CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

K2. Beleidsplan VTH 2020-2023 Renswoude gewijzigde versie vastgesteld 22 november 2022

Gemeenteraad 6 december 2022, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen23.442 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

Chart Title 2016

2017

2018

2019

53 49 43 40

BM

8 31 4

in

O

nl e

4 1 2232 0230 0200 1 00

12 99 6

ric bo ht de in g m sy s te Fl Lo em or ze a & n Fa bu ite un n a in ric ht in g Ka pp en U itw eg

755

0

en ot

Aa nl

eg

ge

sl

Ve

ra nd

er en

Aa

ge lig

ei dv

3

6

gg en

ui

k

0020 1

br

di el m

ni ng

br an

ru i

ks

tic u eb G

Ve

rg un

Sl o

3

676

ng

r)

00

lie

ge da

pe

n

(n

ie

tp ar

5 ng

el di

00

12 4

n

en in g

ijk w

Sl oo

pm

Af

Bo uw

ac

tiv

ite

it

13 11 810 5 4

FIGUUR 5 VERDELING ACTIVITEITEN WABO De gemeente Renswoude toetst bouwplannen niet actief op het Bouwbesluit. Volstaan wordt met de volledigheidsbeoordeling. De constructieve toets wordt uitbesteed aan een externe partij en daarnaast wordt een externe partij ingeschakeld voor de volledige Bouwbesluittoets bij grotere bouwplannen of meer complexe bouwplannen zoals bijv. het dorpshart. Het aspect brandveiligheid wordt door de VRU beoordeeld.

22

Beleidsplan VTH 2020-2023

Urenverdeling activiteit bouwen uitgaande van landelijke kengetallen

919.5, 21% 1971, 45%

142, 3%

Uren Bouwbesluit Uren Bestemmingsplan Uren Casemanagement Uren Welstand

1149.5, 27% 176, 4%

Uren Constructie

FIGUUR 6 URENVERDELING OP JAARBASIS In bovenstaande urenraming is ervan uit gegaan dat het aanvragen betreft die passen in het bestemmingsplan. Echter is dit niet geheel waar. Van de 142 aanvragen voor de activiteit bouwen, zijn er 10 aanvragen waarbij tevens van het bestemmingsplan afgeweken wordt. Dit kan een kleine binnenplanse afwijking betreffen, maar ook een uitgebreide ruimtelijke procedure. Het is dan ook lastig in te schatten hoeveel tijd hier mee gemoeid gaat. Wel kan gesteld worden dat een en ander een redelijk beslag legt op de beschikbare tijd voor de vergunningverleners. De gemeente Renswoude kent een hoog aantal volledige aanvragen. Maar liefst 86% van de ingediende aanvragen om omgevingsvergunning wordt verleend zonder dat er een formeel verzoek om aanvullingen gedaan is. Dit betekent niet dat alle aanvragen ook daadwerkelijk volledig zijn. Als er een klein onderdeel mist, wordt er niet direct een formeel verzoek om aanvulling gedaan, maar wordt dit direct met de aanvrager gecommuniceerd. Veelal wordt dan de vereiste informatie alsnog tijdig verkregen. Dit valt te verklaren vanuit het DNA van Renswoude (zie § 4.1) waarbij een strikt formele opstelling niet past.

De inhoudelijke beoordeling van het Bouwbesluit bestaat in de praktijk uit verschillende onderdelen: de algemene beoordeling, de constructieve veiligheid, de brandveiligheid en de toetsing van aspecten, als de energiewaarden of installaties. Voor een aantal onderdelen wordt externe expertise (naast de inhuur eerder gememoreerd) geraadpleegd. Dit zijn in het kader van brandveiligheid de Veiligheidsregio, voor milieu de ODRU. Op verschillende punten werkt de afdeling aan constante verbetering van de vergunningverlening. Voor de bouwplantoetsing zijn de volgende punten van belang: • • • •

Vaststellen van toetsingscriteria voordat een besluit wordt genomen op een aanvraag om een vergunning. Dat gebeurt met de vaststelling van dit bouwbeleidsplan; hoe gaan we om met de bouwtechnische toets en in welke gevallen wijken we af van wet- en of regelgeving. Vaststellen van algemene normen voor goede dienstverlening door de organisatie. Werken aan de versnelling van procedures: streven naar een kortere doorlooptijd tijdens de behandeling van de aanvraag, omdat er minder wordt getoetst. Werken met digitale ondersteuning bij de toetsing, om de kwaliteit te vergroten.

