CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

Rom integraal advies Kerkstraat Renswoude

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake het realiseren van 30 tijdelijke woningen voor een periode van 15 jaar aan de Kerkstraat5.845 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ROM INTEGRAAL ADVIES Aan T.a.v. Onderwerp DSO -nummer Adviseur ROM Telefoon Datum Kenmerk

Gemeente Renswoude R. Renes ROM integraal advies Kerkstraat Renswoude Realiseren van 30 tijdelijke woningen 2026031001834 E. Lentz 030 -7023200 24 -0 4 -2026 Z/26/2007876 / D2026 -1047443

Inleiding Gemeente Renswoude heeft een aanvraag omgevingsvergunning (BOPA) voor Kerkstraat in behandeling. De initiatiefnemer is voornemens om 30 tijdelijke woningen van 15 jaar te realiseren. De tijdelijke woningen worden op agrarische gronden gerealiseerd. Hierdoor is de beoogde ontwikkeling is strijd met het tijdelijk omgevingsplan Renswoude. De gemeente kan medewerking verlenen doormiddel van een BOPA -procedure te doorlopen. De gemeente heeft ons verzocht de BOPA -onderbouwing en de milieuonderzoeken ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning te beoordelen. Korte conclusie Thema Bodem Archeologie

Blz. 3 4

Beoordeling Akkoord Akkoord onder voorwaarden

Ontplofbare Oorlogsresten (OO)

7

Niet akkoord

Geluid – verkeer (en Bbl)

9

Akkoord onder voorwaarden

Luchtkwaliteit

12

Akkoord onder voorwaarden

Externe veiligheid Milieuzonering

14 15

Akkoord Niet akkoord

Ecologie

20

Niet a kkoord

Opmerkingen en/of belemmeringen De BOPA -onderbouwing moet worden aangevuld voor het aspect archeologie. De wettelijke meldplicht voor archeologische toevalsvondsten moet als voorwaarde worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Er moet een vervolgonderzoek naar ontplofbare oorlogsresten worden uitgevoerd. De BOPA -onderbouwing moet worden aangevuld voor het aspect verkeerslawaai. De BOPA -onderbouwing moet worden aangevuld voor het aspect luchtkwaliteit. De BOPA -onderbouwing moet worden aangevuld voor het aspect milieuzonering. Het verkennend ecologisch onderzoek moet worden a angevuld voor de da s .

Duurzaamheid (BENG en MPG) Mer

21

Akkoord

-

22

Niet akkoord

Er is waarschijnlijk sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject De BOPA -onderbouwing moet worden aangevuld voor het aspect Mer. Indien sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject moet een mededeling (aanmeldingsnotitie) worden opgesteld en bij de vergunningaanvraag worden gevoegd.

pagina 2 van 22

Bodem Advies : 1. De aangeleverde gegevens over de bodemkwaliteit passend te beschouwen 2. Akkoord te gaan met de BOPA -onderbouwing voor het aspect bodem. 3. De initiatiefnemer te wijzen op enkele meld - en/of informatieplichten.

.

Inhoudelijke onderbouwing 1.1 Uit de aangeleverde gegevens blijkt dat de bodemkwaliteit past bij het gewenste gebruik. Het bodemonderzoek voldoet aan de normen. Er zijn ten hoogste licht verhoogde gehalten aangetoond. De locatie is voldoende onderzocht. Er is geen aanleiding tot aanvullend bodemonderzoek of sanerende maatregelen. 3.1 De bodemparagraaf is juist en volledig. 2.1 Er kunnen meld - en/of informatieplichten van toepassing zijn . Binnen een bouwproject wordt vaak gegraven en/of grond aangebracht. Deze activiteiten vallen onder de vergunningsprocedure voor de bouwactiviteit. Let op: Hiervoor zijn aparte meldingen en/of informatieplichten nodig.

niet

De initiatiefnemer hierop te wijzen met de volgende tekst; 3 Let op: gaat u in de grond graven en is dat meer dan 25 m ? Of gaat u grond aanbrengen? Voor deze activiteiten bent u verplicht uiterlijk een week vóór de uitvoering een meld - en/of informatieplicht in te dienen in het Omgevingsloket. Kiest u hier voor de activiteiten ‘Graven in bodem met een kwaliteit onder of g elijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit’ en/of ‘Toepassen van grond en/of baggerspecie’. Wat is getoetst? • Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 Kerkstraat, Renswoude, BOOT, kenmerk: P25 0585 -002, d.d. 18 december 2025 • Onderbouwing ETFAL Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat , VanderMark advies d.d. 6 maart 2026

-

Waaraan is getoetst? • Omgevingswet met besluiten; • Omgevingsplan (met hierin opgenomen de regels uit de bruidsschat); • Normen voor bodemonderzoek: - NEN5725 (vooronderzoek); - NEN5740 (verkennend bodemonderzoek).

pagina 3 van 22

Archeologie Advies: 1. Geen archeologisch vervolgonderzoek verplicht te stellen . 2. Akkoord te gaan met h et archeologisch rapport . 3. De paragraaf archeologie in de BOPA -onderbouwing aan te laten vullen. 4. De wettelijke meldplicht voor archeologische (toevals)vondsten op te nemen in de voorschriften bij de omgevingsvergunning. Inhoudelijke onderbouwing 1.1 Een archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Op basis van het uitgevoerde archeologische bureau - en booronderzoek geldt voor het plangebied een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Er is daarom geen archeologisch vervolgonderzoek onderzoek nodig. 2.1 Het archeologisch rapport is volledig. Wij hebben het rapport van het archeologisch bureau - en booronderzoek beoordeeld en hebben hierop geen opmerkingen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De conclusies zijn helder en goed on derbouwd. 3.1 De paragraaf archeologie in de BOPA -onderbouwing is niet volledig. In de BOPA -onderbouwing wordt niet verwezen naar de relevante wetgeving omtrent archeologie. Wij adviseren het document aan te laten vullen op basis van het tekstvoorstel in de bijlage . 4.1 Er geldt een wettelijke meldingsplicht voor archeologische (toevals)vondsten.

Hoewel voor het plangebied een lage archeologische verwachting geldt, kan nooit helemaal worden uitgesloten dat bij uitvoering van de werkzaamheden archeologische vondsten worden gedaan. Dergelijke (toevals)vondsten moeten op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, c.q. gemeente Renswoude) worden gemeld. Wij adviseren om deze meldingsplicht in de voorschriften bij de omgevingsvergunning op te nemen

;

“Als bij uitvoering van de werkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan wordt vermoed dat het archeologische vondsten betreft, bent u op grond van art. 5.10 van de Erfgoedwet verplicht om deze te melden bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultur eel Erfgoed). Om praktische redenen kunt u deze melding doen bij de ODU, tel. 030 -702 3200 . Er kan worden gevraagd om het opsturen van foto’s van de vondst en gegevens over de exacte locatie van de vondst. Vondsten mogen niet worden verplaatst of verwijder d voordat de gemeente heeft besloten wat er mee moet gebeuren.” Wat is getoetst? • Bulambo, F.M. 2026: Plangebied Binnen de Beken Zuid - Zuidwest te Renswoude, gemeente Renswoude. Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek). RAAP -raapport 8308, Weesp ; • Onderbouwing ETFAL Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat, VanderMark advies d.d. 6 maart 2026 Waaraan is getoetst? • Erfgoedwet 2016. • Archeologisch Informatie Systeem ARCHIS van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. • Omgevingsplan gemeente Renswoude, tijdelijke deel: bestemmingsplan Buitengebied 2010. pagina 4 van 22

•

Archeologiebeleid gemeente Renswoude: Boshoven, E.H., G.H. de Boer & D. Bekius, 2010: Gemeenten Renswoude en Woudenberg. Een archeologische verwachtings - en Beleidsadvieskaart. RAAP -rapport 2117, RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

pagina 5 van 22

Bijlage tekstvoorstel paragraaf archeologie motivering ETFAL Kerkstraat Renswoude. 5.2.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aan tasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Ba l geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen zijn veelal doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk ) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een opper vlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen. Planspecifiek Op basis van het vigerende bestemmingsplan geldt voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2” en voor een ander deel de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3”. Dit betekent concreet dat er archeologisch onderzoek dient plaats te 2 vinden bij ingrepen die meer dan 100 m , respectievelijk 1.000 m 2 omvatten. De nieuwe ingreep in het 2 plangebied omvat een oppervlakte, groter dan 100 m . Om die reden is het nodig een verkennend archeologisch onderzoek uit te voeren. Door RAAP is in januari/ februari 2026 een verkennend archeologisch veld - en booronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport, dat als Externe Bijlage 4 is toegevoegd aan deze onderbouwing.

Op basis van dit rapport kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • Er zijn geen archeologische relicten aangetroffen in de diverse boringen; • Ook zijn er geen aanwijzingen gevonden, die zouden kunnen duiden op een vroege bewoning van dit gebied; • Er hoeft geen nader archeologisch onderzoek plaats te vinden; • Het plangebied kan dan ook vrijgegeven worden voor de gewenste nieuwe ontwikkeling.

pagina 6 van 22

Ontplofbare oorlogsresten (OO) Advies: 1. Akkoord te gaan met h et vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten ( OO ) als bewijsmiddel om vast te stellen dat risico’s te verwachten zijn op het mogelijk aantreffen van OO . 2. Een vervolgonderzoek voor ontplofbare oorlogsresten aan te leveren. Inhoudelijke onderbouwing 1.1Het historisch onderzoek is uitgevoerd volgens de eisen van het CS -VROO. Wij hebben het rapport van het vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten beoordeeld en hebben hierop geen opmerkingen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen van de CS -VROO . De conclusies zijn helder en goed onderbouwd. 2.1 Uit het historisch vooronderzoek is gebleken dat in het plangebied aanwijzingen zijn om OO te verwachten. Op basis van het uitgevoerde historisch vooronderzoek naar Ontplofbare Oorlogsresten is vastgesteld dat in het gehele plangebied Nederlandse, Duitse en geallieerde verschoten geschutmunitie aanwezig kan zijn . Hierdoor is vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit kan worden uitgevoerd door middel van een historisch onderzoek na conflictperiode, een risicoanalyse of een pragmatisch opsporingsadvies. Op basis van het vervolgonderzoek kan het verdachte gebied mogelijk verkleind word en of beter afgebakend. In verdacht gebied is voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden vervolgonderzoek in de vorm van opsporing noodzakelijk.

Dit kan bestaan uit detectie en/of het benaderen van verdachte objecten. 3.1 De paragraaf Ontplofbare Oorlogsresten in de BOPA -onderbouwing is niet volledig. In de BOPA -onderbouwing wordt correct verwezen naar het juridisch kader en naar de resultaten van het uitgevoerde historisch onderzoek. Tevens wordt genoemd dat voor de locatie van de 30 tijdelijke woningen al vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden waarbij ook munitie is geruimd. Als vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden dan ontvangen wij graag de rapporten van de uitgevoerde onderzoeken. In ieder geval moet voor de locatie waar de aanvraag betrekking op heeft het proces verbaal van oplevering worden ingedie nd zodat kan worden vastgesteld dat voor de betrokken locatie de risico’s zijn weggenomen. Wij adviseren het PVvO toe te voegen aan de BOPA -onderbouwing Wat is getoetst? • AVG: Renswoude – Binnen de Beken Zuid -Zuidwest. Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten conflictperiode, AVG Explosieven Opsporing NL, documentnummer 143000684, versie 01C, dd. 31 oktober 2025 ; • Onderbouwing ETFAL Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat , VanderMark advies d.d. 6 maart 2026 Waaraan is getoetst? • Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS

-VROO)

pagina 7 van 22

Bijlage bodembelastingkaart AVG 2025

pagina 8 van 22

Geluid – verkeerslawaai Advies: 1. De BOPA -onderbouwing aan te laten passen voor het aspect geluid 2. Akkoord te gaan met h et akoestisch onderzoek (Bbl) .

.

Inhoudelijke onderbouwing 1.1De paragraaf geluid in de BOPA -onderbouwing is niet volledig. We merken op dat er vanuit geluid verkeerslawaai geen belemmeringen zijn. De locatie ligt niet in een geluidaandachtsgebied van rijkswegen, provinciale wegen en hoofdspoorwegen. De locatie ligt wel in het geluidaandachtsgebied van de Kerkstraat maar dat is een rustige weg en die geeft geen relevant geluidniveau. Deze conclusie is ook in de BOPA -onderbouwing opgenomen maar deze paragraaf bevat een aantal onjuistheden en een die moeten verbeterd worden. De opmerkingen staan in de bijlage. 2.1 Er wordt op een juiste wijze aangetoond dat voldaan wordt aan de Bbl -geluideisen . In het rapport wordt ingegaan op de geluidwering van de gevel, de geluidisolatie tussen de woonunits en installatiegeluid en de warmtepompen. Dit onderzoek is akkoord . Er wordt a angetoond dat voldaan wordt aan de Bbl -geluideisen en daarvoor zijn de benodigde maatregelen aangegeven. Deze maatregelen moeten confotm dit rapport worden uitgevoerd. Bijzondere aandacht is nodig voor de akoestische ontkoppeling bij woningscheidende vloeren en wanden. Contactbruggen moeten worden voorkomen. We merken op dat ook het geluid van warmtepompen is beoordeeld en is aangetoond dat dit zal voldoen aan de Bbl -eisen. Relevant is de plaatsing op het dak (op minstens 3,5 m achter de dakrand).

Wel merken we op dat de cumulatie van geluid van warmtepompen i n het kader van het Bbl niet hoeft te worden beoordeeld maar vanuit ETFAL wel. Dat blijkt ook uit jurisprudentie. Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de rekentools van de Rijksoverheid, maar is een akoestisch rekenmodel nodig . Dit is niet in het ra pport gedaan. We verwachten echter geen probleem met de cumulatie van geluid en daarom vinden we een aanvulling van het geluidrapport op dit punt vooralsnog niet nodig. Cumulatie door warmtepompen is echter wel een belangrijk aspect waarop omwonenden bezwa ar maken. Indien een dergelijk bezwaar wordt ingediend zal alsnog een aanvullend onderzoek -inzake de cumulatie van geluid van de warmtepompen - moeten worden uitgevoerd. Wat is getoetst? • Onderbouwing ETFAL Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat , VanderMark advies d.d. 6 maart 2026 • Nieuwbouw 30 woningen Renswoude Hodes Huisvesting, woningbouw , beoordeling geluid, bureau Noorman, Rapport 22510209.R03 d.d. 27 februari 2026 Waaraan is getoetst? • Omgevingswet; • Besluit kwaliteit leefomgeving; • Wet geluidhinder (provinciale weg); • Besluit bouwwerken leefomgeving.

pagina 9 van 22

Bijlage geluid -verkeerslawaai Verbeterpunten voor de BOPA -onderbouwing e 1. Onder ‘selectie van geluidsbronnen’ zijn, na de 1 alinea, 4 aandachtspunten aangegeven. Het 2 e tot en met de 4 aandachtspunt moet verbeterd worden. Daarnaast moet een punt worden toegevoegd. Het betreft het volgende:

e

•

2e aandachtspunt. De spoorlijn Utrecht -Arnhem heeft geen geluidaandachtsgebied van 100 m maar breder. De geluidaandachtsgebied zijn aangegeven op de Centrale Voorziening GeluidGegegevens (CVGG). De planlocatie ligt hier overigens wel, zoals benoemd, buiten . Aangegeven in de laatste zin is ‘de spoorlijn Amersfoort -Hilversum’ maar dat zal zijn ‘de spoorlijn Utrecht -Arnhem’.

