Rekenkamerrapport Jeugdhulp Bunschoten
Tekst van het document
Op weg naar normaliseren en hulp dichtbij Onderzoek naar Jeugdhulp in de gemeente Bunschoten Maart 2026
COLOFON De rekenkamer De Rekenkamer Vallei en Veluwerand is een onafhankelijke rekenkamer van de gemeenten Barneveld, Bunnik, Bunschoten, Leusden, Nijkerk, Renswoude, Scherpenzeel en Zeewolde. De rekenkamer bestaat uit een voorzitter en vier leden: de heer M. Pen (voorzitter), de heer H.M. ter Beek, de heer J.C.T.M. Doorakkers, de heer M.C. Neimeijer, en mevrouw J.T. Versteegh. De rekenkamer heeft twee secretaris-onderzoekers: mevrouw M.J. Meerdinkveldboom en mevrouw M.M. Mulder.
-1-
-2-
Inhoudsopgave 1. Inleiding ......................................................................................................................................... 4 1.1 Doelstelling en onderzoeksvragen .......................................................................................................4 1.2 Onderzoekaanpak en afbakening ........................................................................................................5 1.3 Leeswijzer .............................................................................................................................................5 2. Bevindingen....................................................................................................................................
7 2.1 Situatieschets jeugdhulp in Bunschoten ..............................................................................................7 2.1.1 Gemeentelijke doelen voor de jeugdhulp ......................................................................................7 2.1.2 Hoe is jeugdhulp in Bunschoten georganiseerd? .........................................................................10 2.1.3 Aantallen jeugdigen die hulp ontvangen .....................................................................................11 2.1.4 Kosten van de specialistische jeugdhulp ......................................................................................14 2.2 Doelbereik en sturing daarop.............................................................................................................18 3. Conclusies en aanbevelingen......................................................................................................... 26 4. Bestuurlijke reactie van het college en nawoord rekenkamer ........................................................
30 4.1 Bestuurlijke reactie ............................................................................................................................30 4.2 Nawoord rekenkamer ........................................................................................................................32 Bijlage 1 Toetsing van het normenkader ........................................................................................... 33 Bijlage 2 Bronnenlijst ........................................................................................................................ 35 Bijlage 3 Respondenten .................................................................................................................... 38
-3-
1. Inleiding Onderzoek gericht op jeugdhulp Na overleg met de ‘begeleidingscommissie rekenkamer’ van de gemeenteraad heeft de rekenkamer besloten om onderzoek uit te voeren naar jeugdhulp in Bunschoten. Dit onderwerp is maatschappelijk gezien immers van groot belang, omdat goede jeugdhulp bijdraagt aan het welzijn en de toekomstkansen van kinderen, terwijl het ook een groot deel van de financiële middelen van de gemeente vergt. In de praktijk worden de termen jeugdzorg en jeugdhulp door elkaar gebruikt. Er is echter een onderscheid tussen deze twee termen. Onder jeugdzorg vallen jeugdhulp, jeugdreclassering en jeugdbescherming (Bron: Wat is het verschil tussen jeugdzorg en jeugdhulp? | Sociaal Werk Nederland). Om het onderzoek af te bakenen heeft de rekenkamer ervoor gekozen om het onderzoek te richten op jeugdhulp, en dus niet op jeugdreclassering en jeugdbescherming. De toegenomen aantallen jeugdigen en daarmee samenhangende kosten betreffen namelijk vooral de jeugdhulp en niet zozeer de jeugdreclassering en jeugdbescherming. Jeugdhulp gaat om hulp bij psychische problemen, verstandelijke beperkingen en opvoedproblemen. Er kan sprake zijn van jeugdhulp zonder verblijf, bijvoorbeeld door een wijkteam, ambulante hulp of dagbehandeling op de locatie van de aanbieder of hulp uit het eigen netwerk.
Ook kan er sprake zijn van jeugdhulp met verblijf, bijvoorbeeld in een pleeggezin, logeerhuis of zorgboerderij of gesloten plaatsing in een instelling. Om het brede onderwerp enigszins af te bakenen heeft de rekenkamer in dit onderzoek gekeken naar jeugdhulp zonder verblijf. Gemeenten hebben bij jeugdhulp met verblijf namelijk minder beleidsvrijheid dan bij jeugdhulp zonder verblijf (ook wel ambulante hulp genoemd). En qua aantallen hebben de meeste jeugdigen die jeugdhulp ontvangen een vorm van hulp zonder verblijf. Veel gemeenten spreken bij hulpverlening in het sociaal domein, en specifiek bij jeugdhulp, over een piramide. Onder in de piramide ligt de nadruk op het versterken van de eigen kracht en wordt hulp gegeven in het eigen netwerk en door organisaties zoals welzijnswerk en kerken, meer naar boven vindt laagdrempelige hulpverlening plaats en boven in de piramide staat de gespecialiseerde jeugdhulp. Het is belangrijk dat deze piramide efficiënt georganiseerd is en dat de samenwerking tussen de verschillende betrokken partijen goed verloopt. Het is zaak om adequate zorg op het juiste niveau te bieden, aangezien zorg hoger in de piramide kostbaarder is dan zorg op de niveaus lager de piramide. De gemeente Bunschoten hanteert in deze piramide een indeling van drie niveaus van jeugdhulp:
1.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Onderzoeksdoel De rekenkamer wil met dit onderzoek inzicht geven in de mate waarin de gestelde doelen voor de jeugdhulp in Bunschoten worden gehaald. Ook wil de rekenkamer met dit onderzoek de samenwerking in de jeugdhulp in kaart brengen en nagaan of de jeugdhulp efficiënt georganiseerd is. -4-
Centrale onderzoeksvraag De centrale vraag in dit onderzoek is: In hoeverre worden de beleidsdoelen van de gemeente Bunschoten voor de jeugdhulp behaald en in hoeverre is de jeugdhulp in Bunschoten efficiënt georganiseerd? Deelvragen en normenkader De centrale onderzoeksvraag is uitgewerkt in onderstaande deelvragen. In bijlage 3 is het bijbehorende normenkader opgenomen. Met behulp van de normen heeft de rekenkamer de praktijk in Bunschoten getoetst. A. Situatieschets jeugdhulp in Bunschoten 1. Hoeveel jeugdigen ontvangen jeugdhulp in Bunschoten en hoe is de jeugdhulp georganiseerd? 2. Welke kosten zijn gemoeid met de jeugdhulp in Bunschoten, specifiek de specialistische jeugdhulp en de jeugdhulp geboden door het sociaal team? Hoe ziet de ontwikkeling van de kosten eruit in de jaren 20212024? B. Doelen en doeltreffendheid 3. Welke doelen voor de jeugdhulp heeft de gemeente in het beleid gesteld? 4. Hoe zijn de doelen geoperationaliseerd? 5. Op welke wijze stuurt de gemeente op het bereiken van de doelen en hoe monitort zij dit? 6. In hoeverre worden de doelen gehaald? 7. Zijn er oorzaken te onderscheiden voor het wel/niet bereiken van de doelen, en zo ja, welke zijn dat? C. Uitvoering van de jeugdhulp 8. Hoe hebben de gemeente en partijen in de keten de samenwerking georganiseerd? 9. In hoeverre draagt de uitvoering in de keten bij aan het behalen van de doelen?
1.2 Onderzoekaanpak en afbakening Het onderzoek heeft zich met name gericht op de periode sinds het vaststellen van het integraal beleidskader Sociaal Domein 2024-2027 ‘Samen verder’ en de start van het werken in de specialistische jeugdhulp met de organisatie MetMaya. Met name voor de kostenontwikkeling, het aantal cliënten in de jeugdhulp en de gemiddelde duur van de zorgtrajecten hebben we langer teruggeblikt, tot en met 2021. In het onderzoek zijn relevante documenten en andere data bestudeerd (zie bronnenlijst in bijlage 1). Vervolgens zijn interviews gehouden met zes ambtenaren van de gemeente, drie medewerkers van het sociaal team De Lingt en veertien medewerkers van in totaal tien betrokken organisaties in de jeugdhulpketen (zie bijlage 3). Het onderzoek heeft geresulteerd in dit rapport met bevindingen. Deze is voorgelegd aan respondenten voor een controle op feitelijke onjuistheden. Daarna heeft de rekenkamer conclusies en aanbevelingen toegevoegd aan het rapport. Het volledige rapport heeft de rekenkamer voorgelegd aan het college van B&W voor een bestuurlijke reactie. Daarna is het onderzoeksrapport aangeboden aan de gemeenteraad.
