Landbouwstructuuranalyse RFV-GV - WUR 2022-050
Tekst van het document
Landbouwstructuur in regio Foodvalley en gemeenten Bunschoten, Leusden, Putten en Woudenberg Gabe Venema, Ruud van der Meer en Jakob Jager
Landbouwstructuur in regio Foodvalley en gemeenten Bunschoten, Leusden, Putten en Woudenberg
Gabe Venema, Ruud van der Meer en Jakob Jager
Dit onderzoek is uitgevoerd door Wageningen Economic Research in opdracht van en gefinancierd door Regio Foodvalley. Dit ter ondersteuning bij het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied Regio Foodvalley, wat gericht is op het opstellen van een ruimtelijk-economisch toekomstperspectief voor het buitengebied van Regio Foodvalley en als 0-meting voor de bredere regio met ook de gemeenten Woudenberg, Putten, Bunschoten en Leusden.
Wageningen Economic Research Wageningen, juli 2022
NOTA 2022-050
Gabe Venema, Ruud van der Meer en Jakob Jager, 2022. Landbouwstructuur in regio Foodvalley en gemeenten Bunschoten, Leusden, Putten en Woudenberg. Wageningen, Wageningen Economic Research, Nota 2022-050. 32 blz.; 20 fig.; 5 tab.; 2 ref. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Regio Foodvalley, en bestaat uit het voorzien in een zo actueel mogelijk beeld van structuurkenmerken en sociaal-economische aspecten van de primaire agrarische sector in de regio Foodvalley, aangevuld met de gemeenten Bunschoten, Leusden, Putten en Woudenberg. Ook wordt inzicht gegeven in ontwikkelingen in afgelopen jaren. In 2020 waren er 2.000 agrarische bedrijven in het studiegebied, vooral melkvee-, vleeskalveren- en overige graasdierbedrijven. Van de 32.000 ha in het gebied is driekwart grasland. De meeste veestapels lopen afgelopen jaren terug; voor de meeste sectoren is de veebezetting per bedrijf en per ha lager dan het landelijke gemiddelde. Ongeveer 80% van de arbeid wordt binnen het gezin uitgevoerd. Het opvolgingspercentage blijft achter bij landelijk, wel zijn er relatief iets meer jonge ondernemers. Er bevinden zich veel potentiële stoppers boven 55 jaar in het gebied, die een achtste deel cultuurgrond beheren. Een op de tien ondernemers heeft een biologische bedrijfsvoering. Verbredingsactiviteiten nemen verder toe. De analyse is uitgevoerd met de CBS-Landbouwtelling.
Trefwoorden: Primaire agrarische sector, structuurkenmerken, sociaal-economische kenmerken The research was carried out on behalf of the Foodvalley Region, and consists of providing the most up-to-date picture of structural characteristics and socio-economic aspects of the primary agricultural sector in the Foodvalley region, supplemented by the municipalities of Bunschoten, Leusden, Putten and Woudenberg. It also provides insight into developments in recent years. In 2020 there were 2,000 agricultural companies in the study area, mainly dairy cattle, veal calves and other grazing livestock farms. Three-quarters of the 32,000 ha in the area is grassland. Most livestock herds have declined in recent years; for most sectors the livestock density per company and per hectare is lower than the national average. About 80% of the work is carried out within the family. The succession percentage lags behind the national level, but there are relatively slightly more young entrepreneurs. There are many potential quitters over 55 years old in study area, who manage one eighth of the cultivated land. One in ten entrepreneurs has an organic business. Multifunctional agriculture continues to increase. The analysis was carried out using the CBS Agricultural Census.
Keywords: Primary agricultural sector, structural characteristics and socio-economic aspects Deze nota is gratis te downloaden op https://doi.org/10.18174/572701 of op www.wur.nl/economic-research (onder Wageningen Economic Research publicaties). © 2022 Wageningen Economic Research Postbus 29703, 2502 LS Den Haag, T 070 335 83 30, E communications.ssg@wur.nl, www.wur.nl/economic-research. Wageningen Economic Research is onderdeel van Wageningen University & Research.
Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding-Niet Commercieel 4.0 Internationaal-licentie. © Wageningen Economic Research, onderdeel van Stichting Wageningen Research, 2022 De gebruiker mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven en afgeleide werken maken. Materiaal van derden waarvan in het werk gebruik is gemaakt en waarop intellectuele eigendomsrechten berusten, mogen niet zonder voorafgaande toestemming van derden gebruikt worden. De gebruiker dient bij het werk de door de maker of de licentiegever aangegeven naam te vermelden, maar niet zodanig dat de indruk gewekt wordt dat zij daarmee instemmen met het werk van de gebruiker of het gebruik van het werk. De gebruiker mag het werk niet voor commerciële doeleinden gebruiken. Wageningen Economic Research aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. Wageningen Economic Research is ISO 9001:2015 gecertificeerd. Wageningen Economic Research Nota 2022-050 | Projectcode 2282200681 Foto omslag: Shutterstock
Inhoud
1
2
Inleiding
8
1.1
Aanleiding
8
1.2
Resultaat
9
1.3
Aanpak
9
Landbouwstructuur
11
2.1
Aantal bedrijven
11
2.2
Bedrijfsomvang
11
2.3
Grondgebruik
13
2.4
Veestapel
14
2.5
Werkgelegenheid
16
2.6
Leeftijd en opvolgingssituatie
18
2.7
Biologische landbouw
20
2.8
Verbredingsactiviteiten
21
2.9
Korte Ketens
23
Bijlage 1
Begrippenlijst
26
Bijlage 2
Aantal bedrijven per bedrijfstype in het studiegebied
27
Bijlage 3
Bedrijfstype overig pluimveebedrijven
28
Bijlage 4
Structuurkengetallen per gemeente
29
Samenvatting
Nog 2.000 agrarische bedrijven in 2020, vooral melkvee-, vleeskalveren-, overig graasdierbedrijven In 2020 waren er ongeveer 2.000 primaire land- en tuinbouwbedrijven in het studiegebied (de 8 gemeenten in de regio Foodvalley en de gemeenten Bunschoten, Leusden, Putten en Woudenberg. In 2000 betrof het nog 3.500 bedrijven. In 2020 zijn er drie gespecialiseerde bedrijfstypen die elk ongeveer 20% van de totale populatie uitmaken, namelijk melkveebedrijven (398), vleeskalverbedrijven (389) en overige graasdierbedrijven (433). In vergelijking met Nederland heeft het studiegebied relatief veel vleeskalver-, pluimvee- en varkensbedrijven. Ruim 30% van de vleeskalverbedrijven in Nederland is gevestigd in het studiegebied, voor pluimvee- en varkensbedrijven zijn deze aandelen 17 en 8% in 2020. Relatief veel kleine bedrijven in studiegebied De gemiddelde standaardbedrijfsopbrengst (indicator voor bedrijfsomvang) is voor elk bedrijfstype in de periode 2000-2020 minimaal verdubbeld. De vleeskalver- en pluimveebedrijven zijn gemiddeld genomen in standaardopbrengst het grootst. Kijken we naar de standaardverdiencapaciteit, waarbij naast de standaardopbrengst rekening wordt gehouden met kosten en arbeidsinzet om de output te realiseren, dan valt ruim 60% van de bedrijven in de categorie ‘zeer klein’ of ‘klein’ (landelijk ruim 50%), zie figuur S.1.
In het studiegebied is 16% van de bedrijven ‘groot’ of ‘zeer groot’, landelijk is dit ruim een kwart.
