CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[22.14317] - 220802 Bijlage toelichting

Gemeenteraad 3 oktober 2023, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied: Landhoeve Buitenman, Lage Mierde18.234 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale minuut31

1817

Gemeente Hooge en Lage Mierde, sectie C, blad 01

1:2.500

Agrarisch gebruik

De straat die tegenwoordig Buitenman wordt genoemd, is al aanwezig. De beek Reusel is zichtbaar als een meanderende beek. Ten oosten bevindt zich bebouwing.

Militaire topografische kaart32 (nettekening)

1850-1864

50 Breda

1:50.000

Agrarisch gebruik

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1900

688

1:50.000

Agrarisch gebruik

Ten zuidoosten worden enkele gebouwen gerealiseerd.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1918

688

1:50.000

Agrarisch gebruik

-

30

Website Lage Mierde in Beeld. Beeldbank Cultureelerfgoed 32 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 31

Rapport 5121.002 versie 2

Pagina 14 van 23

Topografische kaart

1940

50H

1:25.000

Agrarisch gebruik. In het oostelijke deel bevindt zich een onverharde weg.

Ten oosten worden enkele (bij)gebouwen gerealiseerd.

Topografische kaart

1951

50H

1:25.000

Agrarisch gebruik. In het oostelijke deel bevindt zich een onverharde weg.

-

Topografische kaart

1958

50H

1:25.000

Agrarisch gebruik. In het oostelijke deel bevindt zich een onverharde weg.

-

Topografische kaart

1967

50H

1:25.000

Agrarisch gebruik

Ten noorden bevindt zich een houten schutlaken bij een aftakking van de beek Reusel.

Topografische kaart

1980

50H

1:25.000

Agrarisch gebruik

De percelen worden opnieuw ingedeeld. De Reusel wordt recht getrokken. Ten zuiden worden gebouwen gerealiseerd en bevindt zich een duiker.

Topografische kaart

1994

50H

1:25.000

Agrarisch gebruik

Ten zuiden en oosten zijn gebouwen gerealiseerd.

Op het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is zichtbaar dat het plangebied al vanaf het begin van de 19e eeuw in agrarisch gebruik is (zie figuur 9). Het plangebied bestaat uit meerdere percelen die door middel van sloten/greppels of heggen zijn begrenst. Ten zuiden van het plangebied ligt een straat die op de kaart van 1817 staat weergeven als ‘de hoofdstraatbaan naar Hilvarenbeek’. Tegenwoordig word het deel dat ten zuiden van het plangebied ligt Buitenman genoemd. Ten westen van het plangebied ligt de beek Reusel. Deze is weergeven als een zeer meanderende beek. Ten oosten van het plangebied bevindt zich bebouwing. Op basis van de kaarten is niet te concluderen of enkele gebouwen nu ook nog aanwezig zijn. Rond 1900 is het plangebied nog steeds in agrarisch gebruik. De percelen In het noordelijke deel van het plangebied zijn nu begrenst door hagen van hakhout. De omgeving van het plangebied veranderd nauwelijks. Ten zuidoosten van het plangebied, aan de overzijde van de weg, worden enkele gebouwen gerealiseerd. Enkele decennia vinden er geen veranderingen plaats. Op de kaart van 1940 is te zien dat bij de bestaande gebouwen ten oosten van het plangebied enkele (bij)gebouwen worden gerealiseerd. Tevens is hierop te zien dat in het oostelijke deel van het plangebied een onverharde weg is gerealiseerd.

