Nota bodembeheer werkgebied ODRU
Tekst van het document
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
92
Bijlage 2: Lijst met begrippen en definities Definities en toelichting van in deze Nota gebruikte begrippen. De hoofdstukken verwijzen naar de hoofdstukken uit deze Nota waar de term of het begrip (het meest) gebruikt wordt. Verder zijn de begrippen en definities zoveel mogelijk gerubriceerd. De volgende rubrieken zijn onderscheiden (op volgorde): KLASSEN KAARTEN NORMEN GROND STATISTIEK WET BODEMBESCHERMING BESLUITEN EN REGELINGEN GRAVEN OVERIGE BEGRIPPEN EN DEFINITIES
HOOFDSTUK 2: Generieke kader:
Kader dat landelijk geldt voor het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en bagger en waarvan de regels zijn vastgesteld in het Besluit bodemkwaliteit en in de Regeling bodemkwaliteit
Maximale Waarden (MW):
Waarden waaraan toe te passen grond of bagger tenminste moeten voldoen in het Generieke kader
Gebiedsspecifieke beleidskader:
Kader dat geldt voor de onderdelen waarvoor een gemeente lokale beleidsregels heeft vastgesteld
Lokale Maximale Waarden (LMW):
Waarden waaraan toe te passen grond of bagger tenminste moeten voldoen volgens het door de gemeente vastgestelde Gebiedsspecifieke beleidskader. Deze waarde vervangt voor de met name genoemde toepassingen de Maximale Waarde uit de Regeling bodemkwaliteit
Gebiedsspecifieke beleidsregel:
Regel die geldt voor het graven in de bodem, het toepassen of tijdelijk opslaan van grond en bagger of voor het verspreiden van bagger op de landbodem
Toepassingsbereik:
Het toepassingsbereik geeft per Gebiedsspecifieke beleidsregel aan of de regel alleen van toepassing is op het eigen grondgebied of op het uitgebreidere bodembeheergebied (werkgebied van de ODRU)
Stand-still:
Dit beginsel houdt in: het plaatselijk verslechteren van de bodemkwaliteit binnen een bepaald bodembeheergebied, is toegestaan als er elders binnen ditzelfde gebied een kwaliteitsverbetering plaatsvindt en als de verslechtering van de bodemkwaliteit geen milieuhygiënische risico’s oplevert
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
93
Nuttige toepassing
Toepassing zoals beschreven in art. 35 van het Besluit bodemkwaliteit (limitatieve opsomming)
Duurzaam bodembeheer:
Dit begrip houdt in: de bodem zodanig gebruiken, benutten en beschermen dat deze ook voor toekomstige generaties zonder onaanvaardbare risico’s te gebruiken is voor diverse doeleinden. Onderdeel daarvan is dat hergebruik van gebiedseigen grond gestimuleerd wordt waar dit mogelijk is en milieuverantwoord is. Hierdoor zijn er minder primaire grondstoffen en minder transport- bewegingen nodig, wat leidt tot minder verkeersbelasting en minder uitstoot van uitlaatgassen, CO2 en fijnstof.
PFAS:
Deze afkoring staat voor: poly- en perfluoralkylstoffen. Dit zijn door de mens gemaakte stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Voorbeelden van PFAS zijn: PFOA, PFOS en GenX.
