CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

rapd-Toelichting

Raadscommissie 25 januari 2022, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan fietspad N224 en beantwoording middels zienswijzennota24.075 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Fietspad N224 Toelichting

Provincie Utrecht 17 december 2021

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Fietspad N224 Provincie Utrecht

Toelichting Definitief 17 december 2021 128572/21-019.321

128572 S. de Bruin MSc drs. M.J. Schilt

S. de Bruin MSc drs. T. Klumper S. de Bruin MSc

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Hoogoorddreef 15 Postbus 12205 1100 AE Amsterdam +31 (0)20 312 55 55 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toest emming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Vigerend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

9

2

BESCHRIJVING PLANGEBIED

10

2.1

Huidige situatie

10

2.2

Gewenste ontwikkeling

10

3

BELEIDSKADER

11

3.1

Rijksbeleid

11

3.1.1 3.1.2 3.1.3

11 11 11

3.2

3.3

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Besluit ruimtelijke ordening

Provinciaal en regionaal beleid

12

3.2.1 3.2.2 3.2.3

12 12 13

Omgevingsvisie Provincie Utrecht Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht Mobiliteitsplan 2014-2028

Gemeentelijk beleid

13

3.3.1

13

Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030

4

OMGEVINGSASPECTEN

14

4.1

Verkeer

14

4.2

Geluid

14

4.3

Luchtkwaliteit

15

4.4

Bodem

15

4.5

Archeologie

16

4.6

Rijksmonument

18

4.7

Niet gesprongen explosieven

19

4.8

Externe veiligheid

19

4.9

Natuur 4.9.1 4.9.2 4.9.3 4.9.4

20 Soortenbescherming Gebiedsbescherming Bos en houtopstanden Conclusies

20 22 23 23

4.10

Water

23

4.11

Bedrijven en milieuzonering

25

4.12

Kabels en leidingen

25

5

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

26

5.1

Algemeen

26

5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.1.4

26 26 27 27

5.2

Wat is een bestemmingsplan? Over bestemmen en aanduiden Hoofdstukopbouw van de regels Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Dit bestemmingsplan

27

5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4

28 28 28 28

Bijzonderheden in dit bestemmingsplan Bestemmingen Dubbelbestemmingen Algemene regels

6

UITVOERBAARHEID

29

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

29

6.2

Economische uitvoerbaarheid

29

6.2.1 6.2.2

29 29

7

Financiering en grondverwerving Beheer

PROCEDURE

30

Laatste pagina

30

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Vooronderzoek Bodem

28

II

Beantwoording opmerkingen ODRU op vooronderzoek bodem

1

III

Archeologisch onderzoek

35

IV

Quickscan natuur

31

V

Nee, tenzij-toets

21

VI

Compensatieplan NNN

9

VII

Waterparagraaf

23

VIII

Zienswijzennota

1

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

De provincie Utrecht is voornemens om in het kader van groot onderhoud aan de N224 te Renswoude het fietspad ten oosten van de Ubbeschoterweg en ten noorden van de N224 te wijzigen van een éénrichtingsfietspad naar een tweerichtingsfietspad. De bijkomende rijstrook van het fietspad past niet volledig binnen het geldende bestemmingsplan ‘Dorp’ vastgesteld door de gemeente Renswoude op 25 juni 2013. Daarom wordt hiervoor een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan maakt het tweerichtingsfietspad planologisch mogelijk. Na het planologisch mogelijk maken van het tweerichtingsfietspad, kan het fietspad gerealiseerd worden.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de zuidoost kant van Renswoude. Het fietspad ligt ten noorden van de N224 en ten oosten van de Ubbeschoterweg. Op afbeelding 1.1 is de globale ligging van de locatie van het te verbreden fietspad weergegeven. Afbeelding 1.2 geeft de huidige situatie van de weg weer met daarop in het roze het nieuwe ontwerp van het fietspad. Op afbeelding 1.3 is de exacte afbakening van het plangebied van het bestemmingsplan te zien.

Afbeelding 1.1 Globale ligging plangebied tweerichtingsfietspad N224 Renswoude

7 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

Afbeelding 1.2 Huidige en gewenste situatie fietspad N244 Renswoude

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan ‘Dorp’, vastgesteld door de gemeente Renswoude op 25 juni 2013. Afbeelding 1.2 toont een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan, met in het rood het gedeelte waar de bestemmingswijziging zal plaatsvinden.

Afbeelding 1.3 Vigerend bestemmingsplan ‘Dorp’ met locatie tweerichtingsfietspad N224 Renswoude

8 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

Binnen het bestemmingsplan ‘Dorp’ zijn 2 bestemmingen en 2 dubbelbestemmingen van toepassing op de planlocatie: 1 enkelbestemming natuur - kasteelpark; 2 enkelbestemming verkeer; 3 dubbelbestemming waarde - archeologie 1; 4 dubbelbestemming waarde - beschermd dorpsgezicht. De aanpassingen, die als gevolg van het tweerichtingenfietspad noodzakelijk zijn, passen niet volledig binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Dorp’. Het nieuwe tweerichtingenfietspad ligt binnen de enkelbestemming verkeer (grotendeels) en binnen de enkelbestemming natuur - kasteelpark. Met deze laatste bestemming is het fietspad strijdig en op afbeelding 1.2 is met een rode omlijning aangegeven waar het voorgenomen plan niet past binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Dorp’. Om het fietspad te kunnen realiseren, is een bestemmingswijziging noodzakelijk.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van deze toelichting wordt de huidige situatie en de toekomstige situatie beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie Utrecht en de gemeente Renswoude uiteengezet. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die relevant zijn voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling van dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 volgt de juridische planbeschrijving en in hoofdstuk 6 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan. Hoofdstuk 7 gaat in op de bestemmingsplanprocedure.