Deze weg is zeer waarschijnlijk aangelegd om de betere toegang naar de noordelijk gelegen percelen te krijgen. Ten westen en noorden van het plangebied wordt er eveneens een onverharde weg aangelegd. Langs het noordelijke deel van deze weg bevindt zich een aftakking van de beek Reusel. Op de locatie waar het water en de weg zich kruisen is een houten schutlaken geplaatst. De onverharde weg in het oostelijke deel van het plangebied is op de kaart van 1967 niet meer te zien. In de jaren ’80 van de vorige eeuw vindt er verkaveling plaats. De vele kleine perceeltjes worden samengevoegd zodat er grote percelen ontstaan. In het plangebied is te zien dat de noordelijk gelegen percelen één perceel is geworden. Ook de andere percelen ten westen en noorden zijn grote percelen geworden. De onverharde weg ten westen en noorden van het plangebied is verwijderd. De meanderende beek Reusel is recht gemaakt. Ten oosten worden enkele (bij)gebouwen gesloopt, vervangen of bijgebouwd. Ten zuiden van het plangebied aan de overzijde van de weg worden twee (kleine) gebouwen gerealiseerd. Verder is ten zuiden ook nog het symbool te zien van een duiker.

Rapport 5121.002 versie 2

Pagina 15 van 23

Aan het eind van de 20e eeuw is te zien dat ten noordoosten van het plangebied enkele grote stallen zijn gerealiseerd. Ook ten zuiden van het plangebied zijn meerdere gebouwen gerealiseerd. Het plangebied is nog steeds in agrarisch gebruik. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Reusel-De Mierden is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 33 Ten westen van het plangebied, circa 300 m, is een Conventionele Explosief aangetroffen. Ook in de kern van Lage Mierde zijn meerdere CE’s bekend. Ondanks deze vondsten, worden er in het plangebied geen resten uit de Tweede Wereldoorlog verwacht. 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting/Complextype

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Mesolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Bronstijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen,

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 33

Rapport 5121.002 versie 2

Pagina 16 van 23

metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen Vroege-Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging op het overgangsgebied van een beekdal een de hoger gelegen dekzandrug, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagersverzamelaars en matig gunstig vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit het Paleolithicum, Mesolithicum en de IJzertijd. De jager-verzamelaars, tijdens het Paleolithicum en Mesolithicum, vestigden zich voornamelijk op gronden dichtbij open water, zoals beekdalen of vennen. Deze gebieden waren geschikt voor hun tijdelijke kampementen en activiteiten zoals jacht en visserij. 34 In het plangebied bevindt zich dichtbij het beekdal van de Reusel. In de omgeving zijn ook meerdere vondsten uit het Paleolithicum en Mesolithicum bekend. Circa 300 meter ten noorden van het plangebied ligt een AMK-terrein waar vuursteen objecten en fragmenten zijn aangetroffen die wijzen op een tijdelijk kampement. Vanwege de landschappelijke locatie en de bekende archeologische vondsten is de verwachting voor deze periodes hoog. Voor de landbouwers zijn er andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie.

Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang. 35 De hoger gelegen gebieden waren voor de landbouwers tijdens het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen aantrekkelijk voor bewoning. Met name op de hogere gelegen dekzandruggen in de omgeving van het plangebied zijn scherven uit de IJzertijd aangetroffen die wijzen op een nederzetting. De landschappelijke locatie van het plangebied is niet de meest geschikte locatie voor een nederzetting. Deze worden eerder verwacht op de hoger gelegen rug in het zuiden van het plangebied. De overgangsgebieden van een dekzandrug naar een beekdal zijn echter wel geschikt voor grafvelden. Er geldt een middelhoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Vanaf de Late-Middeleeuwen zijn er schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. Het plangebied ligt dichtbij de historische kern. Mogelijk heeft er bewoning plaatsgevonden, maar het kan

34 35

Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005.

Rapport 5121.002 versie 2

Pagina 17 van 23

ook in agrarisch gebruik zijn geweest. Op de historische kaarten is geen bebouwing te zien. Het plangebied is volgens de historische kaarten in agrarisch gebruik. Mogelijk zijn er sporen aanwezig die gerelateerd kunnen worden aan dit agrarisch gebruik. Tevens kunnen er perceelsgrenzen in de vorm van greppels/sloten aanwezig zijn. Er geldt een middelhoge archeologische verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog/middelhoog. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan ca.

30 cm beneden het maaiveld. Organische resten en metaal zullen slecht zijn geconserveerd door de relatief droge en zure bodemomstandigheden boven het hoogste grondwaterpeil (1 m -mv). Andere type indicatoren (aardewerk) zijn waarschijnlijk matig goed geconserveerd. Het complextype en de omvang van eventuele archeologische resten kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in agrarisch gebruik geweest. De opdrachtgever geeft aan dat het plangebied onder andere in gebruik is geweest voor aspergeteelt. Bij aspergeteelt wordt de bodem over het algemeen diep verstoord tot ongeveer 1 meter –mv. Door het agrarisch gebruik kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis de gegevens van het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied in het overgangsgebied van een laaggelegen beekdal naar een hoge dekzandrug ligt. Deze situatie is aantrekkelijk voor de jagersverzamelaars tijdens het Paleolithicum en Mesolithicum. Er geldt een hoge verwachting voor deze periodes. Tijdens het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen worden de nederzettingen met name gesitueerd op de hogere delen van de dekzandrug. Er worden dan ook geen nederzettingssporen verwacht. Mogelijk is het plangebied gebruikt voor begravingen. Er geldt een middelhoge verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Ook voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt een middelhoge verwachting. Het plangebied ligt buiten de historische kern en ook op de historische kaarten is geen bebouwing zichtbaar. Mogelijk zijn er sporen van agrarisch gebruik aanwezig.

Rapport 5121.002 versie 2

Pagina 18 van 23

Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met een om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (4.0, 07-06-2016) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 14 maart 2019 door M. Stiekema (senior prospector) en P. Beurskens MA (archeoloog) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het plangebied bestaat uit meerdere percelen die zijn afgezet door middel van hekken. In het centrale deel van het plangebied zijn koeien aanwezig. Het noordelijke deel is dicht begroeid met bomen. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het plotten van de boorpunten is rekening gehouden met de toekomstige plannen (zie figuur 10). De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) zeven boringen tot maximaal 120 cm -mv gezet (zie figuur 11). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.36 De exacte locatie van de boringen (x-, y- en z-waarden) is vastgelegd met behulp van dGPS.

Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.

36

Bosch, 2005.

Rapport 5121.002 versie 2

Pagina 19 van 23

3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 8 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven. Tabel V.

Hoofdlijn bodemopbouw van boring 1 tot en met 3, 6 en 7 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0-25/55 cm

Zwak siltig, zwak humeus matig fijn donkerbruin zwart zand

Bouwvoor

25/55-70/100 cm

Zwak siltig, matig fijn donkerbruin geel gevlekt zand

Verstoring

70/100-100/120

Zwak siltig, matig fijn tot zeer grof lichtgrijs/beige zand

C-horizont

In boring 1 tot en met 3, 6 en 7 is een 25 tot 55 cm dikke bouwvoor aangetroffen. Deze bestaat uit zwak siltig, zwak humeus matig fijn donkerbruinzwart zand. Hieronder is een gevlekte zandlaag aangetroffen. De laag heeft een donkerbruin geel gevlekte kleur. De gevlektheid wijst op een verstoring. De verstoring is waarschijnlijk veroorzaakt door het (diep)ploegen van de bodem. Met name de aspergeteelt die hier heeft plaatsgevonden levert diepe verstoringen op. De natuurlijke afzettingen, de C-horizont bevindt zich onder de verstoring op variërende dieptes, namelijk 70-100 cm –mv. Tussen de verstoring en de C-horizont is een scherpe/abrupte overgang waargenomen. De C-horizont bestaat uit zeer grof lichtgrijs tot beige zand met grind in boring 1, 2 en 3 die zich in het zuidelijke deel van het plangebied bevinden. In de overige boringen, nr. 6 en 7, bestaat de C-horizont uit matig fijn beige zand. Plaatselijk is de C-horizont zwak gleyhoudend. Tabel VI. Diepte