•

3e aandachtspunt. Toevoegen dat de Dorpsstraat een provinciale weg is, waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld. Daarvoor geldt nog de Wet geluidhinder (overgangsrecht) en is het geluidaandachtsgebied de Wgh -geluidzone. Die is overigens 2 meter zoals is beschreven en het plangebied ligt daar inderdaad buiten.

00

•

4e aandachtspunt. Onjuist is dat 30 km/u -wegen geen geluidaandachtsgebied hebben. Met de invoering van de Omgevingswet is dat gewijzigd. De gemeente stelt voor haar wegen het geluidaandachtsgebied vast met in ieder geval de wegen met meer dan 2.500 mvt/etmaal (ongeacht de snelheid). De gemeente heeft overigens nog geen Basisgeluidemissie (BGE) en geluidaandachtsgebieden vastgesteld en vooralsnog geldt Artikel 17.5 (overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, loka le spoorwegen en waterschapswege n), kopie zie hieronder. De toetsing staat in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl. D eze Bkl -paragraaf is echter alleen van toepassing bij wegen met meer dan 2.500 mvt/etmaal. De Kerkstraat is een rustige weg. Uit de gegevens van de ODU blijkt dat er geen relevant geluidniveau optreedt als gevolg van wegverkeer op de planlocatie. Zie hiervoor de geluidcontouren (die ook in de onderbouwing moeten worden overgenomen).

•

5e aandachtspunt toevoegen. De locatie ligt niet in het geluidaandachtsgebied van rijkswegen. Artikel 17.5 (overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen) 1. Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop de gegevens voor de basisgeluidemissie uiterlijk worden verzameld, bestaat het geluidaandachtsgebied uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de volgende afstand

, gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg:

a. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; b. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en c. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

pagina 10 van 22

2. Als de lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg wordt bij de toepassing van het eerste lid het totaal van het aantal sporen of rijstroken beschouwd.

2.

Schrappen de voorlaatste alinea ‘Er dient……50 dB is’. Deze alinea is om diverse redenen (zie hiervoor) niet juist. De laatste zin is afdoende (‘conclusie……ontwikkeling’)..

Figuur B1. Geluidcontouren

wegverkeer indicatief (bron ODU intern webportaal).

pagina 11 van 22

Luchtkwaliteit Advies: 1. De paragraaf luchtkwaliteit in de BOPA

-onderbouwing aan te laten vullen.

Inhoudelijke onderbouwing 1.1 Er is geen informatie gegeven over de huidige en toekomstige luchtkwaliteit. Om de realisatie van de woningen planologisch mogelijk te maken, moet aangetoond worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit kader moet getoetst worden of de huidige en toekomstige luchtkwaliteit voldoet aan de eisen zoals opgenomen § 2.2.1. van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2.1 De geldende en toekomstige omgevingswaarden ontbreken in de BOPA -onderbouwing. In de paragraaf luchtkwaliteit van de BOPA -onderbouwing is het wettelijk kader voldoende omschreven. Er is daartegen niet ingegaan op de geldende (§ 2.2.1. Bkl) en toekomstige (EU -richtlijn) omgevingswaarden voor NO , PM10 en PM2,5. Dit moet wel worden toegevoegd aan de BOPA 2 onderbouwing. 2.2 Met de toetsing NIBM is aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen uit de Omgevingswet. In de paragraaf luchtkwaliteit is aangetoond dat het project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Nader onderzoek is daarmee niet nodig. 2.3 Er wordt voldaan aan de GGD -Richtlijn Luchtkwaliteit en Gezondheid.

In de GGD -Richtlijn Luchtkwaliteit en Gezondheid wordt aanbevolen om nieuwe gevoelige bestemmingen, inclusief woningen en ziekenhuizen, ten minste niet binnen 150 meter van een snelweg en niet binnen 25/50 meter 1 van een drukke weg met meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal te bouwen, onafhankelijk van de vraag of de grenswaarden worden overschreden of niet. Het plangebied ligt verder van dergelijke wegen vandaan. Daarmee is de luchtkwaliteit voldoende gegaran deerd. 2.4 De gemeente heeft het Schone Lucht Akkoord (SLA) ondertekend. Eén van de vaste maatregelen in het SLA is het opstellen van beleid voor de bescherming van hooggevoelige groepen, gebaseerd op de GGD -richtlijn Luchtkwaliteit en Gezondheid. In het beleid kan de gemeenten keuzes maken over de bescherming van gevoelige gro epen, zoals welke functies als gevoelig worden beschouwd en hoe daar mee om wordt gegaan. Een dergelijk beleid is nog niet opgesteld. Kanttekeningen 1.1 Er is niet ingegaan op de advieswaarden van de WHO. Als aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan, is er nog steeds kans op gezondheidsschade door luchtverontreiniging. De WHO hanteert daarom advieswaarden voor die lager zijn dan de wettelijke grenswaarden. Bovendien is gebleken dat NO 2 en fijn stof schadelijker zijn dan gedacht.

De WHO heeft daarom op 22 september 2021 de advieswaarden voor zowel NO 2 , PM10 en PM2,5 drastisch 3 verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 microgram per m .

1

25 meter binnen bebouwde kom, 50 meter buiten bebouwde kom pagina 12 van 22

2 1.2 De grenswaarden worden in de nabije toekomst aangescherpt. De EU -lidstaten in de Raad van de EU en het Europese Parlement hebben op 20 februari 2024 een voorlopig akkoord bereikt voor de Richtlijn Luchtkwaliteit. De richtlijn is op 14 oktober 2024 door de Raad van de EU bekrachtigd. Daarna hebben de lidstaten twee jaar om de richtlijn in nationale wetgeving om te zetten. De grenswaarden worden aangescherpt naar: • 20 μg/m 3 voor NO 2 in 2030; • 20 μg/m 3 voor PM10 in 2030; • 10 μg/m 3 voor PM2,5 in 2030. Het is niet bekend wat er met de NIBM -regeling gaat gebeuren.

Wat is getoetst? • Onderbouwing ETFAL Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat advies d.d. 6 maart 2026

, VanderMark

Waaraan is getoetst? • Omgevingswet; • Besluit kwaliteit leefomgeving; • GGD Richtlijn Luchtkwaliteit en Gezondheid, 9 maart 2023.

2

https://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2024/10/14/air-quality-council-gives-final-green-lightto-strengthen-standards-in-the-eu/ https://iplo.nl/thema/lucht/nieuws-lucht/2024/europese-raad-geeft-groen-licht-aanscherping/ pagina 13 van 22

Externe veiligheid Advies: 1. Akkoord te gaan met de

BOPA -onderbouwing voor het aspect externe veiligheid.

Inhoudelijke onderbouwing 1.1Het wettelijk kader is voldoende omschreven. In de paragraaf externe veiligheid is het wettelijk kader

voldoende en juist omschreven.

1.2 Er zijn geen risicobronnen in de nabijheid In de BOPA -onderbouwing wordt terecht geconcludeerd dat er geen risicobronnen in de nabijheid van de locatie zijn die tot belemmeringen leiden op het gebied van externe veiligheid. Wat is getoetst? • Onderbouwing ETFAL Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat advies d.d. 6 maart 2026 Waaraan is getoetst? • Beleid magneetveldzones hoogspanningslijnen; • Wet vervoer gevaarlijke stoffen; • Regeling Basisnet; • Omgevingswet; • Besluit kwaliteit leefomgeving; • Besluit activiteiten leefomgeving; • Omgevingsbesluit; • Omgevingsregeling; • Gezamenlijke B eleidsnotitie Externe Veiligheid ODU

, VanderMark

-gemeenten .

pagina 14 van 22

Milieuzonering Advies : 1. De BOPA -onderbouwing te laten aanpassen

voor het aspect milieuzonering.

Inhoudelijke onderbouwing 1.1 De g eurbelasting is niet aanvaardbaar bij langer dan 10 jaar . In paragraaf 5.5 is vermeld dat ook bij langer dan 10 jaar er sprake is van een aanvaardbaar woon leefklimaat. Dit is niet correct . De geurnorm van 3,0 ou/m 3 wordt namelijk overschreden.

- en

1.2 Veehouderij wordt belemmerd bij langer dan 10 jaar . Voor de veehouderij gelden de regels in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is een uitzondering gemaakt voor woningen die maximaal voor 10 jaar zijn toegelaten (zie artikel 22.90). Als de optie voor 15 jaar wordt toegestaan, dan wordt de veehouderij be lemmerd omdat de geurbelasting op de nieuwe woningen het hoogste is en de norm wordt overschreden. 2.1 Cumulatieve geurbelasting is onvoldoende onderbouwd . In artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving ( Bkl ) staat dat geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. Op basis van de voorgrondbelasting is on voldoende onderbouwd dat geur aanvaardbaar is (wel voor tijdelijke woningen van 10 jaar) . Aanvaardbaarheid van geur betekent dat ook cumulatie moet worden beoordeeld. In het geuronderzoek (bijlage 6) wordt voor de achtergrondbelasting zonder berekening beargumenteerd dat deze niet relevant is omdat de voorgrondbelasting afkomstig van de veehoud erij Kerkstraat 34 bepalend is. Dit is niet onderbouwd. Gezien het grote aantal intensieve veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied is een berekening van de achtergrondbelasting noodzakelijk voor de BOPA -onderbouwing. 2.2 Wettelijk kader in bijlage 6 is onjuist . In bijlage 5 in onderdeel 2.2 staat het wettelijk kader van voor de Omgevingswet.

Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL ) en daarnaast de instructieregels voor geur in paragraaf 5.1.4.6.3 van het Bkl. Zie voor meer informatie bijlage 1 van milieuzonering. Wij adviseren om het wettelijk kader aan te passen in de BOPA -onderbouwing. 2.3 Onderbouwing voor s puitzonering ontbreekt . Het plangebied grenst aan agrarische productiegrond waardoor in de onderbouwing moet worden ingegaan op spuitzonering. De omliggende agrarische percelen zijn al lange tijd in gebruik al maar in het omgevingsplan is geen verbod opgenomen om grasland om te vormen tot akkerbouwgronden. Zie voor meer informatie bijlage 2 van milieuzonering .

s grasland

2.4 . De BOPA -onderbouwing voor geluid is voldoen. Voor ETFAL moet worden getoetst aan de instructieregels uit het Bkl. In paragraaf 5.4 is getoetst aan de VNG -handreiking 2009 , maar de instructieregels voor geluid ontbreken. Wij gaan er wel vanuit dat aan de afstanden voor geluid wordt voldaan. Deze kan worden gebruikt om aan te tonen dat sprake is van ETFAL. Wij adviseren wel om de instructieregels voor geluid op te nemen is de BOPA onderbouwing . Wat is getoetst? • Het Onderzoek Geur Veehouderijen opgesteld door De Roever (bijlage 6) , • Onderbouwing ETFAL Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat advies d.d. 6 maart 2026

, VanderMark pagina 15 van 22

Waaraan is getoetst? • Evenwichtige toedeling van functies aan locaties • Instructieregels H5 Besluit kwaliteit leefomgeving

pagina 16 van 22

Bijlage milieuzonering Gevoelige gebouwen In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan gevoelige gebouwen gedefinieerd in artikel 3.21 (geluidgevoelig), artikel 5.91 (geurgevoelig) en artikel 5.80 (trillinggevoelig). Deze artikelen komen overeen. Een gevoelig gebouw is: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. De gemeente mag aanvullend andere gebouwen aanwijzen (dit staat in artikel 5.91 lid 4 Bkl). Zolang de gemeente het omgevingsplan niet heeft gewijzigd, gaan wij uit van geurgevoelig object, zoals vermeld in het omgevingsplan. De gemeente heeft namelijk dan nog geen keuze gemaakt om wel of niet extra gebouwen aan te wijzen. Geurgevoelig gebouw of geurgevoelig object In de bruidsschat staat geurgevoelig object in plaats van geurgevoelig gebouw. Een geurgevoelig object is een gebouw, bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergeli jkbare wijze wordt gebruikt (langdurige blootstelling).

Bij het beoordelen of bestaande activiteiten worden belemmerd, wordt rekening gehouden met de regels in het omgevingsplan, dat wil zeggen geurgevoelig object in plaats van geurgevoelig gebouw (zolang de gemeente dit niet heeft gewijzigd). Evenwichtige toedeling van functies aan locaties In artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl staat dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het begrip ‘evenwichtige toedeling’ is in het Bkl niet nader omschreven. Het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om in te vullen wat een evenwichtige toedeling is en moet de betrokken belangen afwegen. In dit deeladvies is aangesloten bij het criterium ‘goed e ruimtelijke ordening’ dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene be palingen omgevingsrecht. ETFAL betekent in elk geval dat wordt getoetst aan de instructieregels in afdeling 5.1 Bkl. Deze instructieregels gelden ook bij het beoordelen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (zie artikel 8.0b Bkl). Voor milieuzonering gaa t het om paragraaf 5.1.4 (beschermen van de gezondheid en van het milieu).

De instructieregels over geluid/trillingen/geur zijn van toepassing op het toelaten van: - een activiteit, anders dan het wonen, die geluid/trillingen/geur veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. - een gevoelig gebouw waarop geluid/trillingen/geur wordt veroorzaakt door een toegelaten activiteit, anders dan het wonen. Instructieregels Hoofdstuk 5 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In hoofdstuk 5 van het Bkl staan instructieregels voor omgevingsplannen. Deze instructieregels gelden ook bij het beoordelen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (zie artikel 8.0b Bkl). Voor milieuzonering (exclusief externe vei ligheid) betekent dit dat getoetst moet worden aan paragraaf 5.1.4 Beschermen van de gezondheid en van het milieu. In deze paragraaf staan onder andere regels voor geluid, geur, trillingen en windturbines.

