Raadsbesluit Verordening participatie
Tekst van het document
Raadsbesluit
Nummer 579444/579536 De raad van de gemeente Renswoude; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 12 september 2023; Overwegende dat in het kader van de invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2024; BESLUIT: Vast te stellen: PARTICIPATIE- EN INSPRAAKVERORDENING RENSWOUDE Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. inspraak: een door of namens een bestuursorgaan georganiseerde gelegenheid voor inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven en anderen om hun mening over voornemens voor gemeentelijk beleid, plannen, projecten en programma’s te geven; b. participatie: het deelnemen van inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden bij de voorbereiding, besluitvorming, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid, plannen, projecten en programma’s; Artikel 2 Onderwerpen voor participatie en inspraak 1. Participatie of inspraak wordt toegepast wanneer het te verwachten is dat er belanghebbenden zijn die geraakt zullen worden door het beleid, plannen, projecten en programma’s, ofwel wanneer te verwachten is dat betrokken inwoners of experts over relevante ervaringskennis of inzichten beschikken die bruikbaar zijn bij de ontwikkeling hiervan. 2. In elk geval wordt participatie of inspraak toegepast bij beleidsvoornemens betreffende: a. De dorpsvernieuwing; b.
vaststelling of wijziging van de omgevingsvisie, het omgevingsplan of een programma op grond van de Omgevingswet; c. een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, die betrekking heeft op: i. de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; ii. de bouw van een of meer hoofdgebouwen, anders dan gebouwen met een woonfunctie; iii. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; iv. de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte; v. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft of vi. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.
Pagina 1 van 5
d. ruimtelijke plannen, die niet zijn begrepen onder a tot en met c; e. het ontwerpen of wijzigen van de verkeerscirculatie; f. de inrichting of herinrichting van wegen, straten of pleinen; g. de inrichting, wijziging of opheffing van recreatieve voorzieningen. h. de welzijnsvoorzieningen. 3. Participatie of inspraak worden niet toegepast: a. als dit bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; b. als van enige beleidsvrijheid geen sprake is; c. ten aanzien van beleidsvoornemens van ondergeschikte aard, of ondergeschikte herzieningen of wijzigingen van beleidsvoornemens. d. bij plannen, projecten en programma’s met betrekking tot onderhoud. Artikel 3. Participatie 1. Het bestuursorgaan kan bepalen dat participatie wordt toegepast. Daarbij neemt het bestuursorgaan een besluit over: a. het doel en de intentie van de participatie; b. het niveau van de participatie, waarbij een keuze wordt gemaakt uit: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren of meebeslissen, of een combinatie hiervan en de wijze waarop de inbreng van inwoners zal doorwerken in de besluitvorming; c. de kernvragen, de beïnvloedingsruimte en/of de inhoudelijke, financiële en overige kaders voor de participatie; d.
de te betrekken inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven en andere belanghebbenden en de wijze waarop verschillende (groepen) belanghebbenden worden benaderd, de openbaarheid van informatie en de wijze waarop de deelnemers hun inbreng kunnen leveren; e. de kosten van het participatieproces. 2. Het bestuursorgaan geeft voor de start van het participatieproces kennis van het in het eerste lid bedoelde besluit op de voor dat proces geschikte wijze. 3. Als het voornemen een wijziging van het omgevingsplan betreft, wordt kennis gegeven van het besluit gelijktijdig met de in de artikel 16.29 van de Omgevingswet voorgeschreven kennisgeving van het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen. 4. De raad en burgemeester en wethouders stellen beleidsregels vast over participatie bij besluiten op grond van de Omgevingswet. Artikel 4 Inspraak 1. Als geen toepassing is gegeven aan artikel 3, wordt bij een beleidsvoornemen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht toegepast, met dien verstande dat een ieder een zienswijze kan indienen bij het bestuursorgaan. 2. Als het voornemen een wijziging van het omgevingsplan betreft, wordt kennis gegeven van de te volgen procedure gelijktijdig met de in de artikel 16.29 van de Omgevingswet voorgeschreven kennisgeving van het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen.
Artikel 5 Evaluatie De uitvoering van deze verordening wordt op verzoek van de gemeenteraad geëvalueerd. Artikel 6 Intrekken verordening De Inspraakverordening gemeente Renswoude 1994 wordt ingetrokken. Artikel 7 Overgangsbepaling Op inspraakprocedures die voortvloeien uit besluiten genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, blijven de bepalingen van de Inspraakverordening Renswoude 1994 van toepassing.
Pagina 2 van 5
Artikel 8 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt tegelijk met de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) in werking. Artikel 9 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Participatie- en inspraakverordening Renswoude.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van 24 oktober 2023
de griffier,
Pagina 3 van 5
de voorzitter,
Toelichting In deze verordening leggen we vast hoe we in onze gemeente omgaan met participatie en inspraak. Iedere gemeenteraad is verplicht om daartoe een inspraakverordening vast te stellen. Dat bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet. In verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en ontwikkelingen op het gebied van participatie is een herziening van de Inspraakverordening Renswoude 1994 noodzakelijk. De Omgevingswet brengt een aantal vernieuwingen en stelt regels aan participatie. Daarnaast is een wetsvoorstel in voorbereiding om inspraak uit te breiden naar ‘participatie’ en eventueel ook ‘uitdaagrecht’. Het gaat hier om het ontwerpwetsvoorstel Wet versterking participatie op decentraal niveau (voluit: Wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba in verband met de participatieverordening en het uitdaagrecht van inwoners en lokale maatschappelijke partijen). Het wetsvoorstel is op 21 september 2022 ingediend bij de Tweede Kamer en wacht nog afronding van de behandeling. De aanpassing van participatie wordt in dit voorstel voor een nieuwe verordening meegenomen. Het onderwerp uitdaagrecht is nog niet uitgewerkt. Daarvoor wachten we de ontwikkeling van de wet nog af.
Net als in de huidige verordening wordt inspraak in principe georganiseerd door de mogelijkheid te bieden een zienswijze in te dienen over een ontwerp van een beleidsvoornemen of een besluit. Ad hoc kunnen het College of de Raad daarvan afwijken en op maat een uitgebreidere participatie procedure vaststellen. Er zijn twee categorieën waarvoor op voorhand een uitgebreidere aanpak wenselijk is. Dat betreft ten eerste een herziening van de omgevingsvisie. De omgevingsvisie bevat het globale integrale beleid voor de fysieke leefomgeving. Voor een herziening is het wenselijk dat de gemeente onze inwoners vroegtijdig raadpleegt over hun wensen en verwachtingen. Het tweede onderwerp betreft een herziening van het omgevingsplan voor de gehele kern of het gehele buitengebied. Ook daarbij is een vroegtijdige inschakeling van de inwoners wenselijk. Een belangrijke verschuiving ten aanzien van participatie is dat in de Omgevingswet het organiseren daarvan kan worden neergelegd bij de initiatiefnemer. De gemeente krijgt dan een toetsende rol. Om daarvoor houvast te bieden is het wenselijk dat de gemeenteraad en het College beleidsregels vaststellen (artikel 4 lid 4). Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsomschrijvingen Inspraak en participatie Participatie gaat over deelname van burgers en andere betrokkenen in de gehele fase tot dat een besluit genomen wordt.
Participatie omvat allerlei vormen van betrokkenheid. Het kan de vorm aannemen van informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en meebeslissen of een combinatie daarvan. Inspraak gaat over de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling te reageren op een beleidsvoornemen. Het is dus wat specifieker, het gaat om de participatievorm ‘raadplegen’. Artikel 2 Onderwerp van inspraak Er is voor gekozen om waar mogelijk de onderwerpen voor inspraak of participatie te specificeren. Daarbij is aangesloten bij de bestaande verordening die op verschillende punten is aangevuld. Op een punt is een uitgebreidere toelichting nodig. Artikel 16.55 lid 7 van de Omgevingswet bepaalt dat de gemeenteraad een lijst kan vaststellen met categorieën van gevallen die in strijd met het omgevingsplan zijn en waarbij participatie verplicht is. Dat noemt de wetgever een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In onderdeel c van dit artikel worden die gevallen aangewezen. Daarbij is aansluiting gezocht bij de bestaande lijst. Er zijn ook onderwerpen die zich niet lenen voor participatie of inspraak. die zijn voor de duidelijkheid ook opgesomd.
Pagina 4 van 5
Artikel 3 Participatie Elke bestuursorgaan van de gemeente dat bevoegd is een bepaald besluit te nemen (zoals een wijziging van het omgevingsplan) kan besluiten dat bij de totstandkoming een participatietraject gevolgd moet worden. Bestuursorganen zijn de raad, het College en de Burgemeester. Dit artikel geeft aan over welke zaken het bestuursorgaan dan een besluit moet nemen. Door deze zaken in het besluit tot participatie op te nemen, creëert de gemeente duidelijkheid voor alle betrokkenen over het proces. Artikel 4 Inspraak In veel gevallen is het beleidsvoornemen niet van dien aard dat een uitgebreid participatietraject nodig is. Als in zo’n situatie op grond van artikel 2, tweede lid, is voorgeschreven dat participatie of inspraak moet plaatsvinden, kan volstaan worden met een eenvoudige inspraakprocedure. Dan wordt het ontwerpbesluit ter inzage gelegd en kan een ieder binnen 6 weken reageren. Artikel 5 evaluatie en monitoring Participatie is een belangrijk onderwerp. Het zal wenselijk zijn de praktijk na een aantal jaren te evalueren. De gemeenteraad kan aangeven wanneer ze evaluatie wenselijk acht. Op basis van zo’n evaluatie kan de gemeenteraad aangeven of en hoe deze verordening moet worden aangepast. Artikel 6 intrekken verordening Met inwerkingtreding van deze verordening kan de bestaande Inspraakverordening uit 1994 vervallen.
Artikel 7 Overgangsbepaling Er is ook voorzien in overgangsrecht voor lopende procedures. Op inspraakprocedures die voortvloeien uit besluiten genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, blijven de bepalingen van de Inspraakverordening Renswoude 1994 van toepassing. Artikel 8 Inwerkingtreding De verordening treedt tegelijk met de Omgevingswet in werking.
Pagina 5 van 5