Zienswijze 1 geanonimiseerd
Tekst van het document
ZIENSWIJZE TEGEN ONTWERP-BESTEMMINGSPLAN GROOT OVEREEM II TE RENSWOUDE Aan de Gemeenteraad van de Gemeente Renswoude Postbus 8 3927 ZL Renswoude
gemeente renswoude ingekomen
I 'i JULI 2021
Bloemendaal, 9 juli 2021 Geachte dames en heren. 1. Inleiding Ondergetekende, optredend namens de besloten vennootschap Lambalgen-Berkhorst BV (hierna te noemen de BV), gevestigd te Woudenberg, p/a Woudenberg, , Woudenberg, dient hierbij een zienswijze in tegen het ontwerp-bestemmingsplan GrootOvereem II, dat op 3 juni 2021 ter visie is gelegd. Zienswijzen kunnen tot 22 juli 2021 worden ingediend (termijn met een week verlengd wegens probleem bij de publicatie). In de Heraut (het blad van de plaatselijke Ondernemersvereniging Renswoude) en in de Staatscourant is de tervisielegging bekend gemaakt. De BV bezit in de gemeenten Renswoude en Scherpenzeel landerijen met opstallen, waaronder een boerderij en de bekende schaapskooi (rijksmonument), rechts van de Utrechtseweg, vanuit Renswoude gezien vlak na restaurant De Dennen, enkele honderden meters van het plangebied. Deze landerijen staan bekend als Groot-Wolfswinkel. Op Scherpenzeels grondgebied, op minder dan 300 meter van het plangebied, ligt een fraai natuurgebied met een ven en zeldzame fauna en flora, eveneens bezit van de BV. 2. Het plangebied Op onderstaand beeld (van Google Steeet View; brug Utrechtseweg over de Lunterse Beek) is het plangebied te zien, rechts van de Lunterse Beek. Het bestaande bedrijventerrein Groot Overeem is rechts te zien, het natuurgebied van Groot-Wolfswinkel midden en links op de achtergrond.
Het is voor ondergetekende een volstrekt raadsel waarom dit fraaie buitengebied met landschaps waarden en beekdal (bewoordingen uit het nu geldende bestemmingsplan Buitengebied) zonder enige voorafgaande openbare discussie moet wijken voor een uitbreiding van een bedrijventerrein. Het plangebied bevindt zich buiten de zogenaamde rode contour, een nog maar een paar jaar geleden door de Provincie Utrecht voorgeschreven begrenzing tussen “stedelijk gebied” en het groene buitengebied. Behoudens in bestuurlijke en ambtelijke kringen was kennelijk (bijna) niemand ervan op de hoogte dat deze grens “zomaar” zou komen te vervallen. Wij gaan er van uit dat dit tekort aan informatie een gevolg is van de gebrekkige en veel te haastige voorbereiding van het (voor)ontwerp-bestemmingsplan. 3. Tekortschietende voorbereiding ontwerp-bestemmingsplan; art. 3.1.6. Bro De Algemene wet bestuursrecht (AWB) bepaalt in art. 3.2 onder meer dat bij de voorbereidina van een besluit het bestuursorgaan (in dit geval de Gemeenteraad en het College van B en W) de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In het Besluit ruimtelijke ordening (art.
3.1.6 Bro) wordt dit nader uitgewerkt voor bestemmings plannen: in de toelichting bij het (voor)ontwerp-bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop buruers en maatschappelijke oraanisaties bij de voorbereidina van het (ontwerp)bestemmingsplan zijn betrokken. Dat is niet hetzelfde als “inspraak” of het indienen van zienswijzen. Dan ligt het plan er al, maar zonder de hier bedoelde betrokkenheid vóóraf. Genoemde partijen moeten dus al eerder, vóór de tervisielegging van het voorontwerp, bij de planvorming worden betrokken of worden gehoord. Dat is (met uitzondering van de Ondernemersvereniging Renswoude) niet gebeurd, althans wordt niet vermeld in de toelichting, zodat een behoorlijke belangenafweging, zoals voorgeschreven in de AWB. al om deze reden niet heeft kunnen plaatsvinden. 4. Behoefte aan dit bedrijventerrein? Om hoeveel bedrijven gaat het eigenlijk? In de toelichting wordt naar onze mening ook onvoldoende gevolg gegeven aan de in genoemd art. 3.1.6 Bro eveneens opgenomen eis dat bij een stedelijke ontwikkeling in het buitengebied de toelichting een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling moet bevatten. Ook dient er een motivering te zijn waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Als aanleiding voor de onderhavige uitbreiding van het bedrijventerrein wordt in de toelichting opgegeven dat op de bestaande bedrijventerreinen van Renswoude vrijwel geen uitgeefbare kavels meer beschikbaar zijn. Daardoor is er nagenoeg geen ruimte meer voor (nieuw)vestiging en/of verplaatsing van bedrijven. Wij reageren hierop als volgt. Het plangebied is niet bijzonder groot - de netto uitgifte van kavels is beperkt tot maximaal 3 ha -, maar de nadelige gevolgen voor de omgeving zijn enorm, zie ook hierna. De vraag is nu of er binnen bestaande bedrijventerreinen in Renswoude of in de regio geen plaats zou zijn voor de (weinige) bedrijven die zich in het plangebied zouden kunnen vestigen. Gelet op de grote gevolgen voor de omgeving had dit serieus moeten worden onderzocht. In de inspraakronde is een en ander al aan de orde gesteld, een bevredigend antwoord wordt niet gegeven. Uit gegevens van de Regio Foodvalley blijkt dat bij de uitgifte van bedrijventerreinen in 2019 de gemiddelde oppervlakte per (gewone) kavel ruim 6400 m2 was (na cijfermatige eliminering van een uitgifte voor een zeer groot terrein). Op deze wijze zou er in het plangebied hoogstens plaats zijn voor vijf bedrijven. Bij kleinere kavels wellicht ten hoogste tien bedrijven. Dit gegeven dient bij een behoorlijke belangenafweging te worden meegenomen.
