Reactie LTO Noord op contourennotitie RPLG
Tekst van het document
Afdeling Gelderse Vallei
t: 06 – 41 69 21 62
Gemeenteraden Regio Foodvalley Datum: Betreft:
e: secretariaat@ltogeldersevallei.nl w: www.ltogeldersevallei.nl
15 juni 2023 Regionaal Perspectief Landelijk Gebied
Geachte raad, Inzake het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied hebben wij u in de brief van 5 oktober 2022, onze zienswijze kenbaar op de contourennotitie RPLG gemaakt. Gesprekken hierover hebben wel geleid tot tekstuele aanpassingen maar niet tot verbeterde betrokkenheid in de totstandkoming van het plan. Gemeenten stellen zich op het standpunt dat het RPLG een integrale aanpak voorstaat en dat het dus logisch is dat veel van wat we inbrengen terugkomt. Maar dan wijzen wij wel even op de naamgeving Landelijk Gebied. Dat is onze leef- en werkomgeving. Mogen we aangeven wat we nodig denken te hebben om ons werk te doen? Heel concreet vragen we u als gemeenteraad om uw bestuur en werkorganisatie op te dragen de georganiseerde landbouw beter aan tafel te halen teneinde een uitvoerbaar RPLG te realiseren. Samen werkt beter. Vanuit dat idee hebben we met verbazing kennis genomen van een concept RPLG dat weer niet met ons besproken is en toch al bij u als raden ligt. DE RFV kiest er weloverwogen voor om het gesprek met de landbouw via u als raad te doen. Wij vragen ons sterk af of dit een wenselijke werkwijze is die past bij de, normaal zo goede samenwerking, in de Foodvalley. Maar de situatie biedt ons geen andere mogelijkheid dan u wederom in kennis te stellen van onze afdronk van de concept RPLG.
Welk perspectief biedt het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied ons als boeren? Vanuit die vraagstelling hebben wij uw groeidocument gelezen en beoordeeld. Het RPLG stond al in de steigers toen het Nationaal Programma Landelijk gebied (NPLG) nog moest ontstaan. Vervolgens bleek dat de Provincie een PPLG (Provinciaal Programma Landelijk gebied) moet aanleveren en dat dit in Gelderland het VLGG (Vitaal Gelders Landelijk Gebied) zal heten. Dat zal worden uitgewerkt in Regioarrangementen door bestuurlijke regio’s die grotendeels overeenkomen met de structuur van de RES regio’s. Dan is er ook nog onderhandeling over het Nationaal Landbouwakkoord. Dat is nog geen zekerheid en ook niet of dat nog gaat leiden tot Provinciale Landbouwakkoorden. In deze stroom aan programma’s en plannen is het ons – ook na lezing van het groeidocument - nog steeds niet duidelijk hoe de diverse benaderingen zich tot elkaar verhouden. Reactie op procesniveau: We bekijken alles met de nuchtere boerenblik. Dan valt op dat het steeds over het Landelijk Gebied gaat. Dat is mooi want daar weten wij als boeren alles van! Wij zien welke uitdagingen er allemaal op het landelijke gebied, en onze bedrijven, afkomen. We zien ook veel kansen en oplossingen om betekenisvol aan de brede maatschappelijke issues te kunnen bijdragen. En we zijn daar ook zondermeer toe bereid.
Maar dan wel graag op een manier die vaktechnische logica omvat en bovenal uitvoerbaar is.
Afdeling Gelderse Vallei
Als land- en tuinbouw beheren en onderhouden wij het grootste deel van het landelijke gebied. Als wij onze bedrijven economisch in de benen kunnen houden leveren we de maatschappelijke dienst ‘groene leefomgeving’ om niet aan de inwoners van dit land. We doen dat veel liever op een economisch houdbare grondslag dan via subsidies of beheersvergoedingen. Geen enkele boer is boer geworden voor het grote geld, maar geld is wel nodig om de bedrijven gezond en duurzaam te houden en onze financieringen te borgen. Inhoudelijke punten aangaande de tekst van het groeidocument: Voordat we ingaan op wat er wél in staat, willen we eerst aangeven wat we erin missen. De stikstofcrisis en de te verwachten opkoopregeling zal een slag slaan in het aantal boeren in de Foodvalley. In onze ogen is de belangrijkste gezamenlijke opgave het behoud van voldoende kritische massa om de Foodvalley ketens en identiteit overeind te houden. Daarvoor is nodig dat we voldoende areaal overhouden en dat grond van stoppende bedrijven beschikbaar komt voor de verduurzaming van de resterende veehouderijen. Dat op een wijze die qua investering te behappen is (je kunt niet investeren om te extensiveren). Daarnaast moeten we bovenal werken aan ruimte voor, en vertrouwen bij, jonge boeren en boerinnen.
