Toelichting en Regels 10-9-2020
Tekst van het document
woning
een gebouw dat is geschikt en bestemd ten behoeve van één wooneenheid. 1.46
wooneenheid
een gebouw of een deel van een gebouw, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van één huishouden. 1.47
woongebouw
een hoofdgebouw dat één of meer wooneenheden omvat.
29
Artikel 2 Wijze van meten 2.1
afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn; 2.2 bouwhoogte van een antenne-installatie a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie. 2.3
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4
breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.5
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6
inhoud van een gebouw of bouwwerk
tussen het peil, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.7
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.8
ondergeschikte bouwonderdelen
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, stofkappen en andere onderdelen van technische installaties, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. 2.9
vloeroppervlakte
de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.
30
Hoofdstuk 2
BESTEMMINGSREGELS
Artikel 3 Agrarisch 3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; b. het behoud, herstel en de ontwikkeling van het waterhuishoudkundig systeem; c. het behoud, herstel en de ontwikkeling van de landschapsstructuur; en tevens voor: d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur': een veldschuur; alsmede voor: e. aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; f. de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals wegen en paden, tuinen, erven, groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen; g. beweiding voor recreatieve of hobbydoeleinden. 3.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. uitsluitend mogen erf- en terreinafscheidingen worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 2 meter. b. in afwijking van het bepaalde onder a. mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch veldschuur' een veldschuur worden gebouwd met een goothoogte van maximaal 2,5 meter en een bouwhoogte van maximaal 4 meter. 3.3
Afwijken van de bouwregels
3.3.1
Afwijken buitenrijbaan
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.2, ten behoeve van het bouwen van een buitenrijbaan ten behoeve van het houden van paarden, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. aangetoond moet zijn dat de buitenrijbaan ten behoeve van en behorend bij een woning, niet binnen de bestemming Wonen kan worden gerealiseerd; b. een buitenrijbaan wordt gerealiseerd direct aansluitend op gronden grenzend aan bestemmingsvlakken van andere bestemmingen waar een woning toegestaan en aanwezig is; c. de oppervlakte van een buitenrijbaan bedraagt maximaal 800 m²; d. de maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 2 meter; e. de maximale hoogte van lichtmasten bedraagt 8 meter; f. de buitenrijbaan is niet gelegen voor de voorgevellijn van de bebouwing; g. de buitenrijbaan is niet gelegen binnen een afstand van 50 meter ten opzichte van de meest nabij gelegen woning van derden; h. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing, afgestemd op de kenmerken van de omgeving; i. de buitenrijbaan leidt niet tot onevenredige aantasting van de landschapsstructuur en de voorkomende natuurwaarden; j.
alvorens af te wijken vraagt het bevoegd gezag advies van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige met betrekking tot de onder h en i vermelde voorwaarden en wordt voorzien in een privaatrechtelijke overeenkomst omtrent de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing; k. afwijken leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 3.4
Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. fokkerijen en mesterijen van eenden, ganzen en kalkoenen in de open lucht alsmede pelsdierhouderijen, vis-, wormen- en madenkwekerijen zijn niet toegestaan; 31
b. c. d. e. f. g.
de opslag van goederen en materialen is niet toegesltaan het gebruik van afdekfolie is niet toegestaan; containervelden zijn niet toegestaan; waterbassins zijn niet toegestaan; mestbassins, niet zijnde bouwwerken, zijn niet toegestaan; het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; h. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; 3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.5.1
Algemeen
Het is verboden op of in de tot 'Agrarisch' bestemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen, vergraven, verruimen, uitdiepen of dempen van sloten, greppels, vijvers en andere wateren; b. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting; 3.5.2
Uitzondering
Het verbod van lid 3.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die: a. behoren tot normaal onderhoud en beheer waaronder begrepen worden de normale agrarische exploitatie ten dienste van de bestemming; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; 3.5.3
Voorwaarden
Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.5.1 zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de in lid 3.1 onder b en c genoemde waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. 3.5.4
Advisering
Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de waterbeheerder, omtrent de voorwaarden zoals genoemd in lid 3.5.3. 3.6
Wijzigingsbevoegdheid
3.6.1 Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd om: a. de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen ten behoeve van natuurontwikkeling, mits: 1. uitvoering wordt gegeven aan het Gebiedsplan natuur en landschap Gelderland; 2. agrarische bedrijven daardoor niet worden gehinderd.
32
Artikel 4 Wonen 4.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, daaronder begrepen de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; en tevens voor: b. ter plaatse van de aanduiding 'dierenpension': een nevenactiviteit bij het wonen, zijnde een hondenpension; alsmede voor: c. de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, paden, parkeervoorzieningen en groenelementen. 4.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 4.2.1 Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. per bestemmingsvlak is maximaal één woongebouw toegestaan; b. een woongebouw is alleen toegestaan binnen het bouwvlak; c. de inhoud van het woongebouw bedraagt maximaal 600 m3, inclusief aan- en uitbouwen; d. in afwijking van het bepaalde onder b., en ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' mag de de inhoud van het woongebouw maximaal 800 m3 bedragen, indien het bouwen alleen het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van bebouwing betreft die reeds aanwezige was op het moment van inwerkingtreding van het plan en het bouwvolume van die bebouwing niet wordt veranderd en/of vergroot; e. de goothoogte van woongebouwen bedraagt maximaal 6 meter en de bouwhoogte maximaal 10 meter; f. per woongebouw is niet meer dan één wooneenheid toegestaan, tenzij met de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' anders is bepaald; g. de gebruiksoppervlakte van een wooneenheid bedraagt minimaal 50 m2; h. de maximum oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen per woongebouw bedraagt zoveel als aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)'; i. bijgebouwen zijn uitsluitend achter de voorgevellijn van het woongebouw toegestaan; j. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen bedraagt maximaal 3 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter; k.
de maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt 3 meter; l. de maximale hoogte van erf- of terreinafscheidingen voor de voorgevellijn van de woning bedraagt 1 meter; m. de maximale hoogte van erf- of terreinafscheidingen achter de voorgevellijn van de woning bedraagt 2 meter. 4.3
Afwijken van de bouwregels
4.3.1
Het vergroten van de inhoudsmaat van woongebouwen
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 4.2.1 onder b. voor het vergroten van de inhoudsmaat van woongebouwen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de vergroting mag maximaal 25% van het woongebouw (inclusief aan- en uitbouwen) bedragen tot maximaal 800 m3, inclusief aan- en uitbouwen; b. het ontwerp van het woongebouw sluit goed aan bij het karakter van het buitengebied en de omgeving; c. het woongebouw wordt landschappelijk goed ingepast in de omgeving; d. het landschap wordt niet onevenredig aangetast; e. de maatvoeringseisen voor woongebouwen en wooneenheden worden in acht genomen; f. afwijking leidt niet tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 4.3.2
Bouwen voor de voorgevellijn
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 4.2.1 onder e voor het realiseren van bijgebouwen voor de voorgevellijn van het woongebouw, mits de realisatie van bijgebouwen voor de voorgevellijn van het woongebouw landschappelijk inpasbaar is. 4.4
Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. de oppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of kleinschalige 33
bedrijfsmatige activiteiten bedraagt maximaal 50 m2 van het vloeroppervlak van de betrokken woning inclusief de bijgebouwen; b. de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is uitsluitend toegestaan indien deze activiteit wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner; c. uitsluitend ten behoeve van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is beperkte verkoop van artikelen toegestaan; d. maximaal 150 m² van het vloeroppervlak van het woongebouw en de bijgebouwen mag ten behoeve van een hondenpension, als bedoeld in lid 4.1 onder b, worden gebruikt; e. ter plaatse van de aanduiding 'dierenpension' is een hondenpension als bedoeld in lid 4.1 onder b, alleen toegestaan als op 30 meter afstand van de aanduidingsgrens aan de volgende, maximale geluidswaarden wordt voldaan: 1. 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; 2. 70 dB(A) etmaalwaarde voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden); 3. 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van verkeersaantrekkende werking; f. het aanbieden van meer dan 3 kamers ten behoeve van bed & breakfast per woning is niet toegestaan; g. bed & breakfast is niet toegestaan in een bijgebouw; h. opslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn is niet toegestaan; i.
het is niet toegestaan de gronden voor meer dan 50% van het bestemmingsvlak te verharden met bouwwerken, inritten, paden, bestratingen en andere oppervlakteverhardingen. j. permanente of tijdelijke bewoning van bijgebouwen is niet toegestaan; k. bewoning van een wooneenheid anders dan door één afzonderlijk huishouden is niet toegestaan; l. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; m. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
34
Artikel 5 Waarde - Archeologie - 3 5.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ''Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden. 5.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologische deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de bouwvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige; c.
het bepaalde in dit lid onder b.2 en b.3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 1.000 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm kan worden geplaatst; 4. een bouwwerk dat zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. 5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1
Vergunning
Het is verboden op of in deze gronden met de bestemming Waarde - Archeologie - 3 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 50 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; b. het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren; c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; d. het verlagen of verhogen van het waterpeil; e. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 5.3.2
Uitzondering
Het verbod van lid 5.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. b. c. d.
betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 1.000 m² ; noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 5.2 in acht is genomen; behoren tot het normale onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; e. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; f. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; of indien: 35
g. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologische deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.3.1 nodig is. 5.3.3
Voorwaarden
De werken en werkzaamheden, zoals in lid 5.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het beveogd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de aanlegvergunning regels te verbinden, gericht op: 1. het behoud van archeologische resten in de bodem; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. 5.3.4
Strafbepaling
Overtreding van het bepaalde in lid 5.3.1 is een strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten.
36
Hoofdstuk 3
ALGEMENE REGELS
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
37
Artikel 7 Algemene bouwregels 7.1
Ondergronds bouwen
7.1.1
Bouwen ondergrondse werken
Voor het bouwen van beneden het maaiveld gelegen bouwwerken gelden, met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 2, de volgende bepalingen: a. het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en onder een gebouw dat geheel boven het maaiveld is gelegen; b. het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan tot 1 bouwlaag, de bouwdiepte bedraagt maximaal 4 meter onder peil; c. externe toegangen zijn gesitueerd in de achtergevel van het gebouw; 7.1.2 Afwijken bouwen ondergrondse werken a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1.1 onder b voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarde dat de waterhuishouding niet wordt verstoord. b. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1.1 onder c teneinde de toegangen aan andere zijden van het gebouw toe te staan, met dien verstande dat geen onevenredige aantasting van de ruimtelijke karakteristiek mag plaatsvinden. 7.2
Bestaande afstanden en andere maten
Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels: a. indien afstanden, goot- of bouwhoogte, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; b. indien afstanden, goot- of bouwhoogte, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten als ten minste toelaatbaar worden gehouden; c. in het geval van heroprichting van gebouwen is het bepaalde in a en b uitsluitend van toepassing indien de heroprichting geschiedt op dezelfde plaats; d. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in lid 10.1 niet van toepassing. 7.3
Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 meter bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 meter bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 meter bedraagt.
7.4
Afstanden van woningen tot wegen en spoorwegen
7.4.1 Aan te houden afstanden tot wegen a. Ingeval van nieuwe woningen ingevolge planwijziging of ontheffing of herbouw van een woning elders op een bestemmingsvlak of bouwvlak, mag de afstand van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) tot de as van de weg – ter beperking van geluidhinder – in geen geval minder bedragen dan de afstanden die zijn aangegeven in de kolom '48 dB contour' van tabel 1 die is opgenomen in bijlage 1 van deze regels. b. Voor woningen waarvoor vóór de vaststelling van dit plan door Burgemeester en Wethouders een hogere waarde is verleend, bedraagt de afstand in geen geval minder dan de afstanden die zijn aangegeven in de kolom '53 dB contour' danwel de afstanden die zijn aangegeven in de kolom '58 dB contour' van tabel 1 die is opgenomen in bijlage 1 van deze regels. 7.4.2 Aan te houden afstanden tot spoorwegen a. Ingeval van nieuwe woningen ingevolge planwijziging of ontheffing of herbouw van een woning elders op een bestemmingsvlak of bouwvlak, mag de afstand van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) tot de as van de spoorweg – ter beperking van geluidhinder – in geen geval minder bedragen dan de afstanden die zijn aangegeven in de kolom '55 dB-contour' van tabel 2 die is opgenomen in bijlage 1 van deze regels. b. Voor woningen waarvoor vóór de vaststelling van dit plan door Burgemeester en Wethouders een hogere 38
waarde is verleend, bedraagt de afstand in geen geval minder dan de afstanden die zijn aangegeven in de kolom '68 dB contour' van tabel 2 die is opgenomen in bijlage 1 van deze regels.
