K2. Bijlage 1 - Onderbouwing keuze gebieden
Tekst van het document
Onderbouwing keuze gebieden projectbesluiten
1 van 25
1 Inleiding en leeswijzer
1.1
Achtergrond, context en aannames
Om de in het Klimaatakkoord (2019) afgesproken opwekcapaciteit van zonne- en windenergie op land te realiseren hebben 30 regio’s in het kader van de Regionale Energie Strategie (RES) in 2021 een bod gedaan richting het Rijk. In de afgelopen jaren heeft de provincie Utrecht samen met de drie regio’s in de provincie gewerkt aan het halen van het bod voor grootschalige duurzame elektriciteit van in totaal 3,05 TWh in 2030. Regio Foodvalley ligt gedeeltelijk in Gelderland, waarmee het Utrechtse deel van de drie regio’s opgeteld 2,4 TWh omvat. Om het doel van 2,4 TWh in de provincie Utrecht te halen heeft de provincie begin januari 2024 27 meest kansrijke gebieden voor windenergie bepaald (zie Figuur 1 27 meest kansrijke gebieden windenergie). Daarbij is een brief aan de 26 gemeenten in de provincie gestuurd met een oproep om binnen 6 maanden concreet te maken hoe invulling wordt gegeven aan de RES-doelstellingen. Het verzoek is om dit in de vorm van raadsbesluiten aan te geven. Hierbij wordt een aantal punten gevraagd in de raadsbesluiten om duidelijk te maken dat de plannen haalbaar en aansluitbaar zijn voor 2030. Daarbij is ook aangegeven dat er een proces zou worden doorlopen om te garanderen dat het gezamenlijke RES-bod van de provincie gehaald wordt.
In de Tussenbalans II van september 2024 is geconstateerd dat een aantal gemeenten vergevorderd is met plannen voor windenergie. Regio Amersfoort bleek op koers om de doelen voor 2030 te halen en daar is daarom geen aanvullende windenergie vanuit de provincie nodig. Regio Foodvalley en U16 hebben stappen gezet, maar hier zijn nog onvoldoende concrete plannen om de RES-doelen te halen. Dit betekent dat aanvullende plannen nodig zijn om het totale gezamenlijke doel van 2,4 TWh in 2030 voor de provincie Utrecht te halen. Gemeenten hebben tot het einde van 2024 de tijd gekregen om hun plannen verder te concretiseren. Figuur 1 27 meest kansrijke gebieden windenergie
2 van 25
Nu blijkt dat er in de regio U16 nog een tekort van 0,33 TWh aangevuld moet worden om de RES-doelstelling te halen. Hiervoor worden conform het besluit Tussenbalans Regionale Energiestrategieën (RES) van september 2022 en het Coalitieakkoord 2023-2027 aanvullende provinciale projectprocedures doorlopen. Voorliggend document onderbouwt de keuze voor de gebieden waar deze projectbesluiten vervolgd worden op initiatief van de provincie. Voor RES-regio Amersfoort waren er ten tijde van het besluit over de Tussenbalans II voldoende concrete plannen om het bod te halen. In november is door het besluit van defensie om geen windenergie toe te staan bijna de helft van het bod van de regio weggevallen. Daarnaast is eind november door de gemeenteraad van Baarn een motie aangenomen waarin opgeroepen wordt om de onderzoeken die we samen met gemeenten gestart zijn te staken tot in ieder geval 2026. Daarmee komt ook het aandeel van de gemeente Baarn voor opwek op land in de regio te vervallen. Momenteel wordt in regioverband gekeken hoe hiermee om wordt gegaan. Het besluit, waar dit document de onderbouwing van is, heeft dan ook geen betrekking op de gebieden in RES-regio Amersfoort.
Voor regio Foodvalley waren er ten tijde van het besluit over de Tussenbalans II voldoende plannen in de situatie dat de turbine waar in de gemeente Rhenen samen met Wageningen onderzoek naar uitgevoerd werd mogelijk zou blijken. De gemeenteraad heeft in de tussentijd een motie aangenomen om geen medewerking te verlenen aan windturbines en het is dan ook in de lijn der verwachting dat de gemeente Rhenen geen windenergie mogelijk wil maken in dit gebied. De provincie zal daarom met de regio in overleg treden over hoe dit opgevangen wordt als inderdaad blijkt dat Rhenen geen medewerking verleent aan windenergie. Aan de hand daarvan zal mogelijk alsnog een projectprocedure vervolgd worden en het besluit, waar dit document de onderbouwing van is, heeft dan ook geen betrekking op de gebieden in Foodvalley.
1.2
Wat komt er aan de orde en waar kun je dat vinden?
In dit document wordt de keuze voor de meest kansrijke gebieden waar een projectbesluit vervolgd zal worden onderbouwd. In hoofdstuk 2 zal eerst een situatieschets worden gegeven, waarbij op basis van de Tussenbalans II en de vorderingen van de afgelopen maanden het totale tekort wat door de provincie ingevuld moet worden inzichtelijk wordt gemaakt. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 beschreven op welke wijze de gebieden voor een projectbesluit worden geselecteerd. Dit hoofdstuk behandelt de kaders op basis waarvan de keuze voor de gebieden is gemaakt en welke afwegingen er zijn gemaakt tussen deze kaders. In hoofdstuk 4 wordt de aanpak van de selectie van de gebieden uitgewerkt tot een keuze voor gebieden waar een projectprocedure wordt vervolgd. Per gebied dat door gemeenten of de provincie wordt opgepakt worden vervolgens belangrijke aandachtspunten uitgewerkt in hoofdstuk 5.
3 van 25
2 Aanvullende opwek nodig voor halen RES-doel 2.1
Samenvatting Tussenbalans II
In de Tussenbalans II is geanalyseerd of er genoeg concrete en realiseerbare plannen van gemeenten voor duurzame opwek zijn om de RES-doelen in 2030 te halen. Uit deze Tussenbalans II blijkt dat in RES-regio Amersfoort het bod voldoende geconcretiseerd is. In de regio’s U16 en Foodvalley hebben meerdere gemeenten (verdere) stappen gezet om hun aandeel in de RES te vergroten en concretiseren. Verschillende gemeenten hebben de provincie verzocht om projectbesluiten te vervolgen. Het gaat om Vlasakkers (81), A28 (84) in gemeenten Amersfoort, Leusden en Soest, knooppunt Eemnes (75) op grondgebied van de gemeente Baarn en het gebied langs het Amsterdam-Rijnkanaal in de gemeente Wijk bij Duurstede (78). Voor deze gebieden wordt op verzoek van de gemeente een projectbesluitprocedure vervolgd. Om de totale doelstelling van 2,4 TWh in 2030 te halen bleek in de Tussenbalans II dat het nodig is om aanvullend projectbesluitprocedures voor 0,25-0,5 TWh voor windenergie te vervolgen. De range komt doordat in de Tussenbalans II ook een lijst van concrete plannen van gemeenten was opgenomen die nog niet voldeden aan alle onderdelen van de oproep. Voor deze categorie 2 plannen is aangegeven dat gemeenten in het najaar van 2024 deze plannen verder kunnen concretiseren zodat het eind 2024 voldoende duidelijk wordt dat ze voor 2030 gerealiseerd kunnen worden.
2.2
Beschrijving vordering categorie 2 plannen Tussenbalans II
In de Tussenbalans II zijn drie categorieën van plannen opgenomen: 1. Categorie 1: Wind- en zonne-energieplannen zijn concreet en voldoen aan de oproep. Dit zijn plannen waarvoor een duidelijk raadsbesluit is genomen met de punten die in de brief aan gemeenten omschreven staan. 2. Categorie 2: Wind- en zonne-energieplannen zijn concreet, maar voldoen nog niet (volledig) aan de oproep. Dit zijn plannen waarvoor de gemeente stappen wil zetten, maar waarvoor nog aanvullend onderzoek nodig is en/of nog voor het eind van 2024 een raadsbesluit genomen moet worden. 3. Categorie 3: Wind- en zonne-energieplannen zijn nog niet concreet. Hierbij heeft een gemeente wel aangegeven in principe windenergie mogelijk te maken, maar zijn de stappen nog niet uitgewerkt. Deze gemeente voldoet niet aan de oproep van de provincie. Voor RES regio Amersfoort waren er voldoende concrete plannen in categorie 1 om zicht te hebben op realisatie van de RES doelen in 2030. In deze regio worden op dit moment dus geen nieuwe gebieden aangewezen om een projectbesluit voor te vervolgen. Sinds het vaststellen van de Tussenbalans II zijn er in RES-regio Amersfoort ontwikkelingen geweest waardoor het overgrote deel van de plannen voor opwek op land onderhevig zijn aan planuitval.
