NL.IMRO.0339.BPBeekweideII-vg02
Tekst van het document
bestemmingsplan
Herstelbesluit Beekweide II Gemeente Renswoude
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0339.BPBeekweideII-vg02
Datum:
2023-06-01
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. H.J.M. van Arendonk | dhr. T.J. Oostrom
Kenmerk Buro SRO:
SR200069
Opdrachtgever:
Gemeente Renswoude
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave hoofdstuk 1 Inleiding .................................................................................................................................. 5 1.1 Addendum n.a.v. uitspraak Raad van State..................................................................................................... 5 1.2 Aanleiding .......................................................................................................................................................... 6 1.3 Ligging plangebied............................................................................................................................................. 7 1.4 Geldend bestemmingsplan ............................................................................................................................... 8 1.5 Leeswijzer .......................................................................................................................................................... 8
hoofdstuk 2 Planbeschrijving................................................................................................................... 10 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................10 2.2 Toekomstige situatie .......................................................................................................................................11
hoofdstuk 3 Beleidskader ........................................................................................................................ 16 3.1 Rijksbeleid .......................................................................................................................................................16 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................................................17 3.3 Gemeentelijk beleid ........................................................................................................................................20
hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 22 4.1 Milieueffectrapportage ....................................................................................................................................22 4.2 Bodem ..............................................................................................................................................................23 4.3 Luchtkwaliteit...................................................................................................................................................26 4.4 Geluid ...............................................................................................................................................................27 4.5 Ecologie ............................................................................................................................................................28 4.6 Bedrijven en milieuzonering............................................................................................................................30 4.7 Water ................................................................................................................................................................33 4.8 Externe veiligheid
............................................................................................................................................35 4.9 Archeologie ......................................................................................................................................................38 4.10 Niet-gesprongen explosieven .......................................................................................................................38 4.11 Verkeer en parkeren .....................................................................................................................................39 4.12 Duurzaamheid ...............................................................................................................................................42
hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................. 44 5.1 Algemeen .........................................................................................................................................................44 5.2 Verbeelding ......................................................................................................................................................44 5.3 Planregels ........................................................................................................................................................44 5.4 Wijze van bestemmen .....................................................................................................................................45
hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................ 47 hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................................... 48 7.1 Algemeen .........................................................................................................................................................48 7.2 Inspraak ...........................................................................................................................................................48 7.3 Zienswijzen ......................................................................................................................................................48
3
4
hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Addendum n.a.v. uitspraak Raad van State De gemeenteraad van de gemeente Renswoude heeft het bestemmingsplan 'Beekweide II' op 15 februari 2022 vastgesteld. Tegen dit besluit is beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling oordeelt in haar uitspraak 202202080/1/R4 van 29 maart 2023 dat het besluit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dient te worden vernietigd, voor zover dit betreft (a) het perceel van appellant met de bestemming "Wonen" met de functieaanduiding "wonen uitgesloten", (b) zijn perceel met de bestemming "Wonen - Uit te werken 1" met de functieaanduiding "wonen uitgesloten" en (c) de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Wonen - Uit te werken 2", beide met de functieaanduiding "wonen uitgesloten", binnen de stippelvormige zone. De Afdeling heeft het college opgedragen om met toepassing van artikel 8:72 lid 4 van de Awb met inachtneming van de uitspraak een nieuw bestemmingsplan vast te stellen en heeft daartoe een termijn van 12 weken vanaf de verzending van de uitspraak gesteld. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.
De gebreken die onder rechtsoverweging 3.2 van de uitspraak zijn geconstateerd, zijn voor de Afdeling reden geweest om het beroep gegrond te verklaren en het vaststellingsbesluit gedeeltelijk te vernietigen. Onder rechtsoverweging 3.2 oordeelt de Afdeling dat de binnen de stippellijn beoogde woningbouw op een manier is geregeld die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door deze gekozen wijze van bestemmen is geen volwaardige woonbestemming toegekend aan het perceel, maar kan woningbouw pas mogelijk worden gemaakt door nieuwe besluitvorming hierover, bijvoorbeeld met een omgevingsvergunning voor het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan. Daarnaast is volgens de Afdeling door het toekennen van de functieaanduiding "wonen uitgesloten" aan de bestemmingen "Wonen" en "Wonen - Uit te werken 1" onvoldoende duidelijk of met dit bestemmingsplan onteigening van het perceel van appellant mogelijk is. De raad wil de mogelijkheid van onteigening wel achter de hand hebben voor als onderhandeling niet tot succes leidt. Het toekennen van de functieaanduiding zou in dit geval kunnen betekenen dat het gebruik dat appellant van het perceel maakt niet slechts tijdelijk onder het overgangsrecht valt. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsactiviteiten van appellant op termijn daadwerkelijk kunnen worden beëindigd.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling is gezocht naar een wijze van bestemmen waarmee de beoogde woningbouw rond het perceel van appellant niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Op het perceel vindt het houden van paarden plaats en is er een mestopslag aanwezig. Verder is er voor het perceel vergunning verleend voor het inzamelen van bouw- en sloopafval, zand- en grindhandel, transporten loonwerkbedrijf. Deze activiteiten sluiten aan bij een groothandel in afval en sloop, waarvoor milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 50 m, uitgaande van gemengd gebied, geldt. Bij het houden van paarden en de mestopslag is het aspect geur maatgevend, waardoor na vaststelling van het bestemmingsplan 'Beekweide II' op 15 februari 2022 een geuronderzoek naar de bedrijfsactiviteiten op het perceel van appellant uitgevoerd is (SPA WNP ingenieurs, 22200304.r01, d.d. 4 oktober 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 12). Hieruit is gebleken dat de geurcontour van de paardenstallen en de mestopslag waarbinnen geurhinder te verwachten is kleiner is dan de 50 m richtafstand vanaf de erfgrens van het perceel van appellant. Gezien het voorgaande is het passend wonen uit te sluiten in een zone van 50 m rond het perceel van appellant, in plaats van de eerder gehanteerde 100 m vanaf de mestopslag.