HOOFDSTUK 5: (Uitgebreide) bodembeheergebied:
Het gebied waarvoor de door de gemeente vastgestelde Gebiedsspecifieke regels gelden. Dit gebied kan voor wat betreft de herkomst van de grond/bagger, groter zijn dan het eigen grondgebied (ook wel eigen bodembeheergebied genoemd in deze Nota)
Niet-zone gerelateerde beleidsregels:
Dit zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels die gelden voor toepassingen van grond die in principe in elk van de onderscheiden bodemkwaliteitszones voor kunnen komen
Zone gerelateerde beleidsregels:
Dit zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels die alleen gelden voor met name genoemde toepassingen van grond binnen een bepaald bk-zone
Beleidszone
Deze term wordt in deze nota gebruikt om de bk-zones met dezelfde bodemkwaliteitsklasse aan te duiden. Sommige gebiedsspecifieke beleidsregels gelden alleen voor een specifieke bk-zone en andere gelden voor de hele beleidszone
Bodemvreemd materiaal:
Onder bodemvreemd materiaal wordt begrepen: steenachtig materiaal dat niet van nature in die hoedanigheid in de bodem wordt aangetroffen en hout. Het in de Regeling bodemkwaliteit genoemde maximale gewichtspercentage van 20 %, geldt dan ook alleen voor steenachtige materialen en hout. Overige bodemvreemde materialen (zoals glas, plastic, metaal etc, mogen alleen sporadisch in de toe te passen grond voorkomen, als ze redelijkerwijs niet uit de toe te passen grond te verwijderen zijn
Asbest-verdacht:
Zie bijlage 9 voor een uitleg over asbest-verdachte grond
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
94
risicogevoelige bodemfunctie:
Locatie, waar gelet op het bij de functie horende bodemgebruik, eerder potentiële blootstellingsrisico’s voor de mens of ecosysteem te verwachten zijn bij een verontreinigde bodem.
Ecologisch beschermingsgebied:
Gebieden die deel uitmaken van de NNN-gebieden, vanwege hun bijzondere ecologische waarde. Voor deze gebieden gelden in het Gebiedsspecifieke kader dat de gemeente heeft vastgesteld voor het toepassen van grond, strengere regels dan in het Generieke kader
NNN-gebieden:
Gebieden die deel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland. Zie provinciale Plannenviewer op de website van de provincie Utrecht
OCB:
Organochloor bestrijdingsmiddelen. Bestrijdingsmiddelen die chloorverbindingen bevatten (o.a. drins, DDT/DD/DDE en HCH)
Wegberm:
Strook grond van maximaal 10 meter breed, langs een weg. Als er sprake is van een bermsloot gaat het alleen om de strook tussen de weg en de sloot. Let op: op de kaartlagen van de BKK zijn de wegbermen niet apart ingetekend (om praktische redenen). Zie verder bijlage 14
(On)verdachte wegberm:
Een wegberm wordt, in het kader van de Nota, als verdacht aangemerkt als: - er visueel meer dan 20% bodemvreemd materiaal in de bodem aanwezig is of verwacht wordt; - het aantal motorvoertuigen op de weg waarlangs de berm gelegen is, meer bedraagt dan 10.000 per etmaal; - in de weg waarlangs de berm gelegen is teerhoudend asfalt is gebruikt
Aangrenzende percelen:
Deze term wordt gebruikt bij het verspreiden van bagger op de landbodem. Percelen die grenzen aan (één van) de te baggerwatergangen wordt aangemerkt als aangrenzend perceel. De gemeente IJsselstein heeft het begrip aangrenzende percelen middels een gebiedsspecifieke beleidsregel, verruimd tot alle percelen die binnen dezelfde zone zijn gelegen als de watergang waaruit de bagger vrijkomt
Ongerijpte bagger:
Bagger die nog niet steekvast is
(On)verdachte watergang:
Een watergang wordt, in het kader van deze Nota, als verdacht aangemerkt als:
Oppervlaktewater:
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
In deze Nota worden hier, naast kanalen, rivieren, grote meren, sloten en hoofdwatergangen ook kleinere sloten, vennen en greppels (waarin wel eens water staat) begrepen
95
Tijdelijke opslag:
Het Besluit bodemkwaliteit onderscheidt een aantal vormen van tijdelijke opslag. Dit is aangegeven in par. 5.4.10, tabel 10 van de Nota.