Zij zijn de garantie voor het voortzetten van de RFV identiteit, met de bijbehorende sociaaleconomische samenhang daarvan, naar de toekomst! We missen in dit perspectief een plan of idee hoe we deze majeure opdracht gaan aanpakken. P4: In het RPLG maken de acht gemeenten van de Regio Foodvalley in afstemming met provincies Gelderland en Utrecht en waterschap Vallei & Veluwe en binnen de kaders van de gebiedsprogramma’s, afspraken over een gezamenlijk regionaal perspectief. Het RPLG wordt uiteindelijk vastgesteld door de acht gemeenteraden, voordat het verwerkt kan worden in het gemeentelijk beleid. Het vormt daarmee vervolgens ook de basis voor gebiedsplannen die opgesteld worden in gebiedsprocessen in deelgebieden in RFV. binnen de kaders van de gebiedsprogramma’s? Welke programma’s zijn dat? Wat is de ruimte voor de gebiedseigen aanpak in de gebiedsprocessen nog als het perspectief al is vastgesteld? Moet het niet andersom? Wij zijn voorstanders van een bottom-up benadering op basis van gebieds-, bodem-, water-, natuur- en landbouwkennis. Het plan wat daaruit voortkomt kan door de raden getoetst worden. Bij nee is een gesprek nodig en wellicht terug naar de tekentafel. Bij ja weten wij waar we aan toe zijn en kan de RFV rekenen op een uitvoerbaar plan. P6: De titel zegt: waarom doen WE dit. Dat WE wordt later gedefinieerd als inwoners, agrariërs, ondernemers en politici.
Het groeidocument hanteert vaak de woorden ‘WE’ of ‘WIJ’ maar regelmatig in een andere context. Het moet duidelijk zijn waar ‘WE’ de schrijvers en vaststellers van dit document betreft en waar ‘WE’ de RFV en al haar betrokken partijen betreft. Anders ontstaat de indruk dat dit document ook namens ons is geschreven. En dat is op dit moment bezijden de waarheid. P8: Wanneer het voedselsysteem en het natuurlijk systeem elkaar versterken ligt er een basis voor een vitaal en toekomstbestendig platteland. Dat is ons doel. Dit is een doel waar niemand op tegen kan zijn. Tegelijk is het wel erg utopisch in een situatie waar de teneur in de maatschappelijke discussie is dat de voedselproductie de natuur schade berokkent. Dat laatste is alleen het geval bij gebieden waar gestreefd wordt naar instandhouding of terugkeer van voedselarme ecosystemen. Er zijn dus gebieden waar de depositie of lichte verdroging geen nadelig effect heeft. De mate waarin de balans negatief doorslaat is dus net zo afhankelijk van de invloeden als van het type natuur wat gewenst is. De natuurdoelen in N2000 zijn vastgesteld in een periode waarin veel hedendaagse kennis en inzichten ontbraken. Als we toch moeten uitgaan van die doelen is het doel dat een economisch uitvoerbaar voedselsysteem geen schade berokkent aan omliggende natuurgebieden.
Er is geen boer die boer is geworden voor het geld, maar onze bedrijven kunnen niet doorgezet worden met rode cijfers. Een passend rendement is nodig. Zeker in
Afdeling Gelderse Vallei
een wereld waarin banken – gehouden aan het Basel 3 akkoord – bij de financiering toetsen op verdienvermogen in plaats van duurzaamheid. We merken op dat Europa op dat front een dubbel geluid geeft. Overigens is deze tekst ook in tegenspraak met 2.1.1. waar wel gesproken wordt over een balans. P9: paragraaf beginnend met ‘In de huidige geopolitieke situatie etc. ‘ . Nederland is door zijn hoog innovatieve agrosector en sterke logistieke positie een belangrijke speler aan de mondiale draaischijf van agroproducten. De exportpositie vereenvoudigt de import en drukt zowel kosten als ecologische voetafdruk. Hierdoor wordt in een veel groter gebied dan NL voedsel geproduceerd op een meer duurzame wijze. De Nederlandse agrosector heeft dus een hefboomwerking naar de verduurzaming van buitenlandse productie en maakt gezond en veilig voedsel uit alle windstreken betaalbaar voor onze inwoners. Dit speelt vooral in de intensieve sector en dus bij uitstek in de Foodvalley. Dit element komt onvoldoende terug in de visie. Een voorbeeld is de productie van baktarwe die elders in Europa veel beter en efficiënter kan plaatsvinden, op een ruimtebeslag dat in NL niet te vinden is. Wij exporteren dan weer uien en vleesspecialiteiten naar die landen. Voetafdruk en ruimtebeslag worden op Europese schaal geminimaliseerd. De link die wordt gelegd met zelfvoorzienendheid is fictie.
