CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[22.14316] - 220802 Bijlage

Commissie Ruimte 18 september 2023, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied: Landhoeve Buitenman, Lage Mierde6.649 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

WATERTOETS BUITENMAN 2 TE LAGE MIERDE

Rapportage watertoets Buitenman 2 te Lage Mierde Opdrachtgever

Landhoeve Buitenman Buitenman 2 5094 EJ Lage Mierde

Rapportnummer Versienummer

16834.001 D2

Status

Eindrapportage

Datum

18 juli 2022

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

De heer ing. R. van den Berg

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer R.A.F. Smeets, BASc BEd

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 14001:2015.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

LOCATIEGEGEVENS ................................................................................................................ 2

3

WATERBELEID .......................................................................................................................... 3 3.1 3.2 3.3 3.4

4

OMGEVINGSASPECTEN .......................................................................................................... 8 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8

5

Planvoornemen............................................................................................................... 19 Verhard oppervlak .......................................................................................................... 20 Waterbergingsopgave .................................................................................................... 20

PLANUITWERKING.................................................................................................................. 20 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5

8

Algemeen........................................................................................................................ 15 Inrichtingsmaatregelen ................................................................................................... 15 Verandering van de grondwaterstanden ........................................................................ 16 Veranderingen in overstroming ...................................................................................... 17

PLANVOORNEMEN ................................................................................................................. 19 6.1 6.2 6.3

7

Hoogteligging .................................................................................................................... 8 Bodemopbouw .................................................................................................................. 8 Hydrogeologie................................................................................................................... 9 Grondwater ....................................................................................................................... 9 Beschermde gebieden .................................................................................................... 11 Oppervlaktewater............................................................................................................ 12 Ontwatering .................................................................................................................... 13 Riolering .......................................................................................................................... 15

BEEKHERSTELPLAN REUSEL-DE MIERDEN ....................................................................... 15 5.1 5.2 5.3 5.4

6

Rijksbeleid ........................................................................................................................ 3 Provincie Noord-Brabant .................................................................................................. 4 Waterschap De Dommel .................................................................................................. 4 Gemeente Reusel - De Mierden ....................................................................................... 6

Randvoorwaarden en uitgangspunten ........................................................................... 20 Hemelwater ..................................................................................................................... 20 Kwaliteit .......................................................................................................................... 22 Keur ................................................................................................................................ 22 Riolering .......................................................................................................................... 22

CONCLUSIE ............................................................................................................................. 23

BIJLAGEN: 1. 2.

- Topografische ligging - Inrichtingsvoorstel Landhoeve Buitenman 16834.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Compositie 5 Stedenbouw namens Landhoeve Buitenman opdracht gekregen voor het opstellen van een watertoets ten behoeve van de geplande herontwikkeling van de huidige agrarische bedrijfsactiviteiten alsmede een bestemmingsplanwijziging aan de Buitenman 2 te Lage Mierde. Bij nieuwe ontwikkelingen dient onderzocht te worden hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met hemelwater. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. Wanneer voor bouwplannen een bestemmingsplanwijziging nodig is, zal als een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan of besluit, een waterparagraaf opgenomen moeten worden. De waterparagraaf beschrijft de invloed van het plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. Daarnaast worden de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of besluit hierin meegenomen en omvat het op basis van de gemaakte afwegingen een wateradvies. Om invulling te kunnen geven aan de waterparagraaf en de waterbelangen te waarborgen dient in deze situatie de watertoets-procedure te worden doorlopen. De watertoets bevat een onderbouwing voor de waterparagraaf die een onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing.

In deze rapportage is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders (waterschap De Dommel en de gemeente Reusel-De Mierden). Het conceptbestemmingsplan “Landhoeve Buitenman” is reeds door waterschap de Dommel beoordeeld. Het waterschap heeft per brief 1 gereageerd op het concept bestemmingsplan. De reactie van het waterschap is meegenomen bij het opstellen van deze rapportage. Het waterschap heeft in haar reactie aangegeven dat het plan op verschillende manieren invloed kan hebben op de waterhuishouding. Daarnaast heeft het geplande beekherstel van de Reusel, dat deels plaatsvindt binnen de planlocatie, ook invloed op het plan. De informatie over de planlocatie is onder andere gebaseerd op informatie verkregen van de opdrachtgever (contactpersoon de heer T. van Baast).