Eerder hebben wij in dat kader al aangevoerd dat er elders in de buurt geschiktere bedrijventerreinen zijn. Verder mag niet onvermeld blijven dat binnen het bestaande bedrijventerrein Groot Overeem nog een agrarisch perceel
aanwezig is waarvan gezegd wordt dat het niet beschikbaar is als bedrijventerrein (waarom?). Uit de enquête onder ondernemers, die mede de aanleiding vormde tot het huidige plan. kan worden opgemaakt dat één of wellicht meer grotere bedrijven in Renswoude laten doorschemeren dat zij voor een betere bedrijfsvoering er over denken naar elders te verhuizen, waardoor terrein beschikbaar komt. In de toelichting is over een en ander niets te lezen. Ook kan niet onvermeld blijven dat genoemde enquête uit 2018 dateert, dus meer dan twee jaar geleden, zodat de uitkomsten daarvan niet zonder meer kunnen worden gebruikt in 2021, nog daargelaten dat in de tussentijd bedrijven wegens de coronapandemie mogelijk anders over hun huisvesting zijn gaan denken. De enquête laat overigens geen overweldigende belangstelling zien voor het nieuwe bedrijventerrein, verreweg de meeste ondernemers hebben niet gereageerd, anderen stellen geen belangstelling te hebben. Gelet op de in het geding zijnde belangen zou (nu drie jaar later) een nieuwe enquête moeten worden gehouden, maar dan ook met keuzemogelijkheden voor andere, niet omstreden bedrijventerreinen. Pas dan kunnen de werkelijke behoeften worden vastgesteld en meegewogen worden in de besluitvorming. 5. Schade voor de omgeving Hetzelfde art.
3.1.6 Bro bepaalt tenslotte ook dat, indien er bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport wordt opgesteld, voor zover nodig in de toelichting een beschrijving moet worden neergelegd van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied. Deze beschrijving ontbreekt, de toelichting vermeldt niet waarom die beschrijving achterwege mag blijven. Rekening houdend met de gevolgen voor de omgeving dient deze beschrijving in de toelichting te worden opgenomen. 6. Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht wordt ten onrechte evenmin nageleefd Bij het vaststellen van een (ontwerp-)bestemmingsplan moet ook rekening worden gehouden met bepalingen in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht. In Paragraaf 7 van deze verordening is in artikel 7.9 een instructieregel “Landschap” opgenomen voor onder meer het Landschap Gelderse Vallei. Dit artikel luidt als volgt:
1. Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage Bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening (hier van belang: stelsel van beken, enz., AP) 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. In de toelichting op dit artikel 7.9 staat onder meer het volgende: (...)
Derde lid: (... ) Elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiten bij de kernkwaliteiten. Als sprake is van een zeer open gebied, bevat een bestemmingsplan bepalingen om die openheid te behouden. Denk aan het tegengaan van (hoge) bebouwing. De Bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap beschrijft per landschap welke kernkwaliteiten beschermd moeten worden. Een aantasting van het landschap is onevenredig als het belang van de nieuwe ontwikkeling niet opweegt tegen de aantasting van de kernkwaliteiten. Een goede locatiekeuze beperkt de schade voor het landschap. Daarnaast is een goede landschappelijke inpassing vereist die in de regels van het plan is geborgd.
Vierde lid: Hier wordt een onderbouwing gevraagd met een beschrijving van de kernkwaliteiten waar het om gaat. een toelichtende kaart en een korte omschrijving van de na te streven (beeld)kwaliteit. Ook wordt duidelijk hoe het belang van deze kernkwaliteiten in de afweging is betrokken en op welke wijze (in de voorschriften) is voorzien in behoud van de kernkwaliteiten. Wanneer aantasting onvermijdelijk is, wordt in de toelichting aangegeven hoe deze aantasting zoveel mogelijk is beperkt. (...) Tot zover de toelichting. Wij vragen met name aandacht voor het bepaalde in lid 4 en de toelichting daarop. Bij een ontwerp-bestemmingsplan wordt een afweging gevraagd tussen het belang van de kernkwaliteiten (in ons geval behoud van het beekdal van de Lunterse Beek) en de aantasting daarvan (door de uitbreiding van het bedrijventerrein), met vermelding hoe deze aantasting zoveel mogelijk is beperkt. In de toelichting bij het (ontwerp-)bestemmingsplan is daarover niets terug te vinden. Niet onvermeld kan blijven dat de toegestane bouwhoogte van bedrijfsgebouwen in het plangebied 8 tot 10 meter is. Deze bouwhoogte sluit aan bij het bestaande bedrijventerrein Groot Overeem. Als je nu naar dit bestaande bedrijventerrein kijkt is het duidelijk dat van het bestaande landschap (kernkwaliteit) ter plaatse niéts overblijft als het plan wordt uitgevoerd.
Een "goede landschappelijke inpassing" is volstrekt onmogelijk en de onvermijdelijke aantasting van de kernkwaliteiten kan niet worden beperkt. In de toelichting op het (ontwerp)bestemmingsplan had een en ander moeten worden beschreven; dat is - ten onrechte dus - niet gebeurd. 7. Medewerking van de provincie aan uitbreiding bedrijventerrein doet niet af aan het voorgaande De provincie Utrecht heeft de uitbreiding van het bedrijventerrein Groot Overeem opgenomen in Bijlage 18 Wonen en werken, behorend bij de Interim Omgevingsverordening. Dit houdt in dat de gemeente (onder voorwaarden) een bestemmingsplan mag maken voor deze uitbreiding. Sterker nog, de provincie heeft eerst van de gemeente een ontwerp-bestemmingsplan geëist, alvorens bedoelde uitbreiding in het (ontwerp-)provinciale Programma Wonen en werken en/of Bijlage 18 op te nemen. Het bestemmingsplan zélf zal echter altijd moeten blijven voldoen aan alle voor het opstellen van bestemmingsplannen geldende regels, zelfs, en niet in de laatste plaats, óók die regels welke zijn opgenomen in dezelfde provinciale Interim Omgevingsverordening.
Deze gang van zaken laat zien dat er bij de totstandkoming van dit ontwerp-bestemmingsplan heel wat bestuurlijk en ambtelijk voorwerk (tussen gemeenten, provincie en Regio Foodvalley) aan te pas is gekomen, zónder de voorgeschreven betrokkenheid van burgers en maatschappelijke organisaties. 8. Intrekking ontwerp-bestemmingsplan is in het belang van een goede ruimtelijke ordening Wij zijn van oordeel dat alleen al op grond van hiervoor vermelde formeel-juridische gronden het ter visie gelegde ontwerp-bestemmingsplan Groot Overeem II moet worden ingetrokken. Het is niet rijp voor verdere behandeling. Intrekking kan zonder veel formaliteiten zolang dit ontwerpbestemmingsplan nog niet door de gemeenteraad is vastgesteld en/of in werking is getreden. Het oude bestemmingsplan blijft dan van kracht. Mochten de gemeenteraad en het college van B en W onverhoopt toch ter plaatse een uitbreiding van het bedrijventerrein willen realiseren dan zal een nieuwe ronde met een nieuw ontwerp-bestemmings-plan moeten volgen, waarbij wél wordt voldaan aan alle voorschriften, met name die welke een behoorlijke belangenafweging vóóraf mogelijk maken, zoals het tijdig betrekken van burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereidingen en het zoeken naar mogelijke alternatieven.
In de toelichting bij het (nieuwe) concept-bestemmingsplan zullen - in tegenstelling tot nu toe - natuur en landschap wèl uitgebreid aan bod kunnen komen. Dit alles zal er dan hopelijk aan bijdragen dat de gemeenteraad uiteindelijk een afgewogen beslissing kan nemen ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. 9. Natuur Zoals hiervoor onder 5 al aangegeven wordt er in de toelichting bij het ontwerp-bestemmingsplan geen aandacht besteed aan de verhouding tot het aangrenzende gebied. Daar liggen onder meer de terreinen van Groot-Wolfswinkel. deels op grondgebied van Renswoude, deels op dat van
Scherpenzeel. Een groot deel van Groot-Wolfwinkel is een bijzonder natuurgebied met bossen, heide en een ven. op minder dan 300 meter van het plangebied. In de toelichting bij het plan wordt daar niets over gezegd, ondanks het feit dat daar bij de inspraakmogelijkheid in december 2020 al aandacht voor wordt gevraagd. Onze opmerkingen over de bijzondere natuurwaarden van Groot-Wolfswinkel worden ondersteund door enkele rapporten, weliswaar van oudere datum, maar nog steeds actueel. Deze worden hierbij overgelegd. Het betreft drie rapporten die in verband met het terreinbeheer zijn opgesteld in 1991, 2003 en 2007. In het rapport van 1991 wordt opgemerkt (zie blz. 8) dat “zowel de heide als het ven van bijzondere betekenis zijn. Met name de vegetatie van het ven in relatie tot de directe omgeving is van meer dan regionale betekenis. (...) Ook in faunistisch opzicht is het ven van betekenis, als leefgebied voor amfibieën, vissen en waterinsecten en als drink- of fourageergelegenheid" en: “De vochtige tot natte heidegedeelten herbergen een begroeiing die met name in de Gelderse Vallei vrijwel verdwenen is”. Enzovoorts. Het beheer is tot op heden steeds afgestemd op behoud en verbetering van de natuurwaarden en wij kunnen tevreden vaststellen dat de natuurwaarden sindsdien niet alleen zijn behouden maar zelfs verhoogd.
Het hoeft geen betoog dat de voorgenomen ingrepen in het nabije plangebied voor dit natuurgebied zeer schadelijk kunnen zijn en onherstelbaar. Het gaat dan niet alleen om de verstoring van de waterhuishouding (zie hierna onder 10), maar ook om andere verstoringen zoals licht- en geluidsoverlast, behorend bij ieder bedrijventerrein en om verlies van fourageergebied voor verschillende (ook zeldzame) diersoorten. Het vorenstaande maakt extra duidelijk dat in de toelichting op het plan een beschrijving van de verhouding tot het aangrenzende gebied niet mag ontbreken. 10. Water Uit de vorige alinea's blijkt dat de waterhuishouding in het natuurgebied van groot belang is. Er zou voor het (ontwerp-)bestemmingsplan een watertoets zijn opgesteld, gedateerd 19 april 2021. Uit deze watertoets zou blijken dat de planontwikkeling invloed heeft op verschillende waterhuishoudkundige aspecten: toename verharding, wateropgave; afvalwater; waterkwaliteit en drooglegging. Over grondwater wordt in de toelichting niet gerept. Wel wordt duidelijk dat het plangebied grotendeels wordt verhard, zodat er minder grondwateraanvulling kan plaatsvinden (minder infiltratie) en dat waterberging nodig is. Het wordt niet duidelijk gemaakt of deze waterberging voldoende is om de vermindering van grondwateraanvulling op te heffen, daargelaten de kwaliteit van het opgeslagen water.
Rekening houdend met te verwachten langere perioden van droogte is niet duidelijk of de bestaande toestand van natuurlijke aanvulling van grondwater in het plangebied te handhaven is bij de realisering van het bedrijventerrein. Dat is niet onbelangrijk. Uit een verkennend bodem- en waterbodemonderzoek van Waterschap Vallei en Veluwe betreffende de Lunterse Beek nabij Utrechtseweg 3 te Renswoude uit 2013 (als bijlage hierbij gevoegd, terug te vinden bij het Rapport Inriehtingsbeelden Lunterse Beek. opgesteld i.v.m. de herinrichting van de beek in het plan Klein-Wolfswinkel-Engelaar) kan worden opgemaakt dat de algemene grondwaterstroming in dit deel van de Gelderse Vallei noordwestelijk is gericht, dat wil zeggen, in ons geval, vanaf het plangebied naar Groot-Wolfswinkel. Niet alleen de verharding en ophoging van het te realiseren hedrijventerrein kunnen van invloed zijn op de waterhuishouding van het natuurgebied, ook de uitvoering van werkzaamheden zoals heiwerkzaamheden, warmtepompen (NB gasloos bedrijventerrein), grote waterbassins e.d. kunnen de grondwaterhuishouding beïnvloeden en de kwaliteit van het grondwater doen verslechteren. Dit zou nader moeten worden uitgezocht. In de toelichting wordt gesteld dat er een m.e.r.-beoordeling is vervaardigd met daarin een aanmeldingsnotitie. Citaat (blz. 42): “Het in de aanmeldingsnotitie en in de voorgaande paragrafen
beschreven onderzoek naar milieuaspecten geeft aan dat belangrijke nadelige milieugevoluem als gevolg van de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, zijn uitgesloten.” Wij betwijfelen dat. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn naar onze mening niét uitgesloten, zodat, gelet op hiervoor door ons gestelde feiten en omstandigheden, door een onafhankelijk bureau een m.e.r. moet worden uitgebracht vóórdat het ontwerp-bestemmingsplan in de gemeenteraad kan worden behandeld. 11. Landschap In het Bestemmingsplan Buitengebied van Renswoude (2010), waaronder het plangebied valt, staat onder 4.2.5. Landschap: “De Lunterse Beek is een ander landschappelijk bepalend element dat de verschillende landschappen aan elkaar rijgt. De beek vertegenwoordigt een hoge landschappelijke waarde en heeft ook een hoge ecologische potentie. Zowel de beek, als het bijbehorende beekdallandschap, zijn op de verbeelding opgenomen en worden in de regels beschermd”. Niet valt in te zien dat dit in 2021 opeens anders zou zijn. Mocht dit wel zo zijn dan is dit in de toelichting op het plan niet gemotiveerd of nader omschreven. De provincie Utrecht laat haar (provinciale) ambities vooralsnog ter invulling aan de gemeenten over. In het Ontwerp-programma Wonen en Werken Provincie Utrecht (blz.
35) staat dat het behalen van de ambities sterk afhankelijk is van de verdere uitwerking van de ontwikkel locaties en ook de uitwerking van andere opgaven o.a. (...) natuur en landschap. In de kwaliteitsgids Gelderse Vallei laat de provincie weten dat zichtlijnen, waterassen, lanen en landschapsparken behouden moeten blijven en, speciaal genoemd voor Woudenberg-ScherpenzeelRenswoude: het landschap van de Gelderse Vallei vraagt onder meer om het waarborgen van de individuele dorpskernen en behoud van doorzichten op het landschap ertussen. Voor beken, kanalen en griften vraagt het landschap van de Gelderse Vallei om het versterken van het natuurlijk karakter van beken, met als uitgangspunten een wisselende breedte en gevarieerde, natuurlijke beekbegeleidende beplanting. In de toelichting blijft de afwijking van de algemeen geldende provinciale instructienormen onbesproken, zodat de burgers, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden maar moeten gissen naar de beweegredenen voor die afwijking. Voorts is er geen zicht op hetgeen gemeenten, provincies en de Regio Foodvalley in hun onderlinge bestuurlijke en ambtelijke contacten met elkaar hebben afgesproken.
Zo blijft volstrekt onduidelijk waarom juist voor het onderhavige plangebied is gekozen waar elders meer voor de hand liggende locaties te vinden zijn, met minder schade voor natuur en landschap en beter gesitueerd qua infrastructuur (bij snelwegen en spoorlijnen). SAMENVATTING Het ontwerp-bestemmingsplan Groot Overeem II te Renswoude is dient te worden ingetrokken. De gemeenteraad kan zich, gezien de ernstig tekortschietende voorbereiding van het nu voorliggende plan (formeel-juridisch én inhoudelijk) in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Iedere behoorlijke belangenafweging heeft ontbroken. Voor het geval de gemeenteraad tóch zou willen overgaan tot uitbreiding van het bedrijventerrein Groot Overeem in het plangebied dan zal een nieuw plan moeten worden ingediend dat wél aan alle vereisten voldoet. Afzender:
Groot Wolfswinkel
Een kort overzicht van natuurwaarden en mogelijkheden voor het beheer van een heideterrein en ven
VOORLOPIGE VERSIE !!!!
Opgesteld door:
1 Inleiding en werkwijze.
In dit rapport wordt in het kort een overzicht gegeven van de natuurwaarden en ecologische potenties van een heideterrein en ven op het landgoed Groot Wolfswinkel. Sinds enige jaren wordt er op dit terrein een aktief beheer gevoerd waarbij de nadruk ligt op behoud en/of herstel van natuurwaarden. Vanuit het Stichts Landschapsbeheer, betrokken bij de uitvoering van het beheer, bestond de wens om te beschikken over basisinformatie over het gebied. Verder zou duidelijk moeten worden waar kansrijke plekken aanwezig zijn en welke beheersvormen het meest effectief zijn om de natuurwaarden te behouden danwel tot ontwikkeling te brengen. Tijdens een kort terreinbezoek op 13-9-1991 zijn de meest kenmerkende natuurwaarden van het gebied beschreven en gekarteerd. Ook zijn er enige aantekeningen gemaakt over het beheer, de bodem en waterhuishouding van het terrein, aangevuld met literatuurgegevens. Op basis van deze gegevens is dit rapport tot stand gekomen. Door deze werkwijze is het mogelijk dat een aantal interessante details over het voorkomen van flora en fauna onvoldoende tot hun recht komen. Ook over de waterhuishouding van het ven is onvoldoende bekend. In een later hoofdstuk wordt hier nader op ingegaan. Het ven op Groot Wolfswinkel lijkt nl., in tegenstelling tot vrijwel alle andere vennen in Nederland niet of nauwelijks aangetast doo,' zure regen.
Figuur 1. Ligging terrein
2 Ligging van het terrein. Kenmerkend voor de Gelderse Vallei is het voorkomen van dekzandruggen. Deze vaak sterk afgevlakte stuifzandheuvels komen in het gebied vooral voor als zgn. paraboolduinen. De dekzandruggen hebben vaak de vorm van een hoefijzer waarbij de open zijde oorspronkelijk naar het zuidwesten is gericht, de destijds overheersende windrichting. Door hun hogere ligging zijn ze in het verleden vaak als bouwland gebruikt terwijl ze ook als vestigingsplaats in trek waren in de toen nog natte Vallei. Het onderzochte heideterrein en ven liggen min of meer ingeklemd in zo’n dekzandrug (figuur 2). Een deel van het heideterrein (noordoosthoek) ligt op deze rug. Aan de zuidoostzijde wordt deze dekzandrug aangesneden door de Lunterse beek. De bodem van het heideterrein bestaat uit overwegend leemarm en fijn zand en wordt tot de veldpodzolgronden gerekend. Door hoogtevariaties in het terrein komen zowel drogere als nattere varianten voor. Deze (vochtige) veldpodzolen zijn vrij voedselarm van karakter. In de direkte omgeving van de Lunterse beek komen veel voedselrijkere gronden voor waarin ook leemhoudende afzettingen aanwezig zijn (beekeerdgrond). Mogelijk lopen deze leemrijke gronden door onder de dekzandrug waarop het heideterrein is gesitueerd, bijvoorbeeld op enkele meters diepte.
Wellicht heeft de Lunterse beek zelfs door het terrein heen gelopen en is de loop in een latere periode overstoven met dekzand. Het ven ligt in de uiterste knik van de dekzandrug. Het is onduidelijk hoe dit ven is ontstaan, maar het lijkt er op dat het gegraven is. Mogelijk heeft het nog een historische betekenis die verband houdt met de aanleg van de nabijgelegen waterlinie (zandwinning). Het ven is zo diep uitgegraven dat er kontakt is met het grondwater en mogelijk ook met oude beekafzettingen van de Lunterse beek.
Figuur 2. Geomorfologie van het terrein 3
3 Waterhuishouding Op Groot Wolfswinkel hebben we te maken met begroeiingen die sterk afhankelijk zijn van de hoogte van het grondwater en de kwaliteit ervan. De hoogte van het grondwaterpeil wordt in het gebied vermoedelijk in sterke mate bepaalt door de drainerenede werking van de Lunterse beek. Ook lokale (beregening) of regionale grondwaterwinningen zijn van invloed op het waterpeil in het gebied (waterwinning Woudenberg). In het terrein komen enkele greppels voor die bij hoge waterstanden in het verleden een deel van het venwater afvoerden. De kwaliteit van het grondwater onder het heideveld en in het ven wordt voornamelijk bepaald door de het herkomstgebied. Om dit te achterhalen is (lokale) kennis nodig over de stroming van het grondwater. Hieruit zou kunnen blijken of het aangevoerde grondwater uit het bosgebied afkomstig is of dat er ook landbouwwater het gebied binnen stroomt. In figuur # wordt schematisch weergegeven hoe de grondwaterstroming in het gebied vermoedelijk in elkaar zit. Zonder nadere metingen valt daar niet meer over te zeggen dan dat het grote ven het grondwater wat dieper aansnijdt. De waterkwaliteit in het ven is zwak zuur en matig voedselrijk. Dit is alleen te verklaren vanuit aanvoer van voedselrijker grondwater of door de aanwezigheid van voedselrijkere bodemlagen in de ondergrond (leem).
Verder zal er ook grondwater vanuit de aanqienzende dekzandrug in het ven stromen. Dit lokale kwelwater is uiterst voedselarm en zuur van Karakter. Het kleine vijvertje net ten zuiden van het ven wordt hoofdzakelijk gevoed door dit type grondv .ter. De begroeiing met o.a. veenmossen en knolrus wijst hier op. Wanneer dit watertje verdiept wordt zal het wsch. ook het karakter van het grote ven krijgen.
4
Figuur 3. Schetsmatige weergave van grondwaterstrommgen 4
3 Beschrijving flora en fauna Het terrein kan grofweg in vier delen worden opgesplitst: -noordoostelijk (droger) heideterrem -vochtige en natte heideterreinen -oeverzone rond het ven -ven
noordoostelijk heideterrein Dit heideterrein ligt grotendeels op de dekzandrug. De grondwaterstand ligt hier wat lager waardoor de vegetatie een wat droger karakter heeft. Behalve dopheide en pijpestrootje worden hier ook struikheide en bochtige smele als karakteristieke soorten aangetroffen. In de afgeplagde delen komen ook kale stukjes grond waarop de groene zandloopkever en mogelijk zelfs de zandhagedis zijn aangetroffen.
Vochtige en nat: 3 heideterreinen. Een groot deel van het heideterrein behooit tot dit type. Door variatie in hoogte komen op de hogere delen vooral dopheide en pijpestrootje voc, soms met wat struikheide. De lagere delen kennen een interessante begroeiing die er op duidt dat celen van het terrein in natte perioden onder water bliujven staan. Op de laagste delen komen kleine zonnedauw (Drosera intermedia), bruine snavelbies (Rhynchospora fusca) en dopheide soms massaal voor. Ook op recent geplagde plekken die wat droger zijn kan kleine zonnedauw massaal voorkomen. Bij verder ontwikkeling van de vegetatie verdwijnen ze op deze plekken weer. De overgangen tussen de natte en hogere terreingedeelten worden op enkele plekken gekenmerkt door het voorkomen van veenbies (Scirpus caespitosus), trekrus (Juncus squarossus), tormentil (Potentilla erecta) en klokjesgentiaan (Gentiane pneumonanthe). Enkele soorten die karakteristiek voor vochtige heideterreinen zijn niet aangetroffen, zoals witte snavelbies (Rhynchospora alba), ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia) en blauwe zegge (Carex panicea). Ook ontbreken er een aantal specifieke veenmossoorten (Sphagnum species). Uit andere heideterreinen is bekend dat deze soorten zich pas na enige jaren vestigen.
Oeverzone rond het ven De begroeiing rond het ven bestaat voornamelijk uit gagelstruwelen (Gagea ), veldrusbegroeiingen (Juncus acutiflorus) en zeggebegroeiingen (Carex species). In grote lijnen kan de oever van het ven in een noordelijk en zuidelijk deel worden opgesplitst. Het noordelijk deel van de venoever wordt gekenmerkt door begroeiingen met gagel en oeverplanten uit wat voedselrijkere, minder zure, milieus. Karakteristiek hiervoor zijn o.a. wolfspoot (Lycopus europaeus) , bitterzoet (Solanum dulcamara), en moeraszegge? Voorts komen hier veldrus (Carex acutiflorus), schildereprijs (Veronica scutellata) en egelboterbloem (Ranunculus flammula) voor. Het voorkomen van gagel langs de oevers van het ven duidt op de aanwezigheid van opkwellend grondwater. Langs deze zone zijn ook veel libellen waargenomen. De zuidelijke venoever wordt begrens door de dekzandrug. Het voedselarme karakter van de zandrug gaat hier geleidelijk over naar het meer voedselrijke ven. Karakteristiek voor deze zone is het veelvuldig voorkomen van veldrus (Juncus acutiflorus), waternavel (Hydrocotyle vulgaris) en kruipend struisgras (Agrostis canina). Ook komen hier voor: gewone wederik (Lysimachia vulgaris), pijpestrootje (Molinia caerulea) en gewoon struisgras (Agrostis capillaris). De aanwezigheid van veldrus duidt op afstromend grondwater of min of meer zure kwel.
5
Ven In het ven zelf is eveneens een noordelijk en zuidelijk vengedeelte onderscheiden. Karakteristiek voor het noordelijk deel van het ven is het massaal voorkomen van vlottendie bies (Scirpus fluitans). Verder komen hier stijve moerasweegbree (Echinodorus ranunculoides), grote waterweegbree (Alisma plantago-aquatica), drijvend fonteinkruid (Potamogeton natans) en waterviolier (Hottonia palustris) voor. Het voorkomen van waterviolier duidt vaak op de aanwezigheid van kwel. Het zuidelijk vengedeelte wordt nog wel door vlottende bies gedomineerd maar toont ook soorten van meer zure milieus zoals knolrus (Juncus bufonius) en veelstengelige waterbies (Eleocharis multicaulis) Verspreid over het ven zijn verder nog snavelzegge (Carex rostrata), gewone waterbies (Eleocharis palustris) en mattenbies (Scirpus lacustris).
6
4 Ecologische potenties
Met de beschikbaarbare gegevens is gekeken naar de meest kansrijke plekken in het gebied. Meestal worden geschiktheden voor natuur gebaseerd op bodemgegevens en de waterhuishouding. - Laagten in de heide waar in natte perioden water blijft staan - zonering waarin gagel voorkomt (kwel) - zonering met veldrus (zwakke kwel) -venbodem - alle overgangen tussen natte en drogere terreingedeelten
Ufr
V'*
7
r 4 Betekenis voor natuurbehoud Zowel de heide als het ven zijn van bijzondere betekenis. Met name de vegetatie van het ven m relatie tot de direkte omgeving is van meer dan regionale betekenis. Het matig voedselrijke en zwak basische ven herbergt diverse soorten van het oeverkruidverbond. Deze plantengemeenschap is in Nederland door verzuring van de meeste vennen uiterst zeldzaam geworden. Het voorkomen van vlottende bies en stijve moerasweegbree duidt op het voorkomen van dit vegetatietype. Beide soorten gaan landelijk sterk achteruit en staan op de zgn. rode lijst van bedreigde soorten. Ook het voorkomen van veelstengelige waterbies, schild-ereprijs, gagel, veldrus en waterviolier in en langs de randen van het ven is bijzonder te noemen, vooral in regionale zin. De geleidelijke overgangen tussen het matig voedselrijke ven, de voedselarme dekzandrug en de vochtige heide maakt dat het ven ook in een breder verband betekenis krijgt, nl. als representant van een groter geheel. Ook in faunistisch opzicht is het ven van betekenis, als leefgebied voor amfibieën, vissen en waterinsekten en als drink- of fourageergelegenheid. De vochtige tot ratte heidegedeelten herbergen een begroeiing die met name in de Gelderse Vallei vrijwel verdwenen is. Het voorkomen van kleine zonnedauw, bruine snavelbies en klokjesgentiaan draagt daaraan bij.
Zowel zonnedauw als klokjesgrntiaan zijn wenelijk beschermde soorten. De fauna van het heideterrein kent een aanic.: karakteristieke soorten die elders in de vallei een beperkte verspreiding hebben (insekten en reptielen).
8
5 Beheer Bij het beheer van vochtige en natte natuurterreinen speelt waterbeheer een uiterst belangrijke rol. Bij peilverlaging van het grondwater zal het nu nog natte heideterrein geleidelijk aan soorten verliezen. Eerst zijn dit kleine zonnedauw en bruine snavelbies. Bij nog grotere peilverlaging zal ook klokjesgentiaan verdwijnen. Voor het ven betekent peilverlaging langere perioden van droogvallen en geleidelijk aan verzuring van het water omdat er naar verhouding te veel (zuur) regenwater in het ven blijft staan. Typische soorten van het ven (stijve moerasweegbree en vlottende bies) zullen daardoor plaats maken voor veenmossen en knolrus. Verder zullen typische kwelindikatoren (gagel, waterviolier, veldrus) verdrongen worden. Het vegetatiebeheer van heideterreinen en vennen kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. Maaien, plaggen, begrazen en opslag verwijderen zijn daarvoor de meest gebruikte maatregelen. Het beheer van heideterreinen en vennen is vooral gericht op regelmatige afvoer van voedingsstoffen die zich in de loop der jaren in de bovenste bodemlaag ophopen. Onder de huidige omstandigheden wordt plaggen als meest efficiënte beheersmaatregel gezien om deze voedingsstoffen uit de bodem te verwijderen. Een van de meest lastige aspekten bij natuurbeheer van kleinere terreinen is de geisoleerde ligging.
Wannee' door foutief beheer soorten verdwijnen is spontane hervestiging soms vrijwel uitgesloten. Om de huidige kwaliteit van het terrein ta bahouden danwel te vergroten zijn onderstaande beheersmaatregelen gewenst. Een groot C:.el daarvan is de afgelopen jaren al in gang gezet. Het beheer van terrein zou zich in eerste instantie kunnen richten op de volgende maatregelen. - Opslag verwijderen van de heide. Af en toe een oudere of jongere boom laten staan t.b.v. vogels als geelgors, boompieper e.d. - (hogere) bomen tussen gagelstruweel verwijderen - opslag verwijdden langs de zuidzijde van het ven en rond het kleine vijvertje. Deze bomen veroorzaken bladval/schaduw - maaien van veldrusbegroeiing en pijpestrovegetatie aan de zuidzijde van het ven (augustus). In potentie zouden hier orchideerijke vegetaties tot ontwikkeling kunnen komen - plaggen van hoofdzakelijk vochtige terreingedeelten en overgangen naard drogere delen - evt. maaien van gedeelten heide waarin pijpestrootje erg dicht staat (augustus) - maaien van (pijpestroranden) rond recent geplagde vlakken om zaadval van pijpestrootje tegen te gaan (augustus)
Aanvullende maatregelen - evt. uitdiepen kleine vijvertje waardoor een wat rijker en voor amfibieën geschikt milieu ontstaat. - evt. (na bodemonderzoek) proefsgewijs schonen van venbodem aan de zutdkant tot op het kale zand. Dit kan voor verscheidene zeldzame soorten van gebufferde vennen een geschikt kiemingsmilieu opleveren (oeverkruid, waterlobelia). - plaggen in smalle strook op de overgang tussen ven en heide. - overwegen afvoersloot van ven in westelijke richting af te sluiten danwel juist open te houden (afhankelijk van grondwaterstroming en kwaliteit water)
Begrazing Het begrazen van heideterreinen wordt de laatste jaren steeds vaker toegepast. In terreinen met een aanzienlijke oppervlakte kan begrazing een nuttige beheersmaatregel vormen. Vergrassing wordt er niet mee tegengehouden. In een goede bezening kan door begrazing de opslag van bomen worden tegengegaan. Daarnaast ontstaat er veel variatie in de struktuur van de vegetatie. Sterk begraasde delen verarmen sterk waardoor er op voorheen vergraste plekken weer heide terugkomt. Het aspekt van 9
begraasde heidevelden bestaat vooral uit grazige plekken, afgewisseld met onbegraasde (gras)gdeelten. Heidestruiken blijven bij begrazing klein. In kleinere terreinen luistert begrazing erg nauw. Wanneer er zeldzame plantensoorten voorkomen bestaat het gevaar dat ze door het vee worden geconsumeerd. Dit risico kan enigszins worden vermeden door de meest kwetsbare plekken uit te rasteren. Oevers van vennen worden door het vee veelal volkomen kaal gegraasd terwijl de oevers tevens platgetrapt worden. Voor de overige fauna kan dit nadelig uitpakken omdat schuilgelegenheid langs de oever verdwijnt. Beperking van inloop (aanleg van een drinkplaats) is daarom gewenst. Gunstige resultaten worden wel verkregen door plaggen en begrazing toe te passen.
10
6 Aanbevelingen
Om effekten van het beheer of van ingrepen buiten het landgoed te kunnen beoordelen is het gewenst om over enkele terreinaspecten kennis vergaren. 1 - onderzoek naar de waterhuishouding van het gebied/ ven. 2- verspreiding van enkele kritische plant- en diersoorten 3- globale bodemopbouw Konkreet zou dit kunnen betekenen het plaatsen van enkele peilbuizen, een eenvoudige bodemkartering en het twee- of driejaarlijks karteren van enkele kritische soorten. Verder is het zinvol om van het terrein een bedrijfskaartje 1:1000 te vervaardigen.
11
Bijlage. Aangetroften soorten Plantensoorten Alisma plantago-aqautica Agrostis canina Agrostis capilaris Betula pubescens Calluna vulgaris Carex rostrata Carex spec. Carex pilulifera Drosera intermedia Echinodorus ranunculoides Eleocharis mutticaulis Eleocharis palustris Erica tetralix Gagea Gentiane pneumonanthe Hottonia palustris Hydrocotyle vulgaris Juncus acutiflorus Juncus bulbosus Juncus effusus Juncus squarosus Lycopus europaeus Lysimachia vulgaris Molina caerulea Pinus sylvestris Potentilla erecta Potamogeton natans cf Quercus robur Ranunculus flammula Rhynchospora fusca Salix aurita Salix cinerea Scirpus fluitans Scirpus lacustris Solanum dulcamara Sphagnum species Typha latifolia Veronica scutellata
12
Bijlage II. Aangetroffen fauna Vogels Havik 1 Buizerd 7 (overtrekkend) Boerenzwaluw (tientallen) Vlaamse gaai 3 Blauwe reiger 3
Reptielen Levendbarende hagedis (3) mogelijk zandhagedis (1) ex. ca. 20 cm) Groene kikker (vele tientallen juv.) Libellen
.
Anax imperator — Ci<ro Brachytron pratensis ^ Sympetrum danae 7 Sympetrum sanguineum Aeshna mixta (\ci^Lestes species I ^
l. .Vult( y . l^cvtó'(* ^ / rojü l^a.0 *
Vlinders Gehakkelde aurelia (1) Klein vuurvlindertje (1) Kleine vos (2) koolwitje spec. (2) Kevers Groene zandloopkever (tientallen) Vissen Rietvoorn?, vele honderden juveniele exemplaren. De adulten werden door een drietal blauwe reigers gevangen.
13
Ct
RESULTATEN VELDBEZOEK 't HEK EN GROOT WOLFSWINKEL 2003
• Vü
I
I
Landschapsbeheer Utrecht W
najaar 2003
«i
Voorgesteld wordt om met minder dieren te begrazen, en bij voorkeur met schapen in plaats van met geiten. Schapen zijn minder geneigd om de bast van bomen aan te vreten. Voorgesteld wordt om volgend jaar met 4 schapen te begrazen. Het effect dient in de gaten gehouden te worden zodat er op het aantal dieren bijgestuurd kan worden. Er dient in de gaten gehouden te worden of de vergrassing van de heide voldoende tegen gegaan kan worden met de begrazing. Als dit niet het geval is, dan is het aan te raden om in ieder geval delen van het terrein te plaggen.
4
Resultaten op Groot Wolfswinkel
Onderstaande tabel geeft weer welke minder algemene / zeldzame soorten zijn aangetroffen op Groot Wolfswinkel. Deze tabel laat zien dat er vrij veel zeldzame soorten voorkomen. Over het algemeen is een heidebegroeiing relatief soortenarm. Geconcludeerd kan worden dat de begroeiing van dit kleine heideterrein zeer waardevol is. Plantensoort
Rode lijst / beschermd
Van belang voor subsidie
NWK
Nederlandse naam
Rhynchospora fusca Cladonia spec. Drosera intermedia Myrica gale Lycopodiella inundata Centiana pneumonanthe
Rode lijst 3
D
8
beschermd!
7 7 9 /a h_____________ 7
Bruine snavelbies Rendiermos Kleine zonnedauw Gagel Moeraswolfsklauw Klokjesgentiaan
Rode lijst 3 Beschermd!
/a
Op groot Wolfswinkel komen 4 soorten voor die van belang zijn voor het behouden van subsidie. Hiermee is aan de minimumeis voor het beheerpakket 'Natte heide' voldaan.
5
Beheer op Groot Wolfswinkel
Op deze waardevol Ie heide is goed beheer van groot belang. Op de eerste plaats om te voorkomen dat de zeldzame soorten die nu aanwezig zijn, zullen verdwijnen. En op de tweede plaats om er voor te zorgen dat deze soorten zich in de toekomst kunnen uitbreiden. Want voor meerdere van deze soorten geldt dat ze slechts op een enkele plaats voorkomen. Het beheer in 2003 bestond uit begrazing met elf schapen. De beheerder heeft in het verleden de veebezetting teruggebracht omdat duidelijk was dat de schapen te weinig te eten hadden en daardoor de begroeiing beschadigingen opliep. Op het moment van veldbezoek leek de veebezetting redelijk goed, mogelijk nog iets aan de hoge kant. Indien mogelijk wordt voorgesteld de veebezetting in 2004 met 2 schapen te verminderen. Ook voor dit terrein geldt dat het effect van de begrazing door de beheerder gevolgd dient te worden. Hierbij dient in de gaten gehouden te worden dat de heide niet vergrast en dat het oppervlak met zeldzame soorten min of meer constant blijft of toeneemt (waarbij met name de klokjesgentiaan, bruine snavelbies en kleine zonnedauw goede kerkenbare parameters zijn).