Bovendien oordeelde de Afdeling dat door de toekenning van de aanduiding 'wonen uitgesloten' geen volwaardige woonbestemming was toegekend. Deze wijze van bestemmen is daarom niet langer gehanteerd in voorliggend bestemmingsplan, maar is op de navolgende manier opgelost:
•
Aan de gronden rond het perceel van appellant is de bestemming 'Wonen - Uit te werken 2' (artikel 9) toegekend. Deze bestemming was in de op 15 februari 2022 vastgestelde versie van bestemmingsplan 'Beekweide II' reeds opgenomen voor een perceel aan de Barneveldsestraat en is in voorliggende versie van het bestemmingsplan afgestemd op de beoogde uitwerking van de betreffende gronden.
5
Ten slotte oordeelde de Afdeling dat door het toekennen van de functieaanduiding "wonen uitgesloten" aan de bestemmingen "Wonen" en "Wonen - Uit te werken 1" onvoldoende duidelijk was of met dit bestemmingsplan onteigening van het perceel van appellant mogelijk is. Echter was in de op 15 februari 2022 vastgestelde versie van bestemmingsplan 'Beekweide II' de aanduiding "wonen uitgesloten" niet opgenomen voor de bestemming 'Wonen - Uit te werken 1". Desalniettemin zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:
•
De aanduiding "wonen uitgesloten" is van de verbeelding en uit de planregels (artikel 7.2.2 b en 7.3.1) verwijderd, waardoor het bestemmingsplan voldoende aannemelijk maakt dat de bedrijfsactiviteiten van appellant op termijn kunnen worden beëindigd. Verder is in voorliggend bestemmingsplan niet alleen het deel van het perceel van appellant meegenomen waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, maar is de bestemming 'Wonen - Uit te werken 1' ook toegekend aan de bedrijfswoning.
Omdat voornoemde wijzigingen alleen betrekking hebben op (a) het perceel van appellant met de bestemming "Wonen" met de functieaanduiding "wonen uitgesloten", (b) zijn perceel met de bestemming "Wonen - Uit te werken 1" met de functieaanduiding "wonen uitgesloten" en (c) de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Wonen - Uit te werken 2", beide met de functieaanduiding "wonen uitgesloten", binnen de stippelvormige zone, is de plangrens van voorliggend herstelbesluit afgestemd op deze plandelen. Dit betekent dat de plangrens samenvalt met de bestemmingen "Wonen", "Wonen - Uit te werken 1" en "Wonen - Uit te werken 2" binnen de stippelvormige zone. Omdat de Afdeling het college heeft opgedragen om met toepassing van artikel 8:72 lid 4 van de Awb met inachtneming van de uitspraak een nieuw bestemmingsplan vast te stellen en er daarmee geen voorbereiding ex afdeling 3.4 Awb plaatsvindt, is ervoor gekozen de toelichting van het geldende bestemmingsplan Beekweide II zoveel mogelijk in stand te laten. Desondanks hebben de beschreven wijzigingen ook geleid tot aanpassingen in toelichting paragraaf 4.6 (milieuzonering) en toelichting paragraaf 5.4 (wijze van bestemmen). Verder is in het kader van de economische uitvoerbaarheid van het plan een historisch bodemonderzoek voor het perceel van appellant uitgevoerd, om zo potentiële bodemverontreinigingen in beeld te brengen.
Dit komt aan bod in toelichting paragraaf 4.2. Ten slotte is ook de in 2021 uitgevoerde AERIUS-berekening gecontroleerd met de AERIUS Calculator versie 2022. De daaruit volgende conclusie is beschreven in toelichting paragraaf 4.5. Bij de planregels is ervoor gekozen alleen de bestemmingen waarop het herstelbesluit betrekking heeft op te nemen. In deze bestemmingen zijn naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling enkele artikelleden gewijzigd ten opzichte van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan 'Beekweide II'. Na vaststelling zal het onderhavige plan in combinatie met het plan Beekweide II in geconsolideerde vorm weer één leesbaar geheel vormen.