Het gaat om OER A28 (Vlasakkers, Leusderheide en knooppunt de Hoef) en de windturbine in Baarn die we samen met de gemeente hebben opgepakt. Dit betekent dat we hier mogelijk alsnog projectbesluiten voor zullen vervolgen. We zijn met de regio in gesprek over hoe deze planuitval opgevangen wordt. Voor de RES regio Foodvalley waren er voldoende plannen als het windplan in de gemeente Rhenen in categorie 2 mee wordt gerekend. De gemeenteraad heeft in de tussentijd een motie aangenomen om geen medewerking te verlenen aan windturbines en het is dan ook in de lijn der verwachting dat de gemeente Rhenen geen windenergie mogelijk wil maken in dit gebied. De provincie zal daarom met de regio in overleg treden over hoe dit opgevangen wordt als inderdaad blijkt dat Rhenen geen medewerking verleent aan windenergie. Aan de hand daarvan zal mogelijk alsnog een projectprocedure vervolgd worden en het besluit, waar dit document de onderbouwing van is, heeft dan ook geen betrekking op de gebieden in Foodvalley. Voor de RES regio U16 stonden verschillende wind- en zonplannen in categorie 2. De gemeente Wijk bij Duurstede had ons al verzocht het bevoegd gezag voor windenergie op te nemen en viel daarmee in categorie 1.
4 van 25
Inmiddels is met de gemeente Wijk bij Duurstede een bestuursovereenkomst gesloten. Voor de windplannen van zowel gemeente de Bilt als gemeente Utrecht moest een raadsbesluit nog duidelijkheid geven. Deze besluiten zijn genomen waardoor de windplannen van deze gemeenten mee kunnen tellen als categorie 1 plannen. Voor de zonplannen van gemeente Oudewater en gemeente De Ronde Venen zijn aanvullende stappen gezet. In de gemeente Oudewater heeft de gemeenteraad een besluit genomen om een gebied uit het afwegingskader open te zetten voor de realisatie van een zonneveld. In de gemeente de Ronde Venen is een raadsinformatiebrief (link) opgesteld op datum 5 november 2024 waarin duidelijk wordt dat voldoende plannen voor 2030 gerealiseerd zouden kunnen worden. Voor de zonplannen van gemeente Utrecht in categorie 2 is een raadsbesluit genomen. Het proces moet echter nog vormgegeven worden en er is op dit moment nog geen zicht op initiatiefnemers en niet overal duidelijkheid of grondeigenaren mee willen doen. Hierdoor is er onvoldoende houvast om in beeld te hebben dat de plannen voor 2030 gerealiseerd kunnen worden en de plannen staan in de Nota van de gemeente Utrecht dan ook als focusgebied voor realisatie tot 2035. Dit neemt niet weg dat deze plannen wel nodig zijn en dat het dus positief is dat de gemeente Utrecht hieraan werkt met zicht op realisatie net in de periode 2030 – 2035.
Daarbij is het goed om te benadrukken dat de gemeente Utrecht ook een groot aantal concrete plannen (zowel wind als zon) heeft die wel voor 2030 gerealiseerd kunnen worden en daarom in categorie 1 te vinden zijn.
2.3
Inzicht hoe groot tekort is dat ingevuld moet worden
Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven is voor de RES Amersfoort in de Tussenbalans II geconstateerd dat er voldoende concrete plannen in categorie 1 zijn en wordt er op dit moment geen keuze gemaakt voor aanvullende projectbesluiten in deze regio. Voor de RES Foodvalley is het windplan van gemeente Rhenen uit categorie 2 niet verder geconcretiseerd, waardoor de 0,1 TWh van het Utrechtse deel van de RES Foodvalley in 2030 vooralsnog niet gehaald wordt. Naar verwachting zal in maart 2025 duidelijk zijn of windenergie mogelijk is in gebied 99 in Rhenen. Omdat dit pas na voorliggende besluitvorming is, is besloten dit nader onderzoek af te wachten alvorens als provincie verdere stappen te nemen in de regio Foodvalley. Zowel gebied 99 als gebied 96, het andere kansrijke gebied in de regio Foodvalley, blijven daarmee in beeld voor provinciale projectbesluiten. Na afronding van het onderzoek zal de gemeente Rhenen een besluit nemen over gebied 99. Indien blijkt dat de gemeente Rhenen windenergie toch niet mogelijk wil maken in dit gebied, zal de provincie met de regio in overleg treden hoe dit opgevangen wordt, waarbij van de twee meest kansrijke gebieden in die deze regio in beeld zijn (96 en 99) bezien moet worden welke van deze twee gebieden in aanmerking komt voor een projectprocedure.
Voor de RES U16 was er voor 0,82 TWh aan concrete plannen in categorie 1 in de Tussenbalans II (zie tabel in bijlage 4 op p.27). Samen met de 0,5 TWh aan grootschalig zon op dak komt dit uit op 1,32 TWh. Zoals in hoofdstuk 2.2 aangegeven zijn er in het najaar van 2024 categorie 2 plannen concreet geworden: wind Utrecht (40 GWh), wind de Bilt (20 GWh), zon Oudewater (12 GWh) en zon de Ronde Venen (78 GWh). Bij elkaar is dit goed voor 0,15 TWh. Het totaal aan concrete plannen die voor 2030 gerealiseerd kunnen worden dus uit op 1,47 TWh. Hiermee blijft er dus een tekort van 0,33 TWh dat ingevuld moet worden. Van dit tekort wordt een deel ingevuld in gebieden waar gemeenten zelf al besluiten over hebben genomen. Gemeente Vijfheerenlanden is actief in meest kansrijke gebieden 57 en 59 terwijl hiervoor nog geen opwek stond in de Tussenbalans II. Gemeente Woerden is actief in meest kansrijke gebied 24 en hiervoor stond een opwek van 44 GWh in de Tussenbalans II terwijl dit aandeel hoger kan zijn. Gemeente Lopik is actief in meest kansrijke gebied 23 en hiervoor stond een opwek van 55 GWh in de Tussenbalans II terwijl dit aandeel (iets) hoger kan zijn. Gemeente Montfoort heeft een besluit genomen over windenergie in gebied 24, maar heeft hiervoor nog geen concreet proces opgepakt.
Samen kunnen de gemeenten Vijfheerenlanden, Woerden, Lopik en Montfoort 170 GWh extra opwek realiseren (zie hoofdstuk 4.2 voor meer informatie hierover). Hiermee blijft er 0,16 TWh over dat in overige gebieden ingevuld moet worden om het regionale doel van 1,8 TWh in 2030 te behalen.
5 van 25
Aantal TWh opbrengst per jaar Bovenkant bandbreedte zon op dak
0,5
Categorie 1 plannen Tussenbalans II (inclusief gerealiseerd)
0,82
Categorie 2 plannen Tussenbalans II die voldoende concreet zijn geworden
0,15
Opwek in windgebieden waar gemeenten actief zijn
0,17
Benodigde opwek in overige meest kansrijke gebieden in U16
0,16
Totaal
1,8
6 van 25
3 Aanpak selectie gebieden 3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe de aanpak van de selectie van gebieden is vormgegeven. Zoals is aangegeven in de Statenbrief Tussenbalans II RES worden een aantal door Provinciale Staten vastgestelde kaders als uitgangspunt genomen in de selectie van de gebieden waar een projectbesluit wordt vervolgd. Deze kaders zijn: - Motie ‘Wie goed doet, goed ontmoet’ In uitvoering van de motie ‘Wie goed doet, goed ontmoet’ van maart 2024 zullen de meest kansrijke gebieden in gemeenten die al concrete, vergevorderde plannen hebben voor duurzame energie als laatste worden overwogen voor een projectbesluit. Als eerste zullen daarom gemeenten worden overwogen waar nog geen vergunningen verleend zijn voor wind- en zonneparken. - Omgevingsvisie De Omgevingsvisie bevat de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving. PS hebben de Omgevingsvisie in 2021 vastgesteld. De Omgevingsvisie heeft voor veel beleidsterreinen kaderstellend beleid dat van invloed is op de keuze van gebieden voor windenergie, zoals voor het NNN, weidevogelkerngebieden, UNESCO Werelderfgoed en stiltegebieden. Dit beleid heeft doorgewerkt in de selectie van de 27 kansrijke gebieden voor windenergie en werkt nu ook door bij de nadere selectie van gebieden die in aanmerking komen voor een projectbesluit.