100% 80% 60% 40%
20% 0%
zeer klein
Figuur S.1
klein
middelgroot
groot
zeer groot
Verdeling aantal bedrijven naar grootteklasse SVC in 2020 naar bedrijfstype
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
Van de 32.000 ha is driekwart grasland en 17% mais Het areaal cultuurgrond bedroeg in 2020 ruim 32.000 ha. Hiervan was ongeveer de helft in gebruik bij de melkveebedrijven. Van het totale areaal is ongeveer de helft eigendom van de gebruiker van de grond. Bijna een derde van het areaal wordt gepacht. Landelijk ligt het aandeel grond in eigendom ongeveer 5 procentpunt hoger.
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
|5
Het areaal cultuurgrond in het studiegebied bestaat voor driekwart uit grasland (blijvend, tijdelijk en natuurlijk grasland). Landelijk is dit ruim 20 procentpunten lager. Ook het aandeel mais dat in 2020 17% bedroeg is hoger dan landelijk. Akkerbouwmatige gewassen die landelijk ongeveer een derde van het areaal uitmaken zijn in het studiegebied, 7% van het areaal, veel minder van belang. De meeste veestapels lopen laatste jaren terug, een uitzondering zijn de vleeskalveren Leghennen zijn met ruim 7,7 miljoen dieren de meest voorkomende diersoort in het studiegebied in 2020 (in 2018 nog 9,2 miljoen dieren). De vleeskuikens volgen met een kleine 1,5 miljoen dieren. De koeienstapel liep sinds 2016 met 17% terug naar 35.000 dieren in 2020. Een andere belangrijke veestapel, de vleeskalveren, steeg sinds 2010 met een kwart naar ruim 330.000 dieren in 2020. Zowel het aantal vleesvarkens als fokvarkens loopt in de regio al jaren terug. Ten opzichte van 2018 daalde de vleesvarkensstapel met 15% en de zeugenstapel met 7%. De geitenstapel steeg sinds 2018 juist met 17% naar een niveau van 55.000 dieren in 2020. Dieren per bedrijf in meeste sectoren lager dan landelijk, ook koeien per hectare lager dan landelijk Landelijk ligt het aantal dieren per bedrijf in bijna alle onderscheiden bedrijfstypen hoger dan in het studiegebied. Een uitzondering is de vleeskalverhouderij.
Het aantal melkkoeien op gespecialiseerde melkveebedrijven nam sinds 2016 niet meer toe (vooral ook door ingestelde fosfaatquotum) en bedroeg in 2020 72. In de pluimveehouderij nam het gemiddelde aantal dieren per bedrijf sinds 2016 af. Het aantal melkkoeien per hectare grasland (een indicator voor de intensiteit van de bedrijfsvoering) loopt vanaf 2016 iets terug en is in 2020 duidelijk lager dan gemiddeld in Nederland. 80% van de 3.500 arbeidskrachten gezinsarbeid In 2020 was er in het studiegebied werk voor ongeveer 3.500 arbeidsjaareenheden op de primaire bedrijven in de land- en tuinbouw. De meeste aje zijn er op de melkveebedrijven (rond 800 aje) met de vleeskalversector als tweede, direct gevolgd door de overige graasdierhouderij. Zo’n 80% van de arbeidsinzet in het gebied wordt geleverd door de ondernemer en zijn gezin. De overige 20% zijn vreemde arbeidskrachten, die grotendeels regelmatig werkzaam zijn. In 2020 relatief meer jonge ondernemers in studiegebied dan landelijk, opvolging blijft nu achter Op de melkveebedrijven en pluimveebedrijven ligt het opvolgingspercentage het hoogst. Het opvolgingspercentage (het aandeel van bedrijven met ondernemer vanaf 51 jaar waar een potentiële opvolger is) ligt voor het studiegebied meerdere procentpunten lager dan landelijk.
Ten opzichte van Nederland totaal is het aandeel ondernemers jonger dan 51 jaar in het studiegebied iets hoger. De bedrijfstypen overige graasdier-, varkens- en akkerbouw kennen een relatief grote groep bedrijven waarvan de ondernemer ouder is dan 51 jaar en waar geen potentiële opvolger is. Veel potentiële stoppers boven 55 jaar in studiegebied, die achtste deel cultuurgrond beheren In 2020 worden 616 bedrijven geleid door een ondernemer ouder dan 55 jaar, zonder de aanwezigheid van een potentiële opvolger. Dit is ruim 31% van het totaal aantal bedrijven, waarvan een op de drie overige graasdierenbedrijven zijn. Ook de vleeskalverhouderij (100 bedrijven), akkerbouw en varkenshouderij (met ieder ruim 70 bedrijven) zijn sterk vertegenwoordigd. Alle 616 bedrijven beheren in totaal bijna 7.100 ha cultuurgrond (een achtste deel) en vertegenwoordigen bijna 15% van het economisch potentieel (in SO). Opvallend is het hoge aantal bedrijven (254) met een bedrijfshoofd ouder dan 65 jaar zonder potentiële opvolger. Hieronder veel overige graasdierbedrijven en akkerbouwbedrijven. Deze bedrijven zijn in doorsnee klein, velen hebben afgebouwd. In totaal is 4% van de cultuurgrond in bezit van deze bedrijven en 3% van het economisch potentieel in het studiegebied.
10% van de bedrijven is biologisch, veel hoger dan landelijk In het studiegebied is 10% van alle land- en tuinbouwbedrijven biologisch. Dit is meer dan driemaal zoveel als landelijk (3%). In het gebied is ongeveer 2.300 ha landbouwgrond als biologische grond in gebruik, oftewel 7% van de totale cultuurgrond in het gebied (landelijk 4%). De pluimveehouderij kent met 70 het grootste aantal biologische bedrijven. Ook in de varkenshouderij en melkveehouderij zijn er relatief veel bedrijven met een biologisch keurmerk. In de groep overige bedrijven geldt dit voor zelfs 1 op de 5 bedrijven
6 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
In 2020 vooral natuurbeheer, huisverkoop, stalling en loonwerk. Verbredingsactiviteiten nemen toe In 2020 deden 243 bedrijven aan agrarisch natuurbeheer, bijna altijd onder de subsidieregeling ANLb (collectieven). Dit zijn vooral melkvee- en overige graasdierbedrijven. De laatste jaren zijn verkoop aan huis, stalling, boerderij-educatie en loonwerk verder gestegen. De zorgboerderijsector blijft qua aantallen bedrijven op een redelijk constant niveau. De verkoop van landbouwproducten kom voor bij de meeste bedrijfstypen, waaronder veel pluimveebedrijven. Ook loonwerk wordt verricht door meerdere bedrijfstypen, waaronder naast melkveehouders ook veel vleeskalverenhouders en overige graasdierhouders. Op de bedrijven met verbredingsactiviteiten geeft 16% in het studiegebied aan dat in 2020 naar schatting meer dan de helft van de bedrijfsopbrengsten met deze verbredingsactiviteiten is verdiend. Bij iets meer dan de helft van deze bedrijven blijft dit aandeel onder de 10%. Landelijk zie we een vergelijkbaar beeld. In het studiegebied hebben 190 primaire agrarische bedrijven in 2020 (een deel van hun) producten afgezet via een korte keten (in 2017: 134 bedrijven). Ondanks de toename is het aandeel korte keten bedrijven in het totaal aantal bedrijven in het studiegebied nog geen 10% (landelijk 13,7%, Gelderland 12,8%, Utrecht 14,3%).