1.2 Aanleiding De gemeente Renswoude is voornemens op een grotendeels onbebouwde locatie in het noorden van het stedelijk gebied van Renswoude een woonbuurt te realiseren. Deze ontwikkeling staat bekend als Beekweide II. Het plan omvat de realisatie van ca. 190 woningen, bestaande uit diverse woningtypen. De gemeente Renswoude is in samenwerking met diverse partijen gekomen tot een stedenbouwkundige invulling voor het gebied. Dit stedenbouwkundig plan vormt het uitgangspunt voor het voorliggende bestemmingsplan. De beoogde sfeer van de woningen en de openbare ruimte wordt vastgelegd in een beeldkwaliteitsplan. De ontwikkelingen passen niet binnen de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan ex art. 3.1 Wro opgesteld.
6
1.3 Ligging plangebied De planlocatie bevindt zich in het noorden van het stedelijk gebied van Renswoude, direct ten westen van sportcomplex De Hokhorst. Het valt onder de kadastrale gemeente Renswoude, sectie C, en bestaat uit verschillende percelen. De locatie beslaat een totale oppervlakte van ca. 7,1 ha. Aan de noordzijde eindigt het plangebied ongeveer bij de Lunterse Beek en aan de zuidzijde is het begrensd door de Meidoornlaan, het Ruiterpad en de Hokhorst. Navolgende afbeeldingen tonen de globale situering van de locatie.
Globale ligging plangebied (witte omcirkeling, bron: Google Earth)
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
7
1.4 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt voor het grootste gedeelte binnen de plangrenzen van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’, vastgesteld op 5 oktober 2010. Ook de gronden direct ten zuiden van de Lunterse Beek maken onderdeel uit van het plangebied, omdat het agrarische gebruik dat ter plaatse is toegestaan niet meer in lijn is met het actuele gebruik. De gronden hebben in het geldende bestemmingsplan hoofdzakelijk de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - Beekdal', 'Agrarisch', 'Bedrijf' en 'Wonen'. Verder is dit plan op onderdelen herzien met het op 12 november 2013 vastgestelde bestemmingsplan 'Buitengebied herziening'. Aan de zuidoostzijde vielen zones van het plangebied voorheen in de bestemmingsplannen 'Beekweide plus' (2012). De betreffende gronden zijn voorzien van de bestemmingen ‘Groen' en 'Sport'. Daarnaast wordt een strook met de bestemming 'Groen' van het bestemmingsplan 'Dorp' meegenomen en geldt voor een deel in het zuiden het bestemmingsplan 'Noord 2007', waarin de gronden de bestemming 'Gemengde doeleinden' hebben. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de vigerende bestemmingsplannen ter plaatse van het plangebied.
Uitsnede bestemmingsplannen 'Buitengebied 2010', 'Dorp en 'Beekweide plus' (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het beoogde initiatief past niet binnen de mogelijkheden van de geldende bestemmingsplannen. Om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken zullen deze daarom moeten worden herzien. Naast voornoemde bestemmingsplannen geldt voor de planlocatie het bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren & woningsplitsing en kamerverhuur', wat voor het gehele grondgebied van de gemeente Renswoude is vastgesteld op 13 juli 2021. De bepalingen van dit bestemmingsplan dienen overgenomen te worden in voorliggend plan.
1.5 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 de plannen beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving
8
opgenomen. In hoofdstuk 4 worden de projecten inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische haalbaarheid van de plannen. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de plannen, waarbij de uitkomsten van het vooroverleg zijn opgenomen.
9
hoofdstuk 2 Planbeschrijving In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1 Huidige situatie De gronden in het plangebied worden in de huidige situatie voor diverse doeleinden gebruikt. Een groot deel van de onbebouwde gronden, centraal in het plangebied, hebben een agrarisch gebruik. Aan de westzijde van het plangebied bevinden zich bedrijfslocaties die met voorliggend plan onderdeel worden van de woonbuurt. De bijbehorende gronden aan de zijde van de Barneveldsestraat, waar zich de bedrijfswoningen bevinden, maken deel uit van het voorliggende bestemmingsplan. Dat geldt niet voor de bestaande woningen aan de Barneveldsestraat; deze maken geen onderdeel uit van het voorliggende bestemmingsplan, aangezien deze reeds een woonbestemming hebben. Verder zijn er in het zuidoosten van het plangebied twee standplaatsen met woonwagens en volkstuinen aanwezig. De planlocatie en de directe omgeving hebben een goede ruimtelijke kwaliteit. Een van die kwaliteiten is het groen: de natuurzone langs de Lunterse Beek en de bomen en houtwallen. Daarnaast is ook de ligging nabij verschillende voorzieningen, zoals een sportcomplex en een kindcentrum, gunstig. Op navolgende afbeelding is een impressie van het plangebied en omgeving weergegeven.