Weilanddepot:
Vorm van tijdelijk opslag van baggerspecie op een perceel dat aan de gebaggerde watergang grenst. In het depot wordt de bagger ontwaterd, om daarna te kunnen verspreiden op één of meerdere percelen die aan de gebaggerde watergang grenst
Tijdelijke uitname:
Voor een definitie hiervan en voor de criteria die gelden voor tijdelijke uitname wordt verwezen naar bijlage 7 van deze Nota
KLASSEN: Bodemfunctieklasse:
Klasse waarin een gebied op de Bodemfunctiekaart is ingedeeld (Landbouw/Natuur, Wonen of Industrie).
Bodemkwaliteitsklasse:
Klasse die aangeeft de kwaliteit van toe te passen grond of van de ontvangende bodem aangeeft (klasse L/N-grond, klasse Wonen-grond of klasse Industrie-grond). Grond die vuiler is dan klasse Industrie-grond, wordt Niet toepasbare grond genoemd. Deze grond is niet geschikt voor hergebruik en moet, als deze vrijkomt, afgevoerd worden nar een erkend verwerker
Klasse AW-grond/Klasse L/N-grond (Klasse Landbouw/Natuur):
Grond waarvan de gehalten zijn gelegen beneden de Maximale waarde die is vastgesteld voor het toepassen van grond voor in een gebied dat ingedeeld is in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur (officiële term is klasse Achtergrondwaarde). Zie bijlage 9 voor een overzicht van de Maximale Waarden per onderscheiden bodemfunctieklasse
Klasse Wonen-grond:
Grond waarvan de gehalten zijn gelegen beneden de Maximale waarde die is vastgesteld voor het toepassen van grond voor in een gebied dat ingedeeld is in de bodemfunctieklasse Wonen. Zie bijlage 9 voor een overzicht van de Maximale Waarden per onderscheiden bodemfunctieklasse
Klasse Industrie-grond:
Grond waarvan de gehalten zijn gelegen beneden de Maximale waarde die is vastgesteld voor het toepassen van grond voor in een gebied dat ingedeeld is in de bodemfunctieklasse Industrie. Zie bijlage 9 voor een overzicht van de Maximale Waarden per onderscheiden bodemfunctieklasse
KAARTEN: Bodemkwaliteitskaart (BKK):
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
Samenstelsel van kaartlagen met elk hun eigen gebruiksfunctie. Hieronder vallen: Bodemzoneringskaart, Ontgravingskaart en Toepassingskaart
96
BKK-S
Bodemkwaliteitskaart voor de “standaardstoffen”
Standaardstoffen
Stoffen die gebruikt zijn om de BKK-S te vervaardigen. Dit zijn de stoffen uit het standaardstoffenpakket + Arseen en Chroom
BKK-PFAS
Bodemkwaliteitskaart specifiek voor PFAS
Bodemzoneringskaart:
Kaart waarop de onderscheiden bodemkwaliteitszones zijn ingedeeld. Deze kaart is te vinden in bijlage 4A van deze Nota
Ontgravingskaart:
Kaart waarop per onderscheiden zone de gemiddeld te verwachten bodemkwaliteit wordt aangeduid, die men kan verwachten bij het graven in de bodem. Deze kaart is te vinden in bijlage 4B (bovengrond) en 4C (ondergrond) van deze Nota
Toepassingskaart:
