K5. Concept UPLG bijlagen 5 juli 2023
Tekst van het document
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied versie UPLG 1.0 Deel 2 Bijlagen
Een sterk landelijk gebied, natuurlijk in balans
Inhoudsopgave Bijlage 1
Structurerende keuzes NPLG
3
Bijlage 2
Water en Bodem Sturend in het UPLG
4
Bijlage 3
Analyses en verkenningen
6
Bijlage 4
Eerste overzicht van de instrumentenkoffer
54
Bijlage 5
Kostenraming 2024-2035
58
Bijlage 6 Sociaaleconomische situatie van de landbouwsector provincie Utrecht
62
2
Bijlage 1
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
Structurerende keuzes NPLG Structurerende keuzes met directe doorwerking
Bondige toelichting
Overgangsgebieden
Een gebied rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden waar functies en activiteiten een bijdrage moeten leveren aan natuurherstel.
Bufferstroken langs beekdalen op hoge zandgronden
Voor waterkwaliteit ruimte bufferstroken in beekdalen op zandgronden realiseren, tevens bijdragend aan infiltratie grondwater.
Peilopzet veenweide
Toewerken naar vernatting van veenweidegebieden om CO2 emissie en bodemdaling te beperken.
Inpassing areaal agrarische natuur/ landschapsgrond/nieuwe natuur
Richting voor de wijze waarop deze nieuwe arealen ingepast kunnen worden en welke eigenschappen van het gebied daarbij in ogenschouw moeten worden genomen.
Ruimte voor waterberging
Langs waterkeringen en rivierbedden, en langs grote wateren vanwege peilfluctuaties. Betere ruimtelijke inrichting en voor het vaststellen van grenzen aan het gebruik van grond- en oppervlaktewater. Voldoende ruimte piekopvang.
Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden
Acceptatie van tijdelijke toename regionale verzilting en aanpassing van het landgebruik hierop
Invulling 10% groenblauwe dooradering
Uitleg over inpassingsmogelijkheden van landschapselementen die bijdragen aan het realiseren van 10% groenblauwe dooradering.
Bescherming landbouwgrond
Beschermen van bruikbare landbouwgrond moet in de gebiedsprocessen nadrukkelijk aandacht krijgen om vruchtbare landbouwgrond te behouden voor de landbouw en voldoende grond beschikbaar te houden voor de extensiveringsopgave en agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
3
Bijlage 2
Water en Bodem Sturend in het UPLG Het water- en bodemsysteem is een belangrijke drager voor de opgaven in de provincie Utrecht. Met de kamerbrief water en bodem sturend (25 november 2022) heeft het kabinet aangeven hoe ze willen dat er meer rekening wordt gehouden met het water- en bodemsysteem als basis. In totaal zijn er 33 structurerende keuzes opgesteld. Hieronder is aangegeven welke structurerende keuzes uit de brief relevant zijn voor het UPLG. Structurerende principes uit ‘Water en Bodem Sturend’ relevant voor het UPLG Voldoende water 1. Op basis van het huidige klimaatscenario, hanteren we voor het hoofdwater systeem de ambitie om weerbaar te zijn tegen een droogte, die bij een scenario van grote klimaatverandering en sterke groei van economie en bevolking gemiddeld eens in de 20 jaar voorkomt. 2. De omvang van alle grondwateronttrekkingen wordt in beeld gebracht. Hiermee werken we toe naar een robuust grondwatersysteem en beperken we de nadelige effecten van grondwateronttrekking om ook in de toekomst zoveel mogelijk functies te faciliteren. We werken dit gezamenlijk met alle betrokkenen uit in het kader van NPLG. 3. We werken toe naar nieuwe en diverse drinkwaterbronnen. Hiermee zorgen we voor voldoende drinkwaterbronnen van voldoende kwaliteit.
Provincies en drinkwaterbedrijven schalen daarbij op via regionale systemen naar een verbonden landelijk drinkwaternet. 4. We werken toe naar een drinkwatergebruik per hoofd van de bevolking van 100 liter in 2035 (thans 125 liter) en beperken laagwaardig gebruik van drinkwater. Grootverbruikers vragen we het drinkwatergebruik ook met 20% te reduceren. Zo beperken we het effect van toename van de watervraag in relatie tot de schaarsere beschikbaarheid van water.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
4
Schoon en gezond water 5. We voeren maatregelen uit van de Kaderrichtlijn Water (KRW) Stroomgebiedbeheerplannen 2022-20278 , het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn 2022-2026 met bijbehorend addendum, de derogatiebeschikking, de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) en uitvoeringsprogramma’s zoals voor reducties van medicijnresten en andere chemische stoffen. Provincies geven in samenwerking met waterschappen en andere gebiedspartners bij het maken van hun gebiedsprogramma’s aan welke maatregelen waar nodig zijn om de doelen vanuit de KRW , de Nitraatrichtlijn, de Richtlijn duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de Vogelen Habitatrichtlijnen te halen. Ruimte voor water 7. We creëren ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer. Hiermee vergroten we de veerkracht van zowel het hoofdwatersysteem als regionale watersystemen. Dit wordt vanaf heden door het Rijk, de waterschappen, provincies en gemeenten uitgewerkt en in de gebiedsprogramma’s opgenomen. 12. We verzoeken provincies, waterschappen en gemeenten zowel op dijken de biodiversiteit te bevorderen, als binnendijks naar ruimte te zoeken voor natuurlijke achteroevers (PAGW en NPLG). Hiermee zorgen we voor robuuste watersystemen. 13. We reserveren de 5% tot 10% van diepe polders voor waterberging, bij voorkeur de diepste delen.
We voorkomen hiermee wateroverlast als gevolg van aanhoudende regenval of piekbuien. Hier is geen nieuwe bebouwing toegestaan, tenzij het niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen. Bodem 18. We behouden ook voor de toekomst waardevolle landbouwgronden. Dit doen we door maatregelen uit te werken voor het beheer van landbouwgronden op het gebied van materieel, nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen etc. Vanuit het Nationaal Programma Landbouwbodems trekken we samen met kennispartijen, de agrarische sector en de ketenpartijen op. Dit wordt in het Nationaal Strategisch Plan verankerd.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
Laagveengebieden 25. W e bewegen toe naar een grondwaterstand van 20 cm tot 40 cm onder maaiveld, afhankelijk van de bodemcompositie, omstandigheden van het watersysteem en de behoeften van het gebied. Hiermee wordt bereikt dat bodemdaling wordt geminimaliseerd en uitstoot broeikasgassen wordt gereduceerd. Dit wordt in NPLG gebiedsprocessen door alle betrokken partijen samen uitgewerkt. 26. W e minimaliseren de aanvoer van gebiedsvreemd water. Daardoor houden we zoveel mogelijk zoetwater beschikbaar voor peilopzet en tegengaan van verzilting. De provincies en waterschappen maken in gebiedsprocessen ruimte voor het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk gebiedseigen water. Met name in perioden van droogte zal externe aanvoer toch nodig blijven. 27. W e beheren onze landbouwgronden duurzaam. In aanvulling op structurerende keuze 18 voorkomen we hiermee onomkeerbare oxidatie van veen en behouden we ook voor de toekomst waardevolle landbouwgronden. We werken maatregelen voor beheer van landbouwgronden op het gebied van materieel, nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen etc. uit. Het Rijk vraagt provincies stevig in te zetten op het behoud van grasland. Hoge zandgronden 30. W e houden water langer vast en voeren het minder snel af. We herstellen daarmee de sponswerking van de bodem en bereiken een robuust grondwatersysteem. Dit wordt in gebiedsprocessen geborgd. 31.
W e verhogen de grondwaterpeilen met mogelijk 10 cm tot 50 cm. Daardoor wordt op de hoge zandgronden verdroging bestreden. Omdat het hier maatwerk betreft, wordt dit in gebiedsprocessen verder uitgewerkt. 32. I n de gebiedsprocessen zetten we in op grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Hiermee halen we niet alleen de doelen voor de waterkwaliteit (vanuit de KRW en de Nitraatrichtlijn) maar kunnen we ook andere doelstellingen realiseren (zoals natuur, groenblauwe dooradering en waterberging). 33. W e beperken de grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden. Daarmee voorkomen we verdroging deze gebieden. Dit wordt in de gebiedsprocessen uitgewerkt.