Lunterse Beek, noordzijde plangebied (bron: BDP)
Barneveldsestraat, westzijde plangebied (bron: BDP)
Meidoornlaan, zuidzijde plangebied (bron: BDP)
10
De Hokhorst, oostzijde plangebied (bron: BDP)
Context - Renswoude Renswoude ligt op een strategische plek tussen de Lunterse Beek en de inundatiezone langs het Valleikanaal. De gemeente staat, naast het mooie dorp, met haar cultuurhistorische elementen, zoals het kasteel en de Koepelkerk, bekend om haar mooie en rustgevende buitengebied met de beken, de Grebbelinie in het schilderachtige Kampenlandschap van de Gelderse Vallei. Kenmerkend voor de omgeving is het onregelmatige patroon van akkers, weilanden en houtsingels. Renswoude heeft een goede ligging: goed bereikbaar vanaf de A12 en A30 en, in de luwte van Amersfoort / Ede-Veenendaal, in een aantrekkelijk landschap. Lange tijd bestond Renswoude uit het kasteel, de Grebbelinie en een woonlint, de Dorpsstraat. Later pas is het dorp uitgebreid met woningen en bedrijvigheid. Recentelijk is de realisatie van Beekweide I, een woonbuurt in het noordoosten van Renswoude, voltooid. De groei van het dorp sluit aan op de kern en houdt rekening met de landschappelijke structuren in de omgeving.
2.2 Toekomstige situatie Het plangebied wordt getransformeerd naar een aantrekkelijk woongebied. Daarbij wordt nadrukkelijk de relatie gelegd met de woonbuurt Beekweide I. Voor de ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan opgesteld (BDP, d.d. 6 oktober 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Daarnaast maken delen van de (voormalige) bedrijfspercelen aan de Barneveldsestraat onderdeel uit van het voorliggende bestemmingsplan; deze worden voorzien van de woonbestemming. Aan twee delen van het plangebied wordt een bestemming ‘Wonen – Uit te werken’ gegeven, omdat nog geen overeenkomst is bereikt met de betreffende grondeigenaar en/of op hier nog niet de noodzakelijke haalbaarheidsonderzoeken zijn uitgevoerd. Deze gedeeltes worden wel integraal meegenomen in de onderstaande beschrijvingen. Op navolgende afbeelding is het stedenbouwkundig plan voor de planlocatie weergegeven.
11
Stedenbouwkundig plan (bron: BDP, d.d. 6 oktober 2021)
De stedenbouwkundige en landschappelijke structuren zijn gebaseerd op het kampenlandschap en op de Lunterse Beek. Met een onregelmatige structuur - knikken in de wegen en in de verkaveling - sluit Beekweide II aan op het eerder gerealiseerde deel van de woonwijk, genaamd Beekweide I. Navolgend wordt kort op de verschillende planonderdelen ingegaan. Woonprogramma Er worden in het plangebied ca. 190 woningen gerealiseerd, bestaande uit diverse woningtypes. De bebouwingsdichtheid sluit aan op de bebouwingsdichtheid uit de directe omgeving en is passend in een dorpse context. Op navolgende afbeelding staat het woonprogramma weergegeven.
12
Woonprogramma (bron: BDP, d.d. 6 oktober 2021)
Het woonprogramma kent een gevarieerd woningaanbod. Het hoogsegment bevindt zich hoofdzakelijk tegenover de Lunterse Beek en langs de Barneveldsestraat en Meidoornlaan. Rondom de Watertuin, een groen-waterzone in het noorden van het plangebied, zijn woningen uit het hoog- en middenduur segment beoogd. Het middendure- en goedkope segment wordt langs de hoofdstructuur gerealiseerd. Sociale huur zal verspreid worden over het plangebied. Ook wordt voorzien in ten hoogste drie woonwagens of woningen aan de zuidoostkant van het plangebied. Verder wordt centraal in het plangebied een appartementencomplex gerealiseerd. Groen, landschap en openbare ruimte De in het plangebied aanwezige houtwallen en greppels worden waar mogelijk de ruimtelijke dragers van het plan waaraan ook de wegenstructuur is gekoppeld. De Watertuin maakt de Lunterse Beek nog beter beleefbaar vanuit de wijk. Woningen zijn op de groene en waterrijke ruimtes georiënteerd. Hierdoor is de landschapsbeleving vanuit de woningen en in de buitenruimte optimaal. Bijzondere aandacht is er voor de vormgeving van de erfafscheidingen, die worden beschouwd als landschappelijke overgang naar de openbare ruimte. Op navolgende afbeelding is de beoogde groenstructuur in het plan weergegeven. Daarbij dient vermeld te worden dat de groenstructuren die buiten het plangebied van voorliggend plan vallen indicatief zijn.
13
Groenstructuur (bron: BDP, d.d. 6 oktober 2021)
Verkeer en parkeren Vanaf de Beekweide, Meidoornlaan en de Hokhorst is het nieuwe woongebied te bereiken. Er is sprake van een ordening in wegen binnen het gebied. De hoofdwegen lopen langs de ruimtelijke dragers en andere wegen haken daarop aan. Voetpaden en fietspaden doorkruisen de ruimtes en/of maken hier deel vanuit. Op navolgende afbeelding is de beoogde ontsluitingsstructuur in het plangebied weergegeven.
Beoogde ontsluitingsstructuur; links hoofdontsluiting, rechts langzaamverkeer (bron: BDP, d.d. 6 oktober 2021)
14
Niet alle woningen zullen beschikken over een parkeerplaats op eigen terrein. Daarom wordt 75% van het parkeren opgelost in het openbaar gebied, waarvan het grootste gedeelte in parkeerkoffers wordt gerealiseerd. Hiermee wordt een autovrij straatbeeld bewerkstelligd. Het bezoekersparkeren is groen ingericht aan een zijde van de hoofdstructuur.