QUICK SCAN HEIDEVEGETATIE ‘T HEK, OUD WILLAER, GROOT WOLFSWINKEL 2007
Op 16 juli 2007 is een quick scan (zeer oppervlakkige inventarisatie) gemaakt van de vegetatie op drie heideterreinen van landgoed Scherpenzeel. Doel van deze inventarisatie is om inzicht te krijgen welke minder algemene soorten op dit moment aanwezig zijn. Deze rapportage geeft per terrein een beschrijving van de aangetroffen soorten. Met is aangegeven welke soorten meetellen voor het pluspakket ‘soortenrijke heide'. Om te voldoen aan de subsidievoorwaarden dienen minimaal 5 meetsoorten voor te komen in een inventarisatie-eenheid. Uit de quick scan blijkt dat op Groot Wolfswinkel en op Oud Willaer voldoende soorten voorkomen. Bovendien komt op deze terreinen ook Klokjesgentiaan voor, die bij deze quick scan niet gevonden zijn ( ze bloeien nog niet). Op ’t Hek komen op dit moment nog niet voldoende soorten voor. Bij de controle na 6 jaar wordt het terrein onderverdeeld in kleinere inventarisatie-eenheden en in iedere eenheid dienen voldoende soorten voor te komen. Om te kunnen volgen of het terrein aan de subsidievoorwaarden gaat voldoen of dat pleksgewijs aanvullende beheermaatregelen nodig zijn, is het aan te raden om de meetsoorten in kaart te brengen. ’t Hek De zuidelijke helft van dit terrein is in 2005 machinaal geplagd. De noordelijke helft wordt waarschijnlijk in 2007 gemaaid (met afvoer van maaisel).
Wetenschappelijke naam Betula pubescens Carex pilulifera Erica tetralix Calluna vulgaris Drosera intermedia Juncus squarosus Juncus effusus Rumex acetosella Hydrocotyle vulgaris Polypodium vulgare Cuscuta europea
Nederlandse naam Zachte berk Pilzegge Dopheide Struikheide Kleine zonnedauw Trekrus Pitrus Schapenzuring Gewone watemavel Gewone eikvaren Klein warkruid TV*
bijzonderheden
Beschermd
Rode lijst 2
Oud Willaer Dit kleine heideveld is in 2004 machinaal geplagd. Hierbij is een klein deel dat eerder met de hand was geplagd niet op nieuw geplagd. Wetenschappelijke naam Erica tetralix Potentilla erecta Carex pilulifera Calluna vulgaris
Nederlandse naam Gewone dophei Tormentil Pilzegge Struikhei
bijzonderheden
Juncus squarrosus Betula pubescens Salix cinerea Drosera rotundifolia Drosera intermedia Lycopodiella inundata Carex panicea
Trekrus Zachte berk Grauwe wilg Ronde zonnedauw Kleine zonnedauw Moeraswolfsklauw Blauwe zegge
Beschermd Beschermd Rode lijst 3
Groot Wolfswinkel Wetenschappelijke naam Rhynchospora fusca Drosera intermedia Erica tetralix Calluna vulgaris Potentilla erecta Carex panicea Carex pilulifera Juncus bulbosus Lycopodiella inundata Juniperus communis
Nederlandse naam Bruine snavelbies Kleine zonnedauw Dopheide Struikhei Tormentil Blauwe zegge Pilzegge Knol rus Moeraswolfsklauw Jeneverbes
bijzonderheden Rode lijst 3 Beschermd
Rode lijst 3 Rode lijst 3, beschermd
Loc <¥&)<£&
Unbwe&zk
(l-tcickisvA^ 3 'VMïwu.ck
3eeM/ fóndhvutOgrvrui Rapport P2013-1040
Conclusie historisch onderzoek Op basis van het historisch onderzoek zijn lichte verontreinigingen aan minerale olie te verwachten in de bovengrond en lichte verontreinigingen met zware metalen in het grondwater op de onderzoekslocatie. De waterbodem bevat mogelijk lichte verontreinigingen met zware metalen, minerale olie, PCB's en bestrijdingsmiddelen. Tijdens het vooronderzoek zijn geen gegevens naar voren gekomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest op of in de bodem van de onderzoekslocatie. De locatie wordt derhalve als onverdacht beschouwd op het voorkomen van asbest. Mocht er puin worden aangetroffen in de beek, dan dient dit op asbest onderzocht te worden. Op basis van het historisch onderzoek zijn geen perceelsoverschrijdende verontreinigingen te verwachten.
2.3
Bodemopbouw en geohydrologie De gegevens over de bodemopbouw en geohydrologie zijn ontleend aan de Grondwaterkaart van Nederland, kaartblad 32 (TNO grondwaterkaart van Nederland) en voorgaande bodemonderzoeken. Regionale bodemopbouw en grondwaterstroming Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op ca. 7 meter +NAP. De bodemopbouw (deklaag) bestaat uit eolische afzettingen, behorend tot de Formatie van Boxtel en bestaat uit een complex van zandlagen. De dikte van de deklaag is ongeveer 5 meter en de doorlaatbaarheid van deze laag is circa 1.000 dagen. De hieronder gelegen lagen bestaan overwegend uit zand- en kleilagen behoren tot de mariene afzettingen van de Eemformatie, de Formatie van Drente en de formatie van Sterksel (grof zand en grind), afgewisseld met gestuwde afzettingen. De dikte van het eerste watervoerend pakket bedraagt ongeveer 30 meter. Ter plaatse is het grondwater op een diepte van circa 1 m-mv aangetroffen. In het algemeen kan gesteld worden, dat het grondwater van de hooggelegen gestuwde gebieden naar de as van de Gelderse Vallei stroomt en dat over een belangrijk deel van dat traject voeding door infiltrerende neerslag plaatsvindt. De algemene grondwaterstroming is noordwestelijk gericht, maar wordt ter plaatse van de onderzoekslocatie beïnvloed door de Lunterse beek.
Grondwateronttrekkingen Op de onderzoekslocatie bevinden zich geen grondwateronttrekkingen.
Certicon Kwaliteitskeuringen B. V.
Pagina 4
\&\\