1 Reactie concept- bestemmingsplan Landhoeve Buitenman, 2 juni 20021 (Z64969/U134466)

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 1 van 23

2

LOCATIEGEGEVENS

De planlocatie (± 8,6 ha) is gelegen aan de Buitenman 2 in het buitengebied van de gemeente Reusel-De Mierden. De planlocatie is kadastraal bekend MDE, sectie H, nummers 126, 127, 1992, 1995 en 2189 (ged.) De coördinaten van een centraal punt zijn X = 137.975, Y = 380.850. Ten oosten van de planlocatie is de provinciale weg N269 gelegen en ten noordwesten van de planlocatie bevindt zich het recreatiebedrijf ‘De Hertenwei’. Dit recreatiebedrijf grenst aan een aaneengesloten natuurgebied (landgoed De Utrecht) opgebouwd uit bossen, heidevelden met vennen en het stroomgebied van de Reusel. Met de beek de Reusel in het westen en de beek de Raamsloop in het oosten is het plangebied gelegen in de oksel van twee beekdalen. Binnen het bedrijfsperceel H126 zijn de boerderij en bedrijfsgebouwen van Landhoeve Buitenman gelegen. Op het bedrijfsperceel zijn één opslagschuur, twee landbouwschuren en één gebouw als werkplaats en kantoorruimte in gebruik. De overige percelen zijn agrarisch in gebruik en volledig onbebouwd en onverhard. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande plattelandsonderneming uit te breiden. De onderneming wil verder ontwikkelen tot een recreatiebedrijf dat een poortfunctie vervult voor extensieve recreatie in het Reuseldal. In figuur 1 is de begrenzing van de planlocatie weergegeven. De topografische ligging is opgenomen in bijlage 1.

Figuur 1. Ligging en begrenzing planlocatie

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 2 van 23

3

WATERBELEID

3.1

Rijksbeleid

In de Beleidsbrief regenwater en riolering (2004) staat het nationale regenwaterbeleid, dat later is verwerkt in de verschillende lozingsbesluiten (zoals het Besluit lozing afvalwater huishoudens). Duurzaamheid is hier het uitgangspunt. Het beleid steunt op vier pijlers:    

aanpak bij de bron; regenwater vasthouden en bergen; regen- en afvalwater gescheiden afvoeren; integrale afweging op lokaal niveau.

Aanpak bij de bron Om verontreiniging van regenwater zo veel mogelijk te voorkomen, is aanpak bij de bron noodzakelijk. In principe mag regenwater zonder verdere technische maatregelen in bodem of oppervlaktewater worden geloosd, tenzij uit de lokale afweging blijkt dit ongewenst is. De lozingsbesluiten bieden de mogelijkheid om waar nodig op lokaal niveau preventieve maatregelen te formuleren en vast te leggen. Vasthouden en bergen Waar mogelijk moet regenwater ter plekke in de bodem geïnfiltreerd worden of in het oppervlaktewater worden gebracht. Van belang is om zo veel mogelijk binnen het gebied water vast te houden, te bergen en dan pas af te voeren. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij degene bij wie het regenwater door verharden en overkappen vrijkomt (gebouw- en grondeigenaren). De overheid grijpt pas in als dat nodig is. Tot de komst van de Beleidsbrief regenwater en riolering was er weinig aandacht voor het vastleggen van maatregelen om regenwater vast te houden en te bergen. Het stelsel van individuele vergunningen en ontheffingen ontmoedigde juist lozing in oppervlaktewater of bodem. Daarom zijn er nu integrale algemene regels. Hierbij is het uitgangspunt dat van degene bij wie afstromend regenwater vrijkomt, binnen de grenzen van redelijkheid kan worden gevraagd om het regenwater ter plaatse in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen.

Gescheiden afvoeren De Beleidsbrief regenwater en riolering stimuleert om regenwater en ander afvalwater gescheiden af te voeren. De transportafstand naar de rwzi is vaak lang. Door het regenwater van de vuilwaterriolering af te koppelen, kan de gemeente transportkosten besparen en regenwater op kleinere schaal inzamelen en afvoeren. Zij kan de gescheiden afvoer zelf regelen, zowel qua techniek als tijdpad. Om gescheiden afvoer te stimuleren, is de gemeentelijke afvalwaterzorgplicht opgesplitst in de zorgplicht voor stedelijk afvalwater en de zorgplichten voor regen- en grondwater. Integrale afweging op lokaal niveau De eerste drie pijlers geven een voorkeursvolgorde aan. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering op lokaal niveau ligt bij de gemeente en het waterschap. Daarbij is doelmatigheid het uitgangspunt. Samen bepalen zij hoe zij op de middellange en lange termijn het meest doelmatig en tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten met regenwater kunnen omgaan. Op basis van deze integrale afweging kunnen zij van de voorkeursvolgorde afwijken. De gemeente heeft in deze samenwerking een regierol.

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 3 van 23

3.2

Provincie Noord-Brabant

Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027 is de opvolger voor alle watergerelateerde aspecten van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Hierin komen de provinciale doelstellingen, ambities en aanpak rond water en bodem samen voor de periode 2022 - 2027. Het RWP stelt doelen voor 2027, op weg naar de ambitie van 2050. Het RWP bevat de ambitie, opgaven, doelen en de aanpak, inclusief de zeven leidende principes bij het tot stand komen van een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem. Het RWP is gebaseerd op zeven handelingsprincipes. De eerste zes hebben betrekking op het komen tot een klimaatbestendig en robuust watersysteem. Deze principes zijn ontleend aan de Visie Klimaatadaptatie. De principes zijn als volgt geformuleerd:        3.3

Watervoorraad in balans; Elke druppel telt; Niet alles kan overal; Brabant is in staat extreme weersituaties op te vangen; Bescherming van water- en bodemkwaliteit; Gebruikers zijn maximaal verantwoordelijk; Circulair denken en doen. Waterschap De Dommel

Waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen.

Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:   

Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven.

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 4 van 23

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 1. 2. 3. 4. 5.

Opnieuw gebruiken; Vasthouden / in laten trekken in de grond; Water bergen; Afvoeren naar sloten of rivieren; Afvoeren naar een riool.

Keur De keur is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is weten regelgeving uit de keur van toepassing. In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3.6 ‘Verbod afvoer door verhard oppervlak’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse watercshappen’. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij:    

Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m 2 is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m 2 is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m 2 en 10.000 m 2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel.

Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:  De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;  Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha;

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 5 van 23

De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m 2 of groter is, wordt vanuit het waterschap retentie geëist. Voor plannen groter dan 10.000 m 2 geldt Beleidsregel 13 ‘Afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak’. Op basis van deze beleidsregel zijn plannen met een omvang van meer dan 10.000 m2 vergunningsplichtig en dient een waterhuishoudkundigplan te worden opgesteld conform de onderwerpen zoals genoemd in paragraaf 4.6 van de hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen. 3.4

Gemeente Reusel - De Mierden

In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan als ook de Verordening op de afvoer van hemel- en grondwater van de gemeente Reusel-De Mierden wordt de kwaliteitstoestand en het functioneren van het rioolsysteem in beeld gebracht om nut en noodzaak van benodigde investeringen te kunnen bepalen. Hiermee wil de gemeente laten zien dat men in dit beheer vooruit kijkt en met respect voor het verleden bouwt aan een robuust en flexibel systeem. Met betrekking tot het hemelwater geldt dat het lozen van hemelwater op het vuilwaterriool niet is toegestaan. In plaats daarvan wordt het hemelwater geïnfiltreerd, of als dat niet mogelijk is, afgevoerd naar het oppervlaktewater. Samen met de perceelseigenaar wordt naar mogelijkheden gezocht om afval- en hemelwater op een doelmatige wijze te ontvlechten. Een belangrijk toetsingscriterium bij de vormgeving van hemelwatervoorzieningen is het document “Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Dit document dateert van 9 december 2014. De Keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen (sloten, beken en rivieren) en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen). Op 1 maart is de Brabantbrede Keur in werking getreden.

Bij een toename van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel hierbij is te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het oppervlaktewater wordt geloosd. Uitbreidingen en inbreidingen woongebied Onder een uitbreiding wordt verstaan een ruimtelijke ontwikkeling waarbij woningen worden gebouwd aan de grenzen van bestaande bebouwing (direct langs de bebouwde kom). Onder inbreiding wordt verstaan een ruimtelijke ontwikkeling waarbij woningen worden gebouwd binnen bestaande bebouwing (in de bebouwde kom). Bij nieuwe in- en uitbreidingen wordt te allen tijde het proces van de watertoets gevolgd. Ten aanzien van dimensionering van de hemelwatervoorzieningen worden de keurregels gevolgd en de gemeentelijke eisen voor de verschillende fasen van het project zoals opgenomen in het gemeentelijke PVE.

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 6 van 23

De gemeente toetst op basis van onderstaande criteria, waarbij deze ook gelden voor burgerlijke initiatieven:  

Ontwerp hemelwaterafvoer: bui 8, aandacht voor vormgeving van de openbare ruimte zodanig dat zoveel mogelijk extra water bij zwaardere buien kan worden geborgen; Ontwerp compensatieberging: 20 mm indien het verhard oppervlak kleiner is dan 2.000 m2 , zorgdragen voor een noodoverloop van de compensatieberging naar een laagte, watergang of regenwaterriool; Ontwerp compensatieberging: 60 mm indien het verhard oppervlak groter is dan 2.000 m2 , zorgdragen voor lediging van de voorziening in circa 24 uur.

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 7 van 23

4

OMGEVINGSASPECTEN

In dit hoofdstuk wordt de regionale geohydrologische situatie van de planlocatie beschreven. Hierbij wordt ingegaan op aspecten als bodemopbouw, grondwater, waterbeheer, waterveiligheid en riolering. 4.1

Hoogteligging

Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland 2 wordt het maaiveld gekenmerkt door een hoogteverloop in west tot noordwestelijke richting. De percelen H126 (23,60 tot 23,30 m +NAP) en H127 (24,70 tot 23,60 m +NAP) zijn het hoogst gelegen. De percelen 2189, 1992 en 1995 liggen het laagst in het beekdal (23,30 tot 23,00 m +NAP).

Figuur 2: Uitsnede hoogtekaart (bron: www.ahn.nl)

4.2

Bodemopbouw

De originele bodem in het zuidwestelijke deel van de planlocatie bestaat, volgens de bodemkaart van Nederland, uit een hoge zwarte enkeerdgrond (zEZ23). De bodem in het oostelijke en noordoostelijke deel van de planlocatie bestaat uit een lage enkeergrond (EZg23). Beide gronden zijn volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk opgebouwd uit lemig fijn zand.

2 www.ahn.nl

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 8 van 23

4.3

Hydrogeologie

Om inzicht te krijgen in de gelaagdheid van goed doorlatende en slecht doorlatende lagen (hydrogeologische eenheden) van de (diepe) bodem is gebruik gemaakt van het REGIS II v2.2 en GeoTOP v1.4 model van TNO. Beide modellen geven op een schematische wijze inzicht in de hydrogeologische opbouw en doorlatendheid van de ondergrond op een regionale schaal. Op basis van de gegevens uit de modellen van TNO blijkt het eerste watervoerende pakket, met een dikte van ± 7m, te worden gevormd door de Formatie van Sterksel. Op het eerste watervoerende pakket ligt een deklaag van Holocene afzettingen, behorende tot de Formatie van Boxtel-Laagpakket van Singraven. De deklaag bestaat afwisselend uit midden en fijn zand, kleiig zand en kleizand en klei. Richting het beekdal is de deklaag dikker. Het eerste watervoerende pakket wordt aan de onderzijde begrensd door afzettingen van de Formatie van Stramproy. Het bovenste deel van deze formatie bestaat uit klei. Daaronder is de Formatie van Peize en Waalre gelegen. Het bovenste deel van deze formatie (Formatie van Waalre) bestaat eveneens uit klei. Tabel 1. hydrogeologie Diepte m -mv

Formatie

Typering

Bodem

0-1á5

Boxtel Laagpakket van Singraven

DKL

Zand, kleiig zand en klei

1á5-8

Sterksel

WVP

Zand

8 - 13

Stramproy

SDL

Klei

13 - 20

Stramproy

WVP

Zand

20 - 25

Waalre

SDL

Klei

DKL = deklaag

4.4

WVP = watervoerend pakket

SDL = slecht doorlatende laag

Grondwater

Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). TNO-NITG voert het databeheer van in de omgeving aanwezige grondwaterpeilputten waarin de grondwaterstandstand in het eerste watervoerende pakket wordt gemonitord. Middels de interactieve grondwatertools ‘Isohypsen’ en ‘Grondwaterdynamiek’ van de Geologische Dienst Nederland worden de historische grondwatermeetreeksen uit het archief van TNO gesimuleerd met behulp van dagelijkse metingen van neerslag en verdamping uit gegevens van het KNMI. Ook het waterschap heeft een eigen grondwatermeetnet. Via de portal van Hydronet 3 zijn enkele data beschikbaar. Voor de bepaling van de locatiespecifieke grondwaterkarakteristieken is gebruik gemaakt van historische grondwaterdata van grondwatermeetpunten uit de omgeving. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn geïnterpoleerd naar de planlocatie. 3 https://brabant.hydronet.nl/

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 9 van 23

In tabel 2 zijn de gegevens van de grondwaterpeilputten opgenomen. In figuur 3 is de situering van de gebruikte grondwaterpeilputten weergegeven. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens van de geraadpleegde bronnen, in noord tot noordoostelijke richting. Tabel 2. Overzicht grondwaterpeilputten TNO en waterschap De Dommel

grondwaterpeilput

windrichting t.o.v. locatie

afstand t.o.v. locatie (m)

meetperiode

GLG (m +NAP)

GHG (m +NAP)

B50H0106

O

500

31-10-2011 tot 31-10-2019

22,50

23,35

B50H0384

ZW

485

28-12-2010 tot 01-09-2021

22,45

23,20

B50H0385

ZW

420

06-07-2010 tot 01-09-2021

22,40

23,40

Reu_3027_01

ZW

265

31-01-2020 tot 01-09-2021

22,40

23,40

Reu_3032_01

W

135

31-01-2020 tot 01-09-2021

22,10

22,90

Reu_3031_01

O

840

31-01-2020 tot 01-09-2021

21,50

22,90

Figuur 3. Situering grondwaterpeilputten

Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie vooralsnog ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op circa 23,30 m +NAP. De GHG zou zich daarmee rondom de bestaande bebouwingen op ± 1,1 tot 1,4 m -mv bevinden. In de weilanden kan de GHG enkele tientallen centimeters onder maaiveld tot zelfs op maaiveld staan.