15
hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Het plan is lokaal van aard, waardoor het geen landelijke impact heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambities die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot duurzame ontwikkeling en een goede fysieke leefomgeving, doordat de woningen duurzaam van aard worden en voorzien wordt in klimaatadaptieve maatregelen, zoals groene parkeerkoffers. Daarnaast voorzien de woningen in een behoefte, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 3.3.2, wat aansluit op de ambitie van het Rijk te voorzien in een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Het plan is in lijn met de ambities die geformuleerd zijn in de NOVI.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Voorliggend initiatief raakt niet aan één van de 14 in het Barro geformuleerde rijksbelangen.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe
16
stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Gezien de beoogde ontwikkeling in ca. 190 woningen voorziet wordt het project aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve worden hieronder de 'treden' van de ladder doorlopen. Behoefte In toelichting paragraaf 3.3.2 is een samenvatting opgenomen van de Woningmarkt verkenning gemeente Renswoude 2019-2035. Hieruit blijkt dat er in de kern Renswoude een kwantitatieve woningbehoefte bestaat, met name in de koopsector. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van woningen evenredig aan de vraag. Daarmee is het in lijn met de woningbehoefte in de gemeente Renswoude. Bestaand stedelijk gebied Het plangebied is op de kaart behorende bij de Provinciale Ruimtelijke Verordening aangegeven als 'stedelijk gebied', ook wel bekend als 'rode contour'.
De provincie kent deze aanduiding toe aan het stedelijk gebied, waarmee aangetoond is dat het plangebied in bestaand stedelijk gebied ligt. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
17
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek Voorliggend plan raakt aan het vierde beleidsthema van de omgevingsvisie: vitale dorpen en steden. Er wordt gestreefd naar een provincie waar ruimte is voor goed wonen, werken en natuur. Onderhavig plan is in lijn met de ambitie die de provincie heeft voor vitale dorpen en steden. De ontwikkeling voorziet immers in de transitie van een binnenstedelijke locatie in Renswoude, waarmee het stedelijk gebied beter wordt benut. Dit is onder andere wenselijk omdat zo ruimteclaims op landelijk gebied kunnen worden voorkomen. De planlocatie bestaat grotendeels uit onbebouwde gronden. De beoogde ontwikkeling maakt kwalitatief hoogwaardige woonpercelen mogelijk, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de plancapaciteit in de regio en gemeente. Verder blijkt uit toelichting paragraaf 2.2 dat het plan een goede leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit borgt. Ander belangrijk beleidsthema in de omgevingsvisie is een duurzame, gezonde en veilige leefomgeving. De provincie streeft ernaar dat iedereen in de provincie Utrecht in een gezonde leefomgeving woont, werkt en recreëert. Dit is een belangrijke voorwaarde om een economische topregio te kunnen zijn. Goed wonen en schone lucht, water en bodem zijn aspecten die hierbij van belang kunnen zijn. Uit toelichting hoofdstuk 4 blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Landschap Het plangebied maakt onderdeel uit van het landschap Gelderse Vallei. Voor het landschap Gelderse Vallei wenst de provincie de volgende kernkwaliteiten te behouden: 1. 2. 3. 4.
rijk gevarieerde kleinschaligheid; stelsel van beken, griften en kanalen; Grebbelinie; overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).
18
Bij ontwikkelingen in het landschap van de Gelderse Vallei acht de provincie het vooral van belang dat de kleinschaligheid, die dit landschap zo aantrekkelijk maakt behouden wordt. In het verleden zijn al veel kleinschalige landschapselementen verdwenen, waardoor ruimten groter zijn geworden. Ze hebben hun functie verloren en zijn verwijderd. De stedenbouwkundige en landschappelijke structuren van voorliggend plan zijn gebaseerd op het kampenlandschap en op de Lunterse Beek. Daarmee wordt een geleidelijke overgang vanuit het landelijk gebied naar het stedelijk gebied geborgd. De in het plangebied aanwezige houtwallen en greppels worden de ruimtelijke dragers van het plan, wat bijdraagt aan de kleinschaligheid van het plangebied. De Watertuin en overige watergangen dragen bij aan het versterken van het stelsel van watergangen. Er kan geconcludeerd worden dat de omgevingsvisie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s.
De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie inneemt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Van verstedelijking is sprake als een ruimtelijk besluit ten opzichte van het vigerende planologische regime nieuwe mogelijkheden voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies biedt. Onderhavig plan maakt nieuwe stedelijke functies mogelijk omdat de gronden in de huidige situatie grotendeels voor agrarische activiteiten in gebruik zijn. Uit de kaart 'Wonen, werken en recreëren' blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het 'stedelijk gebied'. De grens van de aanduiding ' stedelijk gebied' wordt ook wel de 'rode contour' genoemd.