Hoofdlijn bodemopbouw van boring 4 en 5 Samenstelling

Interpretatie

0-85/100 cm

Zwak siltig, zwak humeus, matig fijn donkerbruinzwart zand

A-horizont, enkeerdlaag

85/100-120 cm

Zwak siltig, matig fijn lichtgrijs/beige zand

C-horizont

In boring 4 en 5, in het westelijke en centrale deel van het plangebied, is een dikke enkeerdlaag van 85 tot 100 cm waargenomen. Deze enkeerdlaag, ook wel A-horizont, bestaat uit zwak humeus donkerbruinzwart zand. In deze boringen is geen bouwvoor aangetroffen. De reden voor de afwezigheid van een bouwvoor is niet duidelijk. Mogelijk is het kleurverschil tussen de bouwvoor en de onderliggende enkeerdgrond niet groot genoeg om waar te nemen in de boringen. Onder de enkeerdlaag bevindt zich de C-horizont die lichtgrijs of beige van kleur is. Tussen deze lagen ligt een scherpe overgang. De scherpe overgang kan wijzen op dat de grond is afgegraven, voordat de enkeerdlaag op is geworpen. Aangezien er geen één intacte boring is aangetroffen, kan er niet worden geconcludeerd hoeveel cm van de C-horizont mogelijk is weg gegraven. Het aangetroffen bodemprofiel komt gedeeltelijke overeen met het bodemtype zoals weergegeven op de Bodemkaart van Nederland (zie § 2.5). Op basis van deze kaart wordt er een hoge enkeerdgrond verwacht. In boring 4 en 5 is deze ook aangetroffen. In de overige boringen is de enkeerdgrond opgenomen in de bouwvoor. De afzettingen van de C-horizont zijn dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel. De grove afzettingen in boring 1, 2 en 3 behoren echter tot de Formatie van Sterksel, rivierzand en –grind.

Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen

Rapport 5121.002 versie 2

Pagina 20 van 23

die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4 Conclusie veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Uit het booronderzoek blijkt dat onder de bouwvoor een 30 tot 55 cm dikke verstoring aanwezig is Deze verstoring zijn aangetroffen tot een diepte van 70-100 cm –mv. De verwachte enkeerdgrond is niet meer aanwezig, met uitzondering van boring 4 en 5. De scherpe overgang van de enkeerdlaag naar de C-horizont wijst mogelijk op afgraving van de grond voordat de enkeerdlaag is opgeworpen. Er kan niet worden geconcludeerd hoeveel cm van de C-horizont zijn afgegraven vanwege het gebrek aan een intact bodemopbouw in het plangebied. Op basis van de waargenomen verstoringen in de boorprofielen kunnen alle hoge en middelhoge verwachtingen worden bijgesteld naar laag.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een 25-40 cm dikke bouwvoor met hieronder een verstoring op de C-horizont. De verstoring is waarschijnlijk veroorzaakt door het (diep)ploegen van de bodem. Met name de aspergeteelt die hier heeft plaatsgevonden levert diepe verstoringen op. In boring 4 en 5 is er een dikke enkeerdgrond met een scherpe overgang naar de C-horizont aangetroffen. Mogelijk wijst de scherpe overgang op afgraving, voordat de enkeerdgrond is opgeworpen. De Chorizont is aangetroffen op een diepte van 70-100 cm. In boring 1 tot en met 2 bestaat deze Chorizont uit grof zand met grind van de Formatie van Sterksel. In de overige boringen behoren de sedimenten van deze horizont tot de Formatie van Boxtel. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Daarnaast reiken de plannen niet tot in de natuurlijke ondergrond. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy.

Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Reusel-De Mierden), die vervolgens een besluit neemt. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 37, de gemeente Reusel-De Mierden of de provincie Noord-Brabant). 37

Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 5121.002 versie 2

Pagina 21 van 23

LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001: Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Boer, E.A.M de, 2012: Gemeenten Oirschot, Bladel, Reusel-De Mierden en Hilvarenbeek. Plangebied Natte Natuurparels De Utrecht. BAAC-rapport V-11.0341. Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. IJdema, F.M., 2018: Historisch bodemonderzoek Buitenman 2 te Lage Mierde. Econsultancy rapport 5121.001. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Lascaris, M.A., & J.W. de Kort, 2017: verstoorde percelen. Een analyse van de doelmatigheid van boringen en profielputten voor het bepalen van de mate van verstoring in het landelijke geibed.