6.5 Intrekken vergunningen

De gemeente Renswoude kende tot op heden geen specifiek beleid omtrent het intrekken van verleende vergunningen.

23

Beleidsplan VTH 2020-2023

Om te voorkomen dat bouwrechten die zijn verkregen uit een vergunning ongebruikt blijven bestaan en er daardoor mogelijk niet meer wordt voldaan aan geldende wet- en regelgeving of andere ontwikkelingen belemmeren, wordt actief gebruik gemaakt van de in de Wabo neergelegde bevoegdheid om verleende onherroepelijke vergunningen waarvan geen of niet langer gebruik wordt gemaakt, in te trekken. Hiertoe gelden de volgende uitgangspunten: 1. Indien binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning geen begin is gemaakt met het bouwen of als de bouwwerkzaamheden meer dan 26 weken stil hebben gelegen zal het college een omgevingsvergunning intrekken als sprake is van zwaarwegende belangen; 2. Zwaarwegende belangen doen zich voor als voor het gebied waarbinnen het vergunde bouwwerk is gesitueerd, een bestemmingsplan in voorbereiding is en het vergunde bouwwerk het toekomstig planologisch kader frustreert; 3. Indien geen sprake is van zwaarwegende belangen, maakt het college gebruik van haar bevoegdheid om een omgevingsvergunning in te trekken, indien 52 weken zijn verstreken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning of indien de werkzaamheden 52 weken stilgelegen hebben; 4. Voordat gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheid wordt een voornemen tot intrekking aan de vergunninghouder bekend gemaakt.

Indien de vergunning met de uitgebreide voorbereidingsprocedure is voorbereid, zal de intrekking ook met toepassing van afdeling 3.4. Awb worden voorbereid; 5. Indien de vergunninghouder naar aanleiding van het voornemen aannemelijk kan maken dat binnen drie maanden een aanvang (of herstart) gemaakt wordt de werkzaamheden, wordt de vergunninghouder een aanvullende termijn van 12 weken gegund. 6. Indien na afloop van de aanvullende termijn geen aanvang of herstart is gemaakt met de werkzaamheden, wordt de omgevingsvergunning direct ingetrokken. 7. De intrekking geldt tevens voor de onlosmakelijk met de bouwactiviteit verbonden activiteiten.

24

Beleidsplan VTH 2020-2023

FIGUUR 7 PROCES INTREKKING

6.6 Het bouwbeleid: toetsing op basis van criteria.

Toetsing hoeft in principe niet op alle onderdelen van het Bouwbesluit plaats te vinden. Met name bij kleine bouwwerken kan het opportuun zijn om hier een schifting in te maken. Het moet dan gaan om bouwwerken die qua omvang gelijk zijn met vergunningsvrije bouwwerken die niet aan het Bouwbesluit worden getoetst. Veiligheidsaspecten krijgen altijd aandacht, aspecten die vooral liggen op het vlak van consumentengemak, minder. Bij bouwwerken met publieke functies worden de belangrijke onderdelen extra gecontroleerd, in verband met het risico voor derden die het bouwwerk betreden. In de bijgevoegde matrix legt het college vast aan welke onderdelen van het Bouwbesluit zij zal toetsen en met welke intensiteit zij dit zal doen. Het college stelt hiermee prioriteiten in de bouwplantoetsing.

25

Beleidsplan VTH 2020-2023

6.6.1 Reikwijdte

Het bouwbeleidsplan en de toetsingsmatrix hebben uitsluitend betrekking op de voorschriften van het Bouwbesluit. De categorieën waarop getoetst wordt, worden in de toetsingsmatrix nader aangegeven. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt uiteraard ook getoetst op aspecten als welstand, bouwverordening en het bestemmingsplan. De beoordeling op deze aspecten vindt plaats aan de hand van andