Was-wordt gewijzigde artikelen GR AVU 2018
Tekst van het document
Bijlage: “Was-wordt” gewijzigde artikelen GR AVU 2018 GR AVU 2018 Artikel 9 Openbaarheid vergadering 1. Het algemeen bestuur vergadert in het openbaar. Op grond van het bepaalde in artikel 23 van de Wet gemeenschappelijke regelingen kunnen de deuren worden gesloten. 2. In een besloten vergadering wordt niet beraadslaagd, noch een besluit genomen over: a. het vaststellen of wijzigen van de begroting; b. het voorlopig vaststellen van de rekening; c. het instellen van commissies als bedoeld in artikel 14 van deze regeling, alsmede hun samenstelling en bevoegdheden; d. het vaststellen of wijzigen van tarieven als bedoeld in artikel 30 van deze regeling; e. het toetreden tot, uittreden uit, wijzigen van of opheffen van de regeling overeenkomstig de artikelen 39 tot en met 42 van deze regeling; f. het reglement van orde van de vergadering van het algemeen bestuur als bedoeld in artikel 12 van deze regeling. 3. In een besloten vergadering wordt geen besluit genomen over: a. het treffen, wijzigen, verlengen of opheffen van een gemeenschappelijke regeling tussen het openbaar lichaam en andere lichamen, alsmede het toetreden en uittreden; b. het oprichten van of het deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve of andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van deelneming; c.
het aangaan van geldleningen en van rekeningcourantovereenkomsten; d. het uitlenen van gelden en het waarborgen van geldelijke verplichtingen door andere aan te gaan; e. het vervreemden of bezwaren van goederen van het openbaar lichaam; f. het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van goederen van het openbaar lichaam; g. het onderhands aanbesteden van werken of leveranties;
30 juni 2023
Nieuw GR AVU 2022 Artikel 9 Openbaarheid vergadering 1. Het algemeen bestuur vergadert in het openbaar. Op grond van het bepaalde in artikel 23 van de Wet gemeenschappelijke regelingen kunnen de deuren worden gesloten. 2. In een besloten vergadering wordt niet beraadslaagd, noch een besluit genomen over: a. het vaststellen of wijzigen van de begroting; b. het voorlopig vaststellen van de rekening; c. het instellen van commissies als bedoeld in artikel 14 van deze regeling, alsmede hun samenstelling en bevoegdheden; d. het vaststellen of wijzigen van tarieven als bedoeld in artikel 32 van deze regeling; e. het toetreden tot, uittreden uit, wijzigen van of opheffen van de regeling overeenkomstig de artikelen 41 tot en met 44 van deze regeling; f. het reglement van orde van de vergadering van het algemeen bestuur als bedoeld in artikel 12 van deze regeling. 3. In een besloten vergadering wordt geen besluit genomen over: a. het treffen, wijzigen, verlengen of opheffen van een gemeenschappelijke regeling tussen het openbaar lichaam en andere lichamen, alsmede het toetreden en uittreden; b. het oprichten van of het deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve of andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van deelneming; c. het aangaan van geldleningen en van rekeningcourantovereenkomsten; d.
het uitlenen van gelden en het waarborgen van geldelijke verplichtingen door andere aan te gaan; e. het vervreemden of bezwaren van goederen van het openbaar lichaam; f. het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van goederen van het openbaar lichaam; g. het onderhands aanbesteden van werken of leveranties;
h. het doen van een uitgaaf, voordat de begroting of begrotingswijziging, waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd; i. de regeling van de rechtspositie van het personeel.
h. het doen van een uitgaaf, voordat de begroting of begrotingswijziging, waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd; i. de regeling van de rechtspositie van het personeel.
Artikel 15 Politieke controle algemeen bestuur 1. Een lid van het algemeen bestuur verschaft het college van burgemeester en wethouders dat hem of haar heeft aangewezen, alle inlichtingen die door dat college of door een of meer leden daarvan worden verlangd en wel op de wijze, te bepalen in het reglement van orde op de vergaderingen van dat college. 2. Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het college van burgemeester en wethouders, dat geen lid van het algemeen bestuur aanwijst, doch namens welk college hij of zij mede in het bestuur zitting heeft, alle inlichtingen die door dat college of een of meer leden daarvan worden verlangd. Het reglement van orde als bedoeld in artikel 12 van deze regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de inlichtingen worden verstrekt. 3. Een lid van het algemeen bestuur is verantwoording schuldig aan het college van burgemeester en wethouders dat hem of haar heeft aangewezen, voor het door hem of haar in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de wijze, te bepalen in het reglement van orde op de vergaderingen van dat college. 4. Een lid van het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan het college van burgemeester en wethouders dat hem of haar weliswaar niet heeft aangewezen, doch namens welk college hij of haar wel mede in het algemeen bestuur zitting heeft. 5.
Het reglement van orde als bedoeld in artikel 12 van deze regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd en de daaraan in overleg met het college dat verantwoording heeft gevraagd te verbinden gevolgen. 6. Het college van burgemeester en wethouders dat een lid in het algemeen bestuur heeft aangewezen, heeft de bevoegdheid dit lid te ontheffen van deze taak, indien dit lid het vertrouwen van het desbetreffende college niet meer heeft.
Artikel 15 Politieke controle algemeen bestuur 1. Een lid van het algemeen bestuur verschaft het college van burgemeester en wethouders dat hem of haar heeft aangewezen, alle inlichtingen die door dat college of door een of meer leden daarvan worden verlangd en wel op de wijze, te bepalen in het reglement van orde op de vergaderingen van dat college. 2. Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het college van burgemeester en wethouders, dat geen lid van het algemeen bestuur aanwijst, doch namens welk college hij of zij mede in het bestuur zitting heeft, alle inlichtingen die door dat college of een of meer leden daarvan worden verlangd. Het reglement van orde als bedoeld in artikel 12 van deze regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de inlichtingen worden verstrekt. 3. Een lid van het algemeen bestuur is verantwoording schuldig aan het college van burgemeester en wethouders dat hem of haar heeft aangewezen, voor het door hem of haar in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de wijze, te bepalen in het reglement van orde op de vergaderingen van dat college. 4. Een lid van het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan het college van burgemeester en wethouders dat hem of haar weliswaar niet heeft aangewezen, doch namens welk college hij of haar wel mede in het algemeen bestuur zitting heeft. 5.
Het reglement van orde als bedoeld in artikel 12 van deze regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd en de daaraan in overleg met het college dat verantwoording heeft gevraagd te verbinden gevolgen. 6. Het college van burgemeester en wethouders dat een lid in het algemeen bestuur heeft aangewezen, heeft de bevoegdheid dit lid te ontheffen van deze taak, indien dit lid het vertrouwen van het desbetreffende college niet meer heeft.
1
7. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur 7. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken aan de colleges van burgemeester en verstrekken aan de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten alle wethouders van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen, die door een of meer leden van de inlichtingen, die door een of meer leden van de colleges worden verlangd en wel op de wijze, te colleges worden verlangd en wel op de wijze, te bepalen in het reglement van orde op de bepalen in het reglement van orde op de vergaderingen van het algemeen bestuur. vergaderingen van het algemeen bestuur. 8 Het Algemeen Bestuur verstrekt de raden alle inlichtingen die de raden voor de uitoefening van hun taak nodig hebben. 9 Er zijn geen besluiten van het Algemeen Bestuur, waarvoor aan de raden vooraf een zienswijze dient te worden gevraagd, zoals bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 16 Burgerparticipatie Ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van besluiten op grond van deze regeling slechts betrokken, voor zover dat bij of krachtens wet is vereist, of voor zover door het Algemeen Bestuur bepaald. Artikel 17 Evaluatie Het initiatief tot evaluatie van de gemeenschappelijke regeling is voorbehouden aan het Algemeen Bestuur. Artikel 23
Politieke controle dagelijks bestuur
Artikel 25
Politieke controle dagelijks bestuur
1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. gevoerde bestuur. 2. De leden van het dagelijks bestuur geven, tezamen 2. De leden van het dagelijks bestuur geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dat bestuur of een of meer leden wanneer dat bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen en wel op de in het reglement van inlichtingen en wel op de in het reglement van orde op de vergaderingen van het algemeen orde op de vergaderingen van het algemeen bestuur te bepalen wijze. bestuur te bepalen wijze. 3. Het dagelijks bestuur verstrekt aan de colleges van 3.
Het dagelijks bestuur verstrekt aan de colleges van burgemeester en wethouders van de burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen, die deelnemende gemeenten alle inlichtingen, die door een of meer leden van de colleges worden door een of meer leden van de colleges worden verlangd en wel op de wijze, te bepalen in het verlangd en wel op de wijze, te bepalen in het reglement van orde op de vergaderingen van het reglement van orde op de vergaderingen van het algemeen bestuur. algemeen bestuur.