Een 30% van de korteketenbedrijven in het studiegebied is een pluimveebedrijf
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
|7
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Er komt nu en in komende jaren veel lopend en nieuw overheidsbeleid en marktontwikkelingen op de agrarische sectoren af. Dit brengt zowel bedreigingen (onrust) als kansen (perspectief) met zich mee. De regio Foodvalley richt zich op de ontwikkeling van een duurzame agrarische sector met perspectief. De regio Foodvalley bestaat uit de volgende 8 gemeenten in de provincies Gelderland en Utrecht: Barneveld, Ede, Nijkerk, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel, Veenendaal en Wageningen. In dit onderzoek is de regio Foodvalley aangevuld met de volgende gemeenten: Bunschoten, Leusden, Putten en Woudenberg. In het vervolg van dit onderzoek wordt als naam van de regio ‘het studiegebied’ aangehouden (zie kaart 1.1)
Kaart 1.1
Overzicht van 12 gemeenten in de provincies Gelderland en Utrecht die gezamenlijk het
studiegebied vormen
8 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
De 12 gemeenten in het studiegebied hebben behoefte aan een goed en zo actueel mogelijk beeld van de primaire agrarische sector en haar omgeving. Daarbij is zowel inzicht nodig in opgetreden ontwikkelingen in het afgelopen decennium (trends) als in de (meest) actuele situatie. Een actueel beeld van de agrarische sector op basis van feiten (en duiding) draagt bij aan: • een goede uitgangspositie voor een te plannen perspectievenstudie van het studiegebied richting 2040. In deze studie zal de integrale gebiedsgerichte aanpak centraal staan, en is de intentie om te kijken naar ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven bij een aantal mogelijke toekomstscenario’s (agrarische sector in relatie tot haar omgeving) • een verdere onderbouwing van het monitoringprogramma Regiodeal Foodvalley, gestart in 2020 • het creëren van een breed gedragen beeld (onder stakeholders en bestuurders) van de actuele situatie in het studiegebied.
1.2
Resultaat
Er wordt voor het studiegebied inzicht gegeven in de huidige structuur van de landbouw en tuinbouw en in opgetreden trends (2010-2020). Naast inzicht in structuurkenmerken wordt inzicht gegeven in meer sociaaleconomische aspecten en in de milieupositie (zover beschikbaar op het regionale niveau van het studiegebied). De beelden en inzichten helpen het studiegebied bij het beter in kaart brengen van de huidige krachten en knelpunten in de relevante sectoren in het gebied.
1.3
Aanpak
Landbouwstructuuranalyse Met behulp van de Barometer Duurzame Landbouw, ontwikkeld door Wageningen Economic Research, wordt inzicht gegeven in de structuur van de land- en tuinbouw van het studiegebied. Zowel van de meest actuele situatie (2020) als in de opgetreden ontwikkelingen in de afgelopen jaren (2010, 2015, 2020). Bij sommige kengetallen wordt eveneens het jaar 2000 meegenomen. Als geen cijfers voor 2020 beschikbaar zijn, zal teruggevallen worden op meest recente jaar. De database die gebruikt wordt is de jaarlijkse Landbouwtelling1 (van RVO en CBS). Wageningen Economic Research gebruikt deze database met grote regelmaat voor het Rijk en provincies en (groepen) gemeenten om de agrarische structuur en ontwikkelingen in beeld te brengen. Met deze databases beschikt Wageningen Economic Research over feiten en cijfers die onafhankelijk en betrouwbaar zijn, en die een goed startpunt zijn voor beleidsvorming en evaluatie, en voor onderbouwing van discussie over ontwikkelingen. Belangrijke thema’s zijn de ontwikkeling van de agrarische structuur (zoals aantallen bedrijven, structuurkenmerken van de bedrijven, werkgelegenheid, economisch potentieel) en de milieupositie van de agrarische sector. Ook wordt inzicht gegeven in de multifunctionele activiteiten op agrarische bedrijven en in afzet via korte ketens.
Deze laatste activiteiten hebben een meer rechtstreekse verbinding tussen boer en burger. De agrarische ontwikkelingen en situatie in het studiegebied worden vergeleken met de landelijke ontwikkeling. Eveneens zal voor een aantal structuurkengetallen de situatie per gemeente worden geschetst (bijlage 4). Het betreft de actuele situatie en ontwikkeling van aantallen bedrijven, standaardopbrengsten (economische potentieel) en hectare cultuurgrond in de periode 2000-2020. Ook wordt inzicht gegeven in de samenstelling van de veestapel en van de niet-agrarische activiteiten (verbreding) op het bedrijf in 2020.
1
Dit betekent dat een beeld wordt gegeven van in de Landbouwtelling geregistreerde bedrijven. Deze telling hanteert een ondergrens van 3.000 euro aan standaardopbrengsten. Er wordt bijvoorbeeld geen beeld gegeven van aantallen dieren op hobbybedrijven die niet in de Landbouwtelling als bedrijf zijn geregistreerd.
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
|9
Naast een totaalbeeld van de landbouw in de regio, worden de feiten (inclusief duiding) gegeven voor de belangrijkste sectoren in het gebied. Op basis van aantallen aanwezige bedrijven en de hoogte van de standaardopbrengst in het studiegebied (bijlage 1) is de volgende indeling van sectoren aangehouden: 1. Melkveehouderij 2. Vleeskalverhouderij 3. Pluimveehouderij (leghennenhouderij en slachtkuikenhouderij) 4. Varkenshouderij 5. Akkerbouw 6. Overige graasdieren 7. Overig
10 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
2
Landbouwstructuur
2.1
Aantal bedrijven
In het jaar 2000 waren er ruim 3.500 land- en tuinbouwbedrijven gevestigd in het studiegebied (figuur 2.1). Twintig jaar later is dit afgenomen tot ongeveer 2.000 bedrijven (-43%). Ten opzichte van 2000 nam het aantal varkensbedrijven het sterkst af. In 2020 zijn er drie typen bedrijven die elk ongeveer 20% van de totale populatie uitmaken, namelijk melkveebedrijven, vleeskalverbedrijven en overige graasdierbedrijven. In vergelijking met Nederland valt op dat het studiegebied relatief veel vleeskalver-, pluimvee- en varkensbedrijven telt. Ruim 30% van de vleeskalverbedrijven in Nederland is gevestigd in het studiegebied, voor pluimvee- en varkensbedrijven zijn deze aandelen respectievelijk: 17 en 8% in 2020.
4.000 3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000
500 2000
2010
2016
2018
2020
Melkveebedrijven
Vleeskalverenbedrijven
Pluimveebedrijven
Varkensbedrijven
Akkerbouwbedrijven
Overig graasdierbedrijven
Overig
Figuur 2.1
Aantal bedrijven in het studiegebied naar bedrijfstype a)
a) De groep pluimveebedrijven bestaat uit de gespecialiseerde leghennenbedrijven en de gespecialiseerde vleeskuikenbedrijven. In bijlage 3 is nadere informatie opgenomen over de pluimveebedrijven van het type ‘overig pluimvee’ Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
2.2
Bedrijfsomvang
De bedrijfsomvang van land- en tuinbouwbedrijven kan worden gemeten in euro Standaardopbrengst (SO, zie bijlage 1, Begrippenlijst). De gemiddelde bedrijfsomvang is voor elk bedrijfstype in de periode 2000-2020 minimaal verdubbeld (figuur 2.2). De vleeskalver- en pluimveebedrijven zijn gemiddeld genomen het grootst. Een toename in omvang gemeten in SO betekent niet automatisch een toename gemeten in aantal dieren per bedrijf (zie paragraaf 2.4 voor Aantal dieren).