5
Bijlage 3
Analyses en verkenningen
• Bijlage 3A • Bijlage 3B • Bijlage 3C • Bijlage 3D
Afgelopen maanden is voor het UPLG in beeld gebracht welk (provinciaal) beleid relevant is, zijn onderzoeken bekeken en verschillende verkenningen gedaan op de NPLG-thema’s. Deze bijlage geeft op basis hiervan een beschrijving van de situatie in het Utrechtse landelijk gebied en de vraagstukken waar we mee te maken hebben. In de eerste paragrafen via een thematische insteek (water, natuur, stikstof, klimaat, landbouw, overige thema’s). Aan het einde van deze bijlage wordt dit per landschapstype geïntegreerd. Hier geven we aan de hand van de stapeling van opgaven een duiding over de mate van dynamiek die we in de toekomst verwachten in dit gebied om deze opgaven te realiseren. Hiermee is de opbouw van bijlage 3 als volgt: 1. water, met verdiepende bijlage 3a over de KRW 2. natuur, met twee verdiepende bijlagen, bijlage 3b over de conclusies van de natuurdoelanalyses en bijlae 3c over de concretisering van de bossenstrategie 3. stikstof, met verdiepende bijlage 3d met daarin de emissie en depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden in de provincie Utrecht 4. klimaat 5. landbouw 6. overige thema’s 7. dynamiek per landschapstype
1
Water In het NPLG is aangegeven dat de inrichting en het beheer van het landelijk gebied aangepast moet gaan worden aan het veranderende klimaat. In de Brief ‘Water en bodem sturend’ (november 2022) staan structurerende keuzes voor voldoende water, schoon en gezond water, ruimte voor water en bodem. Daarnaast is er een aantal keuzes opgenomen voor specifieke gebieden, waaronder veenweidengebieden en hoge zandgronden. Toepassing van de structurerende keuzes uit de Brief ‘Water en bodem sturend’ leiden in zijn algemeenheid tot het robuuster en natter maken van het landelijk gebied in de provincie Utrecht.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
6
De toepassing van de structurerende keuzes zijn in lijn met het vigerend provinciaal programma ‘Bodem en waterprogramma provincie Utrecht 20202027’, maar geven er wel een verdere invulling en kleuring aan. Een korte samenvatting van de structurerende principes van water en bodem sturend die voor dit UPLG van belang zijn, is opgenomen in bijlage 2.
1.1 Waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water) De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die in 2000 van kracht is geworden en als doel heeft de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen. Het is onzeker of alle KRW-doelen tijdig in 2027 gehaald zullen zijn, zowel voor grond- als oppervlaktewater. In 2024 zal onder leiding van het ministerie van IenW een tussenevaluatie voor de KRW worden uitgevoerd. Uit deze evaluatie zal blijken of aanvullende KRW-maatregelen nodig zijn om de KRWdoelen te halen. De al ingezette KRW-maatregelen leiden tot een belangrijke verbetering van de (grond)waterkwaliteit. Aanvullend is een ander type landbouw en bedrijfsmanagement nodig om de emissies naar bodem en water te verminderen, met name in kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden en op de hoge zandgronden. In het hele gebied is een goede landbouwpraktijk en ecologisch oever- en slootbeheer een belangrijke voorwaarde voor een goede waterkwaliteit. Het UPLG is hiervoor een belangrijk instrument. Door integrale stikstofaanpak en de transitie van de landbouw kan een grote stap worden gezet. De KRW-maatregelen met ruimtelijke impact worden meegenomen in de gebiedsprocessen.
1.1.1 Oppervlaktewater De doelen voor oppervlaktewater zijn erop gericht om te zorgen voor schoon en ecologisch gezond water en het voorkomen van achteruitgang van de kwaliteit van het water. De KRW schrijft voor dat alle wateren in 2027 in een goede toestand zijn, wat nu nog niet het geval is. Er is de afgelopen jaren al veel gedaan aan het terugdringen van de emissie van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, maar er is nog meer nodig om de ecologische doelen voor KRW en het overig water te kunnen halen (zie bijlage 3a).
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
In Utrecht zijn 60 zogenaamde regionale KRW-oppervlaktewaterlichamen. Van deze waterlichamen scoren de meesten matig op kwaliteit (biologie, fosfor en stikstof) en ook een flink aantal ontoereikend of zelfs slecht. De biologische kwaliteit van de waterlichamen ten oosten van de Utrechtse Heuvelrug is in zijn algemeenheid kwalitatief beter dan die ten westen van de Heuvelrug, zie figuur 1 in bijlage 3a. In de KRW speelt de belasting door nutriënten een belangrijke rol, omdat het een essentiële schakel vormt voor een goede waterkwaliteit. Streefwaarden voor ecologie-ondersteunende parameters, zoals nutriënten, temperatuur, zuurgraad en zuurstofconcentratie, zijn randvoorwaarden om de ecologische doelen te bereiken. In een groot deel van de provincie zijn de nutriënten bijna op orde, maar is er nog wel een restopgave (zie figuren 2 en 3 in bijlage 3a). Daarnaast zijn inrichting en beheer van belang. Een bedreiging voor de ecologische kwaliteit vormen de uitheemse rivierkreeften, die vooral een negatief effect hebben op waterplanten. Ecologische inrichting en beheer van sloten en oevers biedt veel kansen voor een goede waterkwaliteit, zowel binnen als buiten de KRW-waterlichamen. De Kaderrichtlijn water is gericht op een goede chemische en ecologische toestand van al het water.
Daarnaast heeft de kwaliteit van de toestromende wateren (overig water) naar de KRW-wateren invloed op de kwaliteit van de KRW-wateren. Daarom zijn ook ‘doelen overig water’ vastgesteld in het Bodemen waterprogramma 2022-2027 (BWP). In Nederland is afgesproken dat hiervoor een inspanningsverplichting geldt. De ecologische kwaliteit van de overige wateren is terug te vinden in figuur 4 in bijlage 3a. Het NPLG/UPLG-traject biedt de kans om op het gebied van uit- en afspoeling en ook van inrichting en beheer in samenwerking met de landbouwsector tot extra (gebiedsgerichte) inzet te komen. Een voorbeeld is de aanpak Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) waarin boeren met vrijwillige maatregelen werken aan schoon en voldoende water en een betere bodem. Door in te zetten op bedrijfsbodem- en waterplannen en ecologische slotenplannen kan de boer ondersteund worden met maatwerk per bedrijf. Dit moet leiden tot een gebiedsbrede ‘goede landbouwpraktijk’, waarbij de uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen minimaal is en alle sloten en oevers ecologisch worden beheerd. Op het gebied van inrichting en beheer zijn er kansen door het combineren van opgaven, zoals groenblauwe dooradering en de doelen overig water.
7
Kaart A. Watervraagstukken
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
8
Ecologisch beheer van sloten en oevers wordt gestimuleerd via het ANLb, maar het beschikbare budget is daar nu de beperkende factor. Er lijkt onder boeren veel draagvlak voor het realiseren van de blauwe dooradering via ecologisch beheer. Daarbij komt dat een ecologisch beheerde, gezonde sloot diverse andere voordelen heeft: hoge biodiversiteit, habitat voor allerlei natuurdoelsoorten in Utrecht, hoge belevingswaarde, klimaatbestendig en minder uitstoot van broeikasgassen. Bovendien kalft een stevig begroeide oever minder snel af. Een toenemend probleem in de sloten is het aantal invasieve rivierkreeften dat in Nederland de afgelopen jaren flink is gestegen. Rivierkreeften kunnen negatieve effecten hebben op de waterkwaliteit, de waterveiligheid en de biodiversiteit. Zij vormen een risico voor het behalen van de KRW en natuurdoelen. Het ministerie van LNV is verantwoordelijk voor de bestrijding van de uitheemse rivierkreeften. LNV heeft als beheermaatregel beroepsvissers toestemming gegeven om rivierkreeften te vangen en op de markt te verhandelen. Omdat het wegvangen onvoldoende werkt, is landelijk een Taskforce ‘Aanpak Uitheemse Rivierkreeft’ opgericht. Hierin werkt LNV samen met het ministerie van IenW, IPO, VNG en UvW aan een landelijke aanpak voor vangmethodes en juridische aspecten.