39
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van: a. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen, mits geen bestemmingsgrenzen zijnde, worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; b. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 meter; c. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%: d. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot maximaal 40 meter indien het niet mogelijk is gebruik te maken van een reeds bestaande mast, onder de volgende voorwaarden: 1. losse masten met hekwerken, gebouwtjes e.d. zijn alleen toegestaan in landschappelijk minder gevoelige gebieden, langs grote verkeerswegen en dan bij voorkeur bij parkeerplaatsen, benzinestations, knooppunten, viaducten, bedrijventerreinen en horecagelegenheden; 2.
installaties op of aan een gebouw zijn alleen toegestaan: op hoge gebouwen; bij voorkeur op een plat dak en zo ver mogelijk van een dakrand, met dien verstande dat bijzondere en waardevolle gebouwen in beginsel geheel dienen te worden ontzien, zo nodig in overleg met de monumentencommissie; tegen gevels aan; wanneer de invloed van die installaties geen afbreuk doen aan de aanwezige kwaliteiten; e. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, anders dan de ondergeschikte bouwonderdelen als bedoeld in lid 2.8, mits: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen; 2. de hoogte maximaal 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen; f. de minimale afstand van de weg voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits dit geen problemen oplevert voor de verkeersveiligheid.
40
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels 9.1
Algemene wijziging
Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van: a. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag niet meer dan 10% worden vergroot; b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot. 9.2
Waarde archeologie
9.2.1
Wijziging voor verwijdering van de bestemming
Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen door de bestemming 'Waarde Archeologie - 3' geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien: a. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet; c. alvorens omtrent wijziging te beslissen winnen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies in van een archeologisch deskundige.
41
Hoofdstuk 4 Artikel 10
OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht
10.1 Overgangsrecht bouwwerken 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 10.2 Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
42
Artikel 11
Slotregel
Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Utrechtseweg 11'
43
44
Bijlagen bij de regels
45
Bijlage 1 Afstand geluidgevoelige objecten tot wegen
46
Afstand geluidgevoelige objecten tot wegen
Tabel 1. Geluidscontouren wegen Weg
Wegvakken (van) tot
48 dB Contour
53 dB Contour
58 dB Contour
Rijksweg A12
Maarsbergen
Veenendaal
468 m** (= 400 m)
228 m
111 m
Arnhemseweg (N224)
Provinciegrens
Molenstraat/Nijborg
218 m
104 m
47 m
Arnhemseweg (N224)
Ubberschoterweg
Veenweg
260 m* (= 250 m)
124 m
59 m
Arnhemseweg (N224)
Veenweg
Schalm
215 m
102 m
48 m
Arnhemseweg (N224)
Schalm
Provinciegrens
215 m
101 m
48 m
Barneveldsestraat
De Hooge Hoek
Hoefweg
36 m
17 m
7m
Oude Holleweg
Hopesweg
Spikhorst
15 m
6m
***
Hopeseweg (overige wegen)
Groeperlaan
Heuvelsesteeg
14 m
6m
***
Heuvelsesteeg (overige wegen)
De Groep
Hopeseweg
14 m
6m
***
Biesbosserweg
Oude Holleweg
Parallelweg
22 m
10 m
***
Emminkhuizerlaan
Arnhemseweg (224) Biesbosserweg
25 m
11 m
4m
Parallelweg (overige wegen)
De Grift
14 m
6m
***
Kooiweg
Kooiweg (overige wegen)
Biesbosserweg
Slaperdijk
14 m
6m
***
Overige wegen
--
--
14 m
6m
***
* **
De contourafstand is groter dan de wettelijke geluidszone van 250 meter; De contourafstand is groter dan de wettelijke geluidszone van 400 meter; *** De contourafstand ligt binnen de grens van de wegdekverharding.
Tabel 2. Geluidscontouren spoorweg spoortraject
afstand 55 dB-contour
afstand 68 dB-contour
352 (Renswoude)
539 m (= 400 m)
100 m