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
| 11
euro standaardopbrengst
900.000 800.000 700.000 600.000 500.000
400.000 300.000 200.000 100.000 2000
2010
2016
2018
2020
Aantal SO per bedrijf Melkveebedrijven
Vleeskalverenbedrijven
Pluimveebedrijven
Varkensbedrijven
Akkerbouwbedrijven
Overig graasdierbedrijven
Overig
Figuur 2.2
Standaardopbrengst bedrijven, ingedeeld naar bedrijfstype
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
In tegenstelling tot de Standaardopbrengst houdt de Standaardverdiencapaciteit (SVC, zie bijlage 1 Begrippenlijst), wel rekening met kosten en arbeidsinzet die nodig zijn om de output te realiseren. Op basis van de SVC worden vijf grootteklassen onderscheiden (figuur 2.3a). In de melkveehouderij en pluimveehouderij valt ongeveer de helft van de bedrijven in de categorie ‘zeer klein’ of ‘klein’. In de vleeskalver- en varkenshousderij ligt dit iets hoger, namelijk 60%. In het studiegebied is 16% van de bedrijven ‘groot’ of ‘zeer groot’, landelijk ligt dit aandeel hoger op ruim een kwart. Landelijk vallen er vooral veel glas- en opengrondstuinbouwbedrijven in de categorie ‘groot’ en ‘zeer groot’. Beide categorieën zijn in het studiegebied van minder belang. Figuur 2.3b toont de totale SVC verdeeld naar grootteklasse. Tussen 2010 en 2020 verschuift een groter deel van de totale SVC naar de klassen ‘groot’ en ‘zeer groot’. Deze ontwikkeling doet zich ook voor in totaal Nederland.
100% 80% 60% 40%
20% 0%
zeer klein
klein
middelgroot
groot
zeer groot
Figuur 2.3a Verdeling aantal bedrijven naar grootteklasse en naar bedrijfstype SVC, 2020 Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
12 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
100% 80% 60% 40% 20% 0% 2010
2020
2010
2020
Studiegebied zeer klein
klein
NL middelgroot
groot
zeer groot
Figuur 2.3b Verdeling SVC naar grootteklasse SVC in studiegebied en Nederland, 2010 en 2020 Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
2.3
Grondgebruik
Het areaal cultuurgrond in het studiegebied bedroeg in 2020 ruim 32.000 ha. Hiervan was ongeveer de helft in gebruik bij de melkveebedrijven, ruim 15.000 ha (figuur 2.4). Van het totale areaal is ongeveer de helft eigendom van de gebruiker van de grond. Bijna een derde van het areaal wordt gepacht. Landelijk ligt het aandeel grond in eigendom ongeveer 5 procentpunt hoger.
16.000 14.000
hectare
12.000
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Eigendom
Figuur 2.4
Pachtvormen
Erfpacht
Ander gebruik
Eigendomssituatie landbouwgrond naar bedrijfstype, 2020
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
Het areaal cultuurgrond in het studiegebied bestaat voor driekwart uit grasland (figuur 2.5). Landelijk ligt dit aandeel dichter bij de 50%. Vooral het aandeel blijvend grasland is fors hoger dan in Nederland. Ook het aandeel mais dat in 2020 17% bedroeg is hoger dan landelijk. Akkerbouwmatige gewassen die landelijk ongeveer een derde van het areaal uitmaken zijn in het studiegebied van veel minder belang. Het belang van blijvend grasland nam af gedurende de jaren. Deze ontwikkeling is ook zichtbaar in Nederland. Het maisareaal daalde in het studiegebied sterker dan in Nederland.
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
| 13
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
00
10
16
18
20
00
Studiegebied
Figuur 2.5
10
16
18
20
Nederland
Blijvend grasland
Tijdelijk grasland
Natuurlijk grasland
Mais
Akkerbouwgewassen
Overig
Verdeling areaal cultuurgrond naar gewas in studiegebied en Nederland
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
Veestapel
9.000
350
8.000
300
stuks (x 1.000)
stuks (x 1.000)
2.4
7.000 6.000 5.000 4.000
250
200 150 100
3.000
50
2.000
0
1.000 0 Leghennen
Figuur 2.6
Vleeskuikens
Aantal dieren in het studiegebied, 2020
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research
Leghennen zijn de meest voorkomende diersoort in het studiegebied. In 2020 waren er ruim 7,7 miljoen stuks (figuur 2.6), bijna 1,5 miljoen minder dan in 2018 (tabel 2.1). Het aantal vleeskuikens lag in het studiegebied op een kleine 1,5 miljoen dieren, en is sinds 2000 voortdurend toegenomen. De koeienstapel liep daarentegen verder terug naar een niveau van 35.000 dieren in 2020 (17% minder dan in 2016). Een andere belangrijke stapel, de vleeskalverenstapel, stijgt sinds 2000 door naar ruim 330.000 dieren in 2020. Dit is een kwart meer dan in 2010. Zowel het aantal vleesvarkens als fokzeugen daalt in de regio de afgelopen 20 jaar. Ten opzichte van 2018 daalde de vleesvarkensstapel met 15% en de zeugenstapel met 7%. In de regio stijgt de geitenstapel sinds het begin van deze eeuw voortdurend, en wel naar een niveau van 55.000 dieren in 2020. Een sterke stijging met 17% ten opzichte van 2018.
14 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
Tabel 2.1
Ontwikkeling aantal dieren (x 1.000) in het studiegebied 2000
2010
2016
2018
Melkkoeien
45
39
42
38
2020 35
Vleeskalveren
223
263
302
314
331
Fokvarkens
67
52
43
44
41
Biggen
221
211
201
201
189
Vleesvarkens
471
392
332
309
264
Leghennen
7.836
8.647
8.911
9.225
7.739
Vleeskuikens
841
619
1.091
1.246
1.430
Geiten
12
23
32
47
55
Schapen
24
26
18
21
22
Paarden, pony’s en ezels
4
5
3
3
4
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research
Het aantal bedrijven in het studiegebied dat dieren houdt neemt af met uitzondering van het aantal bedrijven met vleeskuikens (figuur 2.7). Het aantal bedrijven met vleesvarkens nam het meest af.
Aantal bedrijven met
800 700 600 500 400 300 200 100 0 Melkkoeien
Vleeskalveren
2010
Figuur 2.7
Fokvarkens
2016
Vleesvarkens
2018
Leghennen
Vleeskuikens
2020
Aantal bedrijven met soorten dieren in het studiegebied, 2010-2020
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
De bedrijfsomvang van gespecialiseerde bedrijven gemeten in aantal dieren per bedrijf wordt weergegeven in tabel 2.2. Het aantal melkkoeien op gespecialiseerde melkveebedrijven nam in de periode 2010-2020 toe van 59 tot 72. De laatste jaren is er geen uitbreiding van het aantal koeien per bedrijf als gevolg van het ingestelde fosfaatquotum. In de pluimveehouderij nam het gemiddelde aantal dieren per bedrijf af. Landelijk ligt het aantal dieren per bedrijf, met uitzondering van de vleeskalverbedrijven, hoger dan in het studiegebied.
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
| 15
Tabel 2.2
Aantal dieren op gespecialiseerde bedrijven in het studiegebied en Nederland Studiegebied
Gemiddeld aantal dieren op
2010
2016
Nederland
2018
2020
2010
2016
2018
2020
105
gespecialiseerde bedrijven van dat type Melkkoeien
59
71
69
72
79
101
100
Vleeskalveren
573
690
739
780
582
686
730
772
Vleesvarkens
656
1.058
1.011
1.124
1.345
2.017
2.119
2.497
Fokvarkens
491
769
837
779
584
893
939
1.002
Leghennen
37.248
46.112
41.806
33.038
53.993
65.165
64.509
53.309
70.466
59.827
52.758
82.566
92.794
87.265
88.366
Vleeskuikens
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
Het aantal melkkoeien per hectare grasland loopt vanaf 2016 iets terug (figuur 2.8). De veebezetting per hectare in het studiegebied is duidelijk lager dan gemiddeld in Nederland. Ten opzichte van 2000 is dit verschil verder toegenomen. In het studiegebied zien we een geringe afname met 0,1 melkkoe per hectare, landelijk juist een kleine stijging met 0,2 melkkoe per hectare.