Per 1 maart 2023 is het verplicht bufferstroken langs alle watergangen te hebben (op basis van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn). De breedte varieert per type watergang van 1 tot 5 meter. In deze bufferstroken mogen geen mest en bestrijdingsmiddelen gebruikt worden. Het is daarbij van belang dat ook ingezet wordt op ecologisch beheer van deze bufferstroken. Goed oeverbeheer is nodig, om een soortenrijke en stevige wortelende vegetatie te stimuleren, wat goed is voor de biodiversiteit. Met stevige slootkanten spoelen er ook minder nutriënten uit. Bufferzones, een belangrijke maatregel langs beken op de hoge zandgronden Aan de oostkant van de Utrechtse Heuvelrug, in de Gelderse Vallei, zijn zeven beken als KRW-waterlichamen aangewezen. In het Addendum op het 7e AP Nitraatrichtlijn is aangegeven dat langs KRW-beken het realiseren van brede zones van 100-250m breed een effectieve maatregel is. Per beek wordt in samenwerking met het Waterschap Vallei en Veluwe en de provincie Gelderland gekeken of en op welke locatie voor het halen van de KRW-doelen deze zones noodzakelijk zijn. Hierbij kijken we niet alleen naar de zone langs de beken, maar ook naar maatregelen in de bodem en in de toevoerende haarvaten. Er is een nauwe wisselwerking met hydrologische herstelmaatregelen voor de opgaven voor droogte en wateroverlast.
Door gebiedsgericht naar een groter gebied te kijken kunnen de best passende maatregelen gekozen worden die zowel bijdragen aan de waterkwaliteit als aan droogte en wateroverlast. We zoeken daarbij ook naar combinaties met groenblauwe dooradering. Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
1.1.2 Kaderrichtlijn Water, grondwater De doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) voor grondwater zijn erop gericht om te zorgen voor voldoende schoon grondwater voor de productie van drinkwater, de natuurgebieden, schone oppervlaktewateren en het voorkomen van achteruitgang van de kwaliteit van het grondwater. De algemene conclusie is dat op het niveau van de grote grondwaterlichamen wordt voldaan aan de KRW-doelstellingen: chemie en grondwatervoorraad zijn op orde. Dit oordeel is gebaseerd op monitoringsgegevens uit het KRW-meetnet voor het hele grondwaterlichaam en getoetst aan de normen voor de zes drempel waardestoffen en de EU-stoffen nitraat en bestrijdingsmiddelen. Dit zijn echter slechts een beperkt aantal stoffen en het is slechts 1 van de deeltesten binnen de KRW. Er wordt namelijk ook getoetst volgens het principe van voorkomen en beperken, dat wil zeggen dat de inbreng van stoffen in het grondwatersysteem voorkomen of beperkt moet worden. Hier wordt niet aan voldaan, omdat wij in het grondwater op diverse plekken stoffen meten die daar niet thuis horen, zoals PFAS en medicijnresten. Voor een deel zijn we in de aanpak afhankelijk van landelijk beleid. Daarnaast is de kwaliteit ook niet op orde in beschermde gebieden rondom de drinkwaterwinningen. Kortom, qua kwaliteit is er nog werk te doen.
Een vergelijkbare toets wordt ook uitgevoerd ten aanzien van de kwantiteit van het gehele grondwaterlichaam. Dit is onder andere een toets op de waterbalans. Die is op orde op het niveau van de grondwaterlichamen, maar de deeltoets over de hydrologische toestand rondom de beschermde gebieden voor natuur is dat niet. De regionale deeltesten laten het volgende beeld zien (zie ook bijlage 3a voor een toelichting per deeltest): • De grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden zijn hydrologisch nog niet op orde; • De grondwaterafhankelijke beken in de Gelderse Vallei halen de oppervlaktewaterdoelen niet als gevolg van belasting vanuit het grondwater (nutriënten en bestrijdingsmiddelen); • De winningen Zeist en Lexmond vertonen voor enkele drempelwaardestoffen een stijgende trend in het (gemengde) ruwe water over de periode 2000 – 2018, arseen (Zeist) en bentazon (Lexmond). Deze test is medebepalend voor het eindoordeel van de toestand voor de KRW (art.4 KRW); • De winningen Groenekan, Zeist en Amersfoort Berg vertonen stijgende trends voor enkele andere stoffen.
9
Dit betreft de stoffen chlooretheen (Groenekan en Zeist), tetrachlooretheen, cis- en trans dichlooretheen (Zeist) en alleen cis-dichlooretheen in Amersfoort Berg. Deze stoffen vallen onder de uitgebreidere drinkwatertest (art 7.3 KRW) die toetst op “alle” stoffen en kan gezien worden als een risico voor de zuiveringsinspanning op termijn. De stijgende trend en dalende trend in Zeist en Amersfoort Berg zijn te verklaren als een gevolg van de grondwatersanering. In beide gevallen betreft het een sanering van stoffen door middel van afbraak van de betreffende stof. De restproducten vertonen een, verwachte, stijgende trend.
1.2 Klimaatbestendigheid provincie Utrecht: naar een robuust water- en bodemsysteem We hebben de laatste jaren te maken gehad met droge zomers en daardoor schade aan onder andere landbouw en (reeds verdroogde) natuur. Met het veranderend klimaat zullen langere perioden van droogte vaker voorkomen, en de rivierafvoer afnemen. Terwijl we juist meer water nodig hebben voor het afremmen van bodemdaling in veenweidegebieden en we ook te maken hebben met een toenemende vraag naar drinkwater. We zullen dus moeten veranderen van een systeem dat ingericht is op het zo snel mogelijk afvoeren van water, naar het meer laten infiltreren van water op de plek waar het valt en het beter vasthouden van water in de bodem en het oppervlaktewater. Voor een deel kan dit door kleinschalige maatregelen (in het watersysteem, in het ruimtelijke domein en door te zorgen voor een gezonde bodem en een passende vegetatie), maar ook zal moeten worden gezocht naar grootschaligere waterbuffers, bijvoorbeeld buffers in het hoofdwatersysteem zoals langs het ARK, de Lek of buffers door het opzetten van het peil van het Markermeer/IJsselmeer. Ook hoger gelegen delen (Utrechtse Heuvelrug) kunnen mogelijk benut worden als waterbuffer of juist diepe polders. Dit zijn vraagstukken met veel kanten en niet zomaar op te lossen.
Duidelijk is in ieder geval dat we in het westen van onze provincie voor een groot deel afhankelijk zullen blijven van de aanvoer van water via Rijn, Lek en Amsterdam-Rijnkanaal. Het op peil houden van de polders in de veenweidegebieden kost veel water wat ondanks waterbuffers niet altijd voor handen zal zijn. De verwachting is dat de Rijn richting 2100 fors minder water gaat afvoeren, wat ook weer effect heeft op de mogelijkheden voor waterinlaat. Afstemming van waterbeschikbaarheid en waterbehoefte wordt onder meer gedaan in het Delta programma Zoetwater (DP Zoetwaterregio-west). Naast het vaker voorkomen van langere droge perioden, ontstaan er ook vaker piekbuien.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
Voor het opvangen van deze buien zal het water lokaal beter vastgehouden moeten worden waar het valt (om overlast elders te voorkomen). Dit moet nog verder worden uitgewerkt, in samenhang met het doorrekenen van de nieuwste klimaatscenario’s van het KNMI, wat in 2023 gebeurt. Voor het tijdelijk opvangen van de pieken in neerslag zijn naast lokale maatregelen ook (boven) regionale maatregelen noodzakelijk. Naast maatregelen in het watersysteem zullen ook maatregelen op land genomen moeten worden. Er zullen onder meer (boven) regionale piekbergingen aangewezen moeten worden om tijdelijk (enkele dagen) water op te slaan. Daarvoor zijn zoekgebieden in beeld voor berging van water uit het Amsterdam-Rijnkanaal, en voor regionale waterberging waaronder langs de Gekanaliseerde Hollandse IJssel. Omgaan met wateroverlast en droogte vraagt een samenhangende aanpak. De aanpak vraagt ook een gebiedsspecifieke invulling afhankelijk van de bodemopbouw en het gebruik van het land. De vraagstukken die in de lage delen van de provincie (veenweiden en rivierengebied) spelen zijn anders dan in de hogere delen (heuvelrug en vallei met de beekdalen). Inzoomend op enkele landschapstypen daarover het volgende.