9 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

2 BESCHRIJVING PLANGEBIED 2.1

Huidige situatie

Het noordelijke fietspad aan de N224 ter hoogte van de Ubbeschoterweg is op dit moment nog een éénrichtingsfietspad. Aan de zuidelijke kant van de weg ligt ook een éénrichtingsfietspad. In verband met de veiligheid van de fietsers wordt het fietspad aan de noordkant van de N224 tussen de Veenweg en de Ubbeschoterweg gewijzigd van een eenrichtingsfietspad naar een tweerichtingsfietspad. Op deze manier hoeven de fietsers vanuit de kern Renswoude richting Ederveen (via de Veenweg) minder vaak de N224 over te steken. Direct naast het fietspad ligt een kleine groenstrook die overloopt in een greppel naast de weg. Zie afbeelding 2.1 voor de huidige situatie. Links op afbeelding 2.1 is het fietspad te zien, de groenstrook en de greppel.

Afbeelding 2.1 Huidige situatie fietspad N224

2.2

Gewenste ontwikkeling

De aanpassing van het noordelijke eenrichtingsfietspad naar een tweerichtingenfietspad maakt onderdeel uit van de werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van het project ‘groot onderhoud N224 Renswoude’. In dit project zijn grote delen van de N224 vernieuwd en gemoderniseerd. Op de huidige berm en een gedeelte van de bermsloot is het nieuwe tweerichtingenfietspad gepland. Om het aanwezige NNN zo veel als mogelijk te ontzien is onderzocht of de fietspadaanpassing binnen de huidige bestemmingsgrenzen ‘verkeer’ aangelegd kon worden. Deze mogelijkheid was echter beperkt. Deze aanlegwijze zou namelijk leiden tot een te geringe vrije ruimte tussen het tweerichtingenfietspad en de rijweg van de Dorpsstraat. Daarom is gekozen voor het huidige ontwerp van het tweerichtingenfietspad.

10 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

3 BELEIDSKADER 3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt draagt bij aan nationaal belang 4 vanuit de NOVI: ‘Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving’. Doordat fietsers minder vaak de N224 hoeven over te steken, wordt de veiligheid verbeterd. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan nationaal belang 6: ‘Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem’.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI ten aanzien van de daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. De ontwikkeling van de wijzigingen van een eenrichtingsfietspad naar een tweerichtingenfietspad aan de N224 kan niet worden geschaard onder een van de nationale belangen beschreven in het Barro. Er is dan ook geen sprake van belemmering van de nationale belangen.

3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk

11 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan betreft de wijziging van een eenrichtingsfietspad naar een tweerichtingenfietspad. Dit is geen stedelijke ontwikkeling. De laddertoets is derhalve niet van toepassing.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Provincie Utrecht

De Omgevingsvisie van de Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De Provincie heeft te maken met beperkte ruimte, terwijl de vraag naar ruimte groot is. Met de Omgevingsvisie wil de Provincie richting geven aan de ontwikkeling en bescherming van de gezonde en veilige leefomgeving. Utrecht streeft na om een inclusieve en circulaire provincie te zijn. Hiervoor zijn zeven beleidsthema’s vastgesteld. In 2050 is de Utrecht een provincie: - waarin stat en land gezond zijn; - die klimaatbestendig en waterrobuust is; - waarin duurzame energie een plek heeft; - met vitale steden en dorpen; - die duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; - met een levend landschap, erfgoed en cultuur; - die een toekomstbestendige natuur en landbouw heeft. Voor de voorgenomen ontwikkeling van het fietspad is vooral het thema ‘duurzaam, gezond en veilig bereikbaar’ relevant. Met dit thema streeft Utrecht na om goed bereikbaar te zijn door bestaande netwerken te benutten, in samenhang met wonen, werken en voorzieningen. Dit moet duurzaam, gezond en veilig gebeuren. De fiets is conform de Omgevingsvisie een schone wijze van vervoer, die de gezondheid bevordert en een belangrijke functie vervuld voor korte afstanden en in het voor- en natransport.

De ontwikkeling van de wijziging van een eenrichtingsfietspad naar een tweerichtingenfietspad draagt bij aan de versterking van bestaande netwerken en het stimuleren van fietsgebruik. Het fietspad is in overeenstemming met het beleid.

3.2.2

Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht

Het beleid van de Omgevingsvisie van de Provincie Utrecht wordt uitgevoerd met behulp van de Interim Omgevingsverordening. Deze is op 10 maart 2021 vastgesteld. In de Omgevingsverordening staan de regels om het beleid uit de Omgevingsvisie uit te voeren. De Provincie vindt het belangrijk om ruimte te geven aan initiatieven en maatwerk per gebied te leveren. Voor de bereikbaarheid in de Provincie, specifiek de bereikbaarheid van het fietsnetwerk, is opgenomen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Regionaal fietsnetwerk geen bestemmingen en regels mag bevatten die de instandhouding en uitbreiding van het regionaal fietsnetwerk belemmeren.

12 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

De ontwikkeling van de wijziging van een eenrichtingsfietspad naar een tweerichtingenfietspad draagt bij aan de ambitie om het regionaal fietsnetwerk te verbeteren. Het fietspad is in overeenstemming met het beleid.

3.2.3

Mobiliteitsplan 2014-2028

Het Mobiliteitsplan bestaat uit een Mobiliteitsvisie en een Mobiliteitsprogramma en is vastgesteld door Provinciale Staten op 7 juli 2014. De Mobiliteitsvisie bevat de lange termijn doelen om de unieke verbindende knooppuntpositie van de provincie goed te laten functioneren. Daarnaast beschrijft de visie welke rol de provincie op zich neemt om deze doelen te realiseren, zonder dit af te wentelen op toekomstige generaties en andere gebieden. Dit wordt iedere 4 jaar geconcretiseerd in een Mobiliteitsprogramma waarin is verwoord welke acties (op kortere termijn) nodig zijn en welke samenhang deze hebben met de lange termijn doelen. Het meest recente Mobiliteitsprogramma heeft betrekking op de periode 2019 - 2023. Een goede bereikbaarheid is van groot belang voor de kracht, aantrekkelijkheid en de concurrentiepositie van de provincie. Er wordt ingezet op een mobiliteitsnetwerk dat mensen en goederen snel op hun bestemming brengt, maar dat ook dienstbaar is aan de maatschappelijke behoeftes als duurzame welvaart, leefbaarheid en welzijn. Van belang hierbij is: - het versterken van bestaande netwerken; - het verbinden van netwerken; - het verbinden van vraag en aanbod aan infrastructuur en mobiliteitsdiensten. De ontwikkeling van de wijziging van een eenrichtingsfietspad naar een tweerichtingenfietspad draagt bij aan de versterking van bestaande netwerken.

Het fietspad is in overeenstemming met het beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030

Het doel van de omgevingsvisie van Renswoude is het creëren van een strategische visie voor de langere termijn voor de hele fysieke leefomgeving van Renswoude, die antwoord geeft op de vraag: Hoe ziet Renswoude er in 2030 uit? In de omgevingsvisie voor de gemeente Renswoude belangrijke thema’s verder uitgelicht. Het gaat hier om de thema’s wonen, werken, voorzieningen, buitengebied, thema overstijgend. Onder elk thema wordt de bereikbaarheid besproken. De belangrijkste punten zijn toegelicht: - bereikbaarheid en toegankelijkheid van het dorp is een van de speerpunten van het beleid, waarbij de provinciale weg speciale aandacht krijgt; - door Renswoude lopen een aantal belangrijke verbindingswegen zoals de provinciale weg en de Barneveldsestraat. Het onderzoeken van een rondweg behoort hierbij tot een van de mogelijke oplossingen. Eventuele aanleg van een rondweg is echter ingrijpend voor het buitengebied. Vanzelfsprekend wordt hier zorgvuldig mee omgegaan. Het voorgenomen plan draagt bij aan de bereikbaarheid en toegankelijkheid van het dorp en is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030.

13 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

4 OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk komen alle voor dit plan relevante omgevingsaspecten aan bod. Achtereenvolgens gaat dit om: - verkeer; - geluid; - luchtkwaliteit; - bodem; - archeologie; - rijksmonument; - niet-gesprongen explosieven; - externe veiligheid; - natuur; - water; - bedrijven en milieuzonering; - kabels en leidingen.

4.1

Verkeer

Ten behoeve van de realisatie van de verbreding van het fietspad is geen verkeerskundige analyse uitgevoerd. Echter brengt elke ruimtelijke ontwikkeling een verandering van verkeerstromen met zich mee. De aanleg van het fietspad is onderdeel van grootonderhoud aan de N224. Door middel van het grote onderhoud aan de N224 wordt de verkeersveiligheid verbeterd en wordt de afwikkeling van verkeer versneld. De voorgenomen werkzaamheden zorgen niet voor een verkeer aanzuigende werking van gemotoriseerd verkeer. De wijziging van het enkele fietspad naar een tweerichtingsfietspad draagt hierdoor ook bij aan de verbetering van de verkeersveiligheid. Gezien de verwachting dat de wijzigingen aan het fietspad geen aanzuigende werking heeft van gemotoriseerd verkeer en omdat er in dit bestemmingsplan geen grootschalige infrastructurele wijzigingen zijn opgenomen, wordt het uitvoeren van een verkeersonderzoek niet nodig geacht.

4.2

Geluid

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen de bepalingen van de Wet geluidhinder in acht te worden genomen, Dit betekent, onder meer, dat wanneer in het bestemmingsplan gronden worden bestemd voor nieuwe woningbouw of andere geluidsgevoelige objecten, moet worden nagegaan of voor deze gronden een zogenaamde geluidzone van kracht is. Met uitzondering van 30 km/uur wegen en woonerven, bevinden zich in principe langs alle wegen geluidzones. Binnen een geluidzone moet bij nieuwe ontwikkelingen akoestisch onderzoek worden verricht, waaruit blijkt of de voorkeursgrenswaarde of de maximaal toelaatbare geluidbelasting wordt overschreden. Omdat dit bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt waarbij sprake is van nieuwe geluidgevoelige objecten en er ook geen grootschalige infrastructurele wijzigingen in dit bestemmingsplan

14 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

zijn opgenomen, is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet nodig. Het plan heeft geen relevante geluidseffecten tot gevolg.

4.3

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (‘’Wet Luchtkwaliteit’’) zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen. In de onderhavige situatie worden er geen emissies verwacht die zijn opgenomen in de Wet Luchtkwaliteit. Een project vormt geen belemmering voor de luchtkwaliteit wanneer kan worden aangetoond dat: - het project niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 5,16, 1 ste lid, onder c, Wm) of; - het project niet leidt tot een overschrijding van grenswaarden (art. 5.15, 1 ste lid, ander a, Wm). De ruimtelijke ontwikkeling waarvoor dit bestemmingsplan wordt opgemaakt, zal niet leiden tot hogere emissies, aangezien het emissieloos fietsverkeer betreft. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die dermate negatieve gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit dat de grenswaarden overschreven worden. Een onderzoek naar luchtkwaliteit derhalve niet noodzakelijk.

4.4

Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijk ordening dient een bodemanalyse te worden verricht met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van bepaalde bestemmingen of bestemmingswijzigingen. Omdat er sprake is van het opstellen van een nieuw bestemmingsplan is een bodemonderzoek noodzakelijk. Bodemonderzoek moet aantonen dat de bodem geschikt is voor het realiseren van een gewenst project. Dat wil zeggen dat er uit onderzoek moet blijken dat er geen verontreiniging aanwezig is, dat de eventueel aanwezige verontreiniging niet schadelijk is voor de omgeving, of welke maatregelen er nodig zijn om de bodem geschikt te maken om de voorgenomen werkzaamheden te realiseren. Onderzoek Het vooronderzoek bodem is uitgevoerd conform de NEN 5725. Met een vooronderzoek wordt door archiefen dossieronderzoek informatie verzameld over het voormalig, huidig en toekomstig bodemgebruik, de bodemkwaliteit, de bodemopbouw en geohydrologie en de financieel-juridische situatie. Dit vooronderzoek is met name gericht op het achterhalen van mogelijk bronnen van verontreinigingen. De bovengrond (tot circa 1,0m-mv) is antropogeen beïnvloed. Aan het oppervlak is de Formatie van Boxtel aanwezig. Aan de hand van nabije boringen worden in de bovenste meter van de bodem fijn tot matig fijne zandafzettingen of veen verwacht.