Melkkoeien per ha grasland
2,5
2,0
1,5
1,0
0,5
0,0 Studiegebied 2000
Figuur 2.8
Nederland 2010
2016
2018
2020
Aantal melkkoeien per hectare grasland in het studiegebied en in Nederland
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
2.5
Werkgelegenheid
De werkgelegenheid van de primaire land- en tuinbouw in het studiegebied bedroeg in 2020 ongeveer 3.500 arbeidsjaareenheden (aje). De meeste aje zijn werkzaam op de melkveebedrijven (rond 800 aje) met de vleeskalversector als tweede, direct gevolgd door de overige graasdierhouderij (figuur 2.9). Zo’n 80% van de arbeidsinzet wordt geleverd door de ondernemer en zijn gezin. In het studiegebied is het aandeel onregelmatig werkzame aje lager dan voor Nederland als geheel (figuur 2.10). Onregelmatige arbeid wordt voornamelijk ingezet voor bijvoorbeeld (oogst)werkzaamheden in de tuinbouw, een sector die voor het studiegebied van veel minder belang is. In de melkveehouderij ligt het aandeel regelmatig vreemde arbeid relatief het laagst, in de akkerbouw het hoogst.
16 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
900
800 700
aje
600 500 400 300 200 100 0
aje gezin
Figuur 2.9
aje betaald
Arbeidsinzet (aje) naar bedrijfstype in het studiegebied, 2020
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
100% 80%
60% 40% 20% 0%
regelmatig vreemd
regelmatig gezin (excl. bedrijfshoofd)
onregelmatig
Figuur 2.10 Verdeling arbeidsinzet (aje) naar bedrijfstype, 2020 Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
| 17
100% 90% 80%
70% 60% 50% 40% 30%
20% 10% 0% Studieg.
NL
Studieg.
Aantal bedrijven
NL
Studieg.
Aantal aje totaal
NL
aantal SO
Melkveebedrijven
Vleeskalverenbedrijven
Pluimveebedrijven
Varkensbedrijven
Akkerbouwbedrijven
Overige graasdierbedrijven
Overig
Figuur 2.11 Aantallen bedrijven, aantal arbeidsjaareenheden (aje), aantal SO, verdeeld naar bedrijfstype, in het studiegebied en in Nederland, 2020 Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
In het studiegebied is ongeveer 20% van de bedrijven een melkveebedrijf, waar iets meer dan 20% van de arbeid wordt verricht, en deze bedrijven een kleine 15% van de SO vertegenwoordigen. Ook is ongeveer een op de vijf bedrijven een vleeskalverhouderijbedrijf. Het aandeel aje ligt iets onder de 20%, maar het aandeel in de SO in het gebied is ruim een derde deel. Een andere grote groep bedrijven zijn de overige graasdierbedrijven (aandeel boven de 20%). Hun aandeel in arbeid is duidelijk minder, maar vooral het aandeel in standaardopbrengst is klein (6%). In de pluimveehouderij en varkenshouderij ligt het aandeel in het aantal bedrijven op een duidelijk lager niveau dan het aandeel die beide groepen hebben in de SO. In de groep overige bedrijven (12% van het aantal bedrijven in het studiegebied) werkt 18% van het aantal aje, en dat heeft op basis van aanwezige dieren en cultuurgrond de potentie 16 à 17% van de standaardopbrengsten te genereren. Landelijk vertegenwoordigen de bedrijven binnen de verzameltype Overige bedrijven bijna 45% van de standaardopbrengsten. Dit komt vooral doordat de glastuinbouw en overige tuinbouw zich in deze groep overige bedrijven bevinden.
2.6
Leeftijd en opvolgingssituatie
De overige graasdier-, varkens- en akkerbouw kennen een relatief grote groep bedrijven waarvan de ondernemer ouder is dan 51 jaar en waar geen potentiële opvolger is (zie figuur 2.12). Op de melkveebedrijven en pluimveebedrijven ligt het opvolgingspercentage het hoogst. Van rechtspersonen (zoals bv’s) is de opvolgingssituatie niet bekend.
18 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
500 450 400 350 300 250 200 150 100 50 0
%
aantal
< 51 jr Zonder opvolger > 51 jr % opvolgers
80 70 60 50 40 30 20 10 0
Met opvolger > 51 jr Rechtspersoon % > 51 jaar
Figuur 2.12 Opvolgingssituatie in het studiegebied, 2020 Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
Ten opzichte van Nederland totaal is het aandeel ondernemers jonger dan 51 jaar in het studiegebied iets hoger (figuur 2.13). Het opvolgingspercentage (het aandeel van bedrijven met ondernemer vanaf 51 jaar waar een potentiële opvolger is) ligt voor het studiegebied meerdere procentpunten lager dan landelijk.
100% 90% 80% 70% 60%
50% 40% 30% 20% 10% 0%
Studiegebied < 51 jr Zonder opvolger > 51 jr % opvolgers
NL Met opvolger > 51 jr Rechtspersoon % > 51 jaar
Figuur 2.13 Opvolgingssituatie in het studiegebied en in Nederland, 2020 Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
In het studiegebied worden in 2020 616 bedrijven geleid door een ondernemer ouder dan 55 jaar, zonder de aanwezigheid van een potentiële opvolger. Dit is ruim 31% van het totaal aantal bedrijven. Bijna een op de drie van deze bedrijven binnen deze categorie zijn overige graasdierenbedrijven. Ook de vleeskalverhouderij (100 bedrijven), akkerbouw en varkenshouderij (met ieder ruim 70 bedrijven) zijn in deze leeftijdscategorie zonder opvolger sterk vertegenwoordigd. Alle 616 bedrijven beheren in totaal bijna 7.100 ha cultuurgrond. Dit is ongeveer een achtste deel van de totale cultuuroppervlakte in beheer van de primaire agrarische sector. Ook het economisch potentieel van deze 616 bedrijven is in doorsnee duidelijker kleiner: de 31% van de bedrijven vertegenwoordigt bijna 15% van de SO.
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
| 19
Tabel 2.3
Bedrijven met een bedrijfshoofd ouder dan 55 jaar zonder opvolger in het studiegebied, in 2020 Bedrijfshoofd ouder dan 55 jaar zonder opvolger Aantal bedrijven Totaal areaal cultuurgrond
Totaal SO (x 1.000)
Melkveebedrijven
91
2.307
17.202
Vleeskalverbedrijven
100
666
44.597
Pluimveebedrijven
39
251
16.043
Varkensbedrijven
71
462
23.471 1.280
Akkerbouwbedrijven
73
778
Overige graasdierbedr.
193
1.894
8.365
Overige bedrijven
49
725
10.563
616
7.083
121.520
31,1%
12,5%
14,7%
Alle bedrijven Aandeel in totaal studiegebied Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
Opvallend is het hoge aantal bedrijven (254) met een bedrijfshoofd ouder dan 65 jaar zonder potentiële opvolger. In deze categorie valt een op de acht bedrijven in het studiegebied. Het betreft vooral overige graasdierbedrijven en akkerbouwbedrijven. Hieronder vallen naar verwachting relatief veel voormalige melkveebedrijven die de laatste jaren onder een ander bedrijfstype vallen. Zo zijn er meerdere bedrijven die door de teelt van mais (en minder koeien) onder het type akkerbouw vallen. Deze bedrijven zijn in doorsnee klein, velen hebben afgebouwd. In totaal is nog 4% van de cultuurgrond in bezit van deze categorie, en kunnen ze met de hectares in beheer en aanwezige veestapel normatief nog 3% aan economische opbrengsten in het studiegebied bijdragen.
Tabel 2.4
Bedrijven met een bedrijfshoofd ouder dan 65 jaar zonder opvolger in het studiegebied, in 2020 Bedrijfshoofd ouder dan 65 jaar zonder opvolger Aantal bedrijven Totaal areaal cultuurgrond
Totaal SO (x 1.000)
Melkveebedrijven
18
379
2.811
Vleeskalverbedrijven
33
163
10.979
Pluimveebedrijven
8
68
3.030
Varkensbedrijven
22
141
4.773
Akkerbouwbedrijven
52
471
853
Overige graasdierbedr.