1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 beschrijven we de bevindingen. Daarbij schetsen we in paragraaf 2.1 eerst een beeld van de jeugdhulp in Bunschoten: wat houdt de jeugdhulp in, welke doelen wil de gemeente bereiken, hoeveel -5-
jeugdigen maken gebruik van jeugdhulp en welke kosten zijn ermee gemoeid? Paragraaf 2.2 beschrijft in hoeverre de gemeente de doelen behaalt en hoe ze daarop stuurt en monitort. In paragraaf 2.3 gaan we in op de ketensamenwerking en sterke en zwakke punten daarin. Hoofdstuk 3 bevat de conclusies en aanbevelingen. In hoofdstuk 4 volgt de bestuurlijke reactie van het college en het nawoord van de rekenkamer.
-6-
2. Bevindingen In dit hoofdstuk beschrijven we de bevindingen van ons onderzoek naar de jeugdhulp in de gemeente Bunschoten. We starten met een overzicht van de huidige situatie: de gemeentelijke doelen, de inrichting van de jeugdhulp, het aantal jeugdigen dat ondersteuning ontvangt en de bijbehorende kosten (paragraaf 2.1). Daarna gaan we in op het doelbereik van de jeugdhulp en de factoren die het behalen van deze doelen ondersteunen of juist belemmeren (paragraaf 2.2).
2.1 Situatieschets jeugdhulp in Bunschoten 2.1.1 Gemeentelijke doelen voor de jeugdhulp De doelen die gemeente wil bereiken met jeugdhulp heeft de gemeente verwoord in het integraal beleidskader sociaal domein 2024-2027 ‘Samen Verder’. Het hoofddoel van de gemeente is dat jeugdigen kansrijk opgroeien en zij zich gezond en veilig kunnen ontwikkelen. De gemeente zet hiervoor in op vier doelen: 1. Normaliseren: hulpvragen zien als normaal bij het opgroeien. Zaken dienen in eerste instantie in het gezin en in de sociale basis opgelost te worden; er wordt niet direct een verwijzing gedaan naar diagnostisering. 2. Het uitbreiden van collectief aanbod voor jongeren voor preventieve, vroegtijdige en passende ondersteuning. 3. De transformatie in de jeugdhulp versnellen door een andere wijze van inkoop en nauwere samenwerking tussen sociale basis, sociaal team en specialistische zorg. Daarbij is professionele hulp tijdelijk en aanvullend en gericht op het versterken van de eigen kracht van inwoners. 4. Voorkomen dat kinderen uit huis geplaatst worden.
Het normaliseren vormt als het ware het hoofddoel. De drie doelen daaronder zijn op te vatten als manieren om het normaliseren te bereiken. Gezien de afbakening van dit rekenkameronderzoek tot jeugdhulp zonder verblijf hebben wij de toetsing van het doel ‘het voorkomen van uithuisplaatsingen’ buiten beschouwing gelaten. Hoe is de gemeente tot deze doelen gekomen? De volgende zaken hebben een rol gespeeld bij het opstellen van de gemeentelijke doelen: 1. De genoemde doelen komen allereerst voort uit het vorige beleidsplan: daarin was al ingezet op de ontwikkeling om zorg zo veel als mogelijk in de sociale basis te laten plaatsvinden en daarmee zo laag mogelijk in de piramide te willen inzetten. 2. Daarnaast heeft de gemeente voor de ontwikkeling van het beleid ‘Samen verder’ participatiesessies georganiseerd met themabijeenkomsten. Organisaties uit de sociale basis zoals welzijnsorganisatie De Boei, scholen en huisartsen, werden voor deze bijeenkomsten uitgenodigd. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze bijeenkomsten heeft de gemeente de thema’s in het beleidsplan opgesteld. 3. Bovendien heeft de gemeente in het beleidsplan ‘Samen verder’ rekening gehouden met landelijke ontwikkelingen, te weten de ‘Hervormingsagenda Jeugd’, het ‘Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming’ en het ‘Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA)’. Het kernpunt van de -7-
Hervormingsagenda Jeugd is het verbeteren van de jeugdhulp door de nadruk te leggen op lichtere hulp dichtbij gezinnen, zodat zware zorg minder nodig is. Het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming richt zich op een integrale gezinsgerichte aanpak voor het creëren van veilige thuissituaties. Het GALAakkoord gaat om het realiseren van een gezonde generatie in 2040, door een integrale aanpak voor sport, beweging en een gezonde leefstijl. Hoe zijn de doelen geoperationaliseerd; hoe werken ze door in de uitvoering? De gemeente heeft de doelen uit het beleid ‘Samen Verder’ niet geoperationaliseerd in een uitvoeringsprogramma, maar wel in het beleidskader opgenomen hoe de doelen behaald gaan worden. Om de doelen te behalen zijn er vaak partners nodig. De doelen zijn dan vertaald naar prestatieafspraken (de Boei), of werkplannen (LEA). Daarnaast is onder andere de ‘Omgekeerde verordening sociaal domein 2025’ vanuit dezelfde visie geschreven. Het ‘omgekeerde’ houdt in dat de doelen van de inwoner centraal staan en gekeken wordt welke wetgeving past bij de ondersteuningsvraag. Deze verordening stelt de raad jaarlijks vast. In de verordening komt de wens tot normaliseren tot uitdrukking. In de verordening wijst de gemeente op de eigen verantwoordelijkheid van inwoners.
Daarnaast geeft zij aan dat de gemeente helpt waar dat nodig is en inwoners stimuleert om zelf oplossingen te vinden voor problemen, met hulp van het sociale netwerk. In de verordening is vastgelegd dat de gemeente onderzoek doet om te bepalen wat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen oplossen. De gemeente beoordeelt daartoe onder andere de mogelijkheden van het gezin en het sociale netwerk en de mogelijkheden van voorliggende voorzieningen (zoals school en welzijnsorganisatie De Boei). Op de gemeentelijke website wordt deze eigen verantwoordelijkheid van inwoners echter niet benoemd op de pagina’s waar het over jeugdhulp en sociaal team De Lingt gaat, en ook niet in de folder over de gedragsdeskundigen. In 2023 richtte de gemeente de ‘Taskforce stijging jeugdzorgkosten’ op. Deze ambtelijke taskforce heeft de stijging van de kosten geanalyseerd. Op basis daarvan heeft de taskforce maatregelen opgeleverd, die moeten bijdragen aan het behalen van de beleidsdoelen. Deze maatregelen waren gericht op de instroom, doorstroom en uitstroom van de jeugdhulp (Bron: Analyse taskforce stijging jeugdzorg 2023). De belangrijkste maatregelen die de gemeente heeft getroffen om het normaliseren te bevorderen, zijn de volgende: • •
• •
Er wordt geen diagnostiek onder de 12 jaar meer uitgevoerd, behalve als dat echt nodig is. Het sociaal team beslist hiertoe. Verwijzing naar specialistische jeugdhulp gebeurt in principe niet meer door huisartsen. Huisartsen hebben wel de bevoegdheid om direct door te verwijzen, maar in gesprekken met huisartsen stimuleert de gemeente hen om naar het sociaal team van de gemeente te verwijzen. Het sociaal team houdt zo de regie en het overzicht over eventuele verwijzingen naar specialistische hulp. Bovendien kan het sociaal team of de sociale basis zelf begeleiding bieden en is doorverwijzing naar specialistische hulp niet altijd nodig. Het sociaal team en welzijnsorganisatie De Boei zetten meer in op groepsaanbod voor jongeren en ouders. Individueel aanbod, dat duurder is dan groepsaanbod, is dan niet altijd meer nodig. Bij de regionale aanbesteding van specialistische jeugdhulp, die door met MetMaya is gewonnen, is als taakstelling meegegeven om het aantal doorverwijzingen naar specialistische jeugdhulp te laten dalen. MetMaya heeft de opdracht om kritisch te kijken naar de doorverwijzingen en te bepalen of specialistisch hulp echt noodzakelijk is of dat toch terugverwezen wordt naar het sociaal team. MetMaya ontvangt onder andere daarom een taakgerichte financiering.