pagina 17 van 22

Bijlage 2. Spuitzone Afstand van 50 meter Er zijn geen wettelijke bepalingen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen landbouwgronden waar met gewasbeschermingsmiddelen kan worden gespoten en nabijgelegen woningen en daarbij behorende tuinen en andere gevoelige functies. Op grond van de jur isprudentie wordt een afstand van 50 meter als spuitzone aanvaardbaar geacht. In specifieke gevallen kan een kortere afstand aanvaardbaar zijn. De afstand van 50 meter is ontstaan in relatie tot de fruitsector, maar is inmiddels gangbaar in relatie tot alle agrarische bedrijvigheid waarin gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. Om een kleinere spuitzone mogelijk te maken, is een locatie specifiek onderzoek nodig. Er is op dit moment geen geaccepteerde onderzoeksmethode om de kortere afstand te onderbouwen. Redenen voor een kortere afstand: • verplichte driftreductie van 75% ter bescherming gezondheid (zie artikel 4.723c Bal); • niet spuiten bij windsnelheid meer dan 5 m/s (zie artikel 4.723e Bal) • neerwaarts spuiten (bij zijwaarts en opwaarts is de drift groter en verspreidt zich verder); • frequentie van spuiten; • gebruikte middelen; • groenblijvende hagen van voldoende grootte en breedte; • overheersende windrichting. Gevoelige objecten Bij spuitzones gaat het om langdurige blootstelling.

Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat moet worden beoordeeld of in het betreffende object, ter plaatse van de betreffende functie, mensen langdurig (kunnen) verblijven. Daarmee hebben zij een gro tere kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Als dat het geval is, is doorgaans sprake van een gevoelig object. Dat is bijvoorbeeld het geval bij kantoren, maar kan ook het geval zijn bij tuinen. Grasland Daar waar uitsluitend sprake is van grasland, zowel in de feitelijke als de maximale planologische invulling, kan worden uitgegaan van een korte afstand. Dit met als uitgangspunt dat grasland maximaal eenmaal per jaar wordt bespoten vanwege onkruidbestrijd ing, de verplichte driftreductie van minimaal 75% en neerwaarts spuiten.

Jurisprudentie Relevante jurisprudentie: • spuitzone 50 meter ECLI:NL:RVS:2013:BY8000 • langdurige blootstelling ECLI:NL:RVS:2009:BJ3407 • ook tot tuinen ECLI:NL:RVS:2004:AP0392 en ECLI:NL:RVS:2021:276 • PRI 2015 niet goed ECLI:NL:RVS:2020:3018 • EFSA -model niet goed ECLI:NL:RVS:2022:3023 • overheersende windrichting ECLI:NL:RVS:2017:1302 • aanwezige watergangen ECLI:NL:RVS:2017:1302 • type teelt ECLI:NL:RVS:2009:BI3702 en ECLI:NL:RVS:2012:BY5122 • wijze van spuiten ECLI:NL:RVS:2017:1157 • driftreducerende maatregelen ECLI:NL:RVS:2017:1353; ECLI:NL:RVS:20178:1157; ECLI:NL:RVS:2015:2776, ECLI:NL:RVS:2011:BU5433; ECLI:NL:RVS:2014:153; ECLI:NL:RVS:2017:943 pagina 18 van 22

•

maximale planologische mogelijkheden

ECLI:NL:RVS:2021:2560

Documenten en adviezen Gezondheidsraad 2014: Gewasbescherming en omwonenden Gezondheidsraad 2020: Vervolgadvies gewasbescherming en omwonenden Rijksoverheid 2023: “Nabuurschap’ bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen RVO 2025: Handreiking Aanpak spuitvrije zones bij nieuwbouwprojecten Kamerbrief In de kamerbrief van 19 november 2025 is vermeld dat het RIVM en de WUR zijn gevraagd om een verkennende studie uit te voeren naar spuitzonering vanuit een wetenschappelijk perspectief. Hierin wordt de haalbaarheid van nieuwe of bestaande modellen voor het onderbouwen van het blootstellingsrisico in rel atie tot spuitzonering onderzocht. Halverwege 2026 wordt een rapport van de WUR en RIVM opgeleverd waarin de haalbaarheid van een nieuw rekenmodel wordt beschreven voor het voorspellen van gezondheidsrisico’s van bewoners nabij spuitzones.

pagina 19 van 22

Ecologie Advies: 1. Het verkennend ecologisch onderzoek aan te vullen voor de das . 2. Akkoord te gaan met de A erius -ber ekening. 3. De BOPA -onderbouwing voor ecologie aan te vullen na wijzigingen in

het verkenne nd onderzoek.

Inhoudelijke onderbouwing 1.1 Het verkennend ecologisch onderzoek is grotendeels goed opgesteld. In het ecologisch onderzoek is zowel aandacht besteed aan gebiedsbescherming (inclusief mogelijke stikstofdepositie) als aan soortbescherming. Beide onderdelen zijn grotendeels voldoende behandeld en er is geen reden om de getrokken conclusies te bestrijden. Er is wel een aanvulling nodig voor de das. Het gebied ligt op korte afstand van de NNN, waar mogelijk dassen voorkomen. Van dassen is het bekend dat zij maisland gebruiken voor voedsel. Op dit moment is niet duidelijk in hoeverre dit maisland een essentieel foerageergebied vormt voor dassen. Het verk ennend onderzoe k m oet op basis van de das worden aangevuld . 2.1. De uitgevoerde Aerius -berekening is op een goede wijze uitgevoerd. Alle uitgangswaarden die zijn genomen vallen binnen het te verwachten patroon. Hierbij is in de bouwfase gekeken naar gebruik van machines en aanvoer materiaal en bouwvakkers. In de gebruiksfase is getoetst op verkeersbewegingen en eventuele uitstoot van d e geplande activiteit. De berekening is voldoende voor de onderbouwing van dit plan. 3.1 Het ecologisch onderzoek is goed samengevat in de BOPA -onderbouwing . Aanvulling van het ecologisch onderzoek leiden mogelijk tot een andere conclusie. In dat geval moet de BOP A -onderbouwing hier op worden aangepast.