110
960
2.238
Overige bedrijven
11
101
1.234
Alle bedrijven
254
2.283
25.919
12,8%
4%
3,1%
Aandeel in het totale studiegebied Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
2.7
Biologische landbouw
De pluimveehouderij kent het grootste aantal biologische bedrijven, bijna 70 in 2020 (figuur 2.14). Eveneens ligt het aandeel biologische bedrijven in het totaal aantal bedrijven in deze sector het hoogst. Ook in de varkenshouderij en melkveehouderij zijn er relatief veel bedrijven met een biologisch keurmerk. In de groep overige bedrijven geldt dit voor zelfs 1 op de 5 bedrijven. In het studiegebied is 10% van alle land- en tuinbouwbedrijven biologisch. Dit is meer dan driemaal zoveel als landelijk (3%). Hiermee onderscheidt de regio zich sterk. In het gebied is ongeveer 2.300 ha landbouwgrond als biologische grond in gebruik. Dit is 7% van de totale cultuurgrond in het gebied. Landelijk ligt dit aandeel op een 4%.
20 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
Aantal bedrijven
80
40%
38%
70
60
30%
50
22%
40 30
12%
20
10%
8%
10
4%
1%
0
Aantal
20%
3%
0%
Aandeel biologisch
Figuur 2.14 Aantal biologische bedrijven in het studiegebied en aandeel in totale sector naar bedrijfstype, 2020 Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research
2.8
Verbredingsactiviteiten
In 2020 was de voornaamste verbredingsactiviteit agrarisch ‘natuurbeheer’ gemeten in aantal bedrijven dat verbredingsactiviteiten heeft (tabel 2.5). Agrarisch natuurbeheer is door de jaren heen belangrijk geweest. In 2020 deden 243 bedrijven aan agrarisch natuurbeheer, bijna altijd onder de subsidieregeling ANLb (collectieven). Een klein deel heeft nog een contract onder de oude regeling. Het aantal bedrijven met verkoop aan huis is in 2020 sterk toegenomen tot een niveau van bijna 200 bedrijven. Ook is het aantal bedrijven met boerderij-educatie en met stalling sterk gestegen. Dit geldt ook voor het verrichten van loonwerk (175 bedrijven in 2020). De zorgboerderijsector blijft qua aantallen bedrijven op een redelijk constant niveau, al blijkt uit landelijk onderzoek dat de professionalisering in deze sector (met veel certificeringen) sterk is toegenomen, en de gemiddelde bedrijfsomzet uit zorg verder stijgt (zie ook Van der Meulen et al., 2022)
Tabel 2.5
Aantal bedrijven met een verbredingsactiviteit (periode 2010-2020) 2010
2011
2013
2016
2020
Loonwerk
114
121
140
110
175
Stalling van goederen/ dieren
128
162
113
95
157
Verwerking landbouwproducten
24
29
18
21
22
Opwekking duurzame energie
184
108
322
106
95
Agrarische kinderopvang
8
10
15
7
7
Agrotoerisme
99
104
96
81
82
Boerderij-educatie
21
26
34
30
65
Agrarisch Natuurbeheer
261
282
244
148
243
Verkoop landbouwproducten aan huis
65
85
71
79
192
Zorgboerderij
37
46
38
29
34
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research. Opmerking: Meerdere bedrijven hebben meer dan 1 verbredingsactiviteit; Door definitieveranderingen zijn er verschillen tussen jaren. Dit doet zich onder andere voor bij opwekking duurzame energie; In 2016 hebben bedrijven met een rechtspersoon als juridische vorm deze vraag niet beantwoord in de Landbouwtelling (door een fout in de vraagstelling).
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
| 21
Zorgboerderij
Task Force
Verkoop landb. prod.
Natuurbeheer Boerderij educatie Agrotoerisme
overig
Energie
Agr. kinderopvang
Opwek duurz. energie
Verwerking landb. prod. stalling loonwerk
akkerbouw
0
50
100
150
200
melkvee
vleeskalf
ov graasdier
pluimvee
varkens
250 overig
Figuur 2.15 Aantal bedrijven in het studiegebied met detaillering van de verbredingsactiviteiten naar bedrijfstype in 2020 Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research
De bedrijven met agrarisch natuurbeheer zijn vooral melkvee en overige graasdierenbedrijven. (figuur 2.15). De verkoop van landbouwproducten is gelijkmatiger verdeeld over de bedrijfstypen, waaronder ook veel pluimveebedrijven en bedrijven uit de (gemengde groep) overige bedrijven. Ook loonwerk wordt verricht door meerdere bedrijfstypen, waaronder naast melkveehouders ook veel vleeskalverenhouders en overige graasdierhouders.
100%
80%
60%
40%
20%
0% Studiegebied <10%
Nederland 10-30%
30-50%
>=50%
Figuur 2.16 Bedrijven met verbreding ingedeeld naar % omzet uit verbreding in totale omzet, 2020 Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
In de Landbouwtelling is aan de bedrijfshoofden de vraag gesteld om een inschatting te geven van het aandeel dat de opbrengsten uit verbreding uitmaken in de totale bedrijfsopbrengsten. Ongeveer 16% van de
22 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
bedrijfshoofden in het studiegebied (landelijk is dit 18%) geeft aan in 2020 meer dan de helft van de bedrijfsopbrengsten met verbredingsactiviteiten te hebben verdiend (figuur 2.16). De opbrengsten uit primaire landbouwproductie blijft voor deze bedrijven dus achter bij die via verbreding. Overigens, op het grootste deel van de bedrijven (54%) blijven de opbrengsten uit verbreding steken beneden de 10% van de totale bedrijfsopbrengsten. Landelijk zie we een vergelijkbaar beeld.
2.9
Korte Ketens
In het studiegebied hebben 190 primaire agrarische bedrijven in 2020 (een deel van hun) producten afgezet via een zogenoemde korte keten (figuur 2.17). Een korte keten betekent in dit onderzoek dat er zich geen of maximaal 1 schakel bevindt tussen de primaire producent en de consument (zie ook Venema et al., 2021). In 2017 waren er 134 korteketenbedrijven. Dat is in drie jaar tijd dus een toename van ruim 40%. Daarentegen zijn 190 korteketenbedrijven in 2020 nog geen 10% van het totaal aantal primaire agrarische bedrijven. Landelijk ligt dit percentage in 2020 op 13,7%, en in de provincies Gelderland en Utrecht op respectievelijk 12,8% en 14,3%. Van de 190 korteketenbedrijven is 30% een pluimveebedrijf, ruim een kwart een ‘overig bedrijf’, 18% een melkveebedrijf en eveneens ruim 18% een overig graasdierbedrijf. Ten opzichte van 2017 is vooral het aantal korteketenbedrijven in de pluimveehouderij (+23) en binnen de groep overige bedrijven (+21) het sterkst toegenomen.
Aantal bedrijven
250 200 150 100 50 0 2017
2020
Melkveebedrijven
Vleeskalverbedrijven
Pluimveebedrijven
Varkensbedrijven
Akkerbouwbedrijven
Overige graasdierbedrijven
Overig
Figuur 2.17 Aantal korteketenbedrijven in het studiegebied naar bedrijfstype, 2017 en 2020 Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
Bijna 55% van de korteketenbedrijven geeft aan dat de omzet via afzet via een korte keten in 2020 minder dan 10% van de totale omzet is (figuur 2.18). Hier staat tegenover dat een kwart aangeeft dat meer dan de helft van de gerealiseerde bedrijfsomzet door afzet van producten via een korte keten wordt gerealiseerd.