- Besluit Tussenbalans 2022 In het besluit over de Tussenbalans in 2022 zijn een aantal aandachtspunten meegegeven die bij de selectie van de gebieden meegenomen worden: • Kwaliteit van de leefomgeving, in het bijzonder gezondheidsaspecten en beperken van geluidshinder; • Ecologie, met specifiek aandacht voor risico op slachtoffers van vogels en vleermuizen; • Landschap, waarbij wordt aangesloten bij de denkrichtingen in de RES’en zoals opwek bij hoofdinfrastructuur en vanuit een regionaal, gemeentegrens overstijgend perspectief; • Aansluitbaarheid op en efficiënte benutting van het elektriciteitsnet. - Lokaal eigendom Zoals is opgenomen in het Beleids- en toetsingskader Lokaal Eigendom en Participatie bij windenergieprojecten zullen gebieden met een grotere kans op een hoger percentage lokaal eigendom een grotere kans hebben om voor een projectbesluitprocedure gekozen te worden. Voor projectbesluiten zal alleen gekeken worden naar gebieden waar een minimum van 50% lokaal eigendom gerealiseerd zal worden. - Advies burgerforum Ook het advies van het burgerforum uit 2023 wordt meegenomen in de keuze voor de gebieden voor projectbesluiten. De prioritering vanuit het burgerforum van keuzes die gemaakt kunnen worden in de afweging tussen gebieden is als volgt: 1. Kies voor plekken die zorgen voor zo weinig mogelijk extra overlast voor mensen. 2.
Kies voor plekken waar de natuur en dieren er het minst last van hebben. 3. Kies voor plekken waar je windmolens bij elkaar kunt zetten (en er minder plekken nodig zijn). 4. Kies voor plekken waar de bevolking zeggenschap en het meeste voordeel kan hebben van de financiële opbrengst. 5. Kies voor plekken waar windmolens het best kunnen passen bij het landschap. 6. Kies voor plekken met de laagste kosten voor de maatschappij op gebied van aansluiting, proceduretijd etc. 7. Kies voor plekken waar windmolens helpen andere problemen die spelen in de maatschappij op te lossen. 8. Kies voor plekken die het minst invloed hebben op plekken die belangrijk zijn voor geschiedenis en cultuur.
7 van 25
Op basis van deze kaders zijn er afwegingen gemaakt tussen de gebieden, om zo tot een selectie van gebieden voor provinciale projectbesluiten te komen. Omdat de kaders niet op zichzelf staan en elkaar vaak overlappen, wordt niet elk kader los behandeld. In plaats daarvan is dit hoofdstuk opgebouwd aan de hand van een aantal bepalende factoren in de afwegingen tussen de kansrijke gebieden. In de rest van dit hoofdstuk wordt per onderwerp toegelicht hoe de afwegingen tussen gebieden zijn gemaakt en welke van de vijf kaders meespelen: - In paragraaf 3.2 wordt ingegaan op de motie ‘Wie goed doet, goed ontmoet’. - In paragraaf 3.3 wordt het aandachtspunt voor clustering en aansluiting van windenergie bij landschappelijke structuren en hoofdinfrastructuur behandeld. Deze aandachtspunten komen voort uit de Omgevingsvisie, het besluit van Provinciale Staten over de Tussenbalans 2022 en het advies van het burgerforum. - In paragraaf 3.4 wordt het onderwerp leefomgeving behandeld. Dit onderwerp komt is meegegeven als aandachtspunt in het besluit over de Tussenbalans in 2022. Ook de Omgevingsvisie geeft aandacht aan leefomgeving en vanuit het burgerforum is de hoogste prioriteit gegeven aan het kiezen voor plekken met zo weinig mogelijk extra overlast voor mensen.
- In paragraaf 3.5 wordt het onderwerp natuur behandeld, wat terugkomt in verschillende hoofdkeuzes die vanuit het burgerforum zijn geadviseerd. - In paragraaf 3.6 wordt behandeld hoe lokaal eigendom en de aanwezigheid van energiecoöperaties in de meest kansrijke gebieden meewegen in de selectie. In paragraaf 3.6 wordt toegelicht hoe aandacht wordt gegeven aan de motie ‘Wie goed doet, goed ontmoet’, waarin is besloten dat voor de keuze van gebieden eerst gekeken wordt naar gemeenten die nog geen vergunningen hebben verleend voor wind- en zonneparken. Ten slotte is de aansluitbaarheid op het net, zoals gesteld in het besluit van de Tussenbalans II, getoetst bij de totstandkoming van de meest kansrijke gebieden. Aangezien alle meest kansrijke gebieden reeds aansluitbaar zijn, heeft dit onderdeel niet meer meegewogen in de keuze voor de gebieden voor windenergie. Deze kaders leiden tot de keuze om als provincie in de gebieden 43 in Stichtse Vecht en gebied 8 in Oudewater en Montfoort de projectprocedure te vervolgen. Samen met de gebieden waar gemeenten de ruimtelijke procedure vervolgen of ons gevraagd hebben het bevoegd gezag op te nemen ontstaat daarmee het volgende beeld van gebieden voor windenergie in de provincie:
8 van 25
Figuur 2 gebieden voor windenergie (voor gebieden die gemeente zelf oppakt wordt provincie mogelijk alsnog verzocht het bevoegd gezag op te nemen, consequentie planuitval RES Amersfoort is niet in deze kaar verwerkt)
3.2
Motie ‘Wie goed doet, goed ontmoet’ + eventuele aanvullingen PS 13 nov
Met de Actualiteitenmotie M24-21: Wie goed doet, goed ontmoet roepen Provinciale Staten op om als allerlaatste die gemeenten te overwegen voor een inpassingsplan die, middels het bod van hun RES regio, reeds concrete plannen en inzet voor klimaatneutrale energieopwekking hebben. Zoals aangekondigd in de Statenbrief Tussenbalans II is geïnventariseerd welke gemeenten concrete plannen hebben voor duurzame opwek en daarmee al vergevorderd zijn (vergunning verleend of project gerealiseerd) in het leveren van een wezenlijke bijdrage in het gemeenschappelijk RES 1.0 bod. Uit deze inventarisatie komt naar voren dat 12 gemeenten in RES U16 al vergunningen hebben verleend en/of projecten gerealiseerd hebben. Voor de gemeenten Stichtse Vecht, Oudewater, IJsselstein en Zeist is dit niet het geval. Aangezien in de gemeente Zeist geen kansrijke gebieden voor windenergie liggen worden hier ook geen projectbesluiten vervolgd. De gemeenten Oudewater, Stichtse Vecht en IJsselstein worden in de keuze overwogen voordat naar de gebieden in de andere gemeenten wordt gekeken.
9 van 25
Voor RES-regio U16 zijn ook indicatieve bijdragen per gemeente opgenomen in RES 1.0. Indien deze motie zo uitgelegd zou worden dat de keuze van gebieden gerelateerd wordt aan in hoeverre een gemeente gevorderd is met deze indicatieve bijdrage komen er naast de eerder genoemde Oudewater, IJsselstein, Stichtse Vecht en Zeist meer gemeenten bij: Nieuwegein: hier ligt geen kansrijk gebied Utrecht: in deze gemeente ligt één kansrijk gebied dat reeds door de gemeente zelf wordt opgepakt Utrechtse Heuvelrug: hier ligt bij Overberg kansrijk gebied 96 waar in U16 slechts ruimte is voor 2 turbines en dus geen clustering mogelijk is Lopikerwaard gemeenten: Het gemeenschappelijk indicatief aandeel wordt niet gehaald, dus naast Oudewater en IJsselstein komen dan ook Woerden, Montfoort en Lopik in beeld waar al meest kansrijke gebieden worden opgepakt.