In artikel 9.15 'Stedelijke functies in stedelijk gebied' staat dat een ruimtelijk plan in een dergelijk gebied bestemmingen en regels kan bevatten voor verstedelijking. Er kan geconcludeerd worden dat de bepalingen van de omgevingsverordening geen belemmering vormen voor onderhavig plan.
19
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 Door de gemeenteraad van de gemeente Renswoude is op 3 juli 2018 de Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 vastgesteld. Het doel van de Omgevingsvisie is het creëren van een strategische visie voor de langere termijn voor de hele fysieke leefomgeving van Renswoude, die antwoord geeft op de vraag: Hoe ziet Renswoude er in 2030 uit? De gemeente Renswoude staat naast het mooie dorp met haar cultuurhistorische elementen zoals het kasteel en de Koepelkerk ook bekend om haar mooie en rustgevende buitengebied met de beken, de Grebbelinie, het schilderachtige Kampenlandschap, het Coulissenlandschap en de Emminkhuizerberg. Naast de mooie fysieke leefomgeving kenmerkt de gemeente zich door een sterke saamhorigheid en nabuurschap. Er is sprake van menselijke maat, zorg voor elkaar, een sterk verenigingsleven en hechte kerkelijke gemeenschappen. Al deze kenmerken en karaktereigenschappen zorgen voor een goede leefbaarheid. Het voorgaande neemt natuurlijk niet weg dat er een aantal vraagstukken leeft binnen de gemeente. Deze vraagstukken komen aan bod in de Omgevingsvisie en hebben betrekking op de volgende thema's: wonen, werken, voorzieningen en het buitengebied. Daarbij krijgen bij ieder thema de navolgende doelstellingen in meer of minder mate een plek:
• • • •
Saamhorigheid, sociale cohesie en veiligheid Ruimtelijke kwaliteit en gezondheid Energietransitie Bereikbaarheid
Planspecifiek Met voorliggend initiatief wordt een woonbuurt mogelijk gemaakt, waarmee het plan hoofdzakelijk betrekking heeft op het thema wonen. Er zullen nieuwe koop- en huurwoningen worden gebouwd, evenredig aan de plancapaciteit die voorkomt uit de woningmarktverkenning 2019. Dit is in lijn met het streven van de gemeente naar een gezonde balans tussen de koop- en de huursector. Daarnaast is er binnen het plan aandacht voor starters en senioren, door woningen te realiseren die geschikt zijn voor deze doelgroepen. Het doel hierbij is dat bewoners zo lang mogelijk binnen de eigen gemeente kunnen blijven wonen. Dit vergroot namelijk het gevoel van saamhorigheid en veiligheid en versterkt de sociale cohesie. In het plangebied wordt voorzien in een gezonde mix aan woningen. Het behoud en de zorg voor het unieke karakter en de omgevingskwaliteit van Renswoude is belangrijk. Dit komt immers ten goede aan de leefbaarheid en daarmee ook aan de gezondheid van mensen. De kwaliteit van de openbare ruimte en het groen krijgt daarom speciale aandacht. Dit komt terug in de stedenbouwkundige uitwerking van Beekweide II; er is veel ruimte gereserveerd voor groen-blauwe kwaliteit, zoals beschreven in toelichting paragraaf 2.2. Dit draagt bij aan de leefbaarheid en klimaatbestendigheid van de woonbuurt. Ook duurzaamheid en bereikbaarheid krijgen aandacht in de uitwerking van Beekweide II.
Uit toelichting paragraaf 4.12 blijkt dat de woningen duurzaam gebouwd worden. Daarnaast is het plangebied goed bereikbaar voor zowel motorvoertuigen als langzaam verkeer, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 2.2. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de bepalingen van de Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030.
3.3.2 Woningmarktverkenning gemeente Renswoude 2019-2035 In de Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 wordt beschreven dat de gemeente Renswoude sinds de Woonvisie uit 2011 elke twee jaar een woningmarktonderzoek uit laat voeren, dat inzicht geeft in de richting
20
waarin de woningvoorraad in Renswoude zich tot 2030 moet ontwikkelen. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek van 2019:
• • • •
Er wordt een groei verwacht naar 5.920 personen in 2035, deze groei zet hierna nog verder door;
• •
De vraag naar sociale huurwoningen stijgt met 85 woningen tot 2035;
Het aantal huishoudens stijgt naar 2.380 in 2035, de gemiddelde huishoudgrootte daalt naar 2,5; De vraag naar koopwoningen stijgt met 375 woningen tot 2035; De komende jaren neemt de woningvoorraad door harde en zachte plannen met ongeveer 230 koopwoningen toe. Met deze plancapaciteit wordt ongeveer 60% van de vraag naar 375 woningen tot 2035 ingevuld. De resterende opgave voor de tweede helft van de planperiode is ca. 145 woningen. Met de plancapaciteit van ca. 80 woningen, de verkoop van 24 woningen, en de herstructurering (per saldo +8 woningen) neemt de huurvoorraad per saldo met 64 woningen toe. Hiermee wordt ongeveer 75% van de vraag tot 2035 ingevuld. De resterende opgave voor de tweede helft van de planperiode is ca. 20 woningen.