Het veenweidengebied (Utrechtse deel Groene Hart en Eemland) In de structurerende keuzes van water en bodem sturend is door het Rijk opgenomen dat de veenweiden moeten vernatten naar een grondwaterstand van 40 tot 20 cm beneden maaiveld ten behoeve van de reductie van de uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodems. Bij het vernatten van de veenweiden komt een aantal uitdagingen in het waterbeheer naar voren, waarbij het onvermijdelijk is dat er keuzes moeten worden gemaakt: • Waterbeschikbaarheid: is er voldoende water beschikbaar om het veen in droge tijden nat te houden? • Wateroverlast bij piekbuien: de wateroverlast zal toenemen, omdat er minder ruimte voor waterberging in het systeem is bij vernatting. • Waterkwaliteit: het opzetten van waterpeilen leidt (tijdelijk, maar toch enkele jaren) tot meer uitspoeling van nutriënten uit de veenbodem naar de sloot, en bij onvoldoende oeverkwaliteit kan het ook leiden tot meer baggervorming en daarmee grotere methaanuitstoot uit sloten.
10
Daarnaast is het goed te beseffen dat de samenstelling van de bodem in het veenweidegebied niet overal hetzelfde is. Deze varieert van klei op veen tot puur veen en alle andere bodemtypen die tussendoor ook nog te vinden zijn. Ook zijn er hoogteverschillen aanwezig. Dit betekent dat de hier genoemde uitdagingen vragen om een aanpak met maatwerk per gebied. De Utrechtse Heuvelrug en flanken Er zijn meerdere opgaven in dit gebied die het nodig maken om in het UPLG integraal te werken aan een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Klimaatverandering maakt deze opgaven steeds urgenter. In grote lijnen bestaan de wateropgaven uit: • Het tegengaan van verdroging van de natuur op de Heuvelrug en zijn flanken. • Het beperken van schade door droogte aan landbouw en erfgoed. • Het voorkomen van wateroverlast. • Het inpassen van een duurzame drinkwatervoorziening bij een toenemende vraag. • Robuuster maken van het watersysteem op de flanken, zoals in de Langbroekerwetering. Om de opgaven en oplossingen hiervoor in beeld te brengen werkt een brede coalitie van gebiedspartners samen aan de Blauwe Agenda Utrechtse Heuvelrug. De uitvoeringsagenda Blauwe Agenda is op 25 april 2023 vastgesteld door GS (en ook door de andere gebiedspartners).
Hier komen maatregelen aan de orde zoals het vergroten van infiltratie van regenwater, het vasthouden van water in de hogere flanken, het beter benutten van het kwelwater door kwelherstel naar natuurgebieden en het wegleiden van oppervlakkig afstromend water om wateroverlast te voorkomen. Al deze opgaven hebben waarschijnlijk gevolgen voor het huidig ruimtegebruik op de flanken van de Heuvelrug (zoals bijvoorbeeld in de Langbroekerwetering)). Het rivierengebied (zuidelijk deel Kromme Rijngebied) In het rivierengebied is de noodzaak voor ingrijpen in het watersysteem en landgebruik minder groot, vanwege de ligging langs de rivier en omdat het watersysteem al robuuster gemaakt wordt door de in gang gezette dijkversterkingen (vrijwel alle dijken langs de Nederrijn en Lek worden tot circa 2030 versterkt). Dit betekent niet dat er geen aanpassingen nodig zijn in relatie tot de klimaat verandering. In dit gebied is een aantal zoekgebieden voor waterberging. Een aandachtspunt is ook de toekomstige watervoorziening voor de fruitteelt.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
2
Natuur De analyses vanuit natuur gaan over de Natura 2000-gebieden, het Natuur netwerk Nederland, de opgaven vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn zowel binnen als buiten de Natura 2000-gebieden, de Bossenstrategie en de groenblauwe dooradering van het agrarisch gebied. Deze opgaven zijn vaak goed te combineren en vallen deels ook samen. Ook vallen de natuuropgaven vaak samen met een aantal belangrijke wateropgaven, zoals het herstel van het kwelwatersysteem of het herstel van de beekdalen of met klimaatopgaven (reductie broeikasgassen uit veenbodems). In paragraaf 4.7 en verder gaan we dieper in op die verwevenheid.
2.1 Natuurherstel Natura 2000-gebieden Uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (2021) is de resultaatsverplichting opgenomen om tot reductie van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden te komen. De onlangs bij de Ecologische Autoriteit ingediende Natuurdoelanalyses (NDA’s) laten voor de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in Utrecht zien dat er nog te veel stikstof in de natuur komt en dat ook verdroging en versnippering maken dat de natuur nog steeds achteruitgaat. De maatregelen die de grootste impact hebben op de omgeving van de Natura 2000-gebieden zijn: • Het terugbrengen van de stikstofuitstoot in een zone rondom het Natura 2000-gebied. • Het herstel van het hydrologisch systeem (hogere waterstanden in de omgeving of meer dynamiek in het waterpeil). • Het realiseren van ecologische verbindingen tussen natuurgebieden en uitbreiding van het areaal natuurgebieden (meer ruimte nodig voor natuur). • Intensiever of geoptimaliseerd beheer en aanpak van invasieve exoten. De stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden liggen verspreid over de provincie Utrecht, vaak langs de grens met één van onze buurprovincies (zie kaart 1). Zo liggen in het veenweidengebied de laagveengebieden van Botshol en Noorderpark (het Utrechts deel van de Oostelijke Vechtplassen), de Nieuwkoopse Plassen & de Haeck en het moerasgebied de Zouweboezem.
Langs de rivieren liggen de twee Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Lek en Lingegebied & Diefdijk. In het Kromme rijngebied liggen de landgoederen Kolland en Overlangbroek (nabij de Langbroekerwetering) en de Rijntakken langs de Nederrijn. Tot slot ligt in de Gelderse Vallei op de grens van Utrecht en Gelderland het Natura 2000-gebied Binnenveld.
11
Kaart B. Analyse natuurbeleid
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
12
Bijlage 3b omvat per Natura 2000-gebied de belangrijkste maatregelen zoals opgenomen in de natuurdoelanalyses en ingediend bij de Ecologische Autoriteit (eerste helft 2023). Het is overigens denkbaar dat er ook voor sommige andere natuurgebieden, een NDA wordt opgesteld om goed in beeld te krijgen wat in dat gebied de belangrijkste maatregelen zijn voor natuurherstel. Uiteraard dan wel met een andere status dan die van de N2000-gebieden waar internationale verplichtingen gelden en altijd in overleg met de betrokken organisaties. De Utrechtse Heuvelrug komt hiervoor het meest in aanmerking.