Op basis van de informatie op DINOloket wordt vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 15 m-mv de Formatie van Boxtel verwacht. De afzettingen bestaan uit matig tot dijn zand met sporadisch een kleilaag. Vanaf circa 15 m-mv tot 25 m-mv is de Eem Formatie aanwezig, welke bestaat uit matig fijn tot zeer grof zand en kleilagen. Hieronder bevindt zicht de Formatie van Drenthe tot een diepte van circa 38 m-mv. De afzettingen bestaan uit matig tot grof zand en klei. Van 38 m-mv tot 40 m-mv is de Formatie en Sterksel aanwezig, welke bestaat uit matig tot grof zand met kleilagen. OP een diepte groter dan 40 m-mv bevindt zich de Formatie en Peize en de Formatie van Waalre, bestaand uit matig tot grof zand. Conclusie Op basis van de resultaten van het vooronderzoek (conform de NEN 5725) in relatie tot de voorgenomen werkzaamheden kan worden geconcludeerd dat behoudens het afstromen van hemelwater (‘run off’) en atmosferische depositie, op de locatie en binnen een zone van circa 25 m van de locatie geen aanwijzingen zijn waaruit zou blijken dat er zich potentieel bodembelastende (voormalige) (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden. Met het uitvoeren van het vooronderzoek bodem is de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem voldoende in beeld gebracht voor het bestemmingsplan.

Voor de uitvoering van de werkzaamheden wordt een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk geacht om de milieu hygiënische kwaliteit van de

15 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

bodem nader vast te stellen. De onderzoekshypothese en -strategie voor een verdachte lijnvormige locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (NEN 5740; VED-HE-L) wordt als meest doelmatig beoordeeld om de actuele milieu hygiënische kwaliteit vast te stellen en dienovereenkomstig onderzocht. Het volledige onderzoek en de beantwoording van de opmerkingen van de Omgevingsdienst Regio Utrecht zijn bijlage I en II van deze toelichting.

4.5

Archeologie

De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Vanwege de dubbelbestemming waarde - archeologie 1 in het geldende bestemmingsplan is in het plangebied van het fietspad is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek moet uitsluitsel geven of er sprake is van een archeologische trefkans. In afbeelding 4.1 is een uitsnede gemaakt van de archeologische verwachtings- en beleidskaart Renswoude. Het plangebied is aangegeven door middel van een zwart kader. Het plangebied ligt in AWG3: Archeologisch waardevol gebied 3. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld.

Afbeelding 4.1 Uitsnede Archeologische verwachtings- en beleidskaart Renswoude

16 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

Bureauonderzoek Voor dit bestemmingsplan is een bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek dient ervoor om inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de bodemopbouw en de sporen die het menselijk gebruik in de loop van tijd heeft achtergelaten. Met behulp van deze gegevens wordt een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. De archeologische verwachting en de verschillende deelaspecten daarvan, zijn samengevat in tabel 4.1.

Tabel 4.1 Samenvatting van de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied Archeologische periode

Complextype

Omvang

Kenmerken

Diepteligging

Gaafheid

Mesolithicum

kampement

50 - 500 m2

van een strooiing van houtskool, vuursteen en (ander) natuursteen

direct aan het maaiveld of onder een mogelijk bouwlanddek

onbekend

Late Middeleeuwen Nieuwe tijd

historisch park

circa 26,7 ha

inrichtingselementen als plantenbedden en waterpartijen

direct aan het maaiveld

onbekend

Nieuwe tijd

resten uit de Tweede Wereldoorlog

kleinschalig

kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen

direct aan het maaiveld

onbekend

Veldonderzoek Daarnaast is er een inventariserend veldonderzoek (IVO-O) uitgevoerd. Dit onderzoek bestaat uit een verkennend booronderzoek. De gevolgde onderzoeksmethode voor het veldwerk is bepaald op basis van het onderhavige bureauonderzoek. Het veldonderzoek is uitgevoerd op 17 oktober 2018. Uit het booronderzoek is gebleken dat het plangebied ligt in een dekzandvlakte met enige kenmerken van afspoeling en hellingsprocessen in de diepere ondergrond. Het plangebied is geroerd tot een diepte

17 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

variërend van 0,95 - 1,35 m -mv (NAP +6,8 - 6,1 m). Daaronder bevindt zich dekzand. In dit dekzand zijn geen aanwijzingen gevonden voor oudere, overstoven bodems aangetroffen. Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Let wel, het onderzoek betrof een verkennend booronderzoek en had ook niet tot doel archeologische vindplaatsen op te sporen, aangezien de boordichtheid en boordiameter hiertoe ontoereikend waren. Het puin dat met name in boring 1 en 2 is waargenomen betreft niets anders dan de weerslag van de ligging nabij de weg. Met werkzaamheden ten behoeve van de weg en/of kabels en leidingen is dit puin in de bodem gekomen. Conclusie Op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek (bijlage III) blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Hoewel voor het plangebied een lage archeologische verwachting geldt, kan nooit helemaal worden uitgesloten dat bij de uitvoering van de werkzaamheden alsnog archeologische vondsten worden gedaan. Dergelijke (toevals)vondsten moeten op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegd overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, c.q. gemeente Renswoude) worden gemeld.

Gelet op de bovenstaande conclusies van het archeologische onderzoek is het niet langer noodzakelijk om een dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 1’ op te nemen in dit bestemmingsplan.

4.6

Rijksmonument

De Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 vervangen als het gaat om gebouwde monumenten en archeologie. Daarnaast gaat de Erfgoedwet ook over roerend erfgoed. In Nederland bevinden zich ongeveer 62.000 rijksmonumenten. Dit kunnen gebouwen of andere objecten zijn die om hun nationale cultuurhistorische waarde door de rijksoverheid zijn aangewezen als beschermd monument. In de Erfgoedwet zijn regels opgenomen voor het beschermen en de instandhouding van rijksmonumenten. De voorgenomen werkzaamheden vinden plaats binnen een Rijksmonument. Het Rijksmonument betreft een historische tuin en parkaanleg. Afbeelding 4.1 geeft weer waar het Rijksmonument zich bevindt met betrekking tot de planlocatie.

Afbeelding 4.2 Overzicht Rijksmonument (groen) met aanduiding planlocatie (rode lijn)

18 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

De historische tuin- en parkaanleg (complexnummer 509375, monumentnummer 509376 - te Renswoude) is van algemeen belang. Het is een representatief voorbeeld van een deels in structuur en deel in detail gaaf bewaard gebleven tuin- en parkaanleg in landschapsstijl. Aangelegd tussen 1810 en 1818 binnen een nog in hoofdlijnen bestaande 16de- en 17de-eeuwse formele aanleg. De hoofdstijl valt onder de Frans-Classicistische tuinstijl. Het Rijksmonument is gelegen aan de Dorpsstraat 3, 3927 BA, Renswoude. De beoogde wijziging van een eenrichtingsfietspad naar een tweerichtingenfietspad wijzigt in principe het Rijksmonument. De wijziging vindt plaats aan de rand van de historische tuin en parkaanleg en deze wijziging is dusdanig minimaal, wat inhoudt dat het Rijksmonument nauwelijks zichtbaar wijzigt en ook niet wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. In het kader van dit Rijksmonument is afstemming geweest met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). Hieruit bleek dat de RCE geen formele adviesrol meer heeft in de bestemmingsplanprocedure. In het kader van het plan dat mogelijk wordt gemaakt via dit bestemmingsplan kan de gemeente bij verlening van de omgevingsvergunning beschermd monument (artikel 2.1 lid 1 sub f Wabo) indien nodig advies inwinnen bij de RCE.

4.7

Niet gesprongen explosieven

Wanneer een gebied verdacht is op aanwezigheid van explosieven dient er een onderzoek uitgevoerd te worden om vast te stellen of er niet gesprongen explosieven aanwezig zijn in het plangebied. Voor de activiteiten die gepaard gaan met wijziging van het fietspad naar een tweerichtingenfietspad, zal er niet dieper gegraven worden dan de toegestane diepte (0,3 m) volgens het bestemmingsplan ‘Dorp’. Voorafgaand aan de uitvoering zal ter uitsluitsel een onderzoek naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven worden uitgevoerd.

4.8

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen het onderwerp externe veiligheid worden 2 normstellingen gehanteerd: - het Plaatsgebonden Risico (PR); is de plaatsgebonden kans per jaar dat een onbeschermd persoon komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico (PR) is weer te geven met een contour rondom een activiteit; - het Groepsrisico (GR); geeft de kans per jaar aan dat een groep personen van een bepaalde grootte (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico bestaat uit een invloedgebied waarbinnen het risico verantwoord moet worden. In het kader van de externe veiligheid worden in hoofdzaak 3 mogelijke risicobronnen onderscheiden: 1 inrichtingen, waarin opslag en/of verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; 2 transportroutes, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd; 3 buisleidingen, waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor elke risicobron is een apart wettelijk kader opgesteld waarin beschreven staat hoe met de risico's moet worden omgegaan.

Het betreft hier de volgende wettelijke kaders: - besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - circulaire ‘Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’ (cRNVGS); - besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het kader van de externe veiligheid is opgenomen dat voor iedere toename van het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt.

19 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

Beoordeling plangebied Om het aspect externe veiligheid te beoordelen is de risicokaart van de provincie Utrecht geraadpleegd. Op basis van informatie afkomstig van de risicokaart kan er worden geconcludeerd dat er met betrekking tot inrichtingen, transport over de weg, het water en het spoor en buisleidingen geen activiteiten zijn die relevant zijn voor de externe veiligheid. Afbeelding 4.2 geeft een uitsnede van de risicokaart aan. Het zwarte kader geeft globaal het plangebied aan. In de directe omgeving is volgens de risicokaart een inrichting aanwezig die aangeduid wordt als ‘overig’. De hoofdfunctie van deze functie is een boerderij. De inrichting heeft geen invloed op het bestemmingsplan.

Afbeelding 4.3 Risicokaart met globaal plangebied (zwart kader) (bron: Risicokaart-viewer, geraadpleegd op 28-11-2018)

4.9

Natuur

De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen 3 zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden.

4.9.1

Soortenbescherming

Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in 3 categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Op basis van de ecologische quickscan (bijlage IV) is bepaald dat op de soortgroep vleermuizen na, er geen ontheffing Wnb nodig is, mits de genoemde maatregelen (zie tabel 4.2) in acht worden genomen. Daarnaast geldt te allen tijde de algemene zorgplicht, wat betekent dat er tijdens de werkzaamheden gedaan moet worden wat redelijkerwijs mogelijk is om schadelijke effecten op soorten zoveel mogelijk te voorkomen.

20 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

De bomen in het plangebied van het bestemmingsplan worden niet gekapt. Aangezien de werkzaamheden die worden uitgevoerd (gedeeltelijke demping watergang en aanleggen fietspad in open verharding) als ‘niet verstorend’ zijn beoordeeld, hoeft er niet te worden onderzocht of aanwezige boomholtes dienst doen als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten. Er is dan ook geen ontheffing Wet natuurbescherming nodig. In tabel 4.2 zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat. Wanneer ter voorkoming van (mogelijke) overtreding van de Wnb maatregelen nodig zijn wordt dit aangegeven. Tabel 4.2 Samenvattende tabel Soortgroep

Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?

Kans op overtreding verboden Wnb?

Gevolgen?

Ontheffing aanvragen Wnb?

vaatplanten

nee

nee

geen, wel geldt de algemene zorgplicht van de Wnb

nee

grondgebond en zoogdieren

op basis van aanwezige biotopen kan het voorkomen van algemene soorten (verschillende soorten (spits)muizen, konijn) niet worden uitgesloten

nee, vrijstelling binnen Provincie Utrecht

geen, wel geldt de algemene zorgplicht van de Wnb

nee

vleermuizen

ja, 6 soorten vleermuizen bekend uit de wijdere omgeving, het kan niet worden uitgesloten dat delen van het plangebied onderdeel uitmaakt van vliegroute(s) en/of foerageergebied voor meerdere soorten.

ja, wanneer er binnen de actieve periode (een uur voor zonsondergang tot een uur na zonsopkomst gedurende de maanden maart november ) wordt gewerkt en vleermuizen door licht of geluid worden verstoord.

nee, mits werkzaamheden niet plaatsenvinden in de actieve periode (een uur voor zonsondergang tot een uur na zonsopkomst gedurende de maanden maart - november) en werkterrein niet kunstmatig worden verlicht. Indien dit niet mogelijk is kan verstoring voorkomen worden door goed licht- en geluidbeheer toe te passen in de actieve periode van vleermuizen.

nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen

Daarnaast zijn er enkele holtes/boomscheuren aangetroffen die van waarde kunnen zijn voor boom bewonende vleermuissoorten

Wanneer de betreffende bomen worden gekapt kunnen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd of individuen worden gedood

De bomen binnen het bestemmingsplan worden niet gekapt. De uit te voeren werkzaamheden (gedeeltelijke demping watergang en aanleggen fietspad in open verharding) zijn als ‘niet verstorend’ beoordeeld, waardoor er niet hoeft worden vastgesteld of er in de bomen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Een ontheffing van de Wnb is niet aan de orde

nee, de bomen worden niet gekapt en de werkzaamheden zijn niet verstorend voor vleermuizen

21 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

Soortgroep

Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?

Kans op overtreding verboden Wnb?

Gevolgen?

Ontheffing aanvragen Wnb?

vogels

ja, delen van- en bomen rondom het plangebied vormt geschikt broedgebied voor verschillende vogels

ja, indien broedgevallen opzettelijk worden verstoord of nesten worden vernietigd

3 mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken - vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken, zodat vogels niet gaan broeden - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels

nee, ontheffing verkrijgen is niet mogelijk. Daarom is het nemen van mitigerende maatregelen essentieel

reptielen

nee

nee

geen

nee

amfibieën

ja, plangebied vormt mogelijk deel van leefgebied voor algemeen voorkomende bijlage A-soorten zoals bruine kikker en gewone pad

nee, vrijstelling binnen Provincie Utrecht

geen, wel geldt de algemene zorgplicht van de Wnb

nee

dagvlinders, libellen en overige ongewervelde

nee

nee

geen, wel geldt de algemene zorgplicht van de Wnb

nee

4.9.2

Gebiedsbescherming

Natura 2000 (Wet natuurbescherming) Het plangebied ligt op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden (meer dan 5 km). Als gevolg van de geplande werkzaamheden kunnen directe effecten (zoals geluid en trillingen) geheel worden uitgesloten. Het optreden van verzuring en vermesting binnen de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (Veluwe en binnenland) als gevolg van stikstofemissie van de geplande werkzaamheden is vanwege de grote afstand en de relatieve kleinschaligheid van de werkzaamheden ook uitgesloten. Het optreden van andere indirecte effecten is als gevolg van de afstand tevens niet aan de orde. Vervolgstappen (voortoets) in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur) Met de realisatie van een tweerichtingenfietspad treedt een kleine hoeveelheid ruimtebeslag op van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit is nodig om de noodzakelijke vrije ruimte tussen het tweerichtingenfietspad en de rijweg van de Dorpsstraat te borgen. Plannen die kunnen leiden tot aantasting van de ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ van het NNN zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Dit is het 'nee, tenzij'-principe. Zo moeten de ontwikkelingen een groot openbaar belang dienen en moeten de schadelijke effecten van de activiteit op de natuur worden gecompenseerd.

Via de ‘nee, tenzij’-toets (bijlage V) is bepaald of het initiatief leidt tot significante aantasting op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, of er sprake is van een ontwikkeling van openbaar belang en of er alternatieven zijn. Vervolgens is op basis van onderstaande 3 criteria beoordeeld of er sprake is van significante aantasting van het NNN: 1 wezenlijke kenmerken en waarden; 2 oppervlakte; 3 samenhang.

22 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

Beoordeling De realisatie van het tweerichtingenfietspad en de vrije ruimte tussen het tweerichtingenfietspad en de Dorpsstraat is een verbetering van de infrastructuur voor fietsers en vanwege deze verhoging van de verkeersveiligheid is sprake van groot openbaar belang. Het groot openbaar belang staat in verhouding met de beperkte aantasting van het NNN. Er zijn geen reële alternatieven voor het tweerichtingenfietspad. Door de afname in oppervlak is er sprake van significante effecten op het NNN. Dit dient te worden gecompenseerd. Mitigatiemogelijkheden hiervoor ontbreken. Voor het verlies van 231 m2 NNN en de toeslag op basis van de kwaliteit en hersteltijd van het beheertype dient er in totaal 577,5 m2 te worden gecompenseerd (Npopg). In de directe omgeving van de ontwikkeling komt geen ruimte vrij op gronden van de initiatiefnemer om de compensatie uit te voeren. Om die reden heeft de provincie Utrecht ervoor gekozen om de Authenasekade in Vianen aan te wijzen als de compensatielocatie voor de ontwikkeling van dit bestemmingsplan. De Authenasekade in Vianen zal worden ingericht als vochtig hooiland. Omdat vochtig hooiland een natuurtype met een hogere kwaliteit is, kan dit met natuurpunten verrekend worden. Vochtig hooiland valt in een klasse met de ‘midden’-waardering en de toeslag hiervoor bedraagt 0,3.

De natuurpunten voor de te realiseren compensatie (Npcomp) bedragen: Npcomp = Acomp * (1,0 + 0,3). Het aantal natuurpunten voor de te realiseren compensatie dient groter of gelijk te zijn aan het aantal de natuurpunten voor de te realiseren compensatie (Npcomp ≥ Npopg). Dat betekent dat het oppervlakte van de te realiseren compensatie (Acomp) ≥ 577,5 / 1,3 = 444,2 m² dient te zijn aan de Authenasekade in Vianen. Bijlage VI omvat het complete compensatieplan fietspad N224.

4.9.3

Bos en houtopstanden

Voor de realisatie van de extra rijstrook van het fietspad zou een watergang verlegd moeten worden, waardoor bomen gekapt zouden moeten worden. Omdat deze bomen onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland én vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming (de bomen staan binnen het toepassingsgebied houtopstanden conform Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017), is het niet wenselijk om deze bomen te kappen. Daarom is ervoor gekozen om de watergang niet te verleggen, maar te versmallen waar nodig waardoor de bomen kunnen blijven staan.

4.9.4

Conclusies

Beschermde gebieden uit de Wet natuurbescherming zijn niet binnen de invloedssfeer van het voornemen aanwezig. In het kader van het NNN treedt een kleine hoeveelheid ruimtebeslag op van het NNN. Het oppervlakteverlies van NNN wordt gecompenseerd aan de Authenasekade in Vianen. Doordat de bomen in het plangebied niet gekapt worden en de werkzaamheden ten aanzien van het fietspad (dempen watergang, aanleggen drain en aanleggen fietspad in open verharding) als niet verstorend zijn beoordeeld is er ten aanzien van vleermuizen geen onderzoek noodzakelijk.

4.10

Water

Als onderdeel van de watertoets procedure is het plan (verbreding fietspad aan de N224) getoetst aan het beleid van de gemeente, waterschap en provincie op relevante waterthema’s. De 2 activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem bij onderhavige ontwikkeling zijn: - toename verhard oppervlak; - afname waterbergingscapaciteit.

23 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

Toename verhard oppervlak De verbreding van het fietspad zorgt voor een toename in verhard oppervlak van 93 m2 en daardoor wordt het watersysteem extra belast. Het waterschap hanteert voor een toename van verhard oppervlak een ondergrens van maximaal 1.500 m2 in de bebouwde kom. Pas boven deze grens moet de toename van verhard oppervlak gecompenseerd worden. Het plan heeft geen significante negatieve gevolgen voor het watersysteem en voldoet aan het huidige beleid ten aanzien van gestelde afvoernormen van het waterschap. Hieruit volgt dat er geen maatregelen getroffen dienen worden en/of vergunningen nodig zijn. Omdat zowel provincie, waterschap als de gemeente inzetten op klimaatadaptatie, wordt aangeraden in de aanliggende sloot 6 m3 extra waterberging te creëren (is niet verplicht). Afname waterbergingscapaciteit Vanwege de verbreding van een gedeelte van fietspad langs de N224 (ter hoogte van de Ubbeschoterweg) zal de naastliggende watergang versmald of verlegd moeten worden (gedeeltelijke demping). Het verleggen van deze watergang is niet wenselijk, omdat dit tot gevolg heeft dat bomen gekapt moeten worden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland. Daarom is gekozen de watergang te versmallen en te verdiepen.

Omdat de versmalling van de watergang tot gevolg heeft dat minder water geborgen kan worden, dient dit verlies aan waterbergend vermogen te worden gecompenseerd binnen hetzelfde peilvak. Afbeelding 4.4 geeft het betreffende peilvak weer.

Afbeelding 4.4 Peilgebied waterschap, met aanduiding plangebied (zwart vakje)

In afstemming met het waterschap Vallei en Veluwe is bepaald hoe het verlies aan waterberging gecompenseerd dient te worden. In de huidige situatie kan er 31,5 m3 water geborgen worden. De versmalde sloot kan 28 m3 water bergen. Daarom is sprake van een verlies van waterberging van 3,5 m3. De provincie is bovendien voornemens om de extra waterbergingscapaciteit vanwege klimaatadaptatie, te weten 6 m3, ook te realiseren. Tabel 4.3 vat de totale opgave van de waterberging samen.

24 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

Tabel 4.3 Berekening totale opgave waterberging Situatie

Lengte

Breedte

Waterdiepte

Bergingscapaciteit

Huidig

100 m

2,10 m

0,3 m

31,5 m3

Nieuw

100 m

1,40 m

0,4 m

28 m3

Verschil

3,5 m3

Extra waterberging vanwege klimaatadaptatie

6 m3

Totale opgave waterberging

9,5 m3

Om de 9,5 m3 aan waterberging te realiseren, wordt dezelfde sloot daar waar het kan verbreed. Daarnaast worden langs het fietspad drainagemogelijkheden in de vorm van grindkoffers gerealiseerd. Op die manier kan op eenvoudige wijze binnen het projectgebied de compensatie worden gerealiseerd. De daadwerkelijke realisatie van de compensatie waterberging is geborgd via de watervergunningsplicht: het gedeeltelijk dempen van de watergang en het compenseren van het verlies aan waterbergingscapaciteit zijn namelijk vergunningsplichtig. De volledige waterparagraaf fietspad N224 is opgenomen in bijlage VII.

4.11

Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: - ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; - rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. De bestemmingen van dit bestemmingsplan maken in de toekomst: - geen functies mogelijk die het aanvaardbaar woonklimaat in het gedrang brengen; - geen functies mogelijk die bedrijven gaan belemmeren in hun bedrijfsvoering. Omdat er geen woningen of bedrijven mogelijk worden gemaakt in het plangebied, hoeft er geen onderlinge belangenafweging tussen bedrijven en woningen plaats te vinden. De wijziging van het fietspad staat het aangename woonklimaat niet in de weg en belemmert bedrijven ook niet in hun bedrijfsvoering. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkelingen niet in de weg.

4.12

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 1 gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; 2 aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; 3 defensiebrandstoffen; 4 warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Conclusie In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

25 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, planregels en een verbeelding waarop de bestemmingen staan weergegeven. De regels bij deze bestemmingen zijn beschreven in de planregels behorende bij dit bestemmingsplan.

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan?

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan grond worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: - de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemmingen ook daadwerkelijk te realiseren; - de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt daarnaast: - het toegestane gebruik van gronden (en de bouwweren en gebouwen). En een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: - het bebouwen van de gronden; - het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het uitvoeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.

Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijke beleid.

5.1.2

Over bestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de regels zijn opgenomen. De toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen met behulp van een aanduiding nader worden ingevuld. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen

26 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.