Taakgerichte financiering is gebaseerd op het verwachte aantal jeugdigen maal een gemiddelde trajectprijs, in plaats van facturen voor individuele trajecten. -8-
In de uitvoering gebruikt het sociaal team een kwaliteitskader, waarin alle stappen van het werkproces staan. Ook staan hierin de bestaande overlegvormen beschreven. Het kwaliteitskader is sterk op de uitvoering gericht; er wordt geen verband gelegd met de gemeentelijke doelen op het gebied van jeugdhulp. Tot slot heeft de gemeente haar doelen voor de jeugdhulp benoemd in de subsidie aan welzijnsorganisatie De Boei. Ze verwacht dat De Boei bijdraagt aan het kansrijk en veilig opgroeien van jeugdigen door het bieden van opvoedondersteuning, zowel in groepen als individueel. Daarnaast dient De Boei, door het jongerenwerk op straat, oog te hebben voor jongeren bij wie veilig opgroeien in het geding kan zijn. De Boei speelt een verbindende rol om deze jeugdigen passend te kunnen ondersteunen (Bron: Uitvoeringsovereenkomst subsidie 2024 De Boei, p. 4). De Boei verantwoordt aan de gemeente in haar jaarverslag aan de hand van deze doelen. Regio Amersfoort, waar Bunschoten onderdeel van uitmaakt, heeft in de overeenkomst met MetMaya doelen en kritieke prestatie-indicatoren opgenomen. Enkele doelen zijn de transformatie binnen het Sociaal Domein in de Regio Amersfoort versnellen en het waarborgen en financieel beheersbaar en betaalbaar houden van de hulp en ondersteuning. Daarbij dient MetMaya zich te houden aan de volgende uitgangspunten: • • • • •
• • •
• •
Preventie is de beste interventie, waarbij veiligheid voorop staat; De entreemedewerker screent integraal waarbij alle levensgebieden in beeld worden gebracht en stuurt op oplossingen en participeren in de eigen omgeving; De eigen kracht van de inwoner en zijn omgeving is het vertrekpunt van de oplossing; Eén huishouden - één plan - één regisseur; Tijdige en passende ondersteuning waarbij de ondersteuningsbehoefte van de inwoner centraal staat en niet het aanbod; vraag- en resultaatgericht werken, inclusief, cultuursensitief, en ervaringsdeskundig aanbod; De zorg beweegt zich naar de omgeving van de inwoner en de jeugdige op school; inwoners verhuizen alleen als een andere woon- of verblijfplek noodzakelijk is voor het herstel; De ondersteuning is flexibel ingericht op de fase van het herstel, en de ondersteuning is continu door een warme overdracht bij overgangssituaties (ook bij ‘van 18- naar 18+’); De hulp en ondersteuning is zo licht/kort als mogelijk en zo intensief/lang als nodig is: ondersteuning vanuit de sociale basis, en lokaal/sociaal team als het kan, en indien nodig specialistische aanvullende ondersteuning.
Daarnaast afschalen zodra mogelijk en opschalen zodra nodig; Ondersteuning wordt collectief aangeboden als het kan en individueel als het moet; De (administratieve) werkprocessen zijn eenvoudig en snel, zodat professionals meer tijd en energie kunnen steken in het werken aan de doelen met de cliënt.
-9-
2.1.2 Hoe is jeugdhulp in Bunschoten georganiseerd? In deze paragraaf schetsen we hoe de piramide van de jeugdhulpketen in de praktijk werkt. Hoe vindt instroom plaats en welke partijen zijn betrokken? De rekenkamer heeft in figuur 2.1 de piramide van Bunschoten uitgebeeld:
Figuur 2.1 Piramide van de jeugdhulpketen in Bunschoten In 2024 vond een grote verandering plaats in de uitvoering van de specialistische jeugdhulp in de Regio Amersfoort. In plaats van te werken met een paar honderd jeugdhulpaanbieders voor alle gemeenten wordt de specialistische jeugdhulp nu voor de Regio Amersfoort uitgevoerd door één partij: MetMaya. Het startjaar 2024 en ook de eerste maanden van 2025 stonden in het teken van het opbouwen van de organisatie en het overdragen van cliënten van de oude aanbieders naar MetMaya. Dit was een grote operatie. De rekenkamer heeft veel partijen uit de jeugdhulpketen gesproken: het sociaal team De Lingt, het Regionaal Inkoop- en Subsidiebureau (het RISB koopt namens de gemeenten in de regio Amersfoort specialistische hulp en ondersteuning in), MetMaya, het Christelijk Kindcentrum Bunschoten (CKCB verzorgt kinderopvang, buitenschoolse opvang BSO en voor- en vroegschoolse educatie VVE), de openbare en christelijke basisscholen, de middelbare school, artsen, welzijnsorganisatie De Boei. Daarnaast is gesproken met Stichting De Genadebron: een christelijk ontmoetingscentrum met activiteiten voor onder andere jeugdigen. Deze gesprekken hebben een beeld geschetst van de ketensamenwerking. Werkwijze omtrent aanmelding en doorverwijzing Als jeugdigen of ouders ergens tegenaan lopen, wordt dat meestal allereerst bekend in ‘de sociale basis’.
Dit kan zijn de kinderdagopvang, de buitenschoolse opvang (BSO), de basisschool of middelbare school of welzijnsorganisatie De Boei. Ook worden hulpvragen bekend bij huisartsen. En daarnaast hebben kerken en sportverenigingen ook een signalerings- en preventieve functie. Partijen uit de sociale basis wijzen ouders en jeugdigen op de mogelijkheden van het sociaal team. Ouders melden hun kind zelf aan bij het sociaal team of de jeugdige doet dit zelf. Het sociaal team bepaalt of hulp in de sociale basis geboden kan worden, óf dat het sociaal team begeleiding biedt, óf dat specialistische hulp van MetMaya nodig is. Het sociaal team heeft verschillende rollen: de rol van consulent, de rol van procesregisseur en ze kunnen eigen begeleiding inzetten.
-10-
Als het sociaal team een verwijzing naar specialistische jeugdhulp nodig acht, dan beschikt zij jeugdhulp van MetMaya. MetMaya bestaat sinds januari 2024 en heeft een gebiedsteam in Bunschoten. MetMaya functioneert naar buiten toe als de organisatie voor specialistische jeugdhulp. MetMaya is een vereniging met drie oprichters, namelijk De Rading, GGz Centraal en Youké. Alle professionals zijn in dienst bij één van deze organisaties. Daarnaast heeft MetMaya zes kernpartners en diverse contractanten (onderaannemers). De jeugdige en/of de ouders hebben een gesprek met de ‘entree-medewerker’ van MetMaya (zij hebben dan ook al een intake bij het sociaal team gehad) en komt dan vervolgens op een wachtlijst. Als een kind op de wachtlijst staat, kan er indien nodig overbruggingszorg ingezet worden. Hiervoor werkt MetMaya samen met het sociaal team en de Boei. Overbruggingszorg kan bijvoorbeeld bestaan uit gesprekken bij de Boei, met de gedragsdeskundige, inzet van e-health of groepsaanbod. De gemeente vraagt van huisartsen dat zij jeugdigen of ouders die hulp nodig hebben niet meer direct doorverwijzen naar specialistische jeugdhulp, maar naar het sociaal team van de gemeente. Hierdoor kan het sociaal team bepalen in welke gevallen specialistische hulp nodig is en in welke gevallen het sociaal team of de sociale basis begeleiding kan bieden.
Dit leidt ertoe dat het sociaal team overzicht houdt van het aantal doorverwijzingen en de rol van procesregie beter kan invullen. Procesregie en casusregie Het sociaal team heeft bij casussen de procesregie en MetMaya heeft de casusregie. Dat betekent dat het sociaal team de verantwoordelijkheid heeft om de ketensamenwerking te organiseren. MetMaya heeft de opdracht gekregen om alleen de specialistische jeugdhulp te bieden: overige zaken verwijst zij terug naar het sociaal team. In de huidige situatie ervaren het onderwijs, de huisartsen en de welzijnsorganisatie meer afstand dan voorheen tot de specialistische jeugdhulp. Waar er voorheen nog meerdere zorgaanbieders hun locatie in het centrum van het dorp hadden kan men nu alleen bij MetMaya terecht, die haar locatie buiten het centrum heeft. Dat kan de drempel qua toegang verhogen. Overlegstructuren Er zijn verschillende afstemmingsoverleggen tussen het sociaal team en de beleidsmedewerkers van de gemeente, de scholen, welzijnsorganisatie De Boei en het Samenwerkingsverband De Eem. SWV De Eem ondersteunt en adviseert scholen over het geven van passend en inclusief onderwijs. Daarnaast heeft het Regionaal Inkoop en Subsidiebureau (het RISB) monitoringsoverleggen met MetMaya aan de ene kant, en overleggen met de regiogemeenten aan de andere kant.