2
4 Het Dagelijks Bestuur verstrekt de raden alle inlichtingen die de raden voor de uitoefening van hun taak nodig hebben. 5 Er zijn geen besluiten van het Dagelijks Bestuur, waarvoor aan de raden vooraf een zienswijze dient te worden gevraagd, zoals bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 25 Benoeming en taken 1. Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur. Benoeming van de directeur geschiedt uit een door het dagelijks bestuur opgemaakte aanbeveling, bevattende de namen van tenminste twee personen. 2. De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij alles wat de hun opgedragen taken betreft, terzijde. 3. De directeur is tevens secretaris en draagt zorg voor het verslag van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. 4. Door de secretaris worden alle stukken die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan, mede ondertekend. 5. De directeur heeft de dagelijkse leiding over het openbaar lichaam. 6. De directeur kan in zijn werkzaamheden worden bijgestaan door één of meer functionarissen. 7. Bij of krachtens het directiestatuut kunnen op te dragen taken en bevoegdheden nader worden geregeld.
Artikel 27 Benoeming en taken 1. Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur. Benoeming van de directeur geschiedt uit een door het dagelijks bestuur opgemaakte aanbeveling, bevattende de namen van tenminste twee personen. 2. De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij alles wat de hun opgedragen taken betreft, terzijde. 3. De directeur is tevens secretaris en draagt zorg voor het verslag van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. 4. Door de secretaris worden alle stukken die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan, mede ondertekend. 5. De directeur heeft de dagelijkse leiding over het openbaar lichaam. 6. De directeur kan in zijn werkzaamheden worden bijgestaan door één of meer functionarissen. 7. Bij of krachtens het directiestatuut kunnen op te dragen taken en bevoegdheden nader worden geregeld. 8 De directeur is contactpersoon conform het bepaalde in art. 4.7 Woo. 9 De directeur kan in zijn plaats een medewerker benoemen als contactpersoon conform het bepaalde in art. 4.7 Woo.
Artikel 26 Rechtspositie Artikel 28 Rechtspositie De rechtspositieregeling van de gemeente Utrecht is 1 De medewerkers hebben een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. van toepassing op de medewerkers met uitzondering 2 De CAO-sgo is van toepassing op de arbeidsovervan de medewerkers met een arbeidsovereenkomst eenkomst. naar burgerlijk recht. 3 Organisatie-specifieke regelingen worden vastgelegd in een personeelshandboek.
Artikel 33 Ontwerpbegroting Artikel 35 Ontwerpbegroting 1. Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks voor 15 april 1. Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks voor 15 april voorafgaande aan het begrotingsjaar de voorafgaande aan het begrotingsjaar de ontwerpbegroting vast. ontwerpbegroting vast. 3
2. In de ontwerpbegroting zijn de bedragen, die voor iedere deelnemer afzonderlijk worden geraamd aan de hand van de door de deelnemer op te geven geraamde te leveren hoeveelheden afvalstoffen, voor iedere deelnemer afzonderlijk opgenomen. 3. De ontwerpbegroting wordt ten minste acht weken voordat het algemeen bestuur de begroting vaststelt aan de gemeenteraden van de deelnemers toegezonden. De gemeenteraden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen op de ontwerpbegroting ter kennis te brengen van het algemeen bestuur. 4. De bij de ontwerpbegroting behorende toelichting bevat voor elke begrotingspost de gronden waarop de raming van inkomsten en uitgaven berust en wijst, ingeval van aanmerkelijk verschil met de raming van het vorige jaar, de oorzaak daarvan aan. 5. De ontwerpbegroting wordt samengesteld op de grondslag, dat de exploitatiekosten van het openbaar lichaam volledig moeten worden bestreden, op basis van het daarbij jaarlijks vast te stellen, door de deelnemers geschatte, totaal van de te ontvangen hoeveelheden afvalstoffen.