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 10 van 23

Conform gegevens van de Klimaateffectatlas4 (KEA) zou de GHG in de weilanden op ca. 0,2 m -mv zijn gelegen. De GHG nabij de huidige bebouwingen zou zijn gelegen tussen de 0,6 en de 0,8 m -mv. In figuur 4 is een uitsnede uit de Klimaateffectatlas weergegeven. De kaart uit de Klimaateffectatlas is gebaseerd op uitkomsten uit het Nationaal Water Model Basisprognose 2016. Dit model geeft op landelijk niveau een beeld van de huidige situatie. Specifieke factoren die veel invloed kunnen hebben op de grondwaterstand zijn niet meegenomen in deze modellering.

Figuur 4: Uitsnede GHG Klimaateffectatlas (GHG in m -mv)

4.5

Beschermde gebieden

Uit de kaarten behorende bij de Keur volgt dat perceel H126 grotendeels in een attentiegebied is gelegen. De overige percelen zijn aangeduid als beschermd gebied ‘waterhuishouding’. Het attentiegebied is in de vigerende planregeling reeds aangeduid met de aanduiding ‘milieuzone – attentiegebied EHS’. Deze beschermende gebieden zijn reeds vastgelegd in het vigerend bestemmingsplan met een gebiedsaanduiding en worden één op één overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Met uitzondering van perceel H126 liggen alle overige percelen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen de voornoemde gebieden zijn geen bouwactiviteiten voorzien.

4 www.klimaateffectatlas.nl

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 11 van 23

Figuur 5. Uitsnede Keurkaart waterschap De Dommel.

4.6

Oppervlaktewater

Voor het waterschap is de legger, samen met de keur, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op de leggerkaart van waterschap De Dommel zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Aan de westzijde, parallel aan perceel H127 en H1992, is een A-watergang gelegen, De Reusel (RS1_HO101). De Reusel is een beekje dat ontspringt in het zuidwesten van Reusel en stroomt via Reusel en Lage Mierde door Landgoed De Utrecht en vervolgens langs Baarschot en Diessen onder het Wilhelminakanaal door naar Moergestel waarna zij net ten zuiden van Oisterwijk overgaat in de Achterste Stroom. Beken die in de Reusel uitmonden zijn o.a. de Belevensche Loop en de Raamsloop. Ten hoogte van de weg Wellenseind ligt een schotbalkstuw (RS1-st7) met een doorstroombreedte van maximaal 4 meter en een doorstroomhoogte van minimaal 21,32 m +NAP.

Aan weerszijde van de watergang geldt een profiel van vrije ruimte van 25 meter vanaf de insteek. Binnen de planlocatie zijn verder nog enkele afwateringssloten (greppels) gelegen. In figuur 6 is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven.

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 12 van 23

Figuur 6. Uitsnede legger oppervlaktewater waterschap De Dommel

4.7

Ontwatering

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.

Figuur 7. Ontwatering en drooglegging

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 13 van 23

De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn:     

Woningen met kruipruimte: Woningen zonder kruipruimte: (Vloerpeil van woningen 0,30 m + maaiveld) Tuinen en openbare groenvoorzieningen: Primaire wegen: Secundaire wegen en woonstraten:

0,7 m -mv 0,3 m -mv 0,5 m -mv 1,0 m 0,7 m

Het huidige maaiveld niveau ter plaatse waar men voornemens is om te bouwen is gemiddeld gelegen op een hoogte van circa 24,70 m +NAP tot 23,60 m +NAP. De GHG is ingeschat op 23,30 m +NAP. De ontwatering zal ten aanzien van de toekomstige (bouw)peilen in de toekomstige situatie niet overal voldoende zijn. Met name aan de oostzijde van perceel H126 zal de ontwateringsdiepte niet overal voldoende zijn. Het rood gearceerde vlak in figuur 8 geeft aan waar de ontwatering ten aanzien van het toekomstige bebouwingsvlak (gele vlak) zeer waarschijnlijk niet voldoende zal zijn. Binnen dit gebied zal het bestaande maaiveld deels opgehoogd (moeten) worden. Ten aanzien van de overige percelen zal onderzocht moeten worden of de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie geschikt zal zijn voor het beoogde gewas of beplanting.

Figuur 8: Situering ontwatering (ontwatering binnen rood gearceerd blak is niet voldoende t.a.v. toekomstige functie)

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 14 van 23

4.8

Riolering

De planlocatie is in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk drukriool. Vanwege de doelmatige werking van een druk riolering is het niet toegestaan om hierop hemelwater af te voeren.