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
| 23
100%
80%
60%
40%
20%
0% 2017
2020 <10%
10-50%
>= 50%
Figuur 2.18 Verdeling korteketenbedrijven in het studiegebied naar het aandeel omzet via korte keten in totale omzet, 2017 en 2020 Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
24 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
Bronnen en literatuur
Meulen, H. van der, J. Jager, D. de Jong, R. Stokkers, G. Venema en M. Vijn, 2022. Kijk op multifunctionele landbouw; Omzet 2007-2020. Wageningen, Wageningen Economic Research, Rapport 2022-030. Venema, G., M. Benus, W. van Everdingen, L. Puister-Jansen, G. Splinter, M. Vijn, D. van Wonderen, 2021. Agrarische productie ten behoeve van de korte keten. Een landelijke meting. Wageningen, Wageningen Economic Research, Rapport 2021-067.
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
| 25
Bijlage 1
Begrippenlijst
Landbouwtelling De Landbouwtelling is een structuurenquête die onderdeel uitmaakt van de gecombineerde data inwinning (GDI) die door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wordt uitgevoerd. Het CBS beschrijft met de ingewonnen gegevens de structuur (onder andere bedrijven, veestapel en gewassen) van agrarische bedrijven in Nederland en stelt informatie beschikbaar aan onderzoek en beleid. De doelpopulatie omvat agrarische bedrijven met meer dan 3.000 euro Standaardopbrengst. Primaire land- en tuinbouwbouwbedrijven Bedrijven die land- en tuinbouwproducten voor de markt voortbrengen, met hoofdvestiging in Nederland, en een economische omvang >= 3.000 euro Standaardopbrengst. Arbeidsjaareenheid (aje) Een arbeidskracht die 2.000 uur of meer werkt, wordt gezien als 1 arbeidsjaareenheid. Een arbeidskracht die minder dan 2.000 uur werkt, wordt naar rato van het aantal uren dat hij/zij werkt, omgerekend naar arbeidsjaareenheden. Standaardopbrengst (SO) De Standaardopbrengst staat voor een gestandaardiseerd bedrag aan opbrengsten op jaarbasis. De totale bedrijfsomvang (in euro SO) van een bedrijf wordt berekend als sommatie van de totale SO van alle gewassen en dieren. In de totale bedrijfsomvang is dus geen rekening gehouden met opbrengsten uit subsidies, bedrijfstoeslagen of multifunctionele activiteiten.
Standaardverdiencapaciteit (SVC) De vergoeding (in euro per bedrijf) voor de inzet van arbeid en kapitaal die een bedrijf op basis van standaarden gemiddeld in een jaar behaalt met de agrarische productie, los van wie de arbeid of het kapitaal heeft geleverd. Er zijn 5 grootteklassen gedefinieerd op basis van het bedrag aan SVC: • Zeer kleine bedrijven, <25.000 euro: deze bedrijven vragen voor de agrarische activiteit volgens de in gebruik zijnde standaarden een arbeidsinzet van maximaal 0,75 arbeidsjaareenheden (aje), tenzij de arbeid duidelijk minder efficiënt of tegen een lagere vergoeding dan gemiddeld wordt ingezet. • Kleine bedrijven, 25.000-60.000 euro: deze bedrijven vragen voor de agrarische activiteit volgens de in gebruik zijnde standaarden een arbeidsinzet van 0,75 tot maximaal 1,5 aje, afhankelijk van de mate van automatisering en de efficiëntie waarmee de arbeid kan worden ingezet. • Middelgrote bedrijven, 60.000-100.000 euro: deze bedrijven zijn van dusdanige omvang dat voor ongeveer 1,5 tot 2,5 aje een gemiddelde vergoeding (toegevoegde waarde) kan worden gerealiseerd. • Grote bedrijven, 100.000-250.000 euro: deze bedrijven zijn van dusdanige omvang dat voor ongeveer 2,5 tot 5 aje een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd.
• Zeer grote bedrijven, >= 250.000 euro: deze bedrijven kunnen aan meer dan 5 aje arbeid bieden tegen een gemiddelde vergoeding.
26 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
Bijlage 2
Aantal bedrijven per bedrijfstype in het studiegebied
Tabel B2.1 Aantal bedrijven per (sub)bedrijfstype a)
Akkerbouwbedrijven wv. Akkerbouwbedrijven met vooral voedergewassen
2000
2010
2016
2018
2020
157
153
137
138
136
118
120
123
112
104
Graasdierbedrijven
1.806
1.597
1.278
1.252
1.220
wv. Geitenbedrijven
30
15
27
28
30
Graasdierbedrijven met vooral voedergewassen
22
11
16
21
14
Melkveebedrijven
650
459
446
423
398
Overige graasdierbedrijven
58
83
35
34
25
Overige rundveebedrijven
384
361
237
231
226
Paard- en ponybedrijven
136
158
53
62
74
Schapenbedrijven
59
86
59
63
64
Vleeskalverbedrijven
482
412
404
388
389
1.080
656
496
498
457
192
162
164
182
152
Overige hokdierbedrijven
119
61
35
37
28
Overige pluimveebedrijven
56
35
34
27
54
Overige varkensbedrijven
71
34
21
24
25
Vleeskuikenbedrijven
22
4
13
18
25
Vleesvarkensbedrijven
502
295
190
174
139
Zeugenbedrijven
118
65
39
36
34
Tuinbouwbedrijven
88
59
39
31
34
wv. Boomkwekerijbedrijven
53
44
26
27
26
Veeteeltcombinaties
444
213
139
121
86
wv. Veeteeltcombinatie, vooral graasdieren
235
115
69
60
38
Veeteeltcombinatie, vooral hokdieren
209
98
70
61
48
3.619
2.702
2.116
2.072
1.977
Hokdierbedrijven wv. Leghennenbedrijven voor consumptie-eieren
Totaal a) Subtypen met minder dan 10 bedrijven zijn niet afzonderlijk weergegeven. Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
| 27
Bijlage 3
Bedrijfstype overig pluimveebedrijven
In dit onderzoek zijn onder het bedrijfstype pluimvee de leghennenbedrijven en de slachtkuikenbedrijven meegenomen. Daarnaast is er ook nog een groep ‘overig pluimvee’. In het studiegebied waren er in 2020 54 bedrijven van het bedrijfstype ‘overig pluimvee’. Dit kunnen bedrijven zijn gespecialiseerd in het houden van bijvoorbeeld kalkoenen of eenden, maar ook bedrijven met leghennen en opfokhennen (zie tabel B3.1). Op de bedrijven van het type ‘overig pluimvee’ zijn ruim 2 miljoen dieren. Ruim de helft van dit aantal betreft leghennen <18 weken (zie tabel B3.2).
Tabel B3.1 Aantal bedrijven van het bedrijfstype overig pluimvee met dieren, 2020 Totaal wv. Met vleeseenden
54 7
Met leghennen < 18 weken
25
Met ouderdieren vleeskuikens
18
Tabel B3.2 Aantal dieren op bedrijven van het bedrijfstype overig pluimvee Pluimvee wv. Vleeseenden
2.039.592 64.976
Leghennen < 18 weken
1.222.001
Ouderdier vleeskuikens
521.488
28 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
Bijlage 4
Structuurkengetallen per gemeente
In de tabellen B4.1. en B4.2. worden voor de 12 gemeenten de volgende ontwikkelingen in de periode 20002020 gepresenteerd: aantallen bedrijven, standaardopbrengst per bedrijf, ha cultuurgrond en ha grasland. De tabellen B4.3 (veestapel) en B4.4 (verbreding) geven de situatie in 2020 per gemeente. In iedere tabel wordt een subtotaal gegeven voor de 8 gemeenten die de regio Foodvalley vormen.
