
mogelijk
nee
ja
Reeds een vergunning verleend
Natuurnetwerk Nederland*
ja
mogelijk
nee
nee
nee, tenzij - toets reeds uitgevoerd en akkoord bevonden
Houtopstanden*
ja
ja
nee
ja
Melding en ontheffing noodzakelijk
-
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Conclusie fase I: Voor de uitvoering van de werkzaamheden in fase I is geen nader onderzoek benodigd naar beschermde soorten. In verband met het aantreffen van een kerkuilenkast en een steenuilenkast in een van de schuren op de onderzoekslocatie, dienen voor de realisatie van de veldschuur in fase I de werkzaamheden te worden uitgevoerd volgens een ecologisch werkprotocol. Conclusie fase II: Vóór de start van fase II dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar kerkuil, steenuil, kleine marterachtigen, amfibieën en steenmarter. Indien er sloop- en/of renovatiewerkzaamheden aan de schuren plaatsvindt, dient een nader onderzoek naar vleermuizen te worden uitgevoerd. De torenvalkkast die op de locatie aanwezig is dient buiten de kwetsbare periode onder ecologische begeleiding te worden verplaatst vóór de start van fase II. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat beschermde soorten verstoring ondervinden van de voorgenomen herontwikkelingen, zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming waarschijnlijk niet te voorkomen. In dit geval dient met behulp van een ecologisch projectplan een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij provincie Noord-Brabant. Algemeen Ten allen tijden dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht ten opzichte van algemene grondgebonden zoogdieren, algemene broedvogels en algemene amfibieën.