5 5.1

BEEKHERSTELPLAN REUSEL-DE MIERDEN Algemeen

Waterschap De Dommel is voornemens het beekdal van de Reusel en de Belevensche Loop tussen de Hooge Mierdseweg en de N269 her in te richten. Doel van het project is het realiseren van de doelstellingen in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Daarnaast is het beekherstel van de Reusel als maatregel opgenomen in het Natura2000-beheerplan. Verder wordt binnen het project inrichting gegeven aan het Natuurnetwerk Brabant, de antiverdrogingsmaatregelen voor Natte Natuurparels en het versterken van landschappelijke en recreatieve waarden. Het beekherstel is omwille van de grondpositie opgesplitst in twee delen (Reusel De Mierden Noord en Reusel De Mierden Zuid) die afzonderlijk van elkaar worden uitgewerkt en gerealiseerd. De planlocatie is gelegen in het gebied Reusel de Mierden Noord. 5.2

Inrichtingsmaatregelen

Het plan voorziet in het hermeanderen van de Reusel. De huidige loop van de Reusel zal daarbij grotendeels worden gedempt. Met name op perceel H1992 zal een groot deel van de nieuwe loop van de Reusel komen te liggen. Veder is men voornemens om enkele huidige afwateringssloten te dempen of juist op te waarderen. Ook de aanwezige poel op perceel H127 zal worden opgewaardeerd. Een overige inrichtingsmaatregel betreft de aanleg van een lage kade (40 cm hoog) aan de westzijde van perceel H126. Perceel H127 krijgt net als de percelen H2189 en 1995 de natuurdoeltypen kruiden- en faunarijkgrasland toegekend. Het overige deel van perceel H127 krijgt net als perceel H1992 het natuurdoeltype Rivier- en beekbegeleidend bos toebedeeld. In figuur 9 is een uitsnede van het inrichtingsplan beekherstel Reusel opgenomen5.

5 bron: ontwerp-projectplan Waterwet Beekherstel Reusel De Mierden Noord, Royal Haskoning DHV, 10 december 2020.

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 15 van 23

Figuur 9: Uitsnede inrichtingsplan beekherstel Reusel

5.3

Verandering van de grondwaterstanden

Afbeelding 10 laat de modelberekeningen vanuit het waterschap zien van de effecten van het beekherstelplan Reusel op de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG). De verandering (in centimeters) is aangegeven ten opzichte van de huidige situatie: een negatief getal geeft aan dat de grondwaterstand daalt, een positief getal dat de grondwaterstand stijgt. De oorzaak van de daling van de grondwaterstand in het noordwestelijke deel van het plangebied is de aanleg van een nieuwe sloot langs de noordoostgrens van het plangebied. Deze sloot is nodig voor afwatering van met name de oostelijke percelen. Ook de nieuwe meander van de Reusel die in het plangebied komt te liggen, zorgt plaatselijk (daar waar nu geen watergang ligt) voor een lagere grondwaterstand. Op basis van de modelberekeningen blijkt dat met name de grondwaterstand op perceel H127 zal stijgen. Op de overige percelen zal de grondwaterstand juist dalen of zal er geen effect zijn. Ook binnen perceel H126 zijn op basis van de modelberekeningen geen effecten te verwachten. De inrichting van de nieuwe natuur dient aan te sluiten op de veranderingen in de grondwaterstanden.

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 16 van 23

Figuur 10: Veranderingen in de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) door het beekherstelproject Reusel (in cm).

5.4

Veranderingen in overstroming

Op dit moment kan bij extreem hoogwater in de Reusel een groot gedeelte van het planlocatie overstromen (zie figuur 11).

Figuur 11: Reserveringsgebied waterberging (bron: waterschap De Dommel)

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 17 van 23

Om dit te voorkomen wordt binnen de planlocatie een lage kade (40 cm hoog) aangelegd. Deze kade zorgt ervoor dat bij hoogwater in de Reusel alleen nog de natuurgronden in het beekdal overstromen, ook in extreme situaties. In figuur 12 zijn modelberekeningen weergegeven die voor het beekherstelplan Reusel zijn gemaakt.

Figuur 12: Waterdiepte (in cm) bij overstroming van de Reusel als gevolg van hoogwater dat eenmaal per 10 jaar voorkomt (links) en hoogwater dat eenmaal per 100 jaar voorkomt (rechts). Bron: Definitief Projectplan Waterwet Reusel De Mierden Noord(huidige pagina)