Wat is getoetst? • Quickscan flora en fauna Renswoude, kerkst raat. T.D. Breur. Datum 20 -5-2025. Projectnummer 25016v1. • Beoordeling NNN. T.D. Breur. Datum 30 -1-2026. Projectnummer 26004v1. • Memo stikstofdepositie tijdelijke woningen Kerkstraat Renswoude. Langelaar Milieuadvies. Datum 19 februari 2026. Met bijlage: • Aeriusberekening aanleg - en gebruiksfase RjQ9edL9QmD8. Waaraan is getoetst? • Omgevingswet onderdeel natuur (flora en fauna, Natura

-2000/stikstof)

pagina 20 van 22

Duurzaamheid ( BENG en MPG ) Advies: 1. Akkoord te gaan met de BOPA

-onderbouwing vanuit duurzaamheid (BENG en MPG).

Inhoudelijke onderbouwing 1.1Het realiseren van tijdelijke woningen moet voldoen aan de regels van bestaande bouw. Voor een tijdelijk bouwwerk is vooraf vastgesteld hoelang het op een bepaalde locatie mag blijven staan. Deze termijn bedraagt maximaal vijftien jaar. Als uitgangspunt geldt dat tijdelijke bouwwerken moeten voldoen aan de regels voor bestaande bouw. Indien het bouwwerk na afloop van deze termijn van vijftien jaar blijft staan, zijn de nieuwbouweisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) van toepassing, waaronder de BENG ‑ en MPG -berekeningen nodig zijn. Met de ingediende BENG - en MPG -berekeningen is voldoende inzicht gecreëerd in de energieprestatie van de gebouwen. Uit de berekeningen blijkt dat het bouwplan voldoet aan de eisen voor de energieprestatie van nieuwbouw. Wij gaan akkoord met de BENG en MPG berekeningen. Wat is getoetst? • Onderbouwing ETFAL Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat advies d.d. 6 maart 2026

, VanderMark

Waaraan is getoetst? • Besluit bouwwerken leefomgeving o BENG -normen en de MPG -norm .

pagina 21 van 22

Mer Advies: 1. De BOPA -onderbouwing te laten aanpassen voor het aspect Mer. 2. Indien sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject , een aanmeldingsnotiti e op te laten stellen en bij de omgevingsvergunningaanvraag toe te laten voegen. Inhoudelijke onderbouwing 1.1W aarschijnlijk is er sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject (J1 1). In de BOPA -onderbouwing wordt geen aandacht geschonken aan de regelgeving omtrent milieueffectrapportage. Er wordt dan ook geen stelling ingenomen of hier sprake is van een activiteit zoals aangewezen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Gelet op de aard, omvang en directe omgeving alsmede gelet op bestaande jurisprudentie over dit onderwerp , kan de aangevraagde activiteit echter waarschijnlijk worden aangemerkt als een activiteit zoals bedoeld in categorie J11 in bijlage V van het Omgevingsbesluit (Stede lijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen). De BOPA -onderbouwing moet worden aangevuld met een MER -paragraaf, waarin wordt onderbouwd of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. 2.1 Als er sprake is van een stedelijke ontwikkeling moet een aanmeldnotitie worden toegevoegd bij de aanvraag. Indien sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt het volgende.

Een mededeling in de vorm van een aanmeldnotitie moet worden opgesteld en bij de omgevingsvergunningaanvraag worden gevoegd. De inhoud van de mededeling moet voldoen aan het gestelde in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit waarbij (onder andere) de relevante milieuthema’s aan de hand van de beoordeling scriteria uit bijlage III van de Europese Mer -richtlijn integraal moeten worden beschouwd. Daarbij is niet alleen het gebruik van d e kopjes ‘kenmerken van het project’, ‘locatie van het project’, kenmerken van het potentiële effect’ voldoende. Er moet ook worden ingegaan op de sub -criteria zoals opgenomen in bijlage III bij de Europese mer -richtlijn (Richtlijn 2011/92, PbEU 2012, L 26 ). Indien uitgevoerde onderzoeken en getrokken conclusies met betrekking de verschillende (milieu)thema’s worden aangepast/aangevuld naar aanleiding van de andere (inhoudelijke) adviezen, dan moeten deze wijzigingen worden meegenomen in de nog op te ste llen aanmeldingsnotitie. Wat is getoetst? • Onderbouwing ETFAL Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat advies d.d. 6 maart 2026

, VanderMark

Waaraan is getoetst? • Omgevingswet, Omgevingsbesluit

pagina 22 van 22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16897072/2