5.1.3

Hoofdstukopbouw van de regels

De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken: 1 inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2); 2 bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsplanbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3 algemene regels. In de laatste 2 hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels; 4 overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.1.4

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Het doel van deze wet is om te komen tot een samenhangende beoordeling in 1 procedure van verschillende activiteiten die invloed hebben op de fysieke leefomgeving. De Wabo heeft tot gevolg dat verschillende vergunningen worden verleend in 1 besluit, de omgevingsvergunning. Ook de thans in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen vergunningen en ontheffingen vallen onder de Wabo. Voor het bestemmingsplan heeft dit gevolgen voor de gebruikte terminologie. Termen als ‘bouwvergunning’, ‘aanlegvergunning’ en ‘sloopvergunning’ zijn vervangen door ‘omgevingsvergunning ten behoeve van…’. De term ‘ontheffing’ is vervangen door de term ‘afwijking’.

5.2

Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een toelichting op de bestemmingen is hierna opgenomen.

27 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2.1

Bijzonderheden in dit bestemmingsplan

De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hierboven is beschreven. Tevens is aangesloten bij de meest actuele landelijke standaarden voor de regels en de verbeelding, te weten de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012). Qua inhoud en opzet is aangesloten bij de meest recente bestemmingsplannen van de gemeente Renswoude zoals het bestemmingsplan ‘Barneveldsestraat 34 en Catharina Mossellaan’ vastgesteld op 30-01-2018, door de gemeente Renswoude.

5.2.2

Bestemmingen

Verkeer Het tweerichtingenfietspad in het plangebied krijgt de bestemming ‘Verkeer’. Het fietspad is ook de enige ‘weg’ die valt binnen dit bestemmingsplan. Binnen de verkeersbestemming zijn ook bruggen, duikers, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en overige bij de verkeersbestemmingen behorende voorzieningen toegestaan.

5.2.3

Dubbelbestemmingen

Waarde - Beschermd dorpsgezicht voor de gronden die conform de aanwijzing van 8 augustus 1966 gelegen zijn binnen de begrenzing van het beschermd dorpsgezicht is de dubbelbestemming ‘Waarde - Beschermd dorpsgezicht’ opgenomen. De bestemming heeft tot doel de waarden van het beschermd dorpsgezicht in stand te houden. Naast de toetsing aan de enkelbestemmingen dient bij ontwikkelingen ook getoetst te worden aan de aanwezig waarden.

5.2.4

Algemene regels

Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht.

28 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

6 UITVOERBAARHEID 6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorgenomen plan draagt bij aan het aanbieden van hoogwaardig kwalitatief en betrouwbare wegen in Utrecht en omgeving. Tijdens de uitvoering van het plan zal er tijdelijk beperkte hinder ontstaan voor verkeer en omgeving. De provincie Utrecht zorgt voor actieve, eenduidige en tijdige informatieverstrekking over het plan en over de uitvoering. Dit gebeurt onder andere middels bewonersbrieven, persberichten en rechtstreekse communicatie met belanghebbenden. Eens in de gemiddeld 6 weken vindt er een projectgroep overleg plaats tussen de provincie Utrecht en de gemeente Renswoude betreft het groot onderhoud aan de N224, waar het onderhavige fietspad onderdeel van is. Bewoners hebben in de eerste helft van januari 2019 een brief ontvangen van de provincie Utrecht over het bestemmingsplan. Het formele wettelijk vooroverleg wordt gevoerd door de gemeente Renswoude.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

6.2.1

Financiering en grondverwerving

De provincie Utrecht is initiatiefnemer en financier van het project. Op grond van artikel 6.12.1 van de Wet ruimtelijke ordening dient de gemeenteraad een exploitatieplan op te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Deze aangewezen bouwplannen zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Onderhavig plan valt niet onder de aangewezen bouwplannen. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. De grond direct grenzend aan het fietspad is in bezit van een derde (particulier). Ten behoeve van de realisatie van de extra rijstrook van het fietspad verwerft de provincie een deel van zijn grond. Het traject tot minnelijke verwerving is reeds opgestart.

6.2.2

Beheer

De N224 valt onder het reguliere wegbeheer van de provincie Utrecht.

29 | 30

Witteveen+Bos | 128572/21-019.321 | Definitief

7 PROCEDURE De procedure van de vaststelling van het bestemmingsplan zal op de onderstaande wijze gebeuren. Ontwerpfase Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 25 maart 2019 tot en met 21 mei 2019 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn twee zienswijzen ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. De zienswijzen en de reactie van de gemeente hierop is vermeld in de Zienswijzennota, welke als bijlage VIII in deze toelichting is opgenomen. Naar aanleiding van 1 zienswijze is de onderbouwing van het project in paragraaf 2.2 nader toegelicht. De andere zienswijze heeft geen aanleiding gegeven tot een wijziging in de toelichting. Beide zienswijzen leiden niet tot een wijziging in de regels of de verbeelding van voorliggend plan. Ambtshalve wijzigingen In de periode nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage had gelegen, is door een optimalisatie in het ontwerp gebleken dat de bomen binnen het plangebied niet gekapt hoeven te worden. Deze optimalisatie houdt in dat de watergang naast het fietspad niet wordt verlegd maar versmald, waardoor er voldoende ruimte ontstaat voor het verbreden van het fietspad en er tevens geen bomen gekapt hoeven te worden. De ontwerpwijziging heeft geleid tot inhoudelijke aanpassingen in de paragraaf 4.9 Natuur en paragraaf 4.10 Water van deze toelichting en heeft geen wijzigingen tot gevolg voor de regels of verbeelding van dit bestemmingsplan.

Daarnaast is een ambtshalve wijziging doorgevoerd in het beleidskader. Een toelichting op deze wijziging is opgenomen in bijlage VIII. Vaststellingsfase Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen en de ingediende zienswijzen zijn verwerkt in het definitieve bestemmingsplan. Het bestemmingsplan kan worden vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Renswoude. Na vaststelling wordt het vaststellingsbesluit samen met het vastgestelde bestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Tegen de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan kan eenieder beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Wanneer geen beroep wordt ingesteld, is het bestemmingsplan na die 6 weken onherroepelijk. Het bestemmingsplan treedt in werking op de dag nadat de beroepstermijn is afgelopen en geen schorsingsverzoek (voorlopige voorziening) is ingediend. Als er beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan onherroepelijk als door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak is gedaan over het ingestelde beroep.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10988638/1