CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[21.04170] - regels bij bestemmingsplan versie 8 maart 2021

Gemeenteraad 20 april 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen van het bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8 Hooge Mierde9.197 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6.2.2 Hoofdgebouw Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. Het hoofdgebouw moet worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. Per bouwvlak is niet meer dan één woning toegestaan, tenzij de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is opgenomen; c. De goot- en bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)'. d. De dakhelling mag niet minder bedragen dan 20° en niet meer dan 60°, met uitzondering van ondergeschikte delen, zoals serres; e. Het bouwvlak voorzien van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' mag voor maximaal 62,5% worden gebruikt ten behoeve van het hoofdgebouw; f. de goot- en bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)'. 6.2.3 Bijgebouwen Bijbehorende bouwwerken dienen binnen de functieaanduiding 'bijgebouwen' te worden gebouwd, waarbij een omvang van maximaal 50% van het vlak 'bijgebouwen' mag worden bebouwd. Hierbij gelden de volgende bepalingen: a. Vrijstaande bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd; b. De afstand tot de bestemmingsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m; c. De gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m² per woning; d.

De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; e. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m; f. De afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de woning mag niet meer bedragen dan 20 m; g. De dakhelling mag niet minder bedragen dan 20° en niet meer dan 60°; 6.2.4 Bouwwerken geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. De bouwhoogte van terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de hoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 1 m; b. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m; c. Voor de bouw van onoverdekte zwembaden geldt dat: 1. het zwembad uitsluitend achter de achtergevelrooilijn van de woning mag worden gesitueerd; 2. de afstand tot de woning niet meer mag bedragen dan 20 m; 3. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens niet minder mag bedragen dan 2 m; 4. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 10% van de oppervlakte van het bouwperceel tot een maximum van 100 m². d. Carports mogen worden gebouwd, mits aan de volgende eisen wordt voldaan: 1. Carports mogen niet vóór de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; 2. De hoogte mag niet meer dan 3 m bedragen; 3. De oppervlakte mag niet meer dan 25 m² bedragen. e. De hoogte van kleinschalige windmolens mag niet meer bedragen dan 12 m; 28

f.

Overkappingen mogen worden gebouwd, mits aan de volgende eisen wordt voldaan: 1. de overkapping(en) uitsluitend achter de achtergevelrooilijn van de woning mag worden gesitueerd; 2. in afwijking van het bepaalde onder b. mag de hoogte niet meer dan 3 m bedragen; 3. de oppervlakte mag niet meer dan 30 m² bedragen; 4. de afstand tot de woning niet meer mag bedragen dan 20 m;

6.3 Afwijken van de bouwregels 6.3.1 Omgevingsvergunning voor het afwijken van de maatvoering Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, mits het past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving, afwijken van het bepaalde in: a. onder 5.2.2. voor het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; b. onder 5.2.3. voor het bouwen van een bijgebouw op een afstand van meer dan 20 m van het hoofdgebouw indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel; 6.4 Specifieke gebruiksregels 6.4.1 Algemeen Binnen de bestemming 'Wonen' is de uitoefening van een aan huis gebonden beroep en/ofbedrijf toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 45 m2; b. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken. c. De activiteit dient milieu hygienisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving; d. Aan huis verbonden bedrijven zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1, onder milieucategorie 1.

e. Detailhandel is niet toegestaan f. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

6.5 Afwijken van de gebruiksregels 6.5.1 Omgevingsvergunning voor het afwijken inzake kleinschalig logeren Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.1 onder a voor het realiseren van kleinschalig logeren (onder andere Bed&Breakfast) indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De logeereenheden dienen een plek te krijgen binnen de bestaande bebouwing; b. Het totaal aantal logeereenheden mag niet meer bedragen dan 5; 29

c. De totale oppervlakte voor logeereenheden mag niet meer dan 50% van de gezamenlijke vloeroppervlakte bedragen tot een maximum van 150 m 2; d. Er moet sprake zijn van een zorgvuldige inpassing; e. Omringende agrarische bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt als gevolg van het kleinschalig logeren.

Artikel 7 Waarde - Archeologie 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van (potentieel) aanwezige archeologische waarden. Deze bestemming werkt primair ten opzichte van de andere (enkel)bestemmingen. 7.2 Bouwregels Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo (bouwen) dient voor bouwwerken die een verstoring veroorzaken dieper gaan dan 0,8 meter onder het maaiveld, een proefsleuvenonderzoek te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld; b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning weigeren of één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2.

de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties; 3. het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.3.1 Verboden werken of werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,8 meter onder het maaiveld zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, indrijven, frezen, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diep wortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage. b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, poelen en greppels; 30

c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,8 meter onder het maaiveld. 7.3.2 Toegestane werken Het in 7.3.1. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. de bodem verstoren over een oppervlakte kleiner dan 500 m²; c. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; d. plaatsvinden ter plaatse van gronden die reeds verstoord zijn, zoals af te lezen op de kaart opgenomen in bijlage 3 bij de regels. 7.3.3 Toelaatbaarheid Voor het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.3.1 gelden de volgende regels: a. de genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden; b. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; c. een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.

Artikel 8 Waarde - Cultuurhistorisch ensemble 8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorisch ensemble' aangewezen gronden zijn, naast voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en versterking van het complex van cultuurhistorisch belang. 8.2 Bouwregels Op de voor 'Waarde - Cultuurhistorisch ensemble' aangewezen gronden mag slechts worden gebouwd indien: a. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming; b. wordt voldaan aan de waarden zoals genoemd in artikel 8.1. 8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.3.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden, op of in de voor 'Waarde - Cultuurhistorisch ensemble' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en 31

wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. veranderingen aan te brengen in de aanwezige stedenbouwkundige/landschappelijke structuur; b. geheel of gedeeltelijk het planten of rooien van bomen, bosschages, houtwallen en singels. 8.3.2 Uitzonderingen Het in 8.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. al legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 8.3.3 Toelaatbaarheid De in 8.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden van de gronden zoals deze zijn benoemd in het beeldkwaliteitsplan ‘Kuilenrode 8, Hooge Mierde’, wat als bijlage 4 aan de regels is toegevoegd.

32

3 Algemene regels Artikel 9 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels 10.1 Bestaande afwijkende maatvoering In die gevallen, dat de (goot)hoogte, de oppervlakte, de inhoud, een bebouwingspercentage en/of de afstand tot de weg of perceelsgrenzen, en andere maten, in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet dan wel Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen, op het tijdstip van ter-inzage-legging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die bestaande maatvoering in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan. 10.2 Ondergronds bouwen 10.2.1 Algemeen Ondergronds bouwen in de vorm van maximaal één bouwlaag (3,5 m onder peil) is toegestaan binnen de gevelgrenzen van de woning en de verder binnen bouwvlakken toegestane bebouwing. De inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd, telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud. 10.2.2 Afwijken van de regeling Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2.1. voor het toestaan van ondergrondse bebouwing van maximaal één bouwlaag (3,5 m onder peil) buiten de gevelgrenzen van de bebouwing mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte mag maximaal 10% van de oppervlakte van het bouwvlak bedragen met een absoluut maximum van 150 m²; b.

de afstand tot de as van de weg dient minimaal 15 m te bedragen behalve als de bestaande bebouwing dichter op de as van de weg staat; dan is deze afstand bepalend; c. het bouwwerk dient geheel onder het maaiveld te worden gebouwd; d. afhankelijk van de situatie kan een landschappelijke inpassing worden geëist; e. de inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud.

33

10.3 Voorwaardelijke verplichting De nieuwe Ruimte voor Ruimte-woning mag pas in gebruik genomen worden nadat voldaan wordt aan de volgende voorwaardelijke verplichtigingen:

a. Alle agrarische bedrijfsgebouwen, met uitzondering van het gebouw aangeduid met 'paardenstal', zijn gesloopt. b. De landschappelijke inpassing ter plaatse van de bestemming 'Groen Landschapselement' dient te zijn aangelegd binnen één jaar na gereedmelding van de nieuwe Ruimte voor Ruimte woning; c. De landschappelijke inpassing wordt aangelegd en in stand gehouden conform het landschappelijk inpassingsplan dat als Bijlage 2 bij deze regels is gevoegd.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels 11.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval verstaan: a. gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie; b. het gebruik van gronden voor evenementen; c. het gebruik van gronden voor kleinschalig kamperen; d. het gebruik voor wonen van vrijstaande bijgebouwen bij een woning.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels 12.1 Gebiedsaanduidingen Ter plaatse van de gebiedsaanduidingen: a. ‘wetgevingzone – omgevingsvergunning openheid’; b. ‘wetgevingzone – wijzigingsgebied beperking veehouderij’; c. 'overige zone -- bebouwingsconcentratie' gelden specifieke regels. Indien deze gebiedsaanduiding een betekenis heeft binnen de betreffende bestemming, dan is die regeling opgenomen binnen de daar geldende bestemming.

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van: a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; dit is niet mogelijk voor het oprichten van of in gebruik nemen van een gebouw ten behoeve van een veehouderij dat niet in gebruik was ten behoeve van een veehouderij op 21 september 2013; b. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bebouwingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; 34

c. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits: 1. de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m 2 zal bedragen; 2. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m zal bedragen; 3. het bouwwerk mag geen aantasting geven van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur; d. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot: 1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m 2; 2. ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen tot maximaal 3,50 m; 3. ten behoeve van vrijstaande antennemasten tot maximaal 18 m; 4. ten behoeve van lichtmasten en vlaggenmasten tot maximaal 8 m; e. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, mits: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen; 2.

de bouwhoogte niet meer dan 1,50 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen. f. de bepalingen met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van kleinschalige windmolens tot een hoogte van maximaal 15 m. de onder a tot en met f genoemde afwijkingen kunnen uitsluitend verleend worden, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. 2. 3. 4. 5.

een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de milieusituatie; en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

35

4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht 14.1 Overgangsrecht bouwwerken 14.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 14.1.2 Omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 14.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 14.1.1 met maximaal 10%. 14.1.3 Uitzondering Het bepaalde in 14.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 14.2 Overgangsrecht gebruik 14.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

14.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 14.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 14.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 14.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 14.2.4 Strijd met voorheen geldend gebruik Het bepaalde in 14.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

36

Artikel 15 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8'.

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=7bc30b98-fa8a-4f43-8599-322e896587d1