Tabel B4.1 Ontwikkeling aantal bedrijven en gemiddelde standaardopbrengst (SO) per bedrijf, per gemeente in het studiegebied, 2000-2020 Aantal bedrijven
SO / bedrijf
Gemeente
2000
2010
2016
2018
2020
2000
2010
2016
2018
2020
Barneveld
931
700
556
558
527
204.147
281.603
431.046
436.302
437.670
1.243
915
722
696
660
165.452
234.692
363.532
390.582
441.991
Nijkerk
311
223
162
162
152
138.250
193.223
320.713
339.592
358.327
Renswoude
110
88
75
76
71
220.661
289.922
614.771
578.375
534.696
Rhenen
135
95
69
68
71
131.916
176.387
310.484
338.776
342.395
Scherpenzeel
65
52
38
40
35
180.653
317.827
541.686
480.885
549.094
Veenendaal
41
24
11
10
10
245.643
93.704
167.416
174.304
143.738
Wageningen
42
32
29
26
27
178.583
152.925
211.232
168.224
183.365
2.878
2.129
1.662
1.636
Bunschoten
92
78
66
62
Leusden
154
94
80
Putten
367
294
223
Woudenberg
128
107
85
3.619
2.702
2.116
Ede
Totaal regio Foodvalley
Totaal studiegebied
1.553 1.465.306 1.740.285 2.960.881 2.907.040 2.991.275 62
143.476
197.785
287.259
294.476
303.594
77
77
138.970
171.197
240.465
224.765
218.254
221
212
181.421
260.420
445.202
457.441
441.494
76
73
175.277
253.997
422.723
411.737
443.194
2.072
1.977
175.111
242.840
389.214
400.874
417.951
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
Tabel B4.2 Ontwikkeling areaal cultuurgrond en areaal grasland per gemeente in het studiegebied, 20002020 Cultuurgrond (ha)
Grasland (ha)
Gemeente
2000
2010
2016
2018
2020
2000
2010
2016
2018
2020
Barneveld
13.954
15.991
11.885
11.733
11.583
5.696
6.644
4.949
4.828
4.728
Ede
14.547
14.211
12.984
13.475
12.941
5.896
5.688
5.325
5.496
5.245
Nijkerk
6.956
6.498
6.067
6.011
5.742
3.143
2.834
2.728
2.693
2.572
Renswoude
2.332
2.261
2.392
2.427
2.461
957
956
1.044
1.074
1.082
Rhenen
2.897
2.709
2.664
2.603
2.592
1.251
1.154
1.172
1.155
1.146
Scherpenzeel
1.461
1.306
1.065
1.043
975
607
567
461
469
436 136
Veenendaal
545
307
285
250
287
215
121
103
112
Wageningen
2.318
1.727
1.676
1.462
1.329
804
603
638
549
478
Totaal regio Foodvalley
45.009
45.010
39.018
39.005
37.910
18.570
18.568
16.420
16.376
15.823
Bunschoten
4.787
4.736
4.489
4.441
4.553
2.358
2.280
2.157
2.127
2.186
Leusden
5.049
4.021
3.822
3.733
3.730
2.254
1.805
1.766
1.725
1.712
Putten
7.611
7.127
6.734
7.185
7.232
3.353
3.073
2.895
3.101
3.140
Woudenberg
3.932
4.188
3.908
3.821
3.848
1.729
1.807
1.744
1.699
1.710
Totaal studiegebied
66.387
65.082
57.970
58.185
57.273
28.263
27.533
24.982
25.029
24.571
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
| 29
Tabel B4.3 Aantal dieren per gemeente in het studiegebied, 2020 Melkkoeien
Vleeskalveren
Zeugen
Vleesvarkens
Leghennen
Vleeskuikens
Barneveld
7.032
120.052
4.718
68.197
2.710.725
103.117
Ede
6.495
131.517
17.716
97.318
2.812.099
615.213
Nijkerk
3.207
8.350
3.248
16.447
432.512
506.352
Renswoude
1.887
13.637
759
27.521
250.048
67.053
Rhenen
1.835
4.342
7.078
9.113
126.932
0
Scherpenzeel
848
1.910
1.418
9.054
437.557
0
Veenendaal
127
558
0
320
8.100
0
Wageningen
314
360
0
0
0
0
Totaal regio Foodvalley
21.745
280.726
34.937
227.970
6.777.973
1.291.735
Bunschoten
3.479
488
1.960
2.114
0
0
Leusden
3.097
30
170
1.390
42.279
0
Putten
3.667
44.602
2.230
24.102
546.241
138.289
Woudenberg
3.271
4.779
1.331
8.820
372.229
0
Totaal studiegebied
35.259
330.625
40.628
264.396
7.738.722
1.430.024
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research
Boerderij educatie
Natuur-beheer
producten aan huis
Zorgboerderij
Verkoop landbouw-
Agro-toerisme 23
16
28
46
9
0
16
10
25
51
8
Nijkerk
11
20
<5
11
0
7
<5
50
23
<5
Renswoude
<5
6
<5
8
<5
<5
<5
6
9
<5
9
5
<5
<5
0
0
<5
10
9
<5
Scherpenzeel
<5
<5
0
<5
0
<5
<5
<5
5
<5
Veenendaal
<5
0
0
0
0
<5
<5
0
<5
<5
Wageningen
<5
0
<5
0
0
<5
0
5
6
0
Totaal regio Foodvalley
Rhenen
Agrarische kinder-
<5
17
duurzame energie 26
5
Opwekking
<5
32
Verwerking
30
48
goederen / dieren
60
Ede
Stalling van
Barneveld
Loonwerk
opvang
Gemeente
landbouwproducten
Tabel B4.4 Aantallen bedrijven en verbredingsactiviteiten per gemeente in het studiegebied, 2020
138
95
16
68
<5
52
38
128
150
26
Bunschoten
6
22
0
6
0
5
7
31
5
<5
Leusden
10
13
<5
5
0
8
7
23
14
<5
Putten
16
18
<5
12
<5
12
9
39
16
<5
Woudenberg
5
9
0
<5
<5
5
<5
22
7
<5
175
157
22
95
7
82
65
243
192
34
Totaal studiegebied
Bron: CBS Landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research.
30 | Wageningen Economic Research Nota 2022-050
Wageningen Economic Research Nota 2022-050
| 31
Wageningen Economic Research
De missie van Wageningen University & Research is ‘To explore the potential of
Postbus 29703
nature to improve the quality of life’. Binnen Wageningen University & Research
2502 LS Den Haag
bundelen Wageningen University en gespecialiseerde onderzoeksinstituten van
T 070 335 83 30
Stichting Wageningen Research hun krachten om bij te dragen aan de oplossing
E communications.ssg@wur.nl
van belangrijke vragen in het domein van gezonde voeding en leefomgeving. Met
wur.nl/economic-research
ongeveer 30 vestigingen, 7.200 medewerkers (6.400 fte) en 13.200 studenten behoort Wageningen University & Research wereldwijd tot de aansprekende
NOTA 2022-050
kennisinstellingen binnen haar domein. De integrale benadering van de vraagstukken en de samenwerking tussen verschillende disciplines vormen het hart van de unieke Wageningen aanpak.
Wageningen Economic Research
De missie van Wageningen University & Research is ‘To explore the potential of
Postbus 29703
nature to improve the quality of life’. Binnen Wageningen University & Research
2502 LS Den Haag
bundelen Wageningen University en gespecialiseerde onderzoeksinstituten van
T 070 335 83 30
Stichting Wageningen Research hun krachten om bij te dragen aan de oplossing
E communications.ssg@wur.nl
van belangrijke vragen in het domein van gezonde voeding en leefomgeving.
wur.nl/economic-research
Met ongeveer 30 vestigingen, 7.200 medewerkers (6.400 fte) en 13.200 studenten behoort Wageningen University & Research wereldwijd tot de aansprekende
Nota 2022-050
kennisinstellingen binnen haar domein. De integrale benadering van de vraag stukken en de samenwerking tussen verschillende disciplines vormen het hart van de unieke Wageningen aanpak.