[21.00084] - Bijlagen toelichting_Bijlage 7 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Hondsbos 21 te Reusel Rapportnummer 19-0238
www.starobv.nl
Quickscan flora en fauna
Hondsbos 21 te Reusel Augustus 2019
Rapportnummer:
P19-0238
Opdrachtgever:
Tonnaer Parklaan 21 5261 LR Vught
Uitgevoerd door:
Staro Natuur en Buitengebied Lodderdijk 38a 5421 XB Gemert tel. 0492-450161 fax. 0492-450162 www.starobv.nl
Veldonderzoek:
M.A. den Otter
Auteur:
M.A. den Otter
Kwaliteitscontrole: E.J.F. Claassen
Inhoud 1
Inleiding ............................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................3 1.2 Doel ..........................................................................................................................................3 1.3 Zorgplicht ..................................................................................................................................3 1.4 Leeswijzer .................................................................................................................................3
2
Plangebied .......................................................................................................................................5 2.1 Ligging en beschrijving plangebied ..........................................................................................5 2.2 Voorgenomen plannen .............................................................................................................8
3
Methode ............................................................................................................................................9
4
Natuurwaarden ............................................................................................................................. 10 4.1 Beschermde gebieden ........................................................................................................... 10 4.2 Beschermde soorten ............................................................................................................. 13 4.2.1 Flora ................................................................................................................................... 13 4.2.2 Vlinders en libellen ............................................................................................................ 13 4.2.3 Kevers en weekdieren ....................................................................................................... 14 4.2.4 Vissen ................................................................................................................................ 15 4.2.5 Amfibieën en reptielen ....................................................................................................... 15 4.2.6 Vogels ................................................................................................................................ 17 4.2.7 Zoogdieren......................................................................................................................... 17
5
Conclusies .................................................................................................................................... 20 5.1 Beschermde gebieden ........................................................................................................... 20 5.2 Beschermde soorten ............................................................................................................. 20 5.3 Advies en aanbevelingen ...................................................................................................... 22
Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................................... 23
Bijlagen Bijlage 1
Wet- en regelgeving
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens op twee kavels levensloopbestendige woningen te realiseren aan Hondsbos 21 te Reusel. In de huidige situatie is op deze locatie beplanting aanwezig. Ten behoeve van de planologische procedure is het noodzakelijk een quickscan flora en fauna uit te voeren. Door middel van de quickscan wordt in beeld gebracht of de ontwikkeling in strijd is met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden.
1.2
Doel Doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortbescherming en gebiedsbescherming is sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van belang. Daarnaast is gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS genoemd). In bijlage 1 wordt deze wet- en regelgeving uitgebreid beschreven. Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Tevens heeft het onderzoek tot doel vast te stellen op welke wijze en in welke mate de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op het eventueel voorkomen van beschermde soorten. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving zal worden gehandeld. Aanvullend zal worden bepaald of voorgenomen ontwikkelingen effect hebben op de beschermde natuurwaarden van nabijgelegen natuurgebieden.
1.3
Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
1.4
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 wordt de gebruikte onderzoeksmethode besproken. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden en de effecten van de geplande ingrepen op aanwezige beschermde natuurwaarden worden beschreven in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op de mogelijke
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
3
noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen. In het laatste hoofdstuk zijn de conclusies uiteengezet.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
4
2
Plangebied
2.1
Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied ligt aan Hondsbos 21 in het noorden van de bebouwde kom van Reusel. Het plangebied bestaat uit twee percelen met bosschages met onder andere zomereik, Amerikaanse eik, grove den, zeeden, berk, lijsterbes, vlier en Amerikaanse vogelkers. Daarnaast is een paardenweide en een overkapping voor houtopslag aanwezig. Het plangebied wordt omringd door bosschages, en beide percelen liggen langs een oprit. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in figuur 1. De globale begrenzing van het onderzoeksgebied is weergegeven in figuur 2. Op pagina’s 6 en 7 is een foto-impressie van het plangebied opgenomen.
Figuur 1. Ligging plangebied (gele lijn) (bron: Google Maps)
Figuur 2. Globale begrenzing plangebied (gele lijn) (bron: Google Maps)
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
5
Foto’s van het zuidelijke perceel
Foto 1. Noordoosten van het perceel
Foto 2. De paardenweide in het perceel
Foto 3. Hoop van takken in het perceel
Foto 4. Midden van het perceel
Foto 5. Midden van het perceel
Foto 6. Nest in een grove den in het perceel
Foto 7. Zuiden van het perceel
Foto 8. Westen van het perceel
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
6
Foto’s van het noordelijke perceel
Foto 9. Zuidwesten van het perceel
Foto 10. Zuidoosten van het perceel
Foto 11. Houtopslag in het oosten van het perceel
Foto 12. Snoeiafval in midden van het perceel
Foto 13. Noordwesten van het perceel
Foto 14. Midden van het perceel
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
7
2.2
Voorgenomen plannen De initiatiefnemer is voornemens twee levensloopbestendige woningen te realiseren aan Hondsbos 21 te Reusel, zoals is weergegeven in figuur 3.
Figuur 3. Voorgenomen plannen Hondsbos 21 te Reusel (bron: Gemeente Reusel - De Mierden)
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
8
3
Methode
In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden waarbij gekeken is naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Voor het soortenonderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), de websites Vlinderstichting.nl, Waarneming.nl, EIS-nederland.nl, Zoogdiervereniging.nl en Verspreidingsatlas.nl en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving. De ligging van Natura 2000-gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en het Natuurnetwerk Nederland in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarbij alle op de locatie aanwezige habitats zijn opgenomen. De aanwezigheid van deze habitats vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de habitats zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten en het aantreffen van holen, uitwerpselen, prooiresten, vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige habitats zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten.
Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Ook is gekeken of binnen het plangebied invasieve exoten voorkomen. Een veldbezoek voor een quickscan flora en fauna is nadrukkelijk geen volledige inventarisatie. Dat betekent dat op basis van het veldbezoek het voorkomen van soorten niet per definitie is uit te sluiten. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in deze rapportage. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 16 april 2019 in de ochtend onder de volgende weersomstandigheden: bewolkt, droog, windkracht 1 en circa 15 ˚C.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
9
4
Natuurwaarden
4.1
Beschermde gebieden Natura 2000 Uit de kaarten van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 2,0 kilometer afstand ten noorden van het plangebied ligt, zie figuur 4. Dit betreft de beek de Reusel, een onderdeel van Natura 2000-gebied Kempenland-West.
Figuur 4. Ligging plangebied (zwarte cirkel) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (geel) (bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000)
Natura 2000-gebieden over de Belgische grens liggen op circa 5,3 kilometer afstand ten westen van het plangebied, 3,8 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied en 6,0 kilometer ten zuidoosten van het plangebied, zie figuur 5. De gebieden ten westen en ten zuiden behoren tot het Natura 2000-gebied Turnhouts vennengebied. Het gebied ten zuidoosten van het plangebied is Natura 2000-gebied Kleine Nete.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
10
Figuur 5. Ligging plangebied (zwarte cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebied in België (geel) (bron: https://www.natura2000.vlaanderen.be/natura-2000-gebieden)
Effectbeoordeling Doordat het plangebied buiten Natura 2000-gebieden ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de kleinschalige aard van de voorgenomen plannen is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebied als gevolg van geluid, licht en trilling. Als gevolg van de bouwwerkzaamheden in de aanlegfase en verkeersbewegingen in de gebruiksfase is sprake van stikstofuitstoot. Een toename van de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden kan negatieve effecten tot gevolg hebben op de aangewezen natuurwaarden binnen de Natura 2000-gebieden. Het is niet uit te sluiten dat als gevolg van de voorgenomen plannen negatieve effecten ontstaan op Natura 2000gebieden in de omgeving. Een stikstofberekening met het rekenprogramma Aeriuscalculator is nodig om de eventuele toename van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden inzichtelijk te maken. In geval van een toename moet getoetst worden of dit (significant) negatieve effecten tot gevolg heeft en of een vergunning noodzakelijk is. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; in provincie Noord-Brabant bestaande uit NNN rijksdeel en NNN provinciaal deel) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden.
Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. Uit de kaart Natuurbeheerplan op de website van provincie Noord-Brabant, blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNN. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNN rijksdeel, de beek de Reusel, ligt op circa 540 meter ten westen van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNN
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
11
provinciaal deel ligt op circa 250 meter ten noorden van het plangebied. De ligging van het NNN in de omgeving van het plangebied is weergegeven in figuur 6.
Figuur 6. Ligging plangebied (zwarte vakken) ten opzichte van het NNN (bron: https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan)
Effectbeoordeling Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gezien de relatief grote afstand tussen het plangebied en het NNN, en de kleinschalige aard van de voorgenomen plannen is het uit te sluiten dat de voorgenomen plannen een (significant) negatief effect hebben op de kernkwaliteiten van het NNN. Conclusie Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (2,0 kilometer) is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van geluid, licht en trilling. Het is niet uit te sluiten dat als gevolg van de voorgenomen plannen een toename ontstaat van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden met (significant) negatieve effecten tot gevolg voor de aangewezen natuurwaarden. Een stikstofberekening met het rekenprogramma Aeriuscalculator is nodig om de eventuele toename van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden inzichtelijk te maken. In geval van een toename moet getoetst worden of dit (significant) negatieve effecten tot gevolg heeft en of een vergunning noodzakelijk is. De voorgenomen plannen hebben door de relatief grote afstand en de kleinschalige aard van de werkzaamheden geen (significant) negatief effect op de kernkwaliteiten van het NNN.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
12
4.2
Beschermde soorten Deze paragraaf beschrijft het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de ingreep zijn en of het nemen van mitigerende maatregelen nodig is.
4.2.1
Flora Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat binnen vijf kilometer van het plangebied drijvende waterweegbree voorkomt (§3.2 Wnb).
Drijvende waterweegbree is een vrij zeldzame soort die voorkomt in zuid en oost Nederland. De plant groeit op zonnige plaatsen in stilstaand of zwakstromend water en periodiek droogvallende oevers van vennen, vijvers, beken, poelen, sloten en dergelijke. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van drijvende waterweegbree uitgesloten. Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat ook voor andere beschermde plantensoorten geschikte habitats ontbreken binnen het plangebied. Het voorkomen van beschermde plantensoorten is zodoende uit te sluiten.
4.2.2
Vlinders en libellen Vlinders Volgens gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat binnen een afstand van vijf kilometer van het plangebied bruine eikenpage en gentiaanblauwtje zijn waargenomen (beide §3.3 Wnb).
Bruine eikenpage is een vrij zeldzame standvlinder die lokaal voorkomt op
de hogere zandgronden in het binnenland, de duinen en Zuid-Limburg. Waardplant voor de rups is (zomer)eik, in het bijzonder zwakke en kleine exemplaren. De soort komt voor in bosranden, open bospaden, eikenhakhout, kapvlakten in eikenbossen en jonge eikenaanplant. Gentiaanblauwtje is een vrij zeldzame soort van vochtige heide die lokaal voorkomt op zandgronden in Zuid-, Midden- en Noordoost-Nederland. De enige waardplant voor de rups is klokjesgentiaan. Naast vochtige heide komt de soort ook voor op natte heide, vochtige heischrale graslanden en blauwgraslanden.
In het plangebied ontbreekt het geschikt habitat en/of de geschikte waardplant voor deze vlinders. Hiermee is ook het voorkomen van beschermde vlindersoorten uitgesloten.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
13
Libellen Uit de gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied bosbeekjuffer is waargenomen (§3.3 Wnb). Binnen een afstand van vijf kilometer van het plangebied is hoogveenglaslibel waargenomen (§3.3 Wnb).
Bosbeekjuffer komt enkel voor langs stromend water. komt voor langs
beschaduwde, koude en zuurstofrijke beken. De soort is kritisch ten aanzien van de waterkwaliteit en de morfologie van de beek. De juffer komt voor op enkele plekken in Zuid-, en Oost-Nederland. Hoogveenglanslibel is een zeer zeldzame soort waarvan in Nederland zeven kleine populaties bekend zijn. De soort komt voor bij levend hoogveen, met kleine veenputten die zijn dichtgegroeid met veenmossen. De huidige populaties liggen in hoogveengebieden in het uiterste oosten van Gelderland en Overijssel, het uiterste zuiden van Noord-Brabant en in Zuid-Limburg.
Binnen het plangebied is geen permanent (stromend) oppervlaktewater aanwezig. Daarmee ontbreekt het aan geschikt voortplantingshabitat voor libellen. Het voorkomen van (beschermde) libellen in het plangebied is uit te sluiten.
4.2.3
Kevers en weekdieren Volgens de gegevens van de NDFF en EIS Nederland komen geen beschermde kevers en weekdieren voor in de omgeving van het plangebied. Voor de beschermde kevers en weekdieren zijn weinig verspreidingsgegevens bekend, daarom wordt in deze paragraaf van alle beschermde kevers en weekdieren beoordeeld of ze in het plangebied kunnen voorkomen. Vliegend hert (§3.3 Wnb) komt voor in (oude) eikenbossen, dit habitat is binnen het plangebied niet aanwezig. De eiken in het plangebied zijn niet groot en oud genoeg voor vliegend hert. Het voorkomen van deze soort in het plangebied is uit te sluiten. De beschermde houtkevers; vermiljoenkever, heldenbok en juchtleerkever (alle §3.2 Wnb) zijn afhankelijk van oude, holle of vrijstaande bomen of (natte) gebieden met veel dood hout. Deze habitattypen zijn niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van deze beschermde houtkevers in het plangebied kan daarom worden uitgesloten. De beschermde waterkevers brede geelrandwaterroofkever en gestreepte waterroofkever (beide §3.2 Wnb) zijn voor het voorkomen afhankelijk van grote wateren. Het ontbreekt binnen het plangebied aan oppervlaktewater en daarom is het voorkomen van beschermde waterkevers in het plangebied uitgesloten. De aquatische slakkensoort platte schijfhoren (§3.2 Wnb) is afhankelijk van de aanwezigheid van heldere, schone wateren met waterplanten. Bataafse
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
14
stroommossel (§3.2 Wnb) is een soort die voorkomt in stromend water (rivieren of beken). Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van platte schijfhoren en Bataafse stroommossel uitgesloten. In het plangebied ontbreken geschikte habitats voor de beschermde soorten kevers en weekdieren. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied is derhalve uit te sluiten.
4.2.4
Vissen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde vissoorten zijn waargenomen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater is het voorkomen van (beschermde) vissoorten in het plangebied uit te sluiten.
4.2.5
Amfibieën en reptielen Amfibieën Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied de volgende amfibiesoorten zijn waargenomen: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander (alle §3.3 Wnb) en poelkikker (§3.2 Wnb). Op een afstand van één tot vijf kilometer van het plangebied zijn ook vinpootsalamander (§3.3 Wnb), heikikker en rugstreeppad (beide §3.2 Wnb) waargenomen. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en daarom ontbreekt het aan voortplantingshabitat voor amfibieën. In de omgeving van het plangebied liggen enkele poelen/vijvers en sloten die kunnen dienen als voortplantingshabitat. Het plangebied is mogelijk wel geschikt als land- en overwinteringshabitat voor algemene en niet-kritische soorten. Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander zijn algemene of niet-kritische soorten en kunnen van het plangebied gebruikmaken als land- en overwinteringshabitat. Ze verblijven onder de vegetatie of ingegraven in de grond, op locaties zoals in foto 3 en 12, en mogelijk ook foto 11. Poelkikker en rugstreeppad zijn meer kritische soorten. Deze soorten overwinteren beide in oude muizenholletjes, onder stronken ingegraven in de grond.
Het plangebied biedt geschikt landhabitat voor deze soorten. Echter liggen geschikte voortplantingswateren te ver bij het plangebied vandaan, en liggen er te veel barrières tussen zoals wegen en akkers. Als voortplantingshabitat maakt heikikker gebruik van vennen en poelen in bos en hei. Rugstreeppad gebruikt wateren in een pioniersstadium als voortplantingswater.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
15
Vinpootsalamander overwintert vooral in water en heikikker is een cultuurvliedende soort, voor deze soorten vormt het plangebied geen geschikt habitat.
Reptielen Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat binnen een afstand van vijf kilometer van het plangebied hazelworm, levendbarende hagedis (beide §3.3 Wnb) en gladde slang zijn waargenomen (§3.2 Wnb). Het voorkomen van deze reptielensoorten in het plangebied is uit te sluiten door de ligging van het plangebied ten opzichte van bekende vindplaatsen van reptielsoorten. Effectbeoordeling Bij het kappen van struiken, en het verwijderen van takken van de bodem kan mogelijk het land- en overwinteringshabitat van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en Alpenwatersalamander worden vernietigd en individuen worden verstoord. Mitigerende maatregelen Voor bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten hoeven geen mitigerende maatregelen genomen worden. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.3. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Voor Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet. Onder de Wet Natuurbescherming mag voor Alpenwatersalamander gebruik worden gemaakt van een goedgekeurde gedragscode.
In dit geval dient gewerkt te worden volgens de gedragscode flora en fauna voor Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de Vereniging Stadswerk Nederland. Voor het zorgvuldig handelen dient de volgende periode en werkwijze te worden gehanteerd: Het uitvoeren van graafwerkzaamheden op plaatsen waar Alpenwatersalamander kan overwinteren en het verwijderen van struiken en takken van de bodem vindt plaats in de periode buiten de overwinteringsperiode van Alpenwatersalamander. Dit betekent dat deze werkzaamheden mogen worden uitgevoerd in de periode 15 april tot 15 oktober. Wanneer takken en stuiken van de bodem zijn verwijderd, is het gebied ongeschikt als overwinteringsplaats voor Alpenwatersalamander. In dat geval zijn graafwerkzaamheden niet aan een periode gebonden.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
16
4.2.6
Vogels Tijdens het veldbezoek zijn houtduif, kraai en roodborstje in het plangebied aangetroffen. Ook is een nest gevonden (foto 6). Uit gegevens van de NDFF blijkt dat de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw (alle §3.1 Wnb). Het plangebied kan deel uitmaken van het grotere leefgebied van enkele van de bovengenoemde vogelsoorten boomvalk, buizerd, havik, kerkuil, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Door de ligging van het plangebied nabij de bebouwde kom vormt het geen belangrijk deel van het leefgebied van deze soorten. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied en nestgelegenheid voor de soorten gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus en ooievaar. In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten, zoals roofvogelhorsten, waargenomen. Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor diverse algemene vogelsoorten waarvan het nest niet-jaarrond beschermd is. Tijdens het veldbezoek is in het plangebied één nest aangetroffen. Er kan vanuit worden gegaan dat meer nesten aanwezig van algemene vogels (nest nietjaarrond beschermd).
Roofvogelhorsten zijn groter en meer opvallend, de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in het plangebied kan worden uitgesloten. Effectbeoordeling Door het kappen van bomen in de twee percelen gaat nestgelegenheid verloren voor vogels. Tijdens het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Voor vogels geldt dat, indien exemplaren aan het broeden zijn, het verwijderen van bomen en beplanting niet kan plaatsvinden zonder deze dieren te verstoren. Het plangebied wordt door het kappen van bomen niet significant minder geschikt als foerageergebied. Daarbij blijft in de omgeving voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Mitigerende maatregelen Het kappen van bomen moet worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd.
4.2.7
Zoogdieren Vleermuizen Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (1997), Korsten en Regelink (2010) en gegevens van de NDFF blijkt dat de soorten baardvleermuis,
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
17
franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, ingekorven vleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (alle §3.2 Wnb) voorkomen in de wijdere omgeving van het plangebied. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. In het plangebied en de directe omgeving zijn lijnvormige elementen (bomen langs de opritten en langs de straat) aanwezig die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Het is mogelijk dat in het plangebied holtebomen staan, door het dichte bladerdek kunnen holtes over het hoofd worden gezien. In deze holtes kunnen vleermuizen verblijfplaatsen hebben. Overige zoogdieren Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied de volgende soorten zijn waargenomen: algemene (spits)muizen, egel, konijn, eekhoorn, bunzing, steenmarter, haas, ree en vos (alle §3.3 Wnb). Binnen een afstand van vijf kilometer van het plangebied zijn ook boommarter, wild zwijn (beide §3.3 Wnb) en bever (§3.2 Wnb) waargenomen. Voor bever en boommarter biedt het plangebied geen geschikt habitat. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied kan worden uitgesloten. Door het hekwerk om het terrein is het plangebied niet te betreden door ree, vos en wild zwijn.
Voor algemene (spits)muizen, egel, konijn, eekhoorn, bunzing, hermelijn, steenmarter, wezel en haas is het plangebied geschikt als (onderdeel van het) leefgebied. Het plangebied biedt geschikt foerageergebied voor deze soorten. Verblijfplaatsen van algemene (spits)muizen, egel zijn in het plangebied mogelijk aanwezig. Deze verblijfplaatsen kunnen aanwezig zijn onder de vegetatie en op locaties zoals op foto’s 3 en 12, en mogelijk ook foto 11. Van konijn, eekhoorn, bunzing, hermelijn, steenmarter, wezel en haas zijn geen sporen gevonden tijdens het veldbezoek. Vanwege de geringe ondergroei, zeker in het noordelijke perceel is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van deze soorten onwaarschijnlijk. Tevens lopen op het terrein twee grote honden die de aanwezigheid van verblijfplaatsen van konijn, eekhoorn, bunzing, hermelijn, steenmarter, wezel en haas onwaarschijnlijk maken. Effectbeoordeling Bij het kappen van bomen met holtes kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd. Het kappen van bomen heeft geen significant negatief effect op het foerageergebied van vleermuizen, ook mogelijke vliegroutes worden door de kap niet onderbroken. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op het foerageergebied van algemene (spits)muizen, egel, konijn, eekhoorn, bunzing, hermelijn, steenmarter, wezel en haas.
Een groot deel van de bosschage op het terrein blijft behouden en in de omgeving van het plangebied is voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
18
Verblijfplaatsen van algemene (spits)muizen en egel kunnen worden vernietigd wanner de bomen en struiken worden gekapt. Mitigerende maatregelen Voorafgaand aan het kappen van de bomen moet een boominspectie plaatsvinden zodat boomholtes kunnen worden aangetoond of uitgesloten. Dit moet bij voorkeur plaatsvinden wanneer de bomen hun blad hebben verloren, vanaf half oktober. Indien boomholtes aanwezig zijn worden deze beoordeeld op de geschiktheid voor vleermuisverblijfplaatsen. Indien potentieel geschikte vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn moet nader onderzoek worden gedaan. Met het nader onderzoek kan worden bepaald welke effecten optreden, of een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is en welke mitigerende maatregelen genomen dienen te worden. Voor algemene (spits)muizen en egel geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten hoeven geen mitigerende maatregelen genomen worden. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.3. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
19
5
Conclusies
5.1
Beschermde gebieden Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (2,0 kilometer) is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van geluid, licht en trilling. Het is niet uit te sluiten dat als gevolg van de voorgenomen plannen een toename ontstaat van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden met (significant) negatieve effecten tot gevolg voor de aangewezen natuurwaarden. Een stikstofberekening met het rekenprogramma Aeriuscalculator is nodig om de eventuele toename van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden inzichtelijk te maken. In geval van een toename moet getoetst worden of dit (significant) negatieve effecten tot gevolg heeft en of een vergunning noodzakelijk is. De voorgenomen plannen hebben door de relatief grote afstand en de kleinschalige aard van de werkzaamheden geen (significant) negatief effect op de kernkwaliteiten van het NNN.
5.2
Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, reptielen en vissen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht, zie §1.3 van dit rapport. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vogels, de voorgenomen werkzaamheden hebben hierop geen significant negatief effect. De bomen en struiken in het plangebied bieden geschikte nestgelegenheid voor algemene vogelsoorten. Het kappen van bomen en struiken moet worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels. In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen en er lopen mogelijk ook vliegroutes door en langs het plangebied (langs de bomen). De werkzaamheden hebben op het foerageergebied en op vliegroutes geen negatief effect. Bij het kappen van bomen met holtes kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan.
In holtebomen kunnen vleermuizen verblijven. Voorafgaand aan de kap van de bomen is een boominspectie nodig. Deze moet bij voorkeur worden uitgevoerd wanneer bomen hun blad hebben verloren, vanaf half oktober. Soorten van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming Het plangebied biedt mogelijk geschikt land- en overwinteringshabitat voor algemene en niet-kritische amfibiesoorten. Voor bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
20
natuurbescherming. Voor Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet en moet worden gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Dit houdt in dat graafwerkzaamheden op plaatsen waar Alpenwatersalamander kan overwinteren en het verwijderen van struiken en takken van de bodem alleen kunnen plaatsvinden tussen 15 april en 15 oktober. Wanneer takken en stuiken van de bodem zijn verwijderd, dan is het gebied ongeschikt als overwinteringsplaats voor Alpenwatersalamander. In dat geval zijn graafwerkzaamheden niet aan een periode gebonden. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor algemene (spits)muizen, egel, konijn, eekhoorn, bunzing, hermelijn, steenmarter, wezel en haas. De voorgenomen werkzaamheden hebben hierop geen significant negatieve effecten. Mogelijk zijn verblijfplaatsen aanwezig van (spits)muizen en egel. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Wel geldt, ook voor vrijgestelde soorten, altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.3. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op wordt gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Tabel 1. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied Soort(groep)
Bescherming
Functie
Mogelijk
Ontheffing
plangebied
effect
nodig
Maatregelen
Kappen wanneer geen §3.1 Wnb Vogels
(nest niet
Nestgelegen-
jaarrond
heden
Ja
beschermd)
Nee, mits
broedgeval
maatregelen
aanwezig is en
worden
buiten
uitgevoerd
broedseizoen en na boominspectie Graafwerkzaamheden en
Alpenwatersalamander
Land- en §3.3 Wnb
overwinterings-
Ja
habitat
Nee, mits
verwijderen
maatregelen
takken en
worden
struiken
uitgevoerd
uitvoeren tussen 15 april en 15 oktober
Bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine water-
Land- en §3.3 Wnb
overwinterings-
Nee, Ja
habitat
salamander en
algehele
-
vrijstelling
meerkikker Mogelijk, Vleermuizen
§3.2 Wnb
Verblijfplaatsen (boomholtes)
Ja
afhankelijk van boominspectie
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
Boominspectie voorafgaand aan de kap
21
Soort(groep)
Bescherming
Functie
Mogelijk
Ontheffing
plangebied
effect
nodig
Algemene (spits)muizen en
Nee, §3.3 Wnb
Verblijfplaatsen
egels
5.3
Maatregelen
Ja
algehele
-
vrijstelling
Advies en aanbevelingen Geconcludeerd kan worden dat overtreding van de Wet natuurbescherming bij uitvoering van de voorgenomen plannen kan worden voorkomen door de volgende maatregelen te nemen: 1. Voor Alpenwatersalamander wordt gewerkt met een goedgekeurde gedragscode. Dit houdt in dat graafwerkzaamheden op plaatsen waar Alpenwatersalamander kan overwinteren en het verwijderen van struiken en takken van de bodem alleen kunnen plaatsvinden tussen 15 april en 15 oktober. Wanneer takken en stuiken van de bodem zijn verwijderd, dan is het gebied ongeschikt als overwinteringsplaats voor Alpenwatersalamander. In dat geval zijn graafwerkzaamheden niet aan een periode gebonden. 2. Voor vleermuizen worden de bomen geinspecteerd op de aanwezigheid van holtes voorafgaand aan de kap. Dit moet bij voorkeur gebeuren na half oktober in verband met het vallen van het blad. Indien (potentieel geschikte) vleermuisverblijfplaatsen worden aangetroffen moet nader vleermuisonderzoek worden gedaan. Met dit onderzoek kunnen de effecten worden bepaald en of een ontheffing en mitigerende maatregelen nodig zijn. 3. Voor vogels de bomen en struiken worden gekapt wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. Bovendien zal eerst de boominspectie (zie vorige punt) moeten zijn uitgevoerd. 4.
Een stikstofberekening met het rekenprogramma Aerius-calculator is nodig om de eventuele toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
22
Geraadpleegde bronnen
Literatuur
Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De
dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Bouwens, S. Provincie Noord-Brabant, 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging - rapport 2017.32. Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging - rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3 december 2016. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Internet
Natura 2000-gebieden, www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx, 15-7-2019 Natura 2000-gebieden België, https://www.natura2000.vlaanderen.be/natura-2000-gebieden, 15
7-2019 Natuurbeheerplan provincie Noord-Brabant, https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan, 15-7-2019 NDFF - quickscanhulp.nl 12-07-2019 16:47:51 www.eis-nederland.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.verspreidingsatlas.nl
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
23
Bijlage 1 Wet- en regelgeving
Wet natuurbescherming In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2.
Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is; Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
24
Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 (§ 3.1 Wnb)
Categorie 2 (§ 3.2 Wnb)
Categorie 3 (§ 3.3 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende
Het is verboden soorten in hun
Het is verboden soorten opzettelijk te
vogels opzettelijk te doden of te
natuurlijke verspreidingsgebied
doden of te vangen
vangen
opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten,
Het is verboden de
Het is verboden de vaste
rustplaatsen en eieren van vogels te
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
vernielen of te beschadigen, of nesten
van dieren te beschadigen of te
van dieren opzettelijk te beschadigen
van vogels weg te nemen
vernielen
of te vernielen
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
Het is verboden eieren te rapen en
Het is verboden eieren van dieren in
deze onder zich te hebben
de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te
Het is verboden dieren opzettelijk te
storen, tenzij de storing niet van
verstoren
-
wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort -
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun
Het is verboden plantensoorten in hun
natuurlijke verspreidingsgebied
natuurlijke verspreidingsgebied
opzettelijk te plukken en te
opzettelijk te plukken en te
verzamelen, af te snijden, te
verzamelen, af te snijden, te
ontwortelen of te vernielen
ontwortelen of te vernielen
Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing.
Natura 2000 (bron: Rijksoverheid) In 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet biedt een beschermingskader voor de flora en fauna binnen de aangewezen beschermde gebieden, de zogenaamde Natura 2000gebieden en bijzondere nationale gebieden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000gebieden. Dit gebeurt met de habitattoets.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
25
De habitattoets bestaat uit drie onderdelen: oriëntatiefase (en vooroverleg); verslechterings- en verstoringstoets; passende beoordeling. De oriëntatiefase maakt geen deel uit van de in de wet geregelde procedures. In de praktijk is deze stap nodig. Gezamenlijk met het bevoegd gezag wordt bepaald of goedkeuring van het plan nodig is en welke verdere procedure doorlopen moet worden. Afhankelijk van de kans en omvang van de effecten op een Natura 2000-gebied bestaat de vervolgprocedure uit het uitvoeren van een verslechterings- en verstoringstoets, een passende beoordeling of geen enkele toetsing. Indien er geen kans is op negatieve effecten op een Natura 2000-gebied is geen goedkeuring voor de plannen of het project nodig. Als uit de oriëntatiefase is gebleken dat er kans is op significant negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien uit de passende beoordeling blijkt dat er kans is op een significant negatief effect moet aan de volgende criteria worden voldaan: er zijn geen alternatieve oplossingen voor het project die minder of geen negatieve effecten hebben voor het Natura 2000-(deel)gebied; er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang; er is voorzien in compenserende maatregelen. Alléén als aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan goedkeuring worden verleend.
Indien uit de oriëntatiefase is gebleken dat er een kans is op (niet-significante) negatieve effecten, dient een verslechterings- en verstoringstoets te worden uitgevoerd. Met dit onderzoek wordt bepaald: of deze kans reëel is en of de verslechtering of verstoring aanvaardbaar is.
Natuurnetwerk Nederland / Ecologische hoofdstructuur (bron: Rijksoverheid) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. Hierdoor zijn deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden kunnen bovendien meer soorten planten en dieren leven. Het doel van het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur is om de EHS als netwerk van natuurgebieden te beschermen tegen negatieve effecten van ruimtelijke ingrepen. Dat betekent niet dat ontwikkelingen zoals woningbouw en bedrijvigheid, verboden zijn. Door het doorlopen van het afwegingskader wordt vastgesteld of, en zo ja, onder welke voorwaarden een ontwikkeling in de Ecologische Hoofdstructuur kan worden toegelaten. De bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur vindt plaats door het nee-tenzij-regime uit de Nota Ruimte. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen in de EHS met een negatief effect op de EHS in principe niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. De beleidsmatige basis voor het afwegingskader voor de Ecologische Hoofdstructuur is de Nota Ruimte.
Daarnaast hebben Rijk en provincies een beleidskader Spelregels EHS opgesteld. Het Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
26
beleidskader geeft een uitwerking, verduidelijking en aanscherping van de verschillende onderdelen van het afwegingskader. De provincies laten de inhoud van de Spelregels EHS doorwerken in het provinciaal ruimtelijk beleid. De bescherming van de EHS gebeurt via de regelgeving van de ruimtelijke ordening. Het beschermingsregime is onder de Wro door het Rijk vastgelegd in de AMvB Ruimte en werkt via provinciale verordeningen.
Quickscan flora en fauna, Hondsbos 21 te Reusel, augustus 2019
27