2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) De inrichting van het Natuurnetwerk Nederland is en blijft een belangrijke opgave voor versterking en behoud van de (kwetsbare) natuur en biodiversiteit. Rijk en provincies werken hieraan door leefgebieden robuust te maken en te vergroten. De provincies hebben in het Natuurpact afgesproken om voor het einde van 2027, landelijk 80.000 hectare nieuwe natuur te realiseren. Dit gebeurt door (landbouw) grond te verwerven en in te richten als natuur, en door gronden in te richten die in eigendom blijven van particulieren (functieverandering). De Utrechtse NNN-opgave is totaal 1.570 ha functieverandering en 4.264 ha inrichting en moet in 2027 gerealiseerd zijn. Voor de Groene Contour (GC) opgave wordt ingezet op de realisatie van in totaal 3.000 ha in 2040. De realisatie blijft echter achter bij de verwachte voortgang. Daarom is de Realisatiestrategie natuuropgave provincie Utrecht opgesteld (vastgesteld door GS 13-12-2022). Met deze strategie geven wij aan waar en op welke manier wij meer tempo willen maken met het realiseren van nieuwe natuur ten behoeve van de NNN- en Groene Contour-opgave. We kiezen er voortaan voor de NNN-opgave nu ook in de Groene Contour en de agrarische percelen in het NNN te laten landen zodat de NNN-opgave versneld uitgevoerd kan worden. De NNN-opgave krijgt hiermee voorrang op de GC-opgave.
Hiermee wordt het zoekgebied voor de ontwikkeling van nieuwe natuur uitgebreid met bijna 4691 hectare. Het zoekgebied had een omvang van 839 hectare en wordt nu in totaal 5.530 hectare. Deze gronden liggen vooral in of bij de volgende gebieden: • Langs de rivieren (Lek/Nederrijn, Hollandse IJssel, Linge en Vecht). • In het veenweidegebied Groene Hart. • Op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug (inclusief het gebied Lang broekerwetering).
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
• Aangrenzend aan de verschillende Natura 2000-gebieden voor het vergroten en verbinden van natuur. • Het landgoederengebied van de Gelderse Vallei, landgoed Linschoten en diverse landgoederen op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug. Aandachtspunt bij het reeds aanwezige Natuurnetwerk Nederland zijn de omvangrijke plannen van het Ministerie van Defensie voor de defensieterreinen in de omgeving Soesterberg. Deze plannen vragen aandacht in relatie tot het behoud van het robuuste natuurnetwerk op de Utrechtse Heuvelrug. Ook de Mobilisatie-complexen in Lopik en Benschop vragen aandacht omdat ze een transitieopgave hebben en in het NNN liggen.
2.3 Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (met name buiten Natuurnetwerk Nederland) Vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) hebben we als lidstaat Nederland de verplichting om beschermde soorten en habitats in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De uitvoering van de VHR-opgave is in het Decentralisatieakkoord Natuur (2011) belegd bij de provincies. De Europese verordening natuurherstel, die naar verwachting per 2024 in werking treedt, zal hier een bindende planning aan verbinden. In deze verordening is de doelstelling opgenomen voor 100% doelbereik in 2050. In het NPLG is ervoor gekozen om in 2030 de overbrugging van 30% van het gat tussen de huidige staat van instandhouding en een gunstige staat van instandhouding voor alle VHR-beschermde habitattypen en soorten te realiseren. In opdracht van het Ministerie van LNV is indicatief in beeld gebracht wat nodig is om soorten en habitats in een gunstige staat te brengen. Hoewel het nog onduidelijk is wanneer deze indicatieve verdeling over de provincies een definitieve status krijgt, is het wel duidelijk dat het om een grote opgave gaat. Het is daarom verstandig hier nu al op te anticiperen, zodat we dit kunnen meenemen in de integratieslag en we later niet nog met aanvullende omvangrijke maatregelen hoeven te komen.
De indicatieve opgave voor de VHR in de provincie is, onder voorbehoud, als volgt: • Agrarische natuur (met agrarisch natuurbeheer): • open grasland (voor weidevogels), circa 8.100 hectare (2030) tot 27.000 hectare (2050): deze opgave is met name voor de veen weidegebieden en betreft tot 2050 een zeer groot deel van het veenweidegebied.
13
• o pen akkerland, circa 345 hectare (2030) tot 1.500 hectare (2050): deze opgave speelt met name op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug, in het Kromme Rijngebied en in de Gelderse Vallei. • groenblauwe dooradering, circa 2.760 hectare (2030) tot 9.200 hectare (2050) hectare: deze opgave kan in het gehele agrarisch gebied van de provincie Utrecht landen. Zie paragraaf 4.3.5 voor een verdere toelichting. • Natuur: • nieuwe natuur buiten de huidige NNN, 848 (2030) tot 2.825 (2050) hectare: bedoeld voor bijvoorbeeld moerassen, vochtige bossen en vochtige schraalgraslanden. Deze opgave kan in verschillende landschapstypen een plek krijgen zoals in de Gelderse Vallei (beekdalen, blauwgraslanden en landgoederen), de veenweiden (bijvoorbeeld de moerassen) en het Kromme Rijngebied. • nieuwe natuur binnen de huidige NNN via omvorming van natuur, 117 (2030) tot 391 (2050) hectare: deze opgave betreft eveneens verschillende habitattypen en kan in verschillende landschapstypen een plek krijgen zoals in de Gelderse Vallei (beekdalen, blauwgraslanden en landgoederen), de veenweiden (bijvoorbeeld de moerassen) en het Kromme Rijngebied.
2.5 Groenblauwe dooradering In het NPLG is in verband met herstel biodiversiteit een doelstelling afgesproken van het vergroten van de groenblauwe dooradering in het landelijke gebied met 5% in 2030 en met 10% in 2050. Daarbij is aangegeven dat in de NPLG-prioritaire gebieden (veenweiden, beekdalen, overgangszones rondom N2000-gebieden) de 10% al in 2030 moet zijn gerealiseerd. Uit de recente analyse van de groenblauwe dooradering in de provincie Utrecht blijkt dat in tenminste 3% van het Utrechtse agrarisch gebied al lijnvormige landschapselementen aanwezig zijn. In de praktijk zal het iets meer zijn omdat niet alle gegevens beschikbaar zijn. Deze landschapselementen kunnen verschillend van aard zijn: houtig (houtwallen/-singels, hagen en knotbomen), nat (natuurvriendelijke oevers en poelen) en rand (bloem- en kruidenrijke graslanden van bermen en dijken). Wat ze gemeen hebben, is dat ze allemaal in het agrarisch g ebied liggen en daar de biodiversiteit verbeteren (Deltaplan Biodiversiteitsherstel, 2018). Het gaat hierbij niet alleen om het percentage, maar ook om de vraag welke landschapselementen waar nodig zijn.
De kansen voor deze elementen verschillen per Utrechts landschap: de houtige elementen sluiten beter aan bij de landschappen in het oosten (Gelderse v allei, flanken van de Utrechtse Heuvelrug en Kromme Rijngebied), terwijl de natte elementen passen bij het landschap in het westen (veenweiden). Het beheer van randen bestaat voor een belangrijk deel uit het ecologisch beheer van weg bermen en dijken welke door de gehele provincie lopen. Bij de prioritering voor het ontwikkelen van extra groenblauwe dooradering is het logisch om te zoeken naar gebieden waar veel (natuur)opgaven samen komen, zoals NNN, beekdalen en KRW-doelen overig water (waternatuur) en verbindingszones voor de otter.
2.4 Bossenstrategie In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er 10% meer bos komt in Nederland. Dit heeft het Rijk samen met de provincies nader uitgewerkt in de landelijke bossenstrategie “Bos voor de toekomst” (2020). Het Strategisch bosbeleid van provincie Utrecht (2022) betreft een provinciale uitwerking tot 2040 met als overkoepelende visie: “Meer, vitaal, toekomstbestendig, beschermd en maatschappelijk gewaardeerd bos”. Om dit te bereiken is het onder andere nodig 1.500 hectare nieuw bos in de provincie Utrecht tot 2040 te realiseren. Er is een analyse gemaakt welke gebieden in Utrecht kansrijk zijn voor de ontwikkeling van nieuw bos. In de volgende gebieden is de ontwikkeling van bos het meest van toegevoegde waarde: • De landgoederen rondom de beekdalen in de Gelderse Vallei. • De flanken van de Utrechtse Heuvelrug. • De westzijde van de regio Utrecht, grenzend aan steden en dorpen. De hier genoemde doelen gelden als een inspanningsverplichting. IJkmoment is 1 januari 2021. Voor meer informatie over de bossenstrategie, zie bijlage 3c. Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
3
Stikstof In maart 2022 is het Handelingskader gebiedsgerichte aanpak stikstof vastgesteld door Provinciale Staten. Het Handelingskader ging ook al uit van een integrale aanpak op gebiedsniveau, breder dan uitsluitend een aanpak gericht op stikstofreductie. Wel beperkte de aanpak in het Handelingskader zich tot de gebieden in de directe omgeving van de Natura-2000 gebieden. In juni 2022 kwam het Rijk met de startnotitie NPLG. Hiermee werd de scope van de gebiedsgerichte aanpak sterk verbreed en in feite uitgebreid tot het hele landelijk gebied van de provincie. In de inleiding is dit al toegelicht.