Het sociaal team De Lingt en het Bunschotense team van MetMaya hebben afstemmingsoverleggen op casusniveau en bespreken de werkafspraken. Tot slot hebben de beleidsmedewerkers van de gemeente overleg met een afvaardiging van de huisartsen en de jeugdartsen over de werkwijze en samenwerking met zowel het sociaal team als MetMaya.
2.1.3 Aantallen jeugdigen die hulp ontvangen De rekenkamer heeft het percentage jeugdigen (tot 18 jaar) dat jeugdhulp ontvangt in Bunschoten vergeleken met het gemiddelde in Nederland. Daarbij hebben we gebruikgemaakt van de jaarlijkse rapportages jeugdhulp van het CBS. In grafiek 2.1 is te zien dat het percentage in Bunschoten in 2022 en 2023 hoger lag dan in Nederland. In 2024 was het landelijke percentage nagenoeg gelijk aan dat van Bunschoten. Op basis van de verkregen informatie uit de interviews, in combinatie met de recente trendbreuk van Bunschoten ten opzichte van het landelijke beeld, kan de rekenkamer op dit moment nog geen conclusies trekken over het effect van de ingezette maatregelen. De daling van het aantal jeugdigen dat jeugdhulp -11-
ontvangt is namelijk pas sinds kort zichtbaar. Het is daarom nog niet duidelijk of dit een blijvende verandering is, of een tijdelijke schommeling. Daarnaast merkt de rekenkamer op dat voor een volledig beeld van de totale inzet van (specialistische) jeugdhulp ook de ondersteuning door het sociaal team moet worden meegenomen en de mogelijke verschuiving van specialistische jeugdhulp naar ondersteuning door het sociaal team. Het sociaal team biedt immers een substantieel deel van de hulp zelf, wat van invloed kan zijn op het gebruik van specialistische jeugdhulp. Van deze verschuiving van ondersteuning zijn echter geen volledige gegevens beschikbaar. Daardoor is niet vast te stellen of veranderingen in de inzet van het sociaal team samenhangen met de recente daling in het gebruik van (specialistische) jeugdhulp.
Percentage jeugdigen tot 18 jaar dat jeugdhulp ontvangt 20% 15% 10% 5% 0% 2021
2022
Percentage jeugdhulp Nederland
2023
2024
Percentage jeugdhulp Bunschoten
Grafiek 2.1 Percentage jeugdigen met jeugdhulp tot 18 jaar. Bunschoten vergeleken met Nederland. In grafiek 2.2 staat het aantal unieke jeugdigen uit Bunschoten dat specialistische jeugdhulp ontvangt. Daarin is te zien dat het aantal jeugdigen tot 2023 steeg, maar dat het in 2024 daalde. In de jaren 2021-2024 waren er in totaal zo’n 5.000 jeugdigen tot 18 jaar in Bunschoten.
Aantal jeugdigen met specialistische jeugdhulp 2021-2024 1000 800
821
600 400
599
629
2021
2022
671
200 0 2023
2024
Aantal jeugdigen met toewijzing specialistische jeugdhulp in Bunschoten 20212024
Grafiek 2.2 Aantal unieke jeugdigen met een toewijzing specialistische jeugdhulp in Bunschoten van 20212024
-12-
Bovenstaande grafieken gaan over de aantallen specialistische jeugdhulp bij MetMaya. In het kader van normaliseren en preventie biedt het sociaal team ook zelf begeleiding. Het aantal jeugdigen dat begeleiding ontvangt wordt twee jaarlijks handmatig uitgezocht. Deze gegevens zijn niet realtime beschikbaar. Dat komt omdat het sociaal team werkt voor de doelgroep 0-100 jaar, en dus niet alleen gericht is op jeugdigen. Bovendien maakt het sociaal team geen dossiers aan voor individuen, maar voor gezinnen. Het doel van de gemeente om meer eigen begeleiding te bieden geldt zowel voor de jeugd als Wmo. De monitoring en sturing vindt daarom plaats op het gehele sociale team en niet specifiek op jeugd. Wel is het werk van de gedragsdeskundigen geëvalueerd in 2022 tot en met 2024. De gedragsdeskundigen zijn onderdeel van het sociaal team. Zij coachen het sociaal team en bieden jeugdigen begeleiding als dat nodig is. In de evaluatie is vermeld hoeveel nieuwe zaken de gedragsdeskundigen opnamen; de casussen die doorliepen uit het vorige jaar zijn hierin niet opgenomen. In 2022 pakten zij 103 nieuwe zaken op, in 2023 waren dat er 106 en in 2024 ging het om 127 nieuwe zaken. In 2022 boden de gedragsdeskundigen in 43% van de gevallen eigen begeleiding en in 2024 ging het om 75%. Deze stijging is deels te verklaren door een uitbreiding van ongeveer 1 fte, 32 uur voor de gedragsdeskundigen.
In 2022 werd 45% doorverwezen naar specialistische hulp; in de andere gevallen werd overbruggingszorg geboden vanwege lange wachttijden of werd verwezen naar het voorliggend veld. Uit de evaluatie van 2024 blijkt niet wat er met de overige 25% van de nieuwe zaken is gebeurd. Benchmark Om het gebruik van jeugdhulp in de gemeente Bunschoten in perspectief te plaatsen, is een benchmark uitgevoerd met een aantal vergelijkbare gemeenten. Daarbij is gekeken naar omliggende gemeenten in de regio (Harderwijk, Nijkerk en Putten), gemeenten uit de jeugdhulpregio Eemland waar Bunschoten onder valt (Leusden en Woudenberg) en naar twee zogenoemde vissersgemeenten (Edam-Volendam en Urk). De vergelijking met regionale gemeenten biedt inzicht in de lokale verschillen binnen de regio, terwijl de toevoeging van Edam-Volendam en Urk relevant is vanwege de sociaal-culturele overeenkomsten met Bunschoten, zoals een hechte gemeenschapsstructuur en een relatief traditioneel gezinsleven. De onderstaande tabel toont het aandeel jeugdigen dat specialistische jeugdhulp ontvangt in de periode 2021–2024, op basis van cijfers van het CBS. Gemeente
2021
2022
2023
2024
Bunschoten
12,78%
14,13%
15,74%
13,89%
Harderwijk
14,91%
15,42%
15,58%
15,14%
Nijkerk
12,57%
11,50%
12,40%
13,54%
Putten
12,50%
12,43%
12,33%
12,73%
Leusden
10,76%
13,12%
14,35%
13,72%
Woudenberg
10,16%
10,47%
11,79%
11,09%
Edam-Volendam
8,48%
8,52%
8,34%
8,47%
Urk
7,96%
5,47%
7,46%
8,46%
Uit de cijfers blijkt dat in Bunschoten in vergelijking met de benchmarkgemeenten relatief veel jeugdigen jeugdhulp ontvangen. Het aandeel lag in 2023 op 15,74%, waarmee Bunschoten nagenoeg gelijk lag aan -13-
Harderwijk (15,58%) en duidelijk hoger dan Nijkerk (12,40%), Putten (12,33%), Leusden (14,35%) en Woudenberg (11,79%). In 2024 is dit percentage gedaald naar 13,89%, maar blijft het nog steeds boven het niveau van vergelijkbare gemeenten met een vergelijkbare omvang. Ten opzichte van de vissersgemeenten Edam-Volendam en Urk is het verschil aanzienlijk: deze gemeenten kennen structureel een aanzienlijk lager aandeel jeugdigen met jeugdhulp (rond 8%). Dit kan samenhangen met verschillen in lokale organisatie van zorg, sociale cohesie, en de mate van inzet op informele hulpstructuren binnen de gemeenschap. De ontwikkeling in de tijd laat zien dat het gebruik van jeugdhulp in Bunschoten de afgelopen jaren heeft geschommeld, maar over de gehele periode hoger ligt dan het landelijke gemiddelde. Monitoren van jeugdhulp in data Het monitoren van de jeugdhulp in data doet de gemeente als volgt: •
•
• •
•
De gemeente monitort de aantallen in de specialistische jeugdhulp via het dashboard van de Regio Amersfoort. Daarin kunnen de regiogemeenten hun aantallen zien en ook overzichten maken van de ontwikkeling in aantallen. Dit zijn de getallen die de rekenkamer verwerkt heeft in grafiek 2.2 op pagina 11. De gemeente monitort het percentage jongeren in jeugdhulp vergeleken met het landelijk gemiddelde via de monitor Waar staat je gemeente: https://www.waarstaatjegemeente.nl/mosaic/dashboard/jeugd-enjeugdhulpverlening. De gemeente benut de Monitor Jeugd van de GGD voor het percentage jongeren en jongvolwassenen met psychische klachten in de gemeente Bunschoten. De Gezondheidsmonitor van de GGD gebruikt de gemeente om het alcoholgebruik en roken onder jongeren te volgen. Ook wordt daarin het percentage vermeld van ouders dat praktische hulp van familie en vrienden krijgt op het gebied van opvoeding. Om de duur van trajecten te kunnen bepalen zijn de start/stopberichten belangrijk: daarmee wordt aangegeven wanneer zorg is gestart en is afgerond. Deze start/stopberichten werden voorheen, toen er nog met meer dan 200 aanbieders gewerkt werd, niet altijd consequent ingevuld. MetMaya stuurt bij de onderaannemers wel op het invullen van de stopberichten, omdat MetMaya een taakgerichte financiering ontvangt.