2. In de ontwerpbegroting zijn de bedragen, die voor iedere deelnemer afzonderlijk worden geraamd aan de hand van de door de deelnemer op te geven geraamde te leveren hoeveelheden afvalstoffen, voor iedere deelnemer afzonderlijk opgenomen. 3. De ontwerpbegroting wordt ten minste twaalf weken voordat het algemeen bestuur de begroting vaststelt aan de gemeenteraden van de deelnemers toegezonden. De gemeenteraden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen op de ontwerpbegroting ter kennis te brengen van het algemeen bestuur. 4. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. De bij de ontwerpbegroting behorende toelichting bevat voor elke begrotingspost de gronden waarop de raming van inkomsten en uitgaven berust en wijst, ingeval van aanmerkelijk verschil met de raming van het vorige jaar, de oorzaak daarvan aan. 6. De ontwerpbegroting wordt samengesteld op de grondslag, dat de exploitatiekosten van het openbaar lichaam volledig moeten worden bestreden, op basis van het daarbij jaarlijks vast te stellen, door de deelnemers geschatte, totaal van de te ontvangen hoeveelheden afvalstoffen.
Artikel 34 Begroting 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. Het algemeen bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft, aan gedeputeerde staten. 3. Het algemeen bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling aan de gemeenteraden van de deelnemers, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijzen naar voren kunnen brengen. 4. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.
Artikel 36 Begroting 1 Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. Het algemeen bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft, aan gedeputeerde staten. 3. Het algemeen bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling aan de gemeenteraden van de deelnemers, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijzen naar voren kunnen brengen. 4. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.
Artikel 35
Artikel 37
Begrotingswijziging
4
Begrotingswijziging
1. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen 1. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen. begrotingsjaar worden genomen. 2. Op besluiten tot wijziging van de begroting zijn de 2. Op besluiten tot wijziging van de begroting zijn de artikelen 33 lid 3 en 34 lid 3 van overeenkomstige artikelen 35 lid 3 en 36 lid 3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van die wijzigingen toepassing, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdrage van de deelnemers. Het algemeen bijdrage van de deelnemers. Het algemeen bestuur is bevoegd die begrotingswijzigingen vast bestuur is bevoegd die begrotingswijzigingen vast te stellen zonder de gemeenteraden in de te stellen zonder de gemeenteraden in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te gelegenheid te stellen een zienswijze in te brengen. brengen. Artikel 36 Jaarrekening en jaarverslag 1. Het algemeen bestuur legt over elk begrotingsjaar verantwoording af aan de colleges van de deelnemers over het gevoerde beleid, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag. 2. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar volgende op het jaar waarop ze betrekking hebben.
De jaarrekening betreft alle baten en lasten van het samenwerkingsverband. 3. In de jaarrekening wordt voor elk van de deelnemers het over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde aandeel opgenomen. Dit aandeel wordt bepaald aan de hand van de werkelijke exploitatiekosten van het openbaar lichaam en de aangeleverde hoeveelheden afvalstoffen. 4. Binnen twee maanden na vaststelling van de jaarrekening vindt verrekening plaats van het verschil tussen het, op grond van de begroting betaalde en het op basis van de rekening verschuldigde bedrag. 5. Het dagelijks bestuur zendt voor 15 april van het jaar na afloop van dat waarvoor de jaarrekening dient, de voorlopige jaarrekening ter kennisneming aan de gemeenteraden van de deelnemers. 6. Het algemeen bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten. 7. De vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte
5
Artikel 38 Jaarrekening en jaarverslag 1. Het algemeen bestuur legt over elk begrotingsjaar verantwoording af aan de colleges van de deelnemers over het gevoerde beleid, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag. 2. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar volgende op het jaar waarop ze betrekking hebben. De jaarrekening betreft alle baten en lasten van het samenwerkingsverband. 3. In de jaarrekening wordt voor elk van de deelnemers het over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde aandeel opgenomen. Dit aandeel wordt bepaald aan de hand van de werkelijke exploitatiekosten van het openbaar lichaam en de aangeleverde hoeveelheden afvalstoffen. 4. Binnen twee maanden na vaststelling van de jaarrekening vindt verrekening plaats van het verschil tussen het, op grond van de begroting betaalde en het op basis van de rekening verschuldigde bedrag. 5. Het dagelijks bestuur zendt voor 30 april van het jaar na afloop van dat waarvoor de jaarrekening dient, de voorlopige jaarrekening ter kennisneming aan de gemeenteraden van de deelnemers. 6. Het algemeen bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten. 7.
De vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte
gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.
gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.
Artikel 39 Toetreding 1. Het college van een gemeente dat wenst toe te treden, dient hiertoe een verzoek in bij het algemeen bestuur. Het college voegt hierbij het besluit tot toestemming van de gemeenteraad als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Toetreding kan geschieden nadat de colleges van de deelnemers en het toetredende college hiertoe eensluidend hebben besloten. 3. Het algemeen bestuur kan algemene en specifieke regels stellen omtrent toetreding. Het besluit hiertoe wordt genomen met een meerderheid van ten minste twee derde gedeelten van de uitgebrachte stemmen.