3.3
Clusters van windenergie, en aansluiten bij landschappelijke structuren en hoofdinfrastructuur
Een van de twee centrale uitgangspunten van de Omgevingsvisie is het concentreren en combineren van nieuwe ontwikkelingen om zorgvuldig om te gaan met de schaarse ruimte en kwaliteiten. In paragraaf 4.3 van de Omgevingsvisie (Duurzame energie) is een en ander geconcretiseerd en is onder meer opgenomen dat concentratie van duurzame energiebronnen (waaronder wind) nodig is om spreiding in het landschap te voorkomen en om de energie-infrastructuur optimaal te benutten. Bij de locatiekeuze van grootschalige hernieuwbare energieopwekking sluiten we aan op landschappelijke structuren, zodat deze structuren herkenbaar blijven, en bij voorkeur ook op hoofdinfrastructuur zoals snel- en waterwegen. Daarbij gaat de voorkeur uit naar een ruimtelijke samenhangend geheel van meerdere windturbines boven solitaire plaatsing. Ook gaat de voorkeur uit naar plaatsing op of nabij bedrijventerreinen. In het besluit over de Tussenbalans 1 van 2022 is landschap genoemd als aandachtspunt bij de nadere selectie van gebieden. Daarbij moet er worden aangesloten op de denkrichtingen in de RES’en, zoals opwek bij hoofdinfrastructuur en een benadering vanuit een regionaal, gemeentegrens overstijgend perspectief. Tot slot komt clustering van windenergie terug in het advies van het burgerforum.
Na de onderwerpen ‘leefomgeving’ en ‘natuur’ is als 3e hoofdkeuze meegegeven in hun advies: Kies voor plekken waar je windmolens bij elkaar kunt zetten en er minder plekken nodig zijn. Hierbij zijn meerdere adviezen op dit punt meegegeven, waarbij o.a. 90% van het burgerforum aangaf dat clusteren mag leiden tot een ongelijke verdeling van windlocaties over de regio’s in de provincie. Ook heeft het burgerforum voorkeur uitgesproken om bedrijventerreinen en infrastructuur te benutten voor plaatsing van windturbines. De punten uit de bovenstaande kaders sluiten vrijwel naadloos op elkaar aan en hebben als boodschap om windenergie te concentreren op een beperkt aantal locaties en bij voorkeur langs hoofdinfrastructuur, waarbij er rekening moet worden gehouden met de landschappelijke structuren. Door te kiezen voor deze clustering wordt voorkomen dat er een groter aantal kleinere locaties moet worden geselecteerd. Dit heeft als belangrijk voordeel dat het verstorende effect op het landschap en negatieve effecten op de landschappelijke beleving wordt beperkt. In de keuze van gebieden wordt dan ook, voor beoordeling van de andere factoren die hieronder volgen, eerst gekeken naar dit uitgangspunt.
3.4
Leefomgeving
In het besluit over de Tussenbalans I van september 2022 hebben Provinciale Staten gevraagd bij de selectie van gebieden aandacht te geven aan de kwaliteit van de leefomgeving, in het bijzonder gezondheidsaspecten en
10 van 25
het beperken van geluidshinder. Bovendien is vanuit het advies van het burgerforum de eerste prioriteit gegeven aan het kiezen voor plekken die zorgen voor zo weinig mogelijk extra overlast voor mensen. Tot slot is in de Omgevingsvisie het streven opgenomen om bij woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen voor 2030 te voldoen aan de WHO-advieswaarden voor geluid van winturbines, in aanvulling op wettelijke vereisten. Voor alle meest kansrijke gebieden kan hieraan voldaan worden. Bij de keuze voor de meest kansrijke gebieden heeft het aspect leefomgeving al het zwaarste meegewogen. Daarnaast is in deze stap voor de keuze van gebieden waar projectbesluiten vervolgd worden rekening gehouden met leefomgeving door gebieden te kiezen met relatief weinig woningen in de omgeving, of door slechts een deel van het gebied te benutten, waardoor de afstand tot woningen en woonkernen groter wordt.
3.5
Natuur
In het besluit over de Tussenbalans I van september 2022 hebben Provinciale Staten gevraagd bij de selectie van gebieden aandacht te geven aan ecologie, met specifiek aandacht voor risico's op slachtoffers van vogels en vleermuizen. Ook is in het advies van het burgerforum als tweede prioriteit aangegeven om te kiezen voor plekken waar de natuur en dieren het minste last hebben van windturbines. Daarmee is dit aspect ook zeer bepalend geweest voor de keuze van de meest kansrijke gebieden. Bij de keuze van gebieden om nu projectbesluiten te vervolgen is rekening gehouden met de te verwachten effecten op soorten door gebieden te kiezen die vanuit het planmilieueffectrapport windenergie provincie Utrecht beter zijn beoordeeld op ecologie. Zoals ook te lezen in hoofdstuk 5 scoren de gekozen gebieden op ecologie ‘5’ of ‘6’ uit het planmilieueffectrapport, hetgeen een relatief goede score is voor ecologie.
3.6
Lokaal eigendom
Lokaal eigendom is belangrijk om de lokale omgeving financieel te laten meeprofiteren van windenergie en om te zorgen voor zeggenschap van de omgeving. Hiermee is het ook mogelijk om, zoals de Omgevingsvisie aangeeft, duurzame energiebronnen te combineren met andere doelen, waarbij grootschalige opwek ook middelen kunnen genereren voor andere doelen. Provinciale Staten hebben het Beleids- en toetsingskader Lokaal Eigendom en Participatie bij windenergieprojecten vastgesteld. Hierin is aangegeven dat bij de selectie van de gebieden in fase 1 gekeken wordt waar de grootste kansen voor de realisatie van lokaal eigendom zijn, met daarbij 50% als minimum, 51-99% als wenselijk en 100% als streven. Er is daarom door Energie van Utrecht een analyse gemaakt van de kansen voor lokaal eigendom in alle meest kansrijke gebieden. Dit rapport en de lijst van de gebieden zijn als bijlage toegevoegd. Er is in eerste instantie gekeken naar de gebieden waar gemeenten voor 2024 al besluiten over hadden genomen. In deze gebieden is een ervaren energiecoöperatie actief die minimaal 50% lokaal eigendom wil en kan realiseren. Er zijn ook gebieden waar gemeenten in 2024 de provincie hebben gevraagd om het bevoegd gezag op te pakken (Wijk bij Duurstede en OER A28). In al deze gebieden is een volwassen coöperatie aanwezig waarmee minimaal 50% lokaal eigendom gerealiseerd kan worden.
Ook in gebieden waar gemeenten sinds dit jaar zelf stappen hebben gezet (Utrecht, de Bilt) zijn lokale energiecoöperaties actief om lokaal eigendom te realiseren. In veel van de overige meest kansrijke gebieden staan ook energiecoöperaties klaar om aan de slag te gaan met lokaal eigendom. In gemeenten waar meerdere meest kansrijke gebieden zijn hebben energiecoöperaties soms voorkeuren voor een gebied en/of keuzes gemaakt op basis van de kans op realisatie van lokaal eigendom. In veel gevallen hebben deze keuzes te maken met eerdere voorkeuren van gemeenten waardoor energiecoöperaties al tijd hebben gehad op stappen te zetten in gebieden. Deze voorkeuren zijn meegenomen in de keuze voor gebieden (hoofdstuk 4) en per gebied terug te vinden in hoofdstuk 5.
11 van 25
4 Keuze gebieden In dit hoofdstuk wordt de aanpak voor selectie van gebieden zoals omschreven in hoofdstuk 3 uitgewerkt tot de keuze van gebieden.
4.1
Gebieden die al eerder gekozen zijn gerealiseerd zijn
In de provincie Utrecht zijn door gemeenten eerder al gebieden gekozen die gerealiseerd zijn of verder in de procedure zijn. In dit document wordt niet diep ingegaan op deze keuze, maar de gebieden worden wel benoemd gezien de ruimtelijke samenhang die gezocht wordt bij nieuwe keuzes die gemaakt worden. Op de kaart (Figuur 2) zijn deze windenergieprojecten die gerealiseerd zijn of verder in procedure zijn dus ook te zien. Gerealiseerd zijn: Lopik (3 windturbines), Mijdrecht (1 windturbine), Houten (3 windturbines), Nieuwegein (5 windturbines) en Vianen (3 windturbines). Verder in de procedure zijn: Goyerbrug (4 windturbines), Rijnenburg/Reijerscop (4 windturbines) en Isselt (2 windturbines).
4.2
Gebieden die door gemeenten zijn gekozen
De provincie Utrecht wil zo goed mogelijk aansluiten op de keuzes van gemeente(raden). Daarom worden de door gemeenten gekozen gebieden omarmd. Sommige gemeenten hebben bij de keuze voor gebieden aangegeven de provincie te vragen om de procedure te doorlopen. Andere gemeenten hebben de keuze gemaakt om dit zelf te doen. Beide keuzes worden door de provincie gerespecteerd, waarbij er door de provincie wel een aantal kaders meegegeven wordt bij de uitwerking. In alle gevallen wordt aan gemeenten gevraagd om bij de uitwerking rekening te houden met het Beleidskader Lokaal Eigendom en Participatie bij windenergieprojecten en met de kaders uit de Provinciale Omgevingsverordening. RES Foodvalley In de RES regio Foodvalley had de gemeente Rhenen een besluit genomen om samen met gemeente Wageningen een onderzoek te doen naar windenergie in gebied 99. De gemeenteraad van Rhenen heeft onlangs een motie aangenomen waarin wordt aangegeven dat de gemeente geen windenergie wenst in dit gebied. Het college zet het onderzoek wel door en de resultaten hiervan worden in Q1 2025 verwacht. RES Amersfoort In de RES regio Amersfoort hebben gemeenten gezamenlijk een bod gedaan. Hierin zitten de windenergiegebieden waar de gemeente Amersfoort zelf mee aan de slag gaat (Isselt en de Hoef).
Daarnaast zijn er drie gebieden waarvoor gemeenten de provincie verzoeken om het bevoegd gezag op te pakken (Baarn en 2 gebieden OER A28). Inmiddels is door het besluit van defensie om geen windenergie toe te staan bijna de helft van het bod van de regio weggevallen. Daarnaast is eind november door de gemeenteraad van Baarn een motie aangenomen waarin opgeroepen wordt om de onderzoeken die we samen met gemeenten gestart zijn te staken tot in ieder geval 2026. Daarmee komt ook het aandeel van de gemeente Baarn voor opwek op land in de regio te vervallen. Momenteel wordt in regioverband gekeken hoe hiermee om wordt gegaan. RES U16 In de RES regio U16 hebben meerdere gemeenten (nieuwe) besluiten genomen over windenergiegebieden, namelijk: Wijk bij Duurstede, Utrecht, De Bilt, Lopik, Woerden, Montfoorten Vijfheerenlanden. Gemeente Wijk bij Duurstede: De gemeente heeft een raadsbesluit genomen waarmee de provincie gevraagd wordt om de rol van bevoegd gezag voor gebied 78 op te pakken. De provincie pakt dit samen met de gemeente op met aandacht voor de motie die door de gemeenteraad hierbij is aangenomen. In dit gebied is ruimte voor 100 GWh. Het participatieproces wordt in het gebied in Wijk bij Duurstede ook opgestart, conform afspraken met de gemeente die middels een bestuursovereenkomst zijn vastgelegd (zie betreffend memo).
12 van 25
Gemeente Utrecht: In de beleidsnota ‘Opwekgebieden voor schone energie’ heeft de gemeente het gebied op Lage Weide (49) als focusgebied opgenomen. De provincie gaat ervanuit dat de gemeente dit gebied verder brengt en dat daar minimaal 40 GWh met windenergie opgewekt zal worden. Gemeente de Bilt: De gemeenteraad heeft een besluit genomen om verder te gaan met gebied 67. De provincie gaat ervanuit dat de gemeente dit gebied verder brengt en dat daar minimaal 20 GWh met windenergie opgewekt zal worden. Gemeente Lopik: De gemeenteraad van Lopik heeft het Duurzaamheidsplan 2024-2025 vastgesteld waarin de mogelijkheden voor het grootschalig opwekken van zonne- en windenergie nabij bedrijventerrein De Copen staan, op de plek van het huidig windpark. In het planMER kwam naar voren dat hier ruimte is voor 73 GWh aan windenergie. De provincie werkt hierin samen met de gemeente en heeft een intentieovereenkomst gesloten. In navolging daarvan worden nadere afspraken gemaakt tussen provincie en gemeente over de ruimtelijke procedure voor windenergie. Gemeente Woerden: De provincie is verheugd met de inzet van de gemeente Woerden voor windenergie. De gemeenteraad van Woerden heeft polder Reijerscop aangewezen als zoekgebied voor windenergie (gebied 24) met als doel om 38-44 GWh met windenergie op te wekken.
In polder Reijerscop is gemeente Woerden gestart met een gebiedsproces en is hiervoor een toetsingskader ter inzage gelegd. Omdat met 44 GWh de ruimtelijke mogelijkheden niet optimaal benut worden, heeft de provincie een zienswijze op dit toetsingskader ingediend met de oproep om meer opwek mogelijk te maken. Een hogere opwek in dit gebied is nodig voor clustering en om geen extra gebieden nodig te hebben. Er is in dit gebied in de gemeente Woerden bij een optimale benutting minimaal ruimte voor 140 GWh. Gemeente Montfoort: De gemeenteraad heeft een besluit genomen over het toepassen van de Wet voorkeursrecht gemeenten op een aantal percelen in gebied 24 en over een plan van aanpak naar windenergie in dit gebied. De provincie omarmt deze keuze voor gebied 24 gezien het feit dat er een lijnopstelling langs de A12 mogelijk is en een logische landschappelijke inpassing mogelijk is met de ontwikkelingen in polder Reijerscop door gemeente Woerden. Dit betekent dat de focus ligt op het noordelijk deel van gebied 24 en dat het zuidelijk deel op dit moment niet aan de orde is. Als alleen de lijn langs de A12 wordt gevolgd en het zuidelijk deel buiten beschouwing blijft is er in gebied 24 in Montfoort in ieder geval ruimte voor 60 GWh. De gemeenteraad van Montfoort heeft in de planning om begin 2025 een onderzoekskader windenergie vast te stellen voor dit gebied.
Gemeente Vijfheerenlanden: De provincie is verheugd met de inzet van de gemeente Vijfheerenlanden voor windenergie en dat de gemeente concreet aan de slag gaat met 3 project m.e.r. in de gebieden Autena, Tienhoven en Zijderveld. Uit het plan MER kwam naar voren dat er een potentie is voor in totaal 166 GWh in deze drie gebieden. De provincie gaat ervanuit dat de gemeente voorspoedig doorgaat met het proces gezien het commitment dat de gemeenteraad heeft uitgesproken. Het is nodig om in de gemeenten Lopik, Woerden, Montfoort en Vijfheerenlanden gezamenlijk minimaal 270 GWh aan windenergie mogelijk te maken om niet voor meer gebieden projectprocedures te vervolgen dan nu besloten. De volledige potentie van de gebieden 23, 24 57 en 59 is op basis van het planMER 508 GWh. Met 270 GWh opwek in deze gebieden is het niet nodig om aanvullend aan de gebieden 8 en 43 voor extra gebieden projectbesluiten te nemen. Het is echter wel nodig dat deze gemeenten, zoals in ieder geval al in de gemeenten Woerden en Montfoort is voorzien, uiterlijk 15 mei 2025 een besluit hebben genomen over de opwek in deze gebieden. Aan de hand van deze besluiten zal bekeken worden of de benodigde 270 GWh gezamenlijk gehaald wordt. Indien dit niet het geval is, wordt voor 15 juli 2025 een besluit genomen in welk(e) gebied(en) de provinciale projectprocedure alsnog vervolgd wordt.
13 van 25
4.3
Keuze aanvullende gebieden RES U16
Zoals aangegeven in de Tussenbalans II zijn er in de RES-regio U16 aanvullende gebieden voor windenergie nodig om de RES-doelen in 2030 te kunnen halen. Een deel van deze aanvulling zit in de gebieden gekozen door gemeenten (4.2). Er blijft echter nog 160 GWh aan opwek nodig om de 1,8 TWh te kunnen behalen. Op 20 maart 2024 is de motie ‘Wie goed doet, goed ontmoet’ aangenomen. In uitvoering van deze motie wordt zoals aangegeven in de Statenbrief Tussenbalans II gekeken welke gemeenten concrete plannen hebben voor duurzame opwek en daarmee al vergevorderd zijn (vergunning verleend of project gerealiseerd) in het leveren van een wezenlijke bijdrage in het gemeenschappelijk RES 1.0 bod. De gebieden in deze gemeenten zullen als laatste overwogen worden voor een projectbesluit. Dit betekent dat bij de keuze van gebieden eerst gekeken wordt naar gemeenten die nog geen vergunningen verleend hebben voor wind- en zonneparken. In de regio U16 zijn dit IJsselstein, Oudewater, Stichtse Vecht en Zeist. Gemeente Zeist heeft geen meest kansrijk gebied voor windenergie en hier kan dus geen gebied gekozen worden. In de gemeente IJsselstein ligt een heel klein stukje van gebied 42 (grotendeels in gemeente Lopik).