De taakgerichte financiering betekent dat MetMaya een jaarbudget krijgt om de kosten te dekken, in plaats van facturen voor individuele trajecten. Het jaarbedrag van MetMaya wordt bepaald door het verwachte aantal cliënten x de gemiddelde trajectprijs. Hiermee is bij de zorgaanbieder een prikkel weggenomen om meer cliënten te helpen, omdat zij niet meer per traject betaald krijgen. MetMaya heeft baat bij het invullen van de stopberichten, omdat een onderaannemer daarna niet meer kan declareren. Het feit dat dit nu via één aanbieder loopt, maakt het voor de Regio Amersfoort, en daarmee ook voor de gemeente Bunschoten, makkelijker om te monitoren.
2.1.4 Kosten van de specialistische jeugdhulp De rekenkamer heeft de kosten voor de specialistische jeugdhulp in Bunschoten in kaart gebracht, voor de jaren 2021-2024. Dit bevat niet de kosten van het sociaal team voor het begeleiden van jeugdigen. Dat is ook niet mogelijk, omdat een precieze verdeling naar de taken jeugd en Wmo alleen bij benadering kan worden gegeven.
-14-
Voor het onderzoek is gebruikgemaakt van de jaarrekeningen van de gemeente Bunschoten en de verantwoordingsstaten van de Regio Amersfoort. Op basis van deze gegevens is een analyse uitgevoerd van de ontwikkeling van de kosten voor jeugdhulp over de periode 2021–2024. Kosten Jeugdhulp o.b.v. de gecontroleerde productieverantwoordingen (in €) Zorgvorm 1a - Ambulante begeleiding 2 - Ambulante (dag-)behandeling 3b - Meedoen en zelfredzaamheid 4 - Gezond opgroeien 5 - Gezond zijn 6 - Dyslexie 7 - ADHD - ziekenhuiszorg 8 - Vervoer jeugd ggz 9a - Dagactiviteiten - jeugd 11 - Breed Spectrum – maatwerk 11c - BSA/BDVO cat A 13a - Samen Veilig Midden Nederland 14 - Landelijk Transitie arrangement Overig (overige kosten en verevening) Zorgkosten excl. algemene kosten MetMaya MetMaya Opstartkosten MetMaya Kosten project zorgcontinuïteit Correctie overschrijding budget Indexatie jaarbudget Algemene kosten MetMaya
2021 519.300 1.227.236 54.941 114.210 48.492 58.225 73.838 55.959 247.989 2.476.483 632.382 271.624 5.780.679
2022 647.048 1.363.519 69.929 202.448 88.831 62.295 79.462 57.594 269.393 3.031.046 673.837 218.752 -398.684 6.365.470
2023 892.015 1.590.526 34.666 152.764 249.290 63.131 93.974 100.576 241.209 3.976.137 295.141 627.312 304.866 8.621.607
2024 1.409.078 1.472.099 34.376 214.561 94.366 94.990 71.000 55.000 208.560 4.557.857 989.102 130.464 -12.177 9.319.276
-
-
193.090 193.090
169.233 14.370 -3.781 54.550 234.371
Totaal Jeugd
5.780.679
6.365.470
8.814.697
9.553.647
584.791
2.449.227
738.950
Stijging
Tabel 2.1 Kosten voor jeugdhulp van 2021 tot en met 2024 op basis van de door de accountant gecontroleerde productieverantwoordingen. Bij de geboden jeugdhulp begeleiding gaat het om specialistische hulp geboden door externe, gecontracteerde zorgaanbieders, niet de begeleiding door het sociaal team. De kosten voor jeugdhulp op basis van de gecontroleerde productieverantwoordingen laten over de periode 2021–2024 een duidelijke stijgende trend zien. In 2022 namen de kosten toe met circa € 585.000 ten opzichte van 2021. In 2023 volgde een sterke stijging van ruim € 2,4 miljoen, waarna de kosten in 2024 opnieuw toenamen met circa € 739.000. Over de gehele periode is sprake van een toename van bijna € 3,8 miljoen. Deze stijging is inclusief inflatie. Daarmee bevestigen deze cijfers het beeld dat de totale uitgaven aan jeugdhulp blijven groeien, ondanks de ingezette beleidswijzigingen. Binnen deze totale groei zijn duidelijke verschuivingen zichtbaar tussen zorgvormen. Met name de kosten voor ambulante begeleiding (zorgvorm 1a) laten een sterke en vrijwel continue stijging zien: van circa € 519.000 in 2021 naar ruim € 1,4 miljoen in 2024. Ambulante begeleiding betreft niet-medische ondersteuning die in de thuissituatie of directe leefomgeving van jeugdigen en gezinnen wordt geboden, gericht op het versterken van zelfredzaamheid en het dagelijks functioneren.
Deze toename past bij de beleidsinzet op -15-
normaliseren, waarbij wordt ingezet op lichtere vormen van ondersteuning om zwaardere zorg te voorkomen of uit te stellen. Tegelijkertijd laten de kosten voor ambulante (dag-)behandeling (zorgvorm 2) een genuanceerder beeld zien. Na een geleidelijke stijging in de periode 2021–2023, dalen deze kosten in 2024. Dit kan erop wijzen dat de inzet op normaliseren en het versterken van lichtere vormen van ondersteuning effect begint te hebben op het gebruik van zwaardere, specialistische behandelvormen. Naast deze ontwikkelingen valt op dat ook de kosten voor het Breed Spectrum – maatwerk (zorgvorm 11), behorend tot de specialistische jeugdhulp, in de periode 2021–2024 sterk zijn toegenomen. Dit betekent dat zowel lichtere vormen van ondersteuning als zwaardere, specialistische zorg in dezelfde periode zijn gestegen. Dit beeld is niet onlogisch in een transitiefase: de toename van ambulante begeleiding kan worden gezien als een bewuste investering aan de voorkant van de keten, terwijl het effect daarvan op de instroom in specialistische zorg zich veelal pas op de middellange termijn manifesteert. Al met al laten de productieverantwoordingen zien dat de totale uitgaven aan jeugdhulp blijven stijgen, maar dat binnen deze groei verschuivingen zichtbaar zijn die aansluiten bij het beleid gericht op normaliseren.
De sterke toename van ambulante begeleiding en de afvlakking of daling van (dag-)behandeling in 2024 kunnen wijzen op een voorzichtige beweging richting lichtere ondersteuning. Tegelijkertijd maken de cijfers duidelijk dat deze omslag (nog) niet leidt tot een daling van de totale kosten. Verdere monitoring over meerdere jaren is nodig om te beoordelen of de ingezette koers richting normaliseren zich vertaalt in een structureel ander kostenpatroon. Gemiddelde kosten per cliënt Naast de ontwikkeling van de totale uitgaven is ook gekeken naar de gemiddelde kosten per cliënt. Deze laten een duidelijke stijgende lijn zien over de periode 2021–2024. Terwijl het aantal cliënten in 2023 sterk toenam (van 629 naar 821), stegen de gemiddelde kosten per cliënt dat jaar eveneens merkbaar, van € 8.876 naar € 10.085. In 2024 is vervolgens een duidelijke verschuiving zichtbaar: het aantal cliënten daalde met ongeveer 150, maar de gemiddelde kosten per cliënt namen juist verder toe tot ruim € 12.800. 2021 5.208.819 599
2022 5.582.800 629
2023 8.280.011 821
Totaal kosten Jeugdhulp € € € € Aantal cliënten Gemiddelde kosten per cliënt € 8.696 € 8.876 € 10.085 € Tabel 2.2 Gemiddelde kosten aan jeugdhulp per cliënt voor de jaren 2021 tot en met 2024.
2024 8.616.383 671 12.841
Deze ontwikkeling kan erop wijzen dat de ingezette jeugdhulp in 2024 intensiever of langduriger van aard was, of dat er meer gespecialiseerde vormen van hulp zijn ingezet. Het kan ook samenhangen met een veranderende samenstelling van de cliëntgroep, waarbij relatief meer jongeren zwaardere hulp nodig hadden. Een andere verklaring kan liggen in hogere tarieven of gewijzigde contractvormen binnen de regionale inkoop. Om te beoordelen in hoeverre deze ontwikkeling wordt beïnvloed door een beperkte groep cliënten die hoog-specialistische jeugdhulp ontvangt, heeft de rekenkamer aanvullend gekeken naar deze zwaardere, schaarse en dure vormen van jeugdhulp, zie tabel 2.3 op de volgende pagina. Door de complexiteit van deze hoog specialistische zorgvragen is er weinig sturing mogelijk. De totale kosten van hoog-specialistische jeugdhulp namen toe van circa € 0,5 miljoen in 2021 naar ruim € 1,1 miljoen in 2023, om vervolgens in 2024 weer te dalen tot ongeveer € 0,8 miljoen. Het aantal betrokken -16-
cliënten schommelde in dezelfde periode tussen de 3 en 10 jeugdigen. De gemiddelde kosten per cliënt daalden van ongeveer € 168.000 in 2021 naar circa € 110.000 in 2023 en 2024. 2021 2022 2023 Kosten van hoog-specialistische jeugdhulp € 504.353 € 1.154.882 € 1.091.883 Aantal cliënten 3 7 10 Gemiddelde kosten per cliënt € 168.118 € 164.983 € 109.188 Tabel 2.3 Ontwikkeling kosten van hoog-specialistische jeugdhulp, 2021–2024.
2024 € 768.277 7 € 109.754
Deze cijfers wijzen erop dat de stijging van de totale jeugdhulpkosten niet uitsluitend het gevolg is van enkele extreem dure casussen. Hoewel het totaalbedrag voor hoog-specialistische jeugdhulp in de eerste jaren opliep, bleef het aandeel van deze groep cliënten beperkt. De daling van de gemiddelde kosten per cliënt en de afname van het totaalbedrag in 2024 suggereren bovendien dat de financiële druk van de zwaarste zorgvormen iets is afgenomen. Mogelijk heeft dit te maken met beter afgestemde plaatsingen, kortere behandeltrajecten of de inzet van alternatieve vormen van hulp. Wel blijft het een aandachtspunt dat enkele individuele gevallen een relatief groot effect kunnen hebben op de totale uitgaven. Zeker in kleinere gemeenten kan één nieuwe, zware casus de jaarcijfers merkbaar beïnvloeden. Structurele monitoring van deze kosten van hoog-specialistische jeugdhulp is daarom van belang om tijdig bij te kunnen sturen. Samenvattend laten de financiële gegevens over de periode 2021–2024 zien dat de kosten voor jeugdhulp structureel stijgen, maar dat de aard van die stijging verandert. De groei lijkt niet primair te worden gedreven door enkele dure individuele casussen, maar door bredere ontwikkelingen in de inzet en intensiteit van hulp.
De verschuiving van behandeling naar begeleiding kan wijzen op een positieve beweging richting normaliseren, al vraagt de recente toename van nieuwe kostencategorieën om verdere aandacht. De uitdaging ligt nu vooral in het duurzaam beheersen van de kosten zonder dat dit ten koste gaat van de effectiviteit en tijdigheid van de geboden hulp.
Monitoren van de kosten van de jeugdhulp Het dashboard van de Regio Amersfoort, waarin de gemeente de aantallen in de specialistische jeugdhulp monitort, wordt elke twee maanden besproken in het monitoringsoverleg. Het financieel monitoren van MetMaya gebeurt via kwartaalrapportages. De rapportages over het eerste en derde kwartaal zijn cijfermatig (aantallen en kosten). De rapportages over het tweede en vierde kwartaal geven ook inhoudelijke informatie over het aantal cliënten en het soort zorg dat geboden wordt. Het RISB deelt de kwartaalrapportages met de regiogemeenten en gaat erover in gesprek met MetMaya. Deze kwartaalrapportages zijn overigens op regioniveau, niet op het niveau van de individuele gemeenten. In het dashboard kan de gemeente vervolgens de aantallen jeugdigen voor de eigen gemeente zien. Het monitoren van de inzet van eigen maatregelen De gemeente evalueert jaarlijks de inzet van de gedragsdeskundigen uit het sociaal team. In 2025 zijn de maatregelen geëvalueerd die naar voren kwamen uit de Taskforce Jeugdzorgkosten. Daarnaast is het transformatie-overleg ingesteld: een intern overleg waarin de activiteiten voortvloeiend uit de Taskforce Jeugdzorgkosten worden gemonitord.
-17-
2.2 Doelbereik en sturing daarop Het hoofddoel van de gemeente is dat jeugdigen kansrijk opgroeien en zij zich gezond en veilig kunnen ontwikkelen. Daarnaast is het thema normaliseren – en daardoor het beperken van de instroom in specialistische jeugdhulp – belangrijk voor de gemeente. Normaliseren is een breed doel en vergt op veel plekken in de keten – maar ook in de samenleving – een cultuurverandering. Een deel van de stijgende aantallen jeugdigen in de jeugdhulp leek namelijk samen te hangen met een cultuur en mate van acceptatie waarin al snel werd verwacht dat jeugdigen professionele ondersteuning moesten krijgen. Dit werd, vóór de contractering van MetMaya, versterkt door mond-tot-mondreclame: ouders die positieve ervaringen delen, stimuleerden andere ouders om dezelfde stappen te zetten. In de oude situatie was het gebruikelijk dat een jeugdige een verwijzing kreeg naar een lokale zorgaanbieder. Hierdoor groeide het beroep op jeugdhulp, met stijgende vraag en oplopende kosten als gevolg. Met het normaliseren wil de gemeente stimuleren dat zaken weer gezien worden als normaal bij het opgroeien, en dat dit laag in de piramide wordt opgelost, zonder dat er specialistische jeugdhulp nodig is. De rekenkamer kan nog geen stellige uitspraak doen over of normaliseren bereikt wordt, aangezien het beleid hiervoor te recent – in 2024 – in gang is gezet.