Planspecifiek De ontwikkeling van Beekweide II past binnen de kaders van de beoogde woningaantallen zoals omschreven in de woningmarktverkenning. Het is immers onderdeel van de zachte plancapaciteit, die is opgenomen in de woningmarktverkenning. Met de plannen worden zowel koop- als huurwoningen gerealiseerd, zoals reeds is beschreven in toelichting paragraaf 2.2. Ook bij de actualisatie van deze woningmarktverkenning (concept gereed) blijkt dat kaders toereikend zijn voor de ontwikkeling van dit plan. In de notitie 'Volkshuisvestelijk kader Beekweide 2' d.d. 11 februari 2019 is het gewenste woningbouwprogramma voor Beekweide II beschreven en onderbouwd. Uit de resterende vraag naar koopwoningen en sociale huurwoningen is het beoogde programma voortgekomen. Voor het koopsegment bestaat de resterende vraag voornamelijk uit eengezinswoningen en woningen die geschikt zijn voor ouderen. Hierbij is vraag naar woningen uit alle prijsklassen. De grootste opgave ligt bij woningen in het lage koopsegment. Voor het huursegment bestaat de resterende vraag voornamelijk uit eengezinswoningen. Opmerking bij het Volkshuisvestelijke Kader Beekweide 2: in dit kader is uitgegaan van een woningaantal van ca. 140 stuks.
Gelet op de behoefte naar goedkope woningbouw, en direct daaraan gekoppeld de kleinere omvang van de woning en kavel, is het stedenbouwkundige plan herzien en is het woningaantal tot 192 stuks toegenomen. Het aandeel sociale woningbouw is substantieel: van de 192 woningen worden er 93 in het sociale segment (zowel koop als huur) gerealiseerd. Voorts dient vermeld te worden dat parallel aan het opstellen van dit bestemmingsplan er een actualisatie van het woningmarktonderzoek loopt. De uitkomsten hiervan worden naar verwachting in februari 2022 door de raad vastgesteld. Uit de eerste resultaten blijkt dat de groei van het aantal huishoudens in 2040, op basis van Primos 2021, vele malen hoger is dan eerder was voorzien (Primos 2018). Deze stijgt van 2.500 naar 3.300. Deze ontwikkeling zet door naar 2050, namelijk van 2.500 naar 3.600 huishoudens. Enerzijds is dit toe te schrijven aan het kleiner worden van de huishoudgrootte en anderzijds heeft dit daadwerkelijk betrekking op groei. Deze stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door het groeiend aantal gezinnen. Op basis van deze geprognosticeerde groei zal de behoefte naar woningen toenemen met ca. 600 woningen, zowel in het huur- als het koopsegment. Het programma van voorliggend plan sluit aan op deze geprognosticeerde groei van de behoefte, door een mix aan woningen in zowel het huur- als het koopsegment te realiseren.
21
hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden van een oppervlakte van
22
100 ha of meer en 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat namelijk een oppervlakte van ca. 7,15 ha en betreft de ontwikkeling van ca. 190 woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.(-beoordeling) en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in dit hoofdstuk. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Tevens dient er te worden bezien dat er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten, zo vereist paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. Voor onderhavige gewenste ontwikkeling geldt dat er geen directe relatie tot andere ontwikkelingen is in de nabijheid van het plangebied waarvan de effecten in cumulatie met elkaar in acht moeten worden. Doordat de ontwikkeling slechts woningen mogelijk maakt zijn de impact en de complexiteit van het project beperkt. Als gevolg van de ingebruikname van de woningen zal er een toename van de productie van afvalstoffen ontstaan. Deze afvalstoffen bestaan uit regulier huisafval.
In lijn met de landelijke tendens ten aanzien van het scheiden van afval zal ook het afval van deze woningen in toenemende mate gescheiden worden afgevoerd. Dit resulteert in een kleinere hoeveelheid stoffen die feitelijk als afvalstoffen gezien moeten worden. De milieugevolgen zijn derhalve dermate beperkt dat deze geen aanleiding geven tot het laten opstellen van een milieueffectrapportage. Doordat de woningen aan de hedendaagse maatstaven zullen voldoen is het gebruik van hulpbronnen, kans op verontreiniging en risico's op ongevallen beperkt. Daarmee zijn de effecten beperkt en komt de kwaliteit van de omgeving van het plangebied niet in het geding. Mogelijk treden er wel effecten op in de aanlegfase van het project. Bij de graafwerkzaamheden wordt voor het aanleggen van de fundering mogelijk zand uit de bodem onttrokken. Voor de bouw worden de reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal (hout, beton, metaal). Er zijn geen andere natuurlijke hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit. De meest verstrekkende effecten van de aanlegfase zijn te verwachten op het gebied van geluid. Deze effecten zijn echter tijdelijk van aard en hebben daarmee geen belangrijke gevolgen.