Er is gekeken of hier een projectbesluit mogelijk zou zijn, maar dit is niet het geval om een aantal redenen: • Gebied 42 kwam als meest kansrijk naar voren, maar dit was op basis van een optimalisatie uit het planmilieueffectrapport windenergie provincie Utrecht. Bij deze optimalisatie is afstand gehouden tot de woonkern in IJsselstein waardoor er aanzienlijk minder woningen in de buurt van het windpark liggen. Het deel van dit gebied in gemeente IJsselstein zou veel minder goed scoren in de multi-criteria analyse en zou niet als meest kansrijk naar voren komen. • De gemeente IJsselstein heeft woningbouwplannen aan de zuidkant van IJsselstein. De provincie Utrecht heeft deze plannen niet opgenomen in het provinciaal programma werken en wonen, maar is wel in gesprek met de gemeente over woningbouw aan de zuidkant. Windturbines in dit deel van gebied 42 zouden niet te combineren zijn met de woningbouwplannen. • In het deel van gebied 42 dat in gemeente IJsselstein ligt zou 1 windturbine (of hooguit 2) geplaatst kunnen worden. Dit gaat tegen de wens voor clustering van windturbines die komen uit de Omgevingsvisie en het advies van het burgerforum. In de gemeente Stichtse Vecht liggen 3 meest kansrijke gebieden voor windenergie (35, 39 en 43).
Voor de keuze tussen deze gebieden is in eerste instantie gekeken naar het uitgangspunt van clustering en aansluiten bij landschappelijke structuren en hoofdinfrastructuur. Hierbij komt naar voren dat alle drie de gebieden de mogelijkheid geven voor een logische landschappelijke inpassing langs hoofdinfrastructuur (Amsterdam rijnkanaal, spoor en/of snelweg). Gebied 43 is het gebied waar de grootste kans op concentratie aanwezig is. In de overige gebieden is er minder ruimte voor clusteren van windturbines. Aangezien deze gebieden in de buurt van de Hollandse Waterlinies liggen is een Heritage Impact Assessment (HIA) uitgevoerd om te onderzoeken wat de mogelijkheden voor
14 van 25
windenergie zijn in relatie tot de Hollandse Waterlinies en erfgoed. Uit deze analyse komt naar voren dat de kansen het grootst zijn in het midden van het westelijk deel van gebied 43. Daarnaast is het gebied ook goed in lijn met de overige kaders die in hoofdstuk 3 zijn omschreven. De uitgebreidere onderbouwing van deze locatie is te vinden in 5.3. Overigens is de HIA ook uitgevoerd voor gebied 38 in De Ronde Venen. Daar blijkt windenergie niet verenigbaar met Hollandse Waterlinies. In de gemeente Oudewater liggen 3 meest kansrijke gebieden voor windenergie (1, 8 en 18). Gebied 18 ligt deels in de gemeente Oudewater en voor het grootste deel in gemeente Montfoort. Hier is gekozen voor gebied 8. Door op regionaal niveau uit te gaan van concentratie op een beperkt aantal locaties ontstaan een ruimtelijk samenhangend geheel van clusters in een lange lijnopstelling ten zuiden van A12. Zo wordt aangesloten op de geplande turbines in de gemeente Utrecht, ontstaat er de mogelijkheid een lange lijn van turbines te realiseren die naar het westen doorloopt richting Woerden, Montfoort en Oudewater, met een onderbreking bij het dorp Linschoten en Landgoed Linschoten. Vanaf Oudewater kan voor de aansluiting op hoofdinfrastructuur naast de A12 ook de spoorlijn worden benut. De gebieden 1 en 18 liggen dusdanig ver van de A12 dat het niet mogelijk is om de visuele lijn door te trekken.
Daarnaast is gebied 8 ook goed in lijn met de overige kaders die in hoofdstuk 3 zijn omschreven. De uitgebreidere onderbouwing van deze locatie is te vinden in 5.2. In samenhang met de gebieden die gemeenten hebben gekozen ontstaat, binnen de gegeven kaders, een balans tussen optimalisering van de clustering langs hoofdinfrastructuur en spreiding over de regio: Stichtse Vecht langs Amsterdam-Rijnkanaal (43 80 GWh), lange lijnopstelling ten zuiden van A12 (24 en 8) , De Copen in Lopik in opschaling van het bestaande windpark (23) , Vijfheerenlanden bij A2 (57 en 59). In de gemeente Vijfheerenlanden zal de opgave langs de A2 worden gerealiseerd waardoor ook hier aangesloten wordt op hoofdinfrastructuur. Om te kunnen voldoen aan het uitgangspunt van concentratie is het wel nodig dat gemeenten Montfoort en Woerden de potentie in het gebied 24 benutten. Het gebied in Lopik sluit niet aan op hoofdinfrastructuur, maar ligt wel bij een bedrijventerrein, hetgeen ook een sturende factor vanuit de omgevingsvisie is zoals beschreven in 3.3.
15 van 25
In onderstaande afbeelding is een overzicht gegeven van de plannen in regio U16 die de komende periode verder uitgewerkt worden door gemeenten en waar de provincie een projectprocedure vervolgt In Figuur 3 is aanvullend hierop te zien welke gebieden al vergund (groen) en gerealiseerd (oranje) zijn. Figuur 3 gebieden windenergie U16
16 van 25
5 Uitwerking per gebied 5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de keuze voor gebieden 8 in Oudewater en 43 in Stichtse Vecht nader onderbouwd. We gaan ervan uit dat de gemeenten Lopik, Woerden, Montfoort en Vijfheerenlanden gezamenlijk voldoende opwek realiseren, zodat er geen aanvullende gebieden nodig zijn voor een provinciaal projectbesluit. Indien dit niet het geval is, zal de provincie voor 15 juli 2025 beslissen in welke aanvullende gebieden een projectprocedure vervolgd zal worden.2.3 In het geval het nodig blijkt in gemeente Woerden of Montfoort aanvullend windenergie mogelijk te maken , zal de provincie hier de projectbesluitprocedure vervolgen in gebied 24. Daarom wordt ook de keuze voor dit gebied nader onderbouwd in dit hoofdstuk. Voor de gemeente Vijfheerenlanden en Lopik geldt dat op dit moment nog geen keuze wordt gemaakt in welk van de kansrijke gebieden een aanvullende projectprocedure vervolgd wordt indien dat nodig blijkt. Voor de gemeenten Utrecht en de Bilt zijn er geen andere ‘meest kansrijke gebieden voor windenergie’ dan die welke de gemeente zelf gekozen hebben voor hun procedures. Daarnaast worden in dit hoofdstuk voor deze gebieden nadere aandachtspunten meegegeven.
5.2
Gebied 8 Oudewater en Montfoort
Algemeen Gebied 8 ligt deels in de gemeente Oudewater en deels in de gemeente Montfoort. De verwachting is dat in gebied 8 jaarlijks ongeveer 80 GWh aan duurzame energie kan worden opgewekt met windturbines, waarvan 40 GWh in het Montfoortse deel en 40 GWh in het deel in Oudewater. In gemeente Oudewater liggen naast (een deel van) gebied 8 ook meest kansrijk gebied 1 en (een deel van) meest kansrijk gebied 18. Vergeleken met gebieden 1 en 8 haalt gebied 18 in het planmilieueffectrapport windenergie provincie Utrecht vaker een negatieve score. Zo liggen er in gebied 18 – vergeleken met gebieden 1 en 8 – veel meer woningen binnen een straal van 500, 750 en 1000 meter van de gemodelleerde onderzoeksopstelling. Rond gebied 18 zijn bijvoorbeeld 909 woningen te vinden binnen een straal van 1000 meter rond de gemodelleerde onderzoeksopstelling, rond gebied 1 zijn dit 15 woningen en rond gebied 8 zijn dit 94 woningen. Dit betekent dat waarschijnlijk meer mensen overlast kunnen ervaren van een windpark in gebied 18 dan in gebied 1 of gebied 8. Gebied 18 heeft bovendien veel cultuurhistorische waarden: het ligt in het agrarisch cultuurlandschap, nabij een object van de Oude Hollandse Waterlinie en Landgoed Linschoten. Ook grenst het aan een van de weidevogelkerngebieden met de hoogste dichtheid aan weidevogels in de Utrechtse Waarden.