Wel zien we dat de huidige maatregelen en ontwikkelingen bijdragen aan het normaliseren. Daarnaast zijn er ook factoren die normaliseren belemmeren. Hierna beschrijven wij welke zaken goed gaan en welke belemmeringen er zijn, onderverdeeld in zes categorieën: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Passend aanbod jeugdhulp Toegang en bereikbaarheid Preventie en vroegsignalering Ketensamenwerking Financiële randvoorwaarden Monitoring en sturing
In de rest van deze paragraaf werken we deze zes categorieën één voor één uit. Daarbij beschrijven we per thema welke factoren helpen om de doelen te bereiken en welke aspecten juist belemmerend werken. We beginnen met het thema ‘Passend aanbod jeugdhulp’. 1. Passend aanbod jeugdhulp Positieve factoren Er is onder alle partners draagvlak voor normaliseren Uit alle interviews in dit onderzoek, zowel intern als extern, blijkt dat men het normaliseren belangrijk vindt. Men wil jeugdigen niet te snel een stempel opdrukken en men ziet de waarde in van het zaken oplossen binnen het gezin of netwerk van de jeugdige, en anders met behulp van organisaties in de sociale basis. Het is voor iedereen duidelijk dat bij een hulpvraag eerst wordt gekeken of preventieve en algemene voorzieningen geboden kunnen worden. Als dat niet het geval is, wordt verwezen naar specialistische hulp. In sommige gevallen kan het volgens respondenten leiden tot vertraging bij de inzet van noodzakelijke specialistische hulp, maar de nieuwe werkwijze is bekend en ingeburgerd. Expertise bij sociaal team en de sociale basis voorkomt verwijzing naar duurdere zorg -18-
Er zijn zowel bij het sociaal team als bij partijen in de sociale basis medewerkers met een passende opleiding in dienst of betrokken, waaronder orthopedagogen, jeugd- en gezinscoaches en opvoed- en opgroeideskundigen. Hierdoor kan problematiek al laag in de piramide worden opgelost, waardoor in die gevallen verwijzing naar specialistische jeugdhulp niet nodig is. Positieve ervaringen met groepsaanbod Het ontwikkelen en aanbieden van groepstrainingen voor jeugdigen en ouders is in veel gesprekken genoemd als positief punt. Het bieden van groepsaanbod bevindt zich in de beginfase, maar de respondenten zien hier al effecten van. Door groepsaanbod verschuift de focus van het kind naar het hele gezin. Vaak is het voor jeugdigen en/of ouders fijn om mensen te spreken die in vergelijkbare situaties zitten als zijzelf, hoewel men wel een drempel over moet om aan een groepstraining deel te nemen. Daarnaast kunnen groepstrainingen voorkomen dat verwijzing naar duurdere individuele zorg nodig is: vraagstukken worden in een eerder stadium op een laagdrempelige manier opgelost.
Sociaal team De Lingt heeft nu een aanbod van drie groepen: ‘Kies’ (voor jonge en oudere kinderen in echtscheidingssituaties), ‘Grip op je dip’ (kinderen met somberheids- en angstklachten); ‘Triple P’ (Positive Parenting Program, een opvoedkundige cursus voor ouders, in samenwerking met welzijnsorganisatie De Boei). Het sociaal team wil het groepsaanbod uitbreiden. Belemmeringen Grijs gebied: er is niet altijd duidelijk bij wie welke casus hoort Alle partijen hebben scherp op het netvlies dat het sociaal team de aangewezen partij is als het gaat om jeugdigen of ouders waar iets bij speelt. Maar er is een grijs gebied van casussen waarbij niet (geheel) duidelijk is of die nu bij de sociale basis, het sociaal team of bij de specialistische hulp thuishoort. Bovendien wordt de werkwijze ervaren als het opknippen van casussen: MetMaya doet alleen het specialistische deel, school doet een ander deel net als het sociaal team. Scholen ervaren weinig samenwerking op casusniveau met MetMaya: als een kind hulp krijgt door MetMaya dan verliest school het zicht erop. Dat geldt ook voor de andere organisaties uit de sociale basis. Zorgen over tijdigheid en samenhang bij de inzet van specialistische jeugdhulp Hoewel het uitgangspunt is dat altijd passende zorg wordt ingezet, geven sommige respondenten aan dat de werkwijze in de praktijk kan leiden tot mismatches.
Daar worden verschillende redenen voor genoemd. Zo kan er sprake zijn van tijdverlies: kinderen en jongeren met complexe problemen moeten vaak eerst lichtere trajecten doorlopen, waardoor passende specialistische hulp later start. Dit kan leiden tot onnodige belasting van gezinnen, die telkens opnieuw gesprekken en doorverwijzingen moeten doorlopen. MetMaya verzorgt alleen het specialistisch deel, voor alle overige zorg moet een jeugdige naar een andere instantie. Hierdoor kan het gevoel ontstaan van ‘het kastje naar de muur’ te worden gestuurd en telkens opnieuw het verhaal te moeten doen. Samen met het vorige punt – weinig informatievoorziening tussen organisaties – kan het ertoe leiden dat organisaties langs elkaar heen gaan werken. Het principe van “één huishouden - één plan - één regisseur” (een van de uitgangspunten waar MetMaya mee zou moeten werken, zie pagina 6) komt daarmee in het gedrang.
-19-
Veel aandacht voor het individu, minder aandacht voor omgevingsfactoren De hulpverlening is nu vaak gericht op individuele jeugdigen. Het lukt onvoldoende om bijvoorbeeld de gevolgen van armoede, schulden of problematiek van de ouders mee te nemen in de hulpverlening. Dit heeft ook te maken met de cultuur en gewoontes in het dorp. Gesprekspartners noemen dit wel symptoombestrijding: als de oorzaak van het probleem eigenlijk ergens anders ligt, niet bij het kind, wordt het niet opgelost door jeugdhulp te bieden. Zeer regelmatig is in interviews genoemd dat ouders in Bunschoten harde werkers zijn en lange dagen werken. Daardoor hebben zij minder tijd voor hun kinderen. Kinderen brengen veel tijd door op kinderopvang of de buitenschoolse opvang (BSO), krijgen daar veel prikkels, en vanuit de sociale basis wordt gesignaleerd dat dit invloed heeft op hun ontwikkeling. Uit onderzoek blijkt dat kinderopvang positieve invloed heeft op de ontwikkeling van kinderen, maar dat het met name bij de jongste kinderen risico’s op de ontwikkeling heeft als er intensief gebruikgemaakt wordt van kinderopvang (Bron: Onderzoek Effecten van kinderopvang op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen, 2022).
Ook wordt aangegeven dat er meer echtscheidingen zijn dan vroeger, waardoor kinderen vaker te maken krijgen met spanningen binnen het gezin en in meerdere opvoedsituaties opgroeien. Dit vergroot de behoefte aan ondersteuning bij het omgaan met veranderingen en het vinden van balans in de nieuwe gezinssituatie. Daarnaast komt overmatig alcoholgebruik (en soms ook drugsgebruik) regelmatig voor bij zowel volwassenen als jeugdigen, wat bijdraagt aan gezinsproblemen en een toenemende vraag naar jeugdhulp.
2. Toegang en bereikbaarheid Positieve factoren Sturende toegang via het sociaal team zorgt voor beter overzicht en minder snelle doorverwijzing De gemeente wil het normaliseren onder andere bereiken door meer regie te voeren op de toegang tot specialistische jeugdhulp. Daarom stimuleert ze dat verwijzingen via het sociaal team van de gemeente verlopen. Huisartsen hebben de bevoegdheid om direct naar specialistische jeugdhulp te verwijzen, maar verwijzen tegenwoordig steeds meer naar het sociaal team. Hierdoor kan het sociaal team beter sturen op het aantal doorverwijzingen en heeft ook beter overzicht van de doorverwijzingen. Het sociaal team onderzoekt kritisch of doorverwijzing naar specialistische jeugdhulp nodig is of dat de vraag opgepakt kan worden door de sociale basis (meestal welzijnsorganisatie De Boei) of door het sociaal team zelf. Verwijzingen naar individuele zorgaanbieders die voorheen laagdrempelig en zichtbaar in (het (centrum van) het dorp aanwezig waren en via mond-tot-mondreclame veel cliënten ontvingen, zijn niet langer mogelijk. MetMaya is gevestigd aan de rand van het dorp Bunschoten. Deze positionering sluit aan bij de rol van specialistische jeugdhulp als vervolgstap wanneer ondersteuning door de sociale basis of door het sociaal team niet toereikend blijkt.