Rapportage Archeologische Monumentenzorg 244. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Stichting voor Bodemkartering, 1985: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 50 Oost/Tilburg. Stiekema, M. & P. Beurskens: Plan van Aanpak booronderzoek Buitenman 2 te Lage Mierde in de gemeente Reusel- De Mierden. Econsultancy, Swalmen. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 5121.002 versie 2

Pagina 22 van 23

BRONNEN AHN; internetsite, maart 2019. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, maart 2019. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, maart 2019 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Brabants Historisch Informatiecentrum; internetsite, maart 2019. http://www.bhic.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, maart 2019. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Dinoloket; internetsite, maart 2019. http://www.dinoloket.nl/ Erfgoedkaart A2- en Kempengemeenten; internetsite, maart 2019 https://atlas.odzob.nl/erfgoed/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, maart 2019. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, maart 2019. http://www.topotijdreis.nl/ Lage Mierde in beeld; internetsite, maart 2019. http://www.breda-en-alles-daaromheen.nl/lage-mierde-in-beeld.htm Ruimingskaart; internetsite, maart 2019. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, maart 2019. http://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, maart 2019. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

Rapport 5121.002 versie 2

Pagina 23 van 23

Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland

Buitenman 2 te Lage Mierde. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied

Rapport 5121.002 versie 2

Figuur 2. Detailkaart van het plangebied

Buitenman 2 te Lage Mierde. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied

Rapport 5121.002 versie 2

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied

Buitenman 2 te Lage Mierde. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied

Rapport 5121.002 versie 2

Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart 38

Buitenman 2 te Lage Mierde. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Reusel-De Mierden Legenda Plangebied

38

Erfgoedkaart A2- en Kempengemeenten via https://atlas.odzob.nl/erfgoed/

Rapport 5121.002 versie 2

Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart 39

Buitenman 2 te Lage Mierde. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

Plangebied

39

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.

Rapport 5121.002 versie 2

Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 40

Buitenman 2 te Lage Mierde. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied

40

AHN

Rapport 5121.002 versie 2

Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart41

Buitenman 2 te Lage Mierde. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied

41

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.

Rapport 5121.002 versie 2

Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 42

Buitenman 2 te Lage Mierde. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied

42

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.

Rapport 5121.002 versie 2

Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten

Situatie 1817 (bron: beeldbank.cultuereelerfgoed.nl)

Situatie 1850-1864 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1900 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1918 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1940 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1951 (bron: www.topotijdreis.nl)

Buitenman 2 te Lage Mierde. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied

Rapport 5121.002 versie 2

Situatie 1958 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1967 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1980 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1994 (bron: www.topotijdreis.nl)

Buitenman 2 te Lage Mierde. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied

Rapport 5121.002 versie 2

Figuur 10. Boorpunten en de toekomstige plannen

Buitenman 2 te Lage Mierde. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer

Rapport 5121.002 versie 2

Figuur 11. Boorpuntenkaart

Buitenman 2 te Lage Mierde. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer

Rapport 5121.002 versie 2

Figuur 12. Boorprofielen

Buitenman 2 te Lage Mierde. Boorprofielen Legenda Plangebied Enkeerdgrond Verstoord profiel

Rapport 5121.002 versie 2

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 5121.002 versie 2

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 2650

815

IVb Subboreaal koeler droger

2000

IVa

5000

3755 4900

5300

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

7020

8240

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 5121.002 versie 2

Bijlage 2 AMK nr. 2127

Situering t.o.v. plangebied 350 meter ten noorden

Rapport 5121.002 versie 2

AMK-terreinen

Datering

Waarde en omschrijving

Mesolithicum

Toponiem: Wellenseind Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met sporen van bewoning (vuursteenvondsten) uit het Mesolithicum. Het terrein ligt op een dekzandrug langs een beekdal. Het profiel van de aanwezige podzolbodem is grotendeels intact. Het terrein is geploegd en op enkele plaatsen uitgewaaid tot in de C-horizont. Opmerking: een corresponderende Archiswaarneming ontbreekt.