14
In de startnotitie NPLG van juni 2022 heeft het Rijk richtinggevende reductie doelen voor stikstof geformuleerd, het betreft de doelen voor reductie van ammoniakemissie door de landbouw. Voor Utrecht betreft dit een reductiedoelstelling van 46%: de totale ammoniakemissie dient in 2030 met 46% gedaald te zijn ten opzichte van het referentiejaar 2018, dit betekent binnen onze provincie een totale reductie met 2.359 kiloton ammoniak (van 5.093 naar 2.734 kiloton). De doelstelling van 46% is relatief hoog ten opzichte van de reductieopgaven die andere provincies van het Rijk toebedeeld hebben gekregen. Dit is meerdere keren richting het Rijk aangegeven maar heeft vooralsnog niet geleid tot aanpassingen. Het Rijk heeft gevraagd dit richtinggevende reductiedoel voor ammoniak in het UPLG te vertalen in een (richtinggevende) ruimtelijke vertaling van de benodigde stikstofreductie.
Deze inzet is onderdeel van de totale stikstofreductie die nodig is voor de landelijke doelen, hiervoor gelden de volgende omgevingswaarden: • 40% areaal met stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde (2025) • 74% areaal met stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde (2030) Het lijkt erop dat voor de meeste Utrechtse Natura-2000 gebieden bovengenoemde omgevingswaarden binnen bereik zijn (met uitzondering van Binnenveld, Bosthol en de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck). Anderzijds zijn in vrijwel elk Natura 2000-gebied habitattypen te vinden waarvoor de stikstofdepositie te hoog is. In bijlage 3d zijn de emissies en depositie van stikstof binnen de p rovincie Utrecht weergegeven. Hierbij zijn alle sectoren in beschouwing genomen, is weergegeven wat de geografische oorsprong van de deposities is en wordt de situatie per Natura 2000 gebied nader belicht. De invloed van stikstof is het sterkst in de directe omgeving van de bron, de plek waar de emissie plaatsvindt. Echter de invloed van stikstof beperkt zich niet tot de directe omgeving van de bron, maar verspreidt zich ook in de verdere omgeving. Daarom is een belangrijke opgave om ook de zogenaamde stikstofdeken te verdunnen.
Om een inschatting te maken van de haalbaarheid van de stikstof opgave hebben we een vingeroefening gedaan met een drietal varianten. Deze zijn beschreven in paragraaf 4.3.1. In paragraaf 4.3.2 is beschreven welke reductieopgave voor stikstof geldt voor andere sectoren dan de landbouw.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
3.1 Verkenning aanpak stikstofopgave landbouw Ter invulling van de richtinggevende ruimtelijke vertaling van de ammoniak reductie opgave zijn als theoretische verkenning drie varianten geformuleerd, die elk gebaseerd zijn op enkele structurerende principes: Variant 1: geen ruimtelijke differentiatie. Dit betekent voor de gehele agrarische sector in de provincie een gelijke doel stelling van 46% reductie van de ammoniakemissie, ongeacht de ligging ten opzichte van de Natura2000-gebieden of andere natuurgebieden en ongeacht de aard van de andere opgaven die van toepassing zijn. Variant 2: beperkte ruimtelijke differentiatie. In deze variant is uitgegaan van een overgangszone van 1 km rondom de stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden. In deze zone hebben we gerekend met een reductie in de stikstofemissie van 70% omdat bekend is dat stikstofmaatregelen dichtbij een N2000-gebied meer effect hebben dan verder weg. In de rest van de provincie (dus buiten de overgangszones) moet dan 44% emissiereductie gerealiseerd worden om in totaliteit op de 46% gemiddeld voor de gehele provincie uit te komen. Variant 3: sterke ruimtelijke differentiatie. In deze variant gaan we ervan uit dat de reductie in stikstofemissie ‘meelift’ met andere opgaven. De andere opgaven, veelal een stapeling van opgaven, zijn daarin leidend.
De emissiereductie voor stikstof is hier dus volgend en wordt ‘meegekoppeld’ met andere opgaven. Dit betekent: • Als basis geldt dat op bedrijfsniveau overal een emissiereductie van circa 30% wordt gerealiseerd. Uit praktijkonderzoek is gebleken dat dit een goed haalbaar percentage is met voer- en managementmaatregelen (bron: Aanpak Netwerk Praktijkbedrijven). Dit uitgangspunt is vertaald in een streefwaarde voor emissie op bedrijfsniveau van 40 kg/ha/jaar (als totaal van stal- en veldemissies).
15
• In gebieden waar meerdere opgaven spelen, zoals bijvoorbeeld in een deel van de veenweiden, de beekdalen en in het gebied van de Heuvelrug en de flanken, kan de reductie hoger uitkomen omdat vanuit andere opgaven al een flinke omslag in de agrarische bedrijfsvoering wordt nagestreefd. Hier lift als het ware de stikstofopgave mee met andere opgaven. Dit kan alleen als er meer mogelijkheden voor compenserende maatregelen zijn. Voor de berekening is uitgegaan van een gebiedsbrede reductie van ca 60%. • In de overgangszones rondom N2000-gebieden (de 1 km-zones) h anteren we dezelfde uitgangspunten als in variant 2 en rekenen we met 70% reductie. Variant 3 leidt tot een totaal gemiddelde van ca. 45% reductie voor de hele provincie, waarmee de opgave nagenoeg wordt gerealiseerd. De varianten zijn doorgerekend met behulp van DASH (Dataset Stikstofdepositie Herkomst) 1. Deze drie varianten zijn in dit hoofdstuk slechts vingeroefeningen om gevoel te krijgen voor de knoppen waaraan gedraaid kan worden, het is in dit analyse hoofdstuk niet meer dan een verkenning. Hoofdstuk 4 (structurerende principes 13 en 14) gaat hier verder over door.
3.2 Stikstofreductie door overige sectoren De overige sectoren (industrie en mobiliteit) moeten ook hun stikstofemissie reduceren. In de Kamerbrief van 10 februari 2023, met als onderwerp ‘Voortgang integrale aanpak landelijk gebied, waaronder het NPLG’ heeft het kabinet indicatieve stikstofdoelen voor industrie/energie en mobiliteit geformuleerd en de reductie aanpak hiervoor uiteengezet.
1 DASH is een door het RIVM ontwikkelde systematiek om de herkomst, per vierkante kilometer, van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden t.g.v. Nederlandse bronnen te berekenen. Het doel van deze dataset is inzicht te verkrijgen in de herkomst van stikstofdepositie veroorzaakt door emissiebronnen van stikstofdioxiden (NOX) en ammoniak (NH3) in Nederland, dus welke emissielocaties hoeveel depositie in Natura 2000-gebieden oplevert. De data is op basis van vastgestelde emissies en dus niet op basis van vergunde data.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
De landelijke reductieopgave voor de overige sectoren is weergegeven in onderstaande tabel.