De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van deze plantoelichting, die gezien kan worden als aanmeldingsnotitie, kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en de kwaliteit van het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde
23
functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Omdat wonen een strenger bodemgebruik is dan het huidige gebruik van de gronden is er (water)bodemonderzoek verricht (fase 1, Verhoeven Milieutechniek, B19.7557, d.d. 19 januari 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). In het onderzoek is het plangebied grotendeels onderzocht. Echter waren de bedrijfslocaties (gedeeltelijke kadastrale percelen 3447, 3788, 2677, 3254 en 3255) aan de Barneveldsestraat ten tijde van het onderzoek nog niet vrijgegeven voor de uitvoering van de onderzoeken. Deze locaties zijn inmiddels onderzocht en in een aanvullende rapportage beschreven (fase 2, Hunneman Milieu, 210323/lvh/sh, d.d. 16 juli 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3).
Na fase 1 en 2 resteerden er nog enkele percelen die nog niet onderzocht waren. Daarbij gaat het om het westelijke deel van perceel 3447, en de percelen 3789 en 3498. Deze gronden zijn in voorliggend plan voorzien van de bestemmingen 'Wonen - Uit te werken 1' en 'Wonen - Uit te werken 2'. Het booronderzoek dient te worden uitgevoerd in het kader van de uitwerkingsplannen voor deze percelen. Desalniettemin is alvast, in het kader van de economische uitvoerbaarheid, een historisch vooronderzoek uitgevoerd voor de percelen 3789 en 3498 (Barneveldsestraat 16) om zo de potentiële verontreinigingen in beeld te brengen (fase 3, Verhoeven Milieutechniek, B23.8846/HO-01/MS, d.d. 24 april 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Voorts resteert nog het perceel 2943, dat in voorliggend bestemmingsplan de bestemming 'Wonen' krijgt. Echter was onderzoek op deze locatie nog niet mogelijk vanwege het aanwezige gebouw. Op het perceel hebben potentiële bodemverontreinigende bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden en er zijn bovengrondse tanks aanwezig. Daarom wordt in een later stadium een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform NEN 5740 (bodem) uitgevoerd. Algemene kwaliteit terrein fase 1 Uit de onderzoeksresultaten zijn in de bovengrond en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond.
In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten voor onderzochte parameters aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende streef- en achtergrondwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Zintuiglijk en/of analytisch zijn geen (ernstige) verontreinigingen aangetroffen ter plaatse van de volkstuinen, gemeente opslag, slootdempingen en voormalig ven. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping eventueel slib uit de watergangen verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. Asbest in bodem fase 1 Op zowel het maaiveld als in de opgeboorde en opgegraven grond is zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Voor de volkstuinen volkstuinencomplex en opslagplaats gemeente geldt dat zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetroffen. Hetzelfde is van toepassing op het terrein achter de Barneveldsestraat 14. Ter plaatse van het overige braakliggende terrein zijn eveneens geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen waardoor hier een verkennend onderzoek naar asbest definitief niet noodzakelijk is. Algemene kwaliteit terrein fase 2 In de bodem/puin is zintuiglijk, met uitzondering van één plaatje, geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
Analytisch zijn in de vaste bodem/puinlagen geen noemenswaardig verhoogde gehalten aan asbest aangetoond.
24
Ter plaatse van de verdachte deellocaties zijn geen oliecomponenten waargenomen. Analytisch zijn in de vaste bodem en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan geen bezwaren voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw. Resultaten historisch vooronderzoek fase 3 Op basis van de resultaten van het historisch vooronderzoek wordt geconcludeerd dat op de locatie diverse (voormalige) verdachte activiteiten aanwezig zijn (geweest) die mogelijk de bodemkwaliteit heeft beïnvloed. De bodembedreigende activiteiten, voornamelijk behorend bij een transportbedrijf en manege, betreffen:
• • • • • •
Opslag olie; Werkplaats met opslag smeerolie in lekbak; Opslag- bergruimte met compressor en opslag olie in vaatjes; Paardenstalling met gierkelder, inclusief mangat; Wasplaats met slibvanger, olie- en vetafscheider, inclusief inspectieput; Mestplaat met gier-/spoelwatertank, inclusief mangat.
De aanwezige gronddepots zijn in 2018 onderzocht en hebben naar verwachting geen (negatieve) invloed op de oorspronkelijke bodem. De aanwezige opslag van puin-/afval vindt grotendeels plaats op een gesloten betonverharding, waardoor verwacht wordt dat de invloed hiervan op de bodemkwaliteit gering is. De aanwezige bebouwing is deels voorzien van asbestverdachte golfplaten dakbedekking. Aangezien het niet mogelijk was een locatiebezoek uit te voeren, kan niet worden uitgesloten dat sprake is (geweest) van afwatering op onverhard maaiveld. Indien hiervan sprake is, is dit enkel aan de zuidzijde. Daarnaast kan niet uitgesloten worden dat onder de diverse verharding (asbest)verdacht puin aanwezig is. Aangezien geen actuele bodemkwaliteitsgegevens bekend zijn en voor zover als bekend geen nulsituatie onderzoeken hebben plaatsgevonden bij de verdachte activiteiten op de locatie, wordt geadviseerd een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform de NEN 5740 en conform de NEN 5707 en/of NEN 5897 uit te voeren. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de voormalige bedrijfsactiviteiten en de hierboven genoemde bodembedreigende activiteiten. Tevens dient rekening gehouden te worden met de diverse (half)verhardingen.