Daarnaast kennen delen van het gebied een hoge archeologische verwachting. Gebied 1 en gebied 8 halen beiden relatief goede scores in het planmilieueffectrapport provincie Utrecht. De provincie Utrecht kiest om verschillende redenen om de projectbesluitprocedure voort te zetten in gebied 8. Ten eerste is het in gebied 8 – in combinatie met gebied 24 en energielandschap Rijnenburg en Reijerscop (gemeente Utrecht) – mogelijk om parallel aan de A12 een samenhangende lijn van windturbines te vormen. Door te kiezen voor één lange lijn langs de A12 kan op regionaal niveau een concentratie van windturbines worden gerealiseerd en kan een ‘hagelslag’ van windturbines in de provincie Utrecht worden voorkomen. Belangrijk voordeel hiervan is dat het verstorende effect op het landschap wordt beperkt en waardevolle en stillere delen van het Groene Hart buiten beschouwing kunnen blijven. Door de lijn in het noorden van de Utrechtse Waarden in de buurt van de A12 te positioneren, wordt voorkomen dat kleine kernen ingesloten worden. Ten tweede komen windturbines door te kiezen voor gebied 8 dichter in de buurt te staan van plekken waar al veel bedrijvigheid en geluid is. Verder van de A12 en het stedelijk gebied af blijft het dan rustiger. Rust en stilte zijn ook gunstig voor de kwaliteit van het leefgebied van aanwezige dieren, waaronder weidevogels.
In het planmilieueffectrapport provincie Utrecht haalt gebied 1 vaker een slechtere score voor een criterium op het
17 van 25
milieuthema ecologie dan gebied 8. Dat wil zeggen dat de verwachting is dat eenzelfde windpark meer effecten zal hebben op aanwezige ecologische waarden in (en rondom) gebied 1 dan in gebied 8. Ten derde haalt gebied 8 in het planmilieueffectrapport windenergie provincie Utrecht ook relatief goede scores op de criteria van het milieuthema leefomgeving. Hoewel rond gebied 1 minder woningen liggen dan rond gebied 8, maken beide gebieden onderdeel uit van het alternatief ‘Leefomgeving’ in het planmilieueffectrapport windenergie provincie Utrecht. Dat betekent dat beide gebieden horen tot de in het planmilieueffectrapport windenergie provincie Utrecht onderzochte gebieden waarbij relatief gezien de minste effecten gelet op het milieuthema leefomgeving te verwachten zijn. Dit omdat rond deze gebieden onder andere relatief de minste woningen gelegen zijn, waardoor de verwachting is dat in deze gebieden zo min mogelijk mensen overlast zullen ervaren. Ten slotte is de keuze voor gebied 8 gemaakt omdat dit gebied groter is dan gebied 1. Dit betekent enerzijds dat het wellicht mogelijk is om meer windturbines in gebied 8 in te passen dan in gebied 1. In het planmilieueffectrapport windenergie provincie Utrecht omvat de gemodelleerde onderzoeksopstelling van windturbines bijvoorbeeld 4 windturbines, terwijl in gebied 1 de gemodelleerde onderzoeksopstelling 3 windturbines omvat.
Een groter gebied betekent ook meer flexibiliteit om met de posities van windturbines te ‘schuiven’ en om meerdere opstellingsvarianten te onderzoeken. Op die manier kan beter rekening worden gehouden met in het gebied aanwezige waarden, zoals de zichtlijn vanuit het landgoed Linschoten (rijksmonument) en kunnen de effecten op de omgeving worden verminderd. In de zone rond de A12 ligt ten slotte nog een meest kansrijk gebied, namelijk gebied 20. Gebied 20 ligt in de gemeente Woerden. Als gevolg van de motie ‘Wie goed doet, goed ontmoet’ wordt dit gebied niet als eerste overwogen voor een projectbesluit. Daarnaast heeft het ook ruimtelijk gezien de voorkeur om parallel aan de A12 een samenhangende lijn van windturbines te vormen. Deze samenhangende lijn wordt logischerwijs bereikt door – in combinatie met gebied 24 – te kiezen voor gebied 8, en niet voor gebied 20. Gebied 8, gebied 24 en energielandschap Rijnenburg en Reijerscop in gemeente Utrecht liggen allemaal ten zuiden van de A12, terwijl gebied 20 ten noorden van de A12 ligt. Bovendien kan windenergie in dit gebied impact hebben op de ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw en recreatie, tussen Woerden en Harmelen. Ook om deze reden wordt gebied 20 op dit moment niet verder overwogen voor een projectbesluitprocedure.
Nadere informatie en aandachtspunten bij dit gebied Bedrijvigheid en externe veiligheid Vanuit dit gebied gezien ligt aan de overkant van de A12 bedrijventerreinlocatie Van Zwietenweg Oost. Deze bedrijventerreinlocatie is opgenomen in het Provinciaal Programma Wonen en Werken 2021. Externe veiligheid is een aandachtspunt, maar hoeft geen belemmering te vormen. Relevante activiteiten in de omgeving zijn onder andere de spoorroute, de transportsnelweg A12, enkele propaantanks en twee buisleidingen. Verder geldt in het kader vitale en kwetsbare functies voor overstroombaar gebied dat er geen belemmeringen zijn voor windenergie. Ecologie De ecologiescore uit het planmilieueffectrapport windenergie provincie Utrecht voor dit gebied is 5: • N2000 gebiedsbescherming: wat betreft niet-broedvogels zijn er regelmatige vliegbewegingen van kleine zwaan en smient aangewezen in Broekvelden, Vetterbroek en Polder Stein. Incidentele aanvaringen en vermijding zijn niet uit te sluiten voor kleine zwaan en smient. • Soortenbescherming: wat betreft broedvogels zijn er veel voor windenergie gevoelige soorten te verwachten in het onderzoeksgebied. Wat betreft niet-broedvogels en vleermuizen zijn er redelijke aantallen voor windenergie gevoelige soorten te verwachten in het onderzoeksgebied.
• Weidevogels: het gebied zelf is minder geschikt voor weidevogels, maar de ligging van het gebied is kritisch door de nabijheid van weidevogelkerngebied. Afhankelijk van de opstelling is mogelijk barrièrewerking aan de orde. In het oostelijk deelgebied broeden relatief veel kieviten op maïsakkers
18 van 25
met hoog aanvaringsrisico en verstoringsrisico (verstoringsafstand ongeveer 300 meter vanaf windturbines). Nader onderzoek is nodig om te bepalen of en hoeveel compensatie voor weidevogels nodig is. De verwachting is dat met een stilstandvoorziening in het broedseizoen en/of het niet langer telen van mais in het oostelijk deel (in overleg met de agrariër) voor weidevogels een oplossing kan worden gevonden om hier windenergie mogelijk te maken. Voor het aspect soortenbescherming geldt ook dat nader onderzoek nodig is, en ook hier is de verwachting dat met mitigerende maatregelen als stilstand de risico's kunnen worden beperkt tot aanvaardbaar niveau Landschap, cultuurhistorie en archeologie Voor een goede inpassing in het gebied is het belangrijk om de structuur en de richting van het landschap te respecteren. De positionering wordt bij voorkeur afgestemd op de lintstructuur en de verkavelingsstructuur (veenweiden), en niet in lijn met de spoorweg. De keuze voor dit gebied langs de spoorlijn in lijn als sturende factor betekent niet dat de opstelling ook daadwerkelijk dezelfde richting als het spoor moet volgen. Aan de noordzijde kan de positionering ook de A12 volgen. • •
Bij de uitwerking moet ook rekening worden gehouden met de zichtlijn vanuit de buitenplaats Linschoten. Het gebied heeft een lage archeologische verwachting.