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 18 van 23

6

PLANVOORNEMEN

6.1

Planvoornemen

Om de ambitie van de initiatiefnemer te verwezenlijken worden binnen de planlocatie nieuwe functies gerealiseerd. Ten noordwesten van de bestaande bebouwing is een kas gewenst met daarin tuinbouw en groenteteelt, een informatiecentrum, een winkel (detailhandel) en een restaurant met terras (horeca). Ten westen van de te realiseren kas wordt een roundhouse dierenverblijf gerealiseerd voor het houden van rundvee, en, na concrete afspraken met Stichting de Heideboerderij, mogelijk ook voor het houden van schapen. Ten behoeve van de bedrijfsvoering wordt een nieuwe veldschuur gerealiseerd ten westen van de bestaande bebouwing. De veldschuur wordt gebruikt voor opslag van landbouwvoertuigen, hooi en stro en horeca-attributen. Van de aanwezige veldschuren wordt de meest oostelijke ingericht met een logeeraccommodatie. De bestaande bedrijfswoning wordt daarbij (opnieuw) in gebruik genomen. Ter ondersteuning van de nieuwe dagrecreatieve- en verblijfsrecreatieve functies worden de bestaande parkeervoorzieningen op het erf uitgebreid. De bebouwing wordt landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting. De initiatiefnemer is voornemens de gronden in het Reuseldal natuurlijk te ontwikkelen. Men is voornemens deze gronden in te richten als velden voor Agroforestry en bloemrijk nat grasland. Agroforestry wordt gezien als een duurzame en innovatieve vorm van landbouw.

Het is een teeltvorm die een positief effect heeft op de biodiversiteit van flora & fauna, bodemvruchtbaarheid en de aantrekkelijkheid van het landschap. Hoewel er veel verschillende vormen van agroforestry bestaan, gaat het bij deze vorm van landbouw om de combinatie van biologische veeteelt, akkerbouw en groenteteelt met meerjarige houtige gewassen (zoals fruit- of notenbomen of productiebomen). De houtige gewassen worden op ruime afstand van elkaar in rijen geplant. In de tussenruimte worden graan, asperges of aardappels geteeld of runderen en/of schapen vinden er weidegang. In figuur 13 is een impressie van het planvoornemen weergegeven. Het inrichtingsvoorstel is eveneens opgenomen in bijlage 2.

Figuur 13: Inrichtingsvoorstel Landhove Buitenman (Bron: Compositie 5 Stedenbouw)

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 19 van 23

6.2

Verhard oppervlak

In de huidige situatie is de planlocatie ter plaatse van het uit te breiden deel van het recreatiebedrijf volledig onverhard. De initiatiefnemer is voornemens om ten westen van het bestaande erf nieuwe bebouwing op te richten, waaronder een kas van 1.500 m 2, een dierenverblijf van 720 m2 en een veldschuur van 600 m 2. Dit betekent een toename van de bebouwing met 2.820 m2. De verhardingstoename bedraagt naar schatting 1.000 m2 voor de aanleg van wandelpaden en het terras bij de kas. De totale toename verhard oppervlak bedraagt zodoende 3.820 m2. De nieuwe parkeergelegenheid wordt verhard met grind en is daarmee als volledig onverhard beschouwd. 6.3

Waterbergingsopgave

Water zal bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen zodat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. Om de ontwikkeling hydrologisch neutraal uit te voeren zal ten aanzien van het verhard oppervlak watercompensatie plaats moeten vinden. Op basis van de uitgangspunten van de waterbeheerder bedraagt de waterbergingsopgave voor het plan bedraagt ca. 230 m3 (3.820 m2 x gevoeligheidsfactor 1,0 x 0,06).

7 7.1

PLANUITWERKING Randvoorwaarden en uitgangspunten

Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd.     

     

Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren). Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO). Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd. De wateropgave baseren op de daadwerkelijke toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 3.820 m2. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 30 mm gerekend over het aantal m2. Elke demping moet voor 100% gecompenseerd worden. Wateropgave 230 m3. Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG. GHG ingeschat op 23,30 m +NAP. Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe.

7.2

Hemelwater

In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) conform de uitgangspunten van de waterbeheerder binnen de plangrenzen worden verwerkt. Omdat vanuit in het beekherstelplan Reusel-De Mierden binnen perceel H126 geen inrichtingsmaatregelen zijn voorzien, zal binnen dit perceel de wateropgave op eigen terrein geborgen moeten worden.

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 20 van 23

Verbreden afwateringssloot Het plan voorziet in de mogelijkheid tot het verbreden van de bestaande afwateringssloot die is gelegen binnen perceel H126. Dit deel van de huidige sloot, met een lengte van ca. 135 m, maakt geen onderdeel uit van het beekherstelplan (zie figuur 14). Uitgaande van de grondwaterstand (GHG van 20 centimeter) ter plaatse zal de afwateringssloot ca. 9 m moeten worden verbreed. Door de nieuwe watergang niet aan te sluiten op het bestaande oppervlaktewaterstelsel kan water (tijdelijk) worden vast gehouden en bij voorkeur infiltreren. Hierdoor zal water niet meer direct worden afgevoerd richting de Reusel. Wanneer de nieuwe watergang volledig is gevuld kan overtollig water eventueel via een stuw overstorten op het oppervlaktewaterstelsel. Mocht water niet snel genoeg infiltreren zal water vertraagd worden afgevoerd door het aanbrengen van een knijpconstructie. Ook kan overtollig water eventueel via maaiveld overstorten richting het naastgelegen bloemrijkgrasland. Aanleg “groene buffer” Naast het verbreden van de bestaande afwateringssloot voorziet het plan ook in de mogelijkheid tot de aanleg van een "groene buffer”. Bij de aanleg van een groene buffer wordt het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig getransporteerd naar een natuurlijke laagte waar het vervolgens wordt vastgehouden en kan infiltreren in de bodem.

Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. Wanneer het maaiveld ter plaatse van het gebied dat aangeduid is als bloemrijkgrasland wordt verlaagd tot een diepte van 0,2 meter is, uitgaande van een talud van 1 op 5, ca. 1.250 m2 benodigd om de volledige wateropgave van 230 m 3 te kunnen bergen. Het aangegeven zoekgebied in figuur 14 is ca. driemaal groter dan het benodigde oppervlak.

Figuur 14: Situering verbreding afwateringssloot en zoekgebied groene buffer.

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 21 van 23

7.3

Kwaliteit

Algemeen Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Bouwmaterialen Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt gebruik geen gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Onkruidwerende middelen Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding wordt het landelijke beleid gevolgd. Voor bestrijding op verhardingen zal gebruik, voor zover toegestaan, plaats vinden via de DOB-systematiek en zal gezocht te worden naar alternatieven zoals branden, heet water en/of borstelen. 7.4

Keur

Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht:      7.5

Toename verhard oppervlak; Het graven van water; Het plaatsen van kunstwerken; Tijdelijke grondwateronttrekkingen;6 Tijdelijke lozingen van bemalingswater.6 Riolering

Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. In de beoogde waterhuishoudkundige situatie blijft het bedrijfsafvalwater geloosd worden op het gemeentelijk riool. Over de toename is in de hoeveelheid afvalwater die geloosd gaat worden zijn voor alsnog geen exacte gegevens beschikbaar. Door de gemeente is aangegeven dat de capaciteit van de drukriolering beperkt is en dat tijdens drukke periodes het riool aan de maximale capaciteit zit. Uitbreiding en het aanbieden van meer afvalwater is daardoor niet zomaar mogelijk zonder aanpassingen. De eventuele kosten voor het aanpassen van het riool zijn voor de initiatiefnemer. Tijdens het verdere planproces zal het toekomstig vuilwater aanbod worden berekend zodat bekeken kan worden welke aanpassingen aan het bestaande riool nodig zijn en of dit technisch ook mogelijk is. Indien aansluiting op het bestaande riool niet haalbaar blijkt zal voor de verwerking van het afvalwater gezocht worden naar alternatieven zoals het toepassen van een IBA. 6

Een watervergunning moet worden aangevraagd indien er meer dan 100m 3/h wordt onttrokken en/of de onttrekking langer dan een half jaar en/of op meer dan 9 meter diepte plaatsvindt.

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 22 van 23

8

CONCLUSIE

In onderhavige rapportage zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het plan gegeven. Deze rapportage vormt de basis voor invulling van de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan. Hiermee is invulling gegeven aan de verplichte watertoets en is gegarandeerd dat specifieke eisen van de waterbeheerders op een goede wijze in het ontwerp worden verwerkt. Aan de hand van de beschreven randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen, kan op eenduidige wijze, later het waterhuishoudkundig(inrichtings)plan worden opgesteld. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure en uitvoering van het plan.

Econsultancy Boxmeer, 18 juli 2022

Rapport 16834.001 versie D2

Pagina 23 van 23

Bijlage 1

Topografische ligging

Schaal 1:25.000 Deze kaart is noordgericht

Bijlage 2 Inrichtingsvoorstel Landhoeve Buitenman

beekbegeleidend bos

beekbegeleidend bos

doorzicht

ng e

bie

d

doorzicht

pla

pla

ng eb ie

d

poel

i terras

schuur

terras

P 31pp

logeer acc.

plein terrastuin kantoor/ werkplaats

schuur

herberg P 24pp

doorzicht

bo

ssi n

ge

l

bedrijfswoning

uur

veldsch

opslag voer

terras

P 55pp

terrastuin

gel

sin bos doorzicht

plangebied 20415 m2 bouwvlak & bestemming Recreatie - 5 bestaande bebouwing bestaande bebouwing met nieuwe functie groenten- en kruidenkas met horeca dierenverblijf

i

informatiepunt toegang pad beekherstel Reusel bos/bossingel bloemrijk nat grasland nat schraalland luchtfoto 2019

LANDHOEVE BUITENMAN Inrichtingsvoorstel

Aveco de Bondt bv

versie

: 172004l12 (nieuwe situatie)

Postbus 64

opdrachtgever

: ...

7450 AB Holten

gemeente

: Reusel-De Mierden

tel.

: 088-0048212

getekend

: 04-07-2022

email

: info@avecodebondt.nl

status

: ...

website : www.avecodebondt.nl

1:1000 0m

10m

20m

30m

40m

A1 50m

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=96f013cd-c0e0-4962-b6c6-41ea2cab4423