Bijlage 3

Onderzoeksmeldingen

Zaaknummer (OMnummer) 2180296100

Situering t.o.v. plangebied Deels in het plangebied en aangrenzend ten westen

4033868100

100 meter ten zuiden

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Lage Mierde Uitvoerder: RAAP Datum: 13-2-2017 Resultaat: Het resultaat is onbekend. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Hogeweg/ Buitenman Uitvoerder: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Datum: 13-2-2017 Resultaat: Voor drie percelen in Lage-Mierden is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezige bodemverstoringen. Dit veld werk werd verricht vanuit twee doelstellingen. Het eerste doel was het bepalen van de meest efficiënte strategie om in het veld bodemverstoringen op te sporen uitgaande van methoden die goed aansluiten bij de archeologische werkpraktijk, namelijk (Edelman)boringen en profielputten. Het ging hierbij om een methodeonderzoek met een experimenteel karakter. Een tweede doel van het veldwerk was om na te gaan in hoeverre het mogelijk is om de in het veld waargenomen verstoringen te duiden aan de hand van verklaringen van de grondgebruiker en informatie afkomstig van bureauonderzoek. Om het onderzoek naar de meest efficiënte veldwerkstrategie zo zuiver mogelijk te houden vond het bureauonderzoek plaats na het veldwerk en niet daarvoor.

Anders dan gebruikelijk in de archeologie was dus geen sprake van een in het veld te toetsen verwachtingsmodel maar is achteraf gekeken of het mogelijk was om de veldwaarnemingen te koppelen aan verklaringen van de grondgebruikers en de uitkomsten van het bureauonderzoek. Na de eerste vier boringen bleek iedere keer dat op deze wijze een redelijke eerste indruk kan worden verkregen van de mate van verstoring ter plaatse maar dat deze informatie zelden representatief is voor het hele proefgebied. Een veel beter beeld wordt verkregen met dertien boringen. Dit geldt vooral voor de omvang, diepte en variatie van de verstoring in de proefgebieden. De profielputten leveren daarentegen zinvolle (detail)informatie over de aard van de verstoringen maar minder over de omvang daarvan. Verder bleken de profielputten buitengewoon nuttig als controlemogelijkheid voor de waarnemingen en interpretaties van de boringen. Verschillende interpretaties van de boringen moesten na aanleg van de profielputten worden bijgesteld. Aanbevolen wordt dan ook om bij veldonderzoek naar de mate van verstoring niet te kiezen voor alleen boren of alleen proefputten maar om deze methoden te combineren. Over het voor het bepalen van de omvang van verstoringen ideale aantal waarnemingen per oppervlakte-eenheid en de ideale locatie van de waarnemingen ten opzichte van elkaar (grid) zijn geen uitspraken gedaan.

Daarvoor was de omvang van het onderzoek te beperkt.

2347172100 (49133)

200 meter ten zuidwesten

2350874100 (49630)

250 meter ten noorden

Rapport 5121.002 versie 2

Na afloop van het veldwerk is kort gekeken of het mogelijk was om de veldwaarnemingen te koppelen aan de resultaten van een beperkt bureauonderzoek en verklaringen van de grondgebruiker. Daarbij werd duidelijk dat het moeilijk is om op basis van bijvoorbeeld provinciale datasets over ontgrondingen vermoedde verstoringen te isoleren van waargenomen verstoringen waarvoor verder geen informatie beschikbaar is. Niettemin bleek dat het nuttig is om veldonderzoek gericht op de mate van bodemverstoring samen te laten gaan met een bureaustudie die zich richt op veranderingen in grondgebruik, kavelstructuur en maaiveldhoogte. Dit omdat kennis hierover essentieel kan zijn bij het inschatten van de omvang en aard van de verstoringen. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Natte Natuurparels De Utrecht: Broekkant Uitvoerder: BAAC BV Datum: 26-10-2011 Resultaat: Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied heeft lange tijd deel uit heeft gemaakt van een grotendeels onontgonnen gebied, dat bestond uit een afwisseling van beekdalen, vennen, hogere ruggen en stuifzandgebieden. Dergelijke gebieden met landschappelijke gradiënten waren van oudsher aantrekkelijke vestigingsgebieden.