4
Sector
Totaal aantal depositie op natuur in 2020 (Nox + NH3)
Emissies in 2019 in kton Nox/NH3
Indicatieve restemissies in 2030 in kton Nox/NH3
Industrie en energie
ca. 31 mol/ha/jr.
ca. 46 kton
ca. 28 kton
Mobiliteit
ca. 159 mol/ha/jr.
ca. 156 kton
ca. 117 kton
Klimaat De basis van de klimaatopgave in het NPLG komt uit het Klimaatakkoord van 2018 en het coalitieakkoord van dit kabinet. Dit is de Nederlandse uitwerking van de internationale verplichtingen die we zijn aangegaan bij het ondertekenen van het klimaatakkoord van Parijs om een reductie van 49% te bereiken t.o.v. de uitstoot van broeikasgassen in 1990. Dit is vastgelegd in de Klimaatwet. Recent zijn vanuit Europa de normen aangescherpt naar 55% reductie vanwege de urgentie vanuit de IPCC-rapportages dat er meer inzet nodig is om de o pwarming van de aarde tegen te gaan. In dat licht heeft het kabinet nieuwe voorstellen gedaan om in álle sectoren de opgave te verhogen naar een beleidsinzet van 60% reductie, om gemakkelijker de 55% te halen. Dit traject heet “fit for 55”. Klimaatdoelen In Nederland zijn indicatief vastgesteld in het coalitieakkoord en het ontwerp-beleidsprogramma Klimaat. De opgaven vanuit de sector Landbouw en Landgebruik zijn opgedeeld in verschillende onderdelen met elk een eigen doelstelling: • Voor broeikasgassen uit de veenweide is de doelstelling reductie van 1 megaton (Mton) CO2-equivalenten. • Voor de veehouderij en akkerbouw (incl. mestaanwending) geldt een reductieopgave van 5Mton CO2eq. (waarvan 3,8Mton methaanreductie conform afspraken Global Methane Pledge) voor de veehouderij (inclusief mestaanwendig).
• Voor bomen, bos en natuur is een nationale doelstelling geformuleerd van 0,4-0,8Mton CO2 reductie in 2030. Deze is nog niet over provincies verdeeld.
16
De klimaatopgave tot 2030 is slechts een tussenstap tot 2050. In 2050 wordt gestreefd naar klimaatneutraliteit. Op dit moment wordt gewerkt aan het vaststellen van restemissiedoelen voor de lange termijn, te verdelen in tussendoelen, de uitkomst hiervan wordt verwacht in het najaar van 2023. Nog niet duidelijk is hoe klimaatneutraliteit geformuleerd wordt en of restemissies gecompenseerd mogen worden tussen sectoren of bijvoorbeeld tussen verschillende landen. Dat is op dit moment nog in onderhandeling in Europa. De klimaatopgave voor het landelijk gebied in Utrecht betreft drie onderdelen: de reductie van broeikasgassen uit veenbodems (veenweidengebied) en in natte natuur, de klimaatopgave veehouderij (hierna te noemen; methaanopgave vee houderij) en het vastleggen van CO2 in natte natuur en via de aanleg van bos. Het laatste onderwerp is hiervoor meegenomen in de paragraaf Natuur-Bossenstrategie.
4.1 Reductie uitstoot methaan veehouderij Vanuit het klimaatakkoord in 2018 en het coalitieakkoord van dit kabinet is de klimaatopgave benoemd om methaan te reduceren die afkomstig is uit de veehouderij en akkerbouw. In het klimaatakkoord was deze doelstelling voor 2030 geformuleerd voor 1,5Mton en zou worden opgepakt door de sector zelf. Deze doelstelling was gebaseerd op 49% reductie van broeikasgassen. Nederland heeft de Global methane pledge ondertekend waarbij men 30% reductie van methaan moet reduceren in 2030. Hierbij is een nationale methaanstrategie opgesteld. Voor de methaanopgave in de veehouderij is vanuit “fit for 55” een aanscherping voortgekomen, waardoor de opgave nationaal nu 5Mton bedraagt. Omdat methaan een zwaar broeikasgas is (namelijk 28x zo sterk als CO2), is gekozen juist deze opgave te verhogen. De opgave is gecommuniceerd door de Rijksoverheid in de Kamerbrief voortgang NPLG van 10 februari 2023, samen met een verdeling van de opgave per provincie.
De opgave van 5Mton reductie in 2030 nationaal is gelijkelijk over provincies verdeeld aan de hand van het aantal dieren dat een provincie heeft. Voor Utrecht is de opgave methaanreductie uit veehouderij vastgesteld op 0.3Mton, vanuit de referentie van de Klimaat- en Energie Verkenning (KEV) 2021. Op welke locaties precies de reductie van de methaanemissie wordt gerealiseerd, is voor het behalen van de klimaatopgave niet belangrijk. De doelstelling is namelijk brongericht en niet locatiegericht. Het meekoppelen met andere opgaven (bijvoorbeeld de stikstofopgaven) ligt voor de hand. De klimaatdoelen zijn gericht op 2030, maar dit is een tussenstap op weg naar de doelstelling van klimaatneutraliteit in 2050. Het is nu nog niet duidelijk hoe klimaatneutraliteit geformuleerd wordt, dit is nog in onderhandeling. Naar verwachting zal er uit de veehouderij altijd een restemissie blijven bestaan die gecompenseerd zal moeten worden, mogelijk binnen landbouw- en landgebruik, maar mogelijk ook daarbuiten. Het realiseren van deze reductie is nadrukkelijk een gezamenlijke opgave van Rijk en provincies met een mix van generieke en gebiedsgerichte maatregelen die een plek krijgen in de gebiedsprogramma’s.
De korte koolstofcyclus: Door de agrarisch sector is gevraagd waarom bij de klimaatopgave voor veehouderij (de methaanopgave) de opname van CO2 door gras niet wordt meegeteld. Deze vraag gaat over de korte koolstofcyclus. Samengevat komt het erop neer dat de CO2 opname door gras niet wordt meegenomen, omdat ook de uitstoot van CO2 bij de veehouderij niet meegenomen wordt. Maar de methaanuitstoot wordt WEL meegenomen, omdat dit nu eenmaal een veel sterker broeikasgas is dan CO2. Deze uitgangspunten worden als basis voor de berekeningen genomen, zowel nationaal als internationaal.
Methaanemissie in de veehouderij komt met name vrij bij het verteringsproces van herkauwers (bijvoorbeeld runderen, schapen, geiten) en tijdens de opslag van mest. Emissiereductie in de veehouderij wordt bereikt door maatregelen die de emissies uit dieren, stallen en mest verminderen en door het aantal dieren te verminderen.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
17
Kaart C. Analyse klimaatbeleid
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
18
4.2 Reductie uitstoot broeikasgassen uit ontwikkeling van natte natuur
(ca 10%) echter meer nodig om in zijn totaliteit tot die 0.09 Mton reductie doelstelling te komen. Hier hebben we het over een sterkere vernatting tot ca. 20cm onder maaiveld. Dit betekent een sterke transitie in landgebruik. De gangbare melkveehouderij is hier niet meer mee te combineren. Juist hier is het goed om te zoeken naar combinatie van opgaven (meervoudig doelbereik) of naar een geheel andere vorm van landbouw die is aangepast aan zeer natte omstandigheden, zoals bijvoorbeeld ‘Boeren op Hoog Water’ of ‘natte teelten’. Deze zijn echter nog in het stadium van praktijkproeven. Omzetting naar natuur of natuurinclusieve landbouw met hoge grondwaterstanden (afgewaardeerde gronden) is hier ook een goede mogelijkheid.
Ook voor natte natuur bestaat een opgave om broeikasgasuitstoot te v erminderen vanuit het Klimaatakkoord. Voor “Bomen, bos en natuur” is een doelstelling geformuleerd van 0,4-0,8Mton CO2 equivalenten, ook via de Bossenstrategie. Een nationale werkgroep werkt maatregelen uit voor natte natuur die al korte termijn kunnen worden ingezet, ook via gebiedsprocessen. In het klimaatakkoord wordt naar mogelijkheden gezocht om met ontwikkeling en beheer van natte natuur (o.a. rietmoeras en natte graslanden) de broeikasgasemissies te reduceren, de opname daarvan te bevorderen en belangrijke koolstofvoorraden in hoogveen, laagveen, wetlands en moeras te beschermen.