Kaart waarop per onderscheiden zone aangegeven is welke kwaliteit grond toegepast mag worden (en evt. welke overige Gebiedsspecifieke eisen er gelden bij het toepassen van grond). Deze kaart is te vinden in bijlage 4D (voor grond afkomstig van binnen het uitgebreide bodembeheergebied) en bijlage 4E (voor grond afkomstig van buiten buiten het uitgebreide bodembeheergebied) van deze Nota
Bodemfunctiekaart:
Kaart waarop het bodembeheergebied is ingedeeld in bodemfunctieklassen: Wonen of Industrie. Niet ingedeelde gebieden vallen automatisch in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. Elke gemeente dient (volgens het Besluit bodemkwaliteit, art. 55) een Bodemfunctiekaart te hebben. Deze kaart is opgenomen in bijlage 5 van deze Nota
NORMEN: NEN 5740:
Norm die geldt voor het uitvoeren van bodemonderzoeken
NEN 5725:
Norm die geldt voor het uitvoeren van (historisch) vooronderzoeken bij bodemonderzoek
NEN 5707:
Norm de geldt voor het uitvoeren van een onderzoek naar asbest in de bodem
NEN 5720:
Norm die geldt voor het uitvoeren van waterbodemonderzoeken
NEN 5717:
Norm die geldt voor het uitvoeren van (historisch) vooronderzoeken bij waterbodemonderzoek
GROND: Grond:
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
Zie definitie van grond in art.1 van het Besluit bodemkwaliteit. Onder dit begrip vallen o.a.: zand, klei, veen etc, maar ook bagger
97
Standaardbodem:
Bodem die bestaat uit 10% organische stof en 25 % lutum
Schone grond:
Formeel is dat grond die geen verontreinigingen bevat. In de praktijk wordt het begrip schone grond gebruikt voor grond die in een bodemonderzoek of partijkeuring onderzocht is op het standaardstoffenpakket en op basis daarvan ingedeeld kan worden in klasse Landbouw/Natuur. Er is echter pas sprake van schone grond als de grond, naast de stoffen uit het standaardpakket bodem ook op andere relevante stoffen die in de grond verhoogd verwacht kunnen worden, is geanalyseerd en vastgesteld is dat de Maximale Waarde (MW) van de klasse Landbouw/Natuur niet overschreden wordt.
Standaardstoffenpakket:
Stoffenpakket dat onderzocht wordt als de grond niet verdacht is. Het standaardstoffenpakket bestaat uit de volgende parameters: Cadmium, Koper, Kwik, Lood, Nikkel, Zink, Barium, Kobalt, Molybdeen, PAK (10), PCB (7), minerale olie. Voor de onderhavige BKK zijn ook de parameters Arseen en Chroom meegenomen.
Meldpunt bodemkwaliteit:
Digitaal meldpunt voor het toepassen of tijdelijk opslaan van grond en bagger (www.meldpuntbodemkwaliteit)
Grootschalige bodemtoepassing (GBT):
Toepassing van grond of bagger in een werk met een minimale omvang van 5000 m3 en een minimale toepassingshoogte. Een GBT moet passen in het landschap, moet aanmerkt worden als een nuttig toepassing en moet functioneel zijn (niet hoger of groter dan noodzakelijk voor het doel van de GBT)
Afdeklaag:
Laag grond of bouwstof die verplicht aangebracht moet worden bij het realiseren van een rootschalige bodemtoepassing
STATISTIEK: Percentielwaarde(n):
Waarde waar beneden een bepaald percentage waarnemingen ligt. Bijv. de 90-percentielwaarde (P90) geeft aan dat 90% van de meetwaarde uit een dataset lager is dan de aangegeven waarde.
Statistische kengetallen:
Kengetallen die gebruikt worden voor de statistische analyse van een bepaalde dataset met meetgegevens. In dit geval de meetgegevens die zijn gebruikt uit eerder verrichte bodemonderzoeken en partijkeuringen
WET BODEMBESCHERMING: Interventiewaarde:
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
Waarde waarboven sprake is van sterk verontreinigde grond. De interventiewaarden zijn vastgelegd in bijlage 1 van de Circulaire Bodemsanering
98
Geval van (vermoedelijk)ernstige bodemverontreiniging:
Wet bodembescherming (Wbb):
Hier is sprake van als één of meerdere stoffen de interventiewaarde overschrijdt in een bodemvolume van meer dan 25 m3 (Alleen onderdelen die in het kader van deze Nota van belang zijn, zijn benoemd) Wet die regels stelt om de bodem te beschermen (zorgplicht bodem, art. 13) en bij het verrichten van handelingen in of op ernstig verontreinigde grond. Na 1-12022 komt deze wet te vervallen voor nieuwe bodemsaneringsgevallen
Leeflaag:
Laag grond die aangebracht wordt bij een bodemsanering, waarbij ervoor gekozen is de verontreiniging niet (geheel) te ontgraven. De leeflaag moet contact met de verontreiniging voorkomen en moet daarom intact blijven
Terugsaneerwaarde:
Waarde waaraan gehalten van stoffen in de bodem na een sanering moeten voldoen om de sanering als afgrond te kunnen beschouwen
BESLUITEN EN REGELINGEN: Besluit uniforme saneringen (BUS):
Besluit dat regels stelt voor eenvoudige gelijksoortige saneringen die in korte tijd afgerond kunnen worden
Regeling uniforme saneringen (RUS:
Regeling waarin de uitvoeringsregels worden genoemd die horen bij het Besluit uniforme saneringen (technische details)
Besluit bodemkwaliteit (Bbk):
(Alleen onderdelen die in het kader van deze Nota van belang zijn, zijn benoemd) Besluit dat op 1 juli 2008 in werking is getreden voor het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en bagger en voor het verspreiden van bagger
Regeling bodemkwaliteit:
Regeling waarin de uitvoeringsregels worden genoemd die horen bij het Besluit bodemkwaliteit (o.a. de Maximale Waarden en de verspreidingsnorm voor bagger)
Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL):
(Alleen onderdelen die in het kader van deze Nota van belang zijn, zijn benoemd) Besluit behorende bij de Omgevingswet. Hierin wordt opgesomd welke activiteiten als milieubelastend worden aangemerkt (bijv. het graven in een bodemvolume van meer dan 25 m3 en het saneren van de bodem)
Besluit kwaliteit Leefomgeving (BKL):
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
Besluit behorende bij de Omgevingswet. Dit besluit geeft aan wat de inhoudelijke normen zijn voor overheden om te voldoen aan de nationale doelstellingen (Omgevingsplan, Omgevingsvergunning, Programma etc) en internationale verplichtingen
99
GRAVEN: Projectmatige ontgravingen:
Ontgravingen die in de bodem worden verricht zonder saneringsdoel (dus niet met het doel om de bodemkwaliteit te verbeteren)
Kleinschalige ontgraving:
Projectmatige ontgravingen in een bodemvolume dat kleiner is dan 25 m3
(Historisch) vooronderzoek:
Een onderzoek voorafgaand aan het verrichten van een activiteit op of in de bodem. Bij dit onderzoek worden informatiebronnen geraadpleegd en wordt een locatieinspectie uitgevoerd. Het vooronderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5725.
OVERIGE BEGRIPPEN EN DEFINITIES: KWALIBO:
Dit staat voor Kwaliteitsborging in het bodembeheer. Er worden in dit besluit onder meer eisen gesteld aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en instellingen t.b.v. het bodembeheer
Erkende bodemintermediairs:
bedrijven, instellingen of personen die beschikken over de benodigde certificaten of erkenningen om de betreffende werkzaamheden uit te mogen voeren (zie ook KWALIBO)
Erkende bewijsmiddelen:
Ook wel milieuhygiënische verklaring genoemd. Het besluit bodemkwaliteit geeft aan welke milieuhygiënische verklaringen gebruikt mogen worden voor het toepassen van grond. Zie verder par. 6.2
Risico Toolbox Bodem (RTB):
Door het RIVM ontwikkelde tool om bodemrisico’s te bepalen. Wordt o.a. gebruikt bij het vaststellen van een Lokale Maximale Waarde (LMW), voor de toepassing van grond of voor het beoordelen van de actuele bodemkwaliteit. Deze term wordt in deze Nota aangehaald in par. 5.5.3 (hergebruik grond in zone D)
Risico-index:
Dit is een beleidsmatige indicator. Het geeft de verhouding aan tussen het (lokale) blootstellingsniveau van een bepaalde stof en de algemene effectgrenswaarde die gekozen is. A.d.h. van de risico-indexen kan afgeleid worden voor welke vormen van bodemgebruik de risico’s (bij normaal bodemgebruik) het grootst zijn
Nota bodembeheer werkgebied ODRU
100