In en rond het plangebied zijn ook daadwerkelijk een groot aantal vondsten bekend die dateren uit het Laat-Paleolithicum tot het Neolithicum en in mindere mate uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. Afhankelijk van de landschappelijke context kunnen deze ook in het plangebied worden verwacht. Op basis van de landschappelijke ligging, de bekende archeologische vondsten, het historisch landgebruik en de bekende verstoringen is voor het plangebied een specifieke archeologische verwachting opgesteld. De randzones van de moerassige en watervoerende laagtes en beekdalen vormen daarbij de meest kansrijke zones. Derhalve is aan een zone van 200 m rond de bekende (moerassige) laagtes en beekdalen een middel(hoge) archeologische verwachting toegekend voor archeologische waarden uit de steentijd tot de Midden-IJzertijd (vuursteenvindplaatsen, grafvelden en nederzettingsterreinen). Ook buiten deze zones is de aanwezigheid van archeologische resten niet uit te sluiten, maar is de verwachting hierop wel lager. In de vennen, (moerassige) laagtes en beekdalen kunnen archeologische resten voorkomen die gerelateerd zijn aan natte zones (middelhoge verwachting toegekend voor steentijd tot de Nieuwe tijd). Voor de gebieden met een esdek geldt een hoge verwachting voor archeologische waarden uit de steentijd tot de Nieuwe tijd.

Aan een zone van 50 m rond de bekende voordes wordt hoge verwachting voor voordes uit de steentijd tot Nieuwe tijd toegekend. Aan de historische woonplaatsen is een hoge verwachting voor archeologische waarden uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd toegekend. Bij bodemverstoringen dient in de gebieden met een middelhoge tot hoge verwachting vervolgonderzoek plaats te vinden. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Natte Natuurparels De Utrecht: Beekdal van de Reusel Uitvoerder: BAAC BV Datum: 24-11-2011 Resultaat: Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied heeft lange tijd deel uit heeft gemaakt van

4033868100

320 meter ten zuiden

een grotendeels onontgonnen gebied, dat bestond uit een afwisseling van beekdalen, vennen, hogere ruggen en stuifzandgebieden. Dergelijke gebieden met landschappelijke gradiënten waren van oudsher aantrekkelijke vestigingsgebieden. In en rond het plangebied zijn ook daadwerkelijk een groot aantal vondsten bekend die dateren uit het Laat-Paleolithicum tot het Neolithicum en in mindere mate uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. Afhankelijk van de landschappelijke context kunnen deze ook in het plangebied worden verwacht. Op basis van de landschappelijke ligging, de bekende archeologische vondsten, het historisch landgebruik en de bekende verstoringen is voor het plangebied een specifieke archeologische verwachting opgesteld. De randzones van de moerassige en watervoerende laagtes en beekdalen vormen daarbij de meest kansrijke zones. Derhalve is aan een zone van 200 m rond de bekende (moerassige) laagtes en beekdalen een middel(hoge) archeologische verwachting toegekend voor archeologische waarden uit de steentijd tot de Midden-IJzertijd (vuursteenvindplaatsen, grafvelden en nederzettingsterreinen). Ook buiten deze zones is de aanwezigheid van archeologische resten niet uit te sluiten, maar is de verwachting hierop wel lager.