Het CPB becijferde al lang geleden dat we in NL onvoldoende ruimte hebben om zelfvoorzienend te kunnen zijn. En dat geldt in het meervoudige voor de Foodvalley. Op grond van inwonersaantal, beschikbare landbouwgrond en de eisen die we tegenwoordig stellen aan een gevarieerd en gezond menu kan de Foodvalley nooit meer zelfvoorzienend zijn. Dat inzicht is zowel onweerlegbaar als van belang. We dienen de veilige voedselvoorziening van de Foodvalley beter door te specialiseren en onze internationale handelspositie, dan door de tekort schietende ruimte in te zetten voor ‘Ot en Sien’ landbouw. Dat zou een veronachtzaming van de overheidsverantwoordelijkheid betekenen. P9: Verstoring: waar andere functies als wonen, werken, vervoer en recreatie verstoring voor met name dieren kunnen creëren door gebrek aan rust. Welke concrete plannen mogen wij op dit punt tegemoet zien? Natuurgebieden verbieden voor inwoners? Afzien van de toeristische positionering van de Veluwe? Het kan niet zijn dat er eenzijdig een wissel getrokken wordt op effecten van de voedselproductie en dat andere vastgestelde schadelijke effecten buiten schot blijven.
P10: Verlies van ruimtelijke samenhang: waar door veel kleine gefragmenteerde stukken natuur kunnen soorten geen duurzaam leven opbouwen Duurzaam beheerde landbouwgrond kan functioneren als een ideale verbinding tussen natuurgebieden zonder een te zware wissel te trekken op de sociaaleconomische kracht van het gebied. Ook wij zijn voorstander van een anti-verrommelingsbeleid en behoud van open gebied. Dat kan prima samengaan met agrarische productie. Binnen de RFV zijn kennisinstanties en boeren samen druk bezig om geavanceerde duurzame bodemtechnieken te onderzoeken en in te voeren. P10: Alternatief voor KDW. Daar zullen we t.z.t. op anticiperen. Dit is een merkwaardige opmerking. Als u de ontwikkelingen afwacht en dan reageert kan dat kwalijk gezien worden als anticiperen? Verder toont u hierbij de onzekerheid waar wij als boeren mee kampen. Het is onmogelijk om zonder een uitgewerkt maatregelenpakket een geloofwaardige uitspraak te doen over het landbouwperspectief. P10: Het stukje tekst in het grijze blokje: Er wordt verwezen naar de groene contour. Dit is geen Gelders begrip
Afdeling Gelderse Vallei
2.1.2 Balans in voedselsysteem. De RFV kenmerkt zich door de specialisatie op intensieve sectoren. Daar ligt ook een belangrijk deel van de onderlinge versterking in regionale economie en kennisontwikkeling. Niet voor niets noemen we ons ‘Voedselvallei’. We maken hier voedsel voor afnemers buiten onze regio. En ja er is ook een economische onbalans: er stroomt veel meer geld de regio in dan eruit. Ook qua circulariteit: de intensieve sectoren verwerken restproducten uit humane voedselproductie van elders. Alles in dit hoofdstuk is onderhevig aan de afbakening van het gebied waarbinnen we naar balans streven: Foodvalley, Gelderland, Nederland, Europa, wereldschaal?? Een eerlijke benadering die zich onthoudt van loze kretologie schetst die afbakening dan helder. Wij hebben het niet kunnen vinden. P13 2.2.3. De identiteit van het gebied wordt behouden en versterkt. De identiteit van een gebied wat zichzelf benoemd als Foodvalley ligt voor de hand maar komt hier niet terug. P14 beschrijving biologische landbouw. De beschrijving mist een cruciaal deel: biologische landbouw is gericht op de bereidheid van een groep consumenten om een plus te betalen op de productprijs. De marktruimte voor dit concept is beperkt en wordt overtekend. Recente ervaringen ten tijde van stevige inflatie hebben een deuk geslagen in het vertrouwen van boeren in de consumententrouw van deze groep.