Belemmeringen Er wordt een grotere afstand tussen de sociale basis en specialistische jeugdhulp ervaren Uit de interviews blijkt dat het de nodige tijd heeft gekost – en nog steeds kost – om de nieuwe werkwijze door te voeren en de juiste werkafspraken te krijgen tussen gemeente en MetMaya en tussen gemeente en partijen uit de sociale basis. Een gevolg van deze wijziging is dat er nu een veel grotere afstand is tussen de sociale basis en de specialistische jeugdhulp. Veel partijen in de sociale basis zijn kritisch op deze -20-
ontwikkeling. Men staat achter het gedachtegoed van normaliseren: men erkent dat er voorheen te gemakkelijk doorverwezen werd naar specialistische hulp. Maar nu wordt de keten, zeker als er sprake is van overbrugging, wel erg lang en moeten ouders en jeugdigen vaak hun verhaal doen bij – in hun ogen – wéér een andere instantie. Er wordt een langere wachttijd voor specialistische jeugdhulp ervaren dan voorheen Partijen uit de sociale basis ervaren een langere wachttijd voor de specialistische jeugdhulp dan voorheen, zo blijkt uit de interviews. Eerder waren er lokale aanbieders die sneller plek hadden. Deze lokale aanbieders zijn niet meer door MetMaya gecontracteerd. Bij doorverwijzing komen jeugdigen op de wachtlijst van MetMaya en moeten ze maanden wachten voordat er hulp wordt geboden. De wachtlijst door MetMaya komt deels door krapte op de arbeidsmarkt, maar ook doordat de totale wachtlijst nu inzichtelijk gemaakt is door MetMaya. Voorheen was die versnipperd over meer dan 200 jeugdhulpaanbieders. Het sociaal team ontvangt meer aanmeldingen, als gevolg van de nieuwe werkwijze, en daar ontstaan ook wachtlijsten, hoewel in mindere mate dan bij MetMaya. Welzijnsorganisatie De Boei en ook de scholen proberen daarom vaker om in de tussentijd overbruggingszorg te bieden, door bijvoorbeeld alvast een aantal gesprekken aan te gaan, voordat de specialistische hulpverlening start.
Maar zij zijn hiervoor in feite niet de aangewezen instantie. Ook het sociaal team biedt overbruggingszorg vanwege de wachtlijst bij MetMaya. Door wachtlijsten bestaat er een risico op verergering van de problematiek, omdat noodzakelijke behandeling niet tijdig wordt gestart. Ondanks het genoemde vertrouwen in de kennis en kunde van het sociaal team merken huisartsen dat ouders toch soms nog bij hen komen voor een directe verwijzing naar specialistische jeugdhulp. De reden daarvan is met name het huidige verwijssysteem: ouders geven aan dat als ze eerst langs het sociaal team moeten gaan dat het dan maanden langer duurt, voordat ze bij specialistische jeugdhulp komen, waar ze vervolgens ook op de wachtlijst komen. Vanuit de interviews komt naar voren dat er ouders bereid zijn om zelf de jeugdhulp te betalen, zodat ze hulp bij een zorgaanbieder (buiten MetMaya) kunnen krijgen die geen wachtlijst heeft. Als op die manier jeugdhulp ingeschakeld wordt, dan wordt dit niet door de zorgverzekeraar vergoed. Het risico bestaat dan dat er kansenongelijkheid ontstaat: mensen met een hoger inkomen zouden eerder diagnostiek en zorg kunnen regelen dan mensen met een lager inkomen.
3. Preventie en vroegsignalering Positieve factoren Preventie lijkt verwijzing naar duurdere zorg te voorkomen Het lijkt erop dat het op tijd opmerken van signalen bijvoorbeeld op scholen of bij de kinderopvang zwaardere zorg voorkomt. Zo is er op scholen het project ‘Samen op de Bank’. Dit project vindt plaats in samenwerking met welzijnsorganisatie De Boei. De sociaal werker zit op woensdagochtend letterlijk op de bank op school, om te praten als een kind ergens mee zit. In 2024 zijn er met zo’n 93 kinderen meerdere gesprekken gevoerd. Dit zijn de casussen die anders misschien in de duurdere jeugdhulp terecht gekomen zouden zijn. Los daarvan zijn er nog veel meer kinderen die wel eens een enkel gesprek op de bank hebben. Nu er minder gebruikgemaakt wordt van diagnostiek, richt de sociale basis zich nadrukkelijker op preventie. De Boei ontwikkelt laagdrempelig groepsaanbod op verschillende thema’s en ook scholen kijken hoe zij kinderen zelf kunnen ondersteunen zodat specialistische hulp niet nodig is. Het ondersteunen van leerkrachten in het omgaan met verschillende aandachtsgebieden vormt hier een belangrijk onderdeel van. -21-
Andere voorbeelden op het gebied van preventie zijn: sport en spelactiviteiten door Nationaal Bureau Sport Stimulering (NBSS) om in contact te komen met jongeren i.s.m. De Boei en Motorische Remedial Teaching (voor kinderen van groep 4,5 en 6 om motorische vaardigheden verder te ontwikkelen). Belemmeringen Bezuinigingen in basisonderwijs kunnen gevolgen hebben voor preventie Een kwetsbaar punt als het gaat om preventie zijn bezuinigingen in het christelijk basisonderwijs, waardoor er minder capaciteit beschikbaar is voor de eigen specialisten, zoals een speltherapeut en orthopedagoog. Op termijn kan dit ertoe leiden dat preventie minder goed mogelijk is. Hierdoor kan er toch een hogere instroom in specialistische hulp komen. Vooralsnog kan het project ‘Samen op de Bank’ in elk geval doorgaan, omdat welzijnsorganisatie De Boei daar nu subsidie voor ontvangt van de gemeente.
4. Ketensamenwerking Positieve factoren Korte lijnen tussen de kernpartners en een overzichtelijker keten door één hoofdaanbieder De samenwerking tussen de gemeente (sociaal team en beleidsmedewerkers), welzijnsorganisatie De Boei, de kinderopvanginstellingen en het onderwijs (scholen en SWV De Eem) wordt als positief ervaren. De lijnen zijn heel kort. De lijnen met andere organisaties zoals sportverenigingen en kerken zijn minder kort: zie hierna bij belemmeringen, als we de zaken beschrijven die minder goed gaan. Over het algemeen wordt de kennis en kunde van het sociaal team De Lingt erkend door de partners. Dat maakt dat er vertrouwen is om jeugdigen en ouders door te verwijzen naar het sociaal team (en niet meer direct naar specialistische jeugdhulp). De keten is overzichtelijker geworden doordat er niet meer veel jeugdhulpaanbieders zijn, maar één overkoepelende organisatie MetMaya. Tegelijkertijd ervaren ketenpartners juist wel dat de keten langer is geworden. Belemmeringen Procesregie functioneert nog niet optimaal Het sociaal team heeft de procesregie bij individuele casussen. Dit functioneert nog niet optimaal. De oprichting van MetMaya heeft veel tijd gekost. Er zijn inmiddels wel afspraken gemaakt over het contact tussen MetMaya en het sociaal team, maar in de praktijk zijn die nog niet voldoende uitgekristalliseerd.
Communicatie en informatievoorziening naar de sociale basis kan beter Ook richting de partijen in de sociale basis kan de communicatie en informatievoorziening verbeterd worden. Er is door de nieuwe werkwijze vrijwel geen contact tussen de sociale basis (o.a. scholen of welzijnsorganisatie De Boei) aan de ene kant en de specialistische jeugdhulp (MetMaya) aan de andere kant. Als een jeugdige hulp ontvangt van het sociaal team of van MetMaya, wordt dat niet gedeeld met partijen uit de sociale basis, terwijl die partijen de jeugdige wel regelmatig zien. De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) wordt genoemd als complicerende factor voor het delen van informatie tussen betrokken partijen in de keten. Hierdoor gebeurt het dat huisartsen of medewerkers van de scholen die betrokken zijn (geweest) bij hulp aan de jeugdigen niet op de hoogte zijn van het verdere verloop van het -22-
traject en de ontwikkelingen rondom de jeugdigen. In de interviews is ook aangegeven dat er mogelijkheden zijn om informatie toch te kunnen delen. In de praktijk geven ouders vaak geen toestemming om deze informatie te delen en mag de informatie niet gedeeld worden. Aanbod van organisaties zoals sportverenigingen en kerken nog onvoldoende in beeld bij gemeente Er zijn overlegstructuren tussen de gemeente met MetMaya en tussen de gemeente met welzijnsorganisatie De Boei en de scholen en artsen. De gemeente kent echter het aanbod van andere organisaties zoals kerken, sportverenigingen en Stichting De Genadebron onvoldoende, zo blijkt uit de interviews. Er worden veel activiteiten ontplooid in Bunschoten die bijdragen aan normaliseren en preventie. Bovendien hebben deze organisaties een signalerende functie. Men zou het waarderen als de gemeente individuele organisaties bezoekt om te zien wat zij allemaal doen en welke maatschappelijke functie zij hebben. Deze organisaties signaleren veel, maar zij zijn geen hulpverleningsinstanties en hebben daarom af en toe behoefte aan ondersteuning of advies. Het helpt deze organisaties als zij een vast contactpersoon bij het sociaal team hebben.