Artikel 41 Toetreding 1. Het college van een gemeente dat wenst toe te treden, dient hiertoe een verzoek in bij het algemeen bestuur. Het college voegt hierbij het besluit tot toestemming van de gemeenteraad als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2 Een ontwerptoetredingsbesluit wordt ten minste acht weken voordat het algemeen bestuur dit vaststelt aan de gemeenteraden van de deelnemers toegezonden. De gemeenteraden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen op het ontwerptoetredingsbesluit ter kennis te brengen van het algemeen bestuur. 3. Toetreding kan geschieden nadat de colleges van de deelnemers en het toetredende college hiertoe eensluidend hebben besloten. 4. Het algemeen bestuur kan algemene en specifieke regels stellen omtrent toetreding. Het besluit hiertoe wordt genomen met een meerderheid van ten minste twee derde gedeelten van de uitgebrachte stemmen.
Artikel 40 Uittreding 1. Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één jaar in acht genomen. Gedurende drie jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk. 2. Het college dat wil uittreden brengt zijn voornemen daartoe bij aangetekende schrijven ter kennis van het algemeen bestuur. 3. Alle kosten die de uittreding met zich meebrengt zijn voor rekening van het uittredende college. 4. Het algemeen bestuur bepaalt de hoogte van de uittredingssom bij besluit genomen met een meerderheid van ten minste twee derde gedeelten van de uitgebrachte stemmen. 5. Het algemeen bestuur kan zich bij het bepalen van de uittredingssom laten adviseren door een extern deskundige. 6. Het algemeen bestuur regelt de overige gevolgen van de uittreding.
Artikel 42 Uittreding 1. Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één jaar in acht genomen. Gedurende drie jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk. 2. Het college dat wil uittreden brengt zijn voornemen daartoe bij aangetekende schrijven ter kennis van het algemeen bestuur. 3 Een ontwerpuittredingsbesluit wordt ten minste acht weken voordat het algemeen bestuur dit vaststelt aan de gemeenteraden van de deelnemers toegezonden. De gemeenteraden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen op het ontwerpuittredingsbesluit ter kennis te brengen van het algemeen bestuur. 4. Alle kosten die de uittreding met zich meebrengt zijn voor rekening van het uittredende college. 5. Het algemeen bestuur bepaalt de hoogte van de uittredingssom bij besluit genomen met een meerderheid van ten minste twee derde gedeelten van de uitgebrachte stemmen. 6. Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele
6
baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. 7. De voorlopige respectievelijk definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. De frictiekosten en desintegratiekosten worden berekend op basis van de principes van goed koopmanschap en de principes van accounting. 8. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer. 9. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 10.Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op kosten te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan binnen een periode van 5 jaar vanaf het moment van uittreding als direct gevolg van de uittreding.
11.Het algemeen bestuur kan zich bij het bepalen van de uittredingssom laten adviseren door een extern deskundige. 12.Het algemeen bestuur regelt de overige gevolgen van de uittreding. 13.De Uittredingsregeling AVU 2020, dan wel hierop volgende uittredingsregelingen zijn van toepassing. Artikel 41 Wijziging Artikel 43 Wijziging 1. Het algemeen bestuur kan op eigen initiatief of op 1. Het algemeen bestuur kan op eigen initiatief of op verzoek van één of meer colleges van de verzoek van één of meer colleges van de deelnemers wijziging van deze regeling deelnemers wijziging van deze regeling voorstellen. voorstellen. 2. Het algemeen bestuur zendt het 2 Een ontwerpwijzigingsbesluit wordt ten minste acht weken voordat het algemeen bestuur dit wijzigingsvoorstel aan de colleges van de vaststelt aan de gemeenteraden van de deelnemers. deelnemers toegezonden. De gemeenteraden 3. Wijziging van de regeling vindt plaats indien worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen daartoe wordt besloten door ten minste twee derde van de colleges van de deelnemers. 7
op het ontwerpwijzigingsbesluit ter kennis te brengen van het algemeen bestuur. 3. Het algemeen bestuur zendt het wijzigingsvoorstel aan de colleges van de deelnemers. 4. Wijziging van de regeling vindt plaats indien daartoe wordt besloten door ten minste twee derde van de colleges van de deelnemers.
8