Desondanks zien we geen problemen om de marktruimte voor biologisch aan productiezijde in te vullen. Maar deze essentie moet wel onderdeel zijn van een eerlijk verhaal over biologische productie. P15 ontwikkellijnen. Gegeven de identiteit van het gebied, en de doelstelling van de visie om perspectief voor het landelijke gebied te vinden hoort hier, naast de genoemde 3 ontwikkellijnen, ook een lijn bij die ziet op de werkbaarheid en volhoudbaarheid van de agrarische benutting, zijnde de vigerende bestemming. P15 3.2.1 gezond water van bron tot monding. We lezen niet terug dat veel van de hoofdwaterstromen van buiten onze invloedsfeer binnenkomen in een kwaliteit die onder onze doelen ligt. We moeten onze eigen invloeden onder ogen zien en zo veel als mogelijk mitigeren maar we hoeven toch niet de vervuiling van elders op te ruimen? P18: Keuzes die hierbij kunnen horen Het is lastig om te reageren op keuzes die gemaakt zouden kunnen worden maar niet echt voorgesteld worden. Zo wordt extensivering als mogelijke maatregel genoemd zonder een concreet plan voor uitvoering. In de RFV kost een hectare al snel 150.000 euro. Je kunt (zeker in het licht van Basel 3) geen financiering krijgen om te investeren om te extensiveren. Extensiveren betekent meer grond met dezelfde dieren of minder dieren op dezelfde grond.
De eerste optie vereist investeringen, de tweede desinvesteringen en achteruitgang in inkomsten. We zeggen niet dat er helemaal geen extensivering mogelijk is, maar het wordt veel te makkelijk en te vaak geroepen zonder de flinterdunne uitvoerbaarheid te schetsen. Een eerlijk verhaal vraagt erom dat alle inzichten op tafel liggen. P26 bij 3.1 wat is er nodig. Het gebruik van ‘een soort menukaart’ is verwarrend omdat we in ons ruimtelijk beleid al een instrument met die naam kennen. Daarbij is de toevoeging ‘een soort’ wel heel erg vaag en lastig om op te reageren zonder de strekking te kennen.
Afdeling Gelderse Vallei
P26: Vergunde milieu-emissies die niet actueel zijn in relatie tot de bedrijfsstrategie beschouwen wij niet zomaar als een vaststaand gegeven. Hoewel we blij zijn met de verwijzing naar de bedrijfsstrategie merken we op dat het hier een fundament in rechtszekerheid betreft. Ondernemers hebben geïnvesteerd in de legitieme verwachting de vergunde ruimte te kunnen benutten als dat nodig is. Zeker waar de emissie per dier nog heel beïnvloedbaar is, kan het niet zo zijn dat vergunde ruimte wordt terug gevorderd. En al helemaal niet zonder een vergoeding van de daarmee nutteloos geworden investeringen.
In algemene zin Vinden we in het groeidocument het specifieke karakter en de identiteit van het gebied onvoldoende terug. Wij zien goede innovatieve mogelijkheden om emissies van ammoniak, methaan, lachgas en fijnstof verder terug te dringen. In dat besef is iedere denkrichting om negatieve effecten te mitigeren door overheidsgestuurde verkleining van dier- of ondernemersaantal fnuikend voor het RFV karakter. Met verlies van de kritische massa in de primaire sector zullen de gevolgen voor de sociaaleconomische samenhang in ons gebied desastreus zijn. De RFV heeft jarenlang trots uitgestraald over onze kwaliteiten. Het is nu tijd om de primaire sector te zien als ‘onze’ kernwaarde. We lopen niet weg voor verdere verduurzaming en zijn hoopvol over de mogelijkheden daartoe. Maar we vragen van u een helder signaal naar Rijk en Provincie dat we hier een heel specifiek gebied hebben wat maatwerk vereist. Geef ons de ruimte en betrek ons in de uitwerking van een plan. Samen komen we er uit.
Met vriendelijke groet, Namens het bestuur van LTO Noord afdeling Gelderse Vallei Wim Brouwer Voorzitter