Leefomgeving In het planmilieueffectrapport windenergie provincie Utrecht is gewerkt met gemodelleerde onderzoeksopstellingen van windturbines. In het planmilieueffectrapport is per gebied één onderzoeksopstelling gemodelleerd. De gemodelleerde onderzoeksopstelling van windturbines in een gebied was uitsluitend een (noodzakelijke) tussenstap in het planmilieueffectrapport, om een beoordeling van de onderzoeksgebieden mogelijk te maken. In dit gebied was dat een gemodelleerde onderzoeksopstelling van 4 windturbines. Het aantal woningen ten opzichte van de gemodelleerde onderzoeksopstelling in dit gebied is 18 woningen binnen een straal van 500 meter, 49 woningen binnen een straal van 750 meter en 94 woningen binnen een straal van 1000 meter. Een volgende stap is om verschillende onderzoeksopstellingen van windturbines binnen één gebied met elkaar te vergelijken. Op die manier kan op een gedetailleerder niveau onderzoek plaatsvinden naar de milieueffecten van windturbines. Wat geluid betreft wordt het gebied stiller naarmate de A12 verder weg is. Door windturbines dichter bij de A12 te plaatsen vindt er minder verstoring plaats in het relatief stillere deel van dit gebied. Uit het planmilieueffectrapport blijkt dat slechts een klein deel van dit gebied een gemiddeld cumulatief geluidsniveau van 50 dB Lden of lager kent.
Er liggen geen stiltegebieden van de provincie Utrecht in de nabijheid van dit gebied. Het dichtstbijzijnde stiltegebied in de provincie Utrecht ligt op bijna 5 kilometer afstand. Lokaal eigendom De energiecoöperatie in de gemeente Oudewater concentreert zich op gebied 8, en niet op gebied 1 of 18.
5.3
Gebied 43 Stichtse Vecht
Algemeen Gebied 43 ligt in de gemeente Stichtse Vecht. In dit gebied is ruimte voor bijna 200 GWh opwek. De verwachting is dat in dit gebied jaarlijks 80 GWh aan duurzame energie kan worden opgewekt met windturbines.
19 van 25
Zoals aangegeven in paragraaf 3.2 komt de gemeente Stichtse Vecht als een van de eerste gemeenten naar voren om een projectbesluit te overwegen. In deze gemeente liggen nog twee andere ‘meest kansrijke gebieden voor windenergie’, namelijk 35 en 39. Omdat deze gebieden in de attentiezone van het Afwegingskader Energie in Hollandse Waterlinies ligt is een analyse gemaakt wat de mogelijkheden voor windenergie zijn in relatie tot het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en overig erfgoed. Uit deze analyse komt naar voren dat de kansen het grootst zijn in het westelijk deel van gebied 43. In de andere gebieden is het niet mogelijk drie of meer turbines te positioneren zonder dat daar een groot negatief effect optreedt op de Outstanding Universal Value van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Van deze vier meest kansrijke gebieden in het noordwesten van de provincie Utrecht is gebied 43 ook het grootste gebied. Dit betekent dat in gebied 43 relatief meer mogelijkheden zijn om met de posities van windturbines te ‘schuiven’ en om meerdere opstellingsvarianten te onderzoeken. Doordat het gebied relatief groot is kan ook worden onderzocht of het mogelijk is om ruime afstand te houden tussen de windturbines en de omringende woonkernen, waaronder Loenen aan de Vecht en Vreeland.
Daarom zal, rekening houdend met de unieke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en de cultuurhistorische waarden in het gebied en afstand tot woonkernen, windenergie mogelijk gemaakt worden waarbij de inschatting is dat jaarlijks circa 80 GWh aan duurzame energie opgewekt kan worden in het gebied. Het is mogelijk om in gebied 43 opstellingsvarianten van windturbines te onderzoeken die aansluiten bij hoofdinfrastructuur. In dit geval gaat het om de lijn van het Amsterdam-Rijnkanaal. Nadere informatie en aandachtspunten bij dit gebied Bedrijvigheid en externe veiligheid Externe veiligheid is een aandachtspunt. Relevante activiteiten in de omgeving zijn onder ander geval de spoorroute en verschillende propaantanks, alsmede hoogspanningsleidingen aan de overzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal. In het meest zuidelijkste deel van het gebied ligt een (sport)kinderdagverblijf, aangemerkt als zeer kwetsbaar object. Verder geldt in het kader vitale en kwetsbare functies voor overstroombaar gebied dat er geen belemmeringen zijn voor windenergie.
Ecologie De ecologiescore uit het planmilieueffectrapport windenergie provincie Utrecht voor dit gebied is 5: • N2000: er is stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in drie Natura 2000 gebieden (beperkte tot hoge depositie op de nabijgelegen Oostelijke Vechtplassen op 1-2 kilometer afstand en beperkte depositie op Botshol en Naardermeer op 5-10 kilometer afstand). • N2000 gebiedsbescherming: wat betreft niet-broedvogels ligt het gebied binnen foerageerafstand en is er een potentieel foerageergebied soorten met instandhoudingsdoelstelling in Oostelijke vechtplassen (o.a. purperreiger en ganzensoorten). • Soortenbescherming: wat betreft broedvogels en niet-broedvogels zijn er redelijke aantallen gevoelige soorten te verwachten in dit gebied. • Weidevogels: dit gebied is gevoelig voor effecten op weidevogels. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of en hoeveel compensatie voor weidevogels nodig is. De verwachting is dat met een stilstandvoorziening in het broedseizoen voor weidevogels een oplossing kan worden gevonden om hier windenergie mogelijk te maken. Voor het aspect soortenbescherming geldt ook dat nader onderzoek nodig is, en ook hier is de verwachting dat met mitigerende maatregelen als stilstand de risico's kunnen worden beperkt tot aanvaardbaar niveau.
Omdat gebied 43 groot is, is de verwachting dat het mogelijk moet zijn om de locatie van de turbines zo te kiezen dat de negatieve effecten zo klein mogelijk blijven. Landschap, cultuurhistorie en archeologie
20 van 25
Het gebied is gelegen naast en in dezelfde lijn als het Amersterdam Rijnkanaal en de spoorverbinding UtrechtAmsterdam met iets verderop de A2. De lijn wordt ingepast in een zogenaamde infrastructuurbundel. Voor een goede landschappelijke inpassing heeft het de voorkeur om de positionering van windturbines te relateren aan het ritme van de boerderijen langs het kanaal. Ook is het wenselijk om zover mogelijk bij de Vecht vandaan te blijven. Het gebied ligt nabij het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Activiteiten rond het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies mogen de uitzonderlijke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed niet aantasten. Deze regels gelden altijd, het advies van het burgerforum (2023) om sommige andere waarden hoger te prioriteren dan cultuurhistorische waarden verandert dat niet. Er is een HIA uitgevoerd om de impact van eventuele windturbines in het noordwesten van de provincie Utrecht op het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies te beoordelen. In bijlage 3 is deze HIA te vinden. Uit dit onderzoek blijkt dat windturbines in twee van de vier meest kansrijke gebieden voor windenergie in dit deel van de provincie niet verenigbaar zijn met het beschermen van de uitzonderlijke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies (gebieden 38 en 39). Van gebied 35 blijkt dat alleen het noordelijkste deel verenigbaar is.
Aangezien dit een dusdanig klein gebied betreft, waar hooguit twee windturbines gerealiseerd kunnen worden, wordt ervoor gekozen om dit gebied niet aan te wijzen voor het vervolgen van een projectbesluitprocedure. In gebied 43 blijkt het mogelijk om de turbines dusdanig te positioneren dat het effect op het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies verwaarloosbaar is. Het betreft het midden van het westelijke deel van het gebied. Er geldt verder in het midden van het gebied met name een aandachtspunt voor de buitenplaatsenzone Vecht. Daar zal bij de uiteindelijke inpassing rekening mee gehouden moeten worden, evenals met de beschermde stads- en dorpsgezichten en de molenbiotopen. . Het midden en uiterste zuiden van het gebied hebben een hoge archeologische verwachting (crevasse en stroomgordels). De andere delen van het gebied hebben een lage archeologische verwachting. Leefomgeving In het planmilieueffectrapport windenergie provincie Utrecht is gewerkt met gemodelleerde onderzoeksopstellingen van windturbines. In het planmilieueffectrapport is per gebied één onderzoeksopstelling gemodelleerd. De gemodelleerde onderzoeksopstelling van windturbines in een gebied was uitsluitend een (noodzakelijke) tussenstap in het planmilieueffectrapport, om een beoordeling van de onderzoeksgebieden mogelijk te maken.