In de vennen, (moerassige) laagtes en beekdalen kunnen archeologische resten voorkomen die gerelateerd zijn aan natte zones (middelhoge verwachting toegekend voor steentijd tot de Nieuwe tijd). Voor de gebieden met een esdek geldt een hoge verwachting voor archeologische waarden uit de steentijd tot de Nieuwe tijd. Aan een zone van 50 m rond de bekende voordes wordt hoge verwachting voor voordes uit de steentijd tot Nieuwe tijd toegekend. Aan de historische woonplaatsen is een hoge verwachting voor archeologische waarden uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd toegekend. Bij bodemverstoringen dient in de gebieden met een middelhoge tot hoge verwachting vervolgonderzoek plaats te vinden. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Meulenbroeks-Buitenman-Kruisvelden Uitvoerder: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Datum: 13-2-2017 Resultaat: Voor drie percelen in Lage-Mierden is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezige bodemverstoringen. Dit veld werk werd verricht vanuit twee doelstellingen. Het eerste doel was het bepalen van de meest efficiënte strategie om in het veld bodemverstoringen op te sporen uitgaande van methoden die goed aansluiten bij de archeologische werkpraktijk, namelijk (Edelman)boringen en profielputten. Het ging hierbij om een methodeonderzoek met een experimenteel karakter.

Een tweede doel van het veldwerk was om na te gaan in hoeverre het mogelijk is om de in het veld waargenomen verstoringen te duiden aan de hand van verklaringen van de grondgebruiker en informatie afkomstig van bureauonderzoek. Om het onderzoek naar de meest efficiënte veldwerkstrategie zo zuiver mogelijk te houden vond het bureauonderzoek plaats na het veldwerk en niet daarvoor. Anders dan gebruikelijk in de archeologie was dus geen sprake van een in het veld te toetsen verwachtingsmodel maar is achteraf gekeken of het mogelijk was om de veldwaarnemingen te koppelen aan verklaringen van de grondgebruikers en de uitkomsten van het bureauonderzoek. Na de eerste vier boringen bleek iedere keer dat op deze wijze een redelijke eerste indruk kan worden verkregen van de mate van verstoring ter plaatse maar dat deze informatie zelden representatief is voor het hele proefgebied. Een veel beter beeld wordt verkregen met dertien boringen. Dit geldt vooral voor de omvang, diepte en variatie van de verstoring in de proefgebieden. De profielputten leveren daarentegen zinvolle (detail)informatie over de aard van de verstoringen maar minder over de omvang daarvan. Verder bleken de profielputten buitengewoon nuttig als controlemogelijkheid voor de waarnemingen en interpretaties van de boringen.

Verschillende interpretaties van de boringen moesten na aanleg van de profielputten worden bijgesteld. Aanbevolen wordt dan ook om bij veldonderzoek naar de mate van verstoring niet te kiezen voor alleen boren of alleen proefputten maar om deze methoden te combineren. Over het voor het bepalen van de omvang van verstoringen ideale aantal waarnemingen per oppervlakte-eenheid en de ideale locatie van de waarnemingen ten opzichte van elkaar (grid) zijn geen uitspraken gedaan. Daarvoor was de omvang van het onderzoek te beperkt. Na afloop van het veldwerk is kort gekeken of het mogelijk was om de veldwaarnemingen te koppelen aan de resultaten van een beperkt bureauonderzoek en verklaringen van de grondgebruiker. Daarbij werd duidelijk dat het moeilijk is om op basis van bijvoorbeeld provinciale datasets over ontgrondingen vermoedde verstoringen te isoleren van waargenomen verstoringen waarvoor verder geen informatie beschikbaar is. Niettemin bleek dat het nuttig is om veldonderzoek gericht op de mate van bodemverstoring samen te laten gaan met een bureaustudie die zich richt op veranderingen in grondgebruik, kavelstructuur en maaiveldhoogte. Dit omdat kennis hierover essentieel kan zijn bij het inschatten van de omvang en aard van de verstoringen.

Rapport 5121.002 versie 2

Bijlage 4

Vondstmeldingen

Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 4033868100

Locatie t.o.v. plangebied

Omschrijving

350 meter ten zuiden

Midden-Paleolithicum: -fragmenten vuursteen IJzertijd: -handgevormd aardewerk Recent: -fragment dakpan

Rapport 5121.002 versie 2

Bijlage 5

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

Rapport 5121.002 versie 2

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').

Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-

Rapport 5121.002 versie 2

meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 5121.002 versie 2

Bijlage 6

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 5121.002 versie 2

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=609a8f78-2bac-489f-a650-2cbace441987