Deze koers zoals aangegeven in de RVS komt wat richting betreft goed overeen met een belangrijk sturend principe uit de Kamerbrief Water- en Bodem Sturend (WBS, november 2022) waarin voor de laagveengebieden in Nederland gesproken wordt over een grondwaterstand van 20-40cm onder maaiveld om de bodemdaling te minimaliseren en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Tegelijkertijd wordt met de Water- en Bodem Sturend brief ook gevraagd om de inlaat van water te minimaliseren. Dit kan mogelijk door het overschot van regenwater in de winter vast te houden (waterbuffering), echter daarvoor is veel ruimte nodig, dus op die plekken zou dat ook een transitie vragen. Voor de sterkere vernatting en waterbuffering zal gekeken moeten worden of dit op slimme plekken mogelijk is. Daarbij is het onder andere logisch om te kijken naar de plekken waar de grootste effecten voor de reductie van broeikasgasemissies zijn te halen (sterk dalende en/of natte gebieden. Naast toevoegen van plekken voor waterbuffering zal het westen van onze provincie voor een groot deel afhankelijk blijven van de aanvoer van water via Rijn, Lek en Amsterdam-Rijnkanaal.
Natte natuur (zoals moeras en veenecosystemen, maar ook kleine wateren en oevers) hebben zowel een grote koolstofvoorraad die beschermd moet worden, als een hoge CO2-vastleggingscapaciteit. De WUR heeft kansenkaarten ontwikkeld waarbij gekeken is waar potentie zit om verder te vernatten om zo meer koolstof in de bodem vast te leggen in natte natuurgebieden. Daar waar al maximaal vernat is, is weinig potentie om meer CO2 vast te leggen. Bij moerasbodems met relatief lage grondwaterstanden liggen er veel mogelijkheden voor het vastleggen van koolstof door de grondwaterstanden te verhogen.
4.3 Vermindering emissie broeikasgassen uit veenbodems (veenweidengebied) Vanuit het Klimaatakkoord (2019) is de landelijke doelstelling 2030 voor het terugdringen van de jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen uit veenbodems met 1 Mton-CO2eq. De zes veenweidenprovincies hebben ieder een indicatieve doelstelling toegewezen gekregen die daarvan is afgeleid. De Utrechtse indicatieve doelstelling voor de reductie van de jaarlijkse broeikasgasuitstoot is 0.09 megaton CO2eq. In de Regionale Veenweiden strategie (RVS) Utrechtse veenweiden (2022) is aangegeven dat deze doelstelling te halen is door in een groot deel van het veenweidegebied (ca 90%) met technische maatregelen de grondwaterstand te verhogen. Een voorbeeld van technische maatregelen zijn waterinfiltratie systemen in combinatie met hogere slootpeilen. Dit is goed te combineren met een gangbare melkveehouderij. In een klein deel van het veenweidengebied
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
5
Landbouw In deze paragraaf gaan we in op de huidige landbouwstructuur, de uitdagingen waar de agrarische sector met de NPLG-opgaven voor staat en de kansen die dit biedt. Tot slot geven we een beeld van de PAS-melders in de provincie Utrecht: agrariërs die sinds de uitspraak van de Raad van State in 2019 over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) momenteel over geen benodigde natuurvergunning beschikken.
19
5.1 Huidige landbouwstructuur Voor de landbouw is een analyse gemaakt van de huidige landbouwstructuur in de provincie Utrecht gebaseerd op cijfers van het CBS uit 2020 en 2021. Type en aantal landbouwbedrijven Er zijn in de provincie Utrecht 2.276 primaire land- en tuinbouwbedrijven. Hiervan zijn 1.467 veehouderijen, waarvan 1.130 (45 %) melkveebedrijven (landelijk 28 %), 7% een gespecialiseerd fruitbedrijf (landelijk 3%), 5% hokdierbedrijf (landelijk 6%) en 13% overige bedrijven zoals akkerbouw, tuinbouw en combinatiebedrijven (landelijk 41%). De laatste jaren is er een sterke toename in geitenhouderijen en in mindere mate van de schapen- en vleesveehouderij. Er bevinden zich 43 melkgeitenhouderijen in de provincie. Nuancering bij de toename van geitenhouderijen is dat nieuwe bouwvergunningen ten behoeve van de geitenhouderijen op basis van de bouwstop in de Omgevingsverordening niet meer mogelijk zijn. Onderstaande tabel staat een overzicht van het aantal bedrijven per deelsector en de bijbehorende dieraantallen. 2016
Utrecht-West aantal
Utrecht-West %
Utrecht-Oost aantal
Utrecht-Oost %
Utrecht *1 aantal
Utrecht *1 %
Nederland aantal
Nederland %
Totaal
1.479
100%
1.012
100%
2.507
100%
54.382
100%
Melkvee-bedrijven
787
53%
401
40%
1.193
48%
16.492
30%
Overige graasdier-bedrijven
388
26%
278
27%
670
27%
11.173
21%
Hokdierbedrijven
47
3%
92
9%
140
6%
3.944
7%
Fruitbedrijven
100
7%
86
8%
188
7%
1.452
3%
Overige bedrijven
157
11%
155
15%
316
13%
21.321
39%
2020
Utrecht-West aantal
Utrecht-West %
Utrecht-Oost aantal
Utrecht-Oost %
Utrecht *1 aantal
Utrecht *1 %
Nederland aantal
Nederland %
Totaal
1.375
100%
955
100%
2.338
100%
51.282
100%
Melkveebedrijven
707
51%
356
37%
1.063
45%
14.526
28%
Overige graasdier-bedrijven
402
29%
287
30%
691
30%
10.980
21%
Hokdierbedrijven
36
3%
82
9%
120
5%
3.316
6%
Fruitbedrijven
82
6%
77
8%
160
7%
1.332
3%
Overige bedrijven
148
11%
153
16%
304
13%
21.128
41%
Tabel 3: aantal landbouwbedrijven en procentuele verdeling naar bedrijfstypen in 2016 en 2020. Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
20
De melkveehouderij vormt dus veruit de belangrijkste sector in de provincie. In 2021 had een melkveebedrijf gemiddeld 83 melkkoeien, in 2010 waren dit er nog 63. Ook zijn er steeds minder bedrijven met maximaal 50 koeien en steeds meer bedrijven met meer dan 100 koeien. De schaalvergroting is dus flink toegenomen. De landbouwstructuur in het westen en oosten van de provincie vertoont duidelijke verschillen: het overgrote deel van de landbouwbedrijven in het westelijk deel van Utrecht (met name het veenweidegebied) bestaat uit melkveebedrijven. De hokdierbedrijven concentreren zich met name in het oosten van de provincie. Economische omvang van de bedrijven In economisch opzicht zijn de Utrechtse bedrijven kleiner dan in de rest van het land, de gemiddelde opbrengst is slechts iets meer dan 60% van het landelijk gemiddelde. In onderstaande tabel wordt de gemiddelde bedrijfsomvang in standaardopbrengsten (x € 1.000) naar bedrijfstype weergegeven, voor Utrecht-west, -oost en Nederland als geheel.
In 2016
Utrecht-West
Utrecht-Oost
Utrecht
Nederland
Alle bedrijven
265
309
283
433
Melkveebedrijven
339
352
343
424
Overige graasdierbedrijven
80
136
103
130
Hokdierbedrijven
593
578
583
991
Fruitbedrijven
215
334
270
303
Overige bedrijven
289
335
312
483
In 2020
Utrecht-West
Utrecht-Oost
Utrecht
Nederland
Alle bedrijven
268
321
289
476
Melkveebedrijven
360
366
362
441
Overige graasdierbedrijven
82
157
113
149
Hokdierbedrijven
821
552
634
1.119
Fruitbedrijven
200
333
265
300
Overige bedrijven
234
393
315
560
Tabel 4: Gemiddelde bedrijfsomvang in standaardopbrengsten (x1.000 euro) naar bedrijfstype (bron: landbouwtelling) Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
21
Kaart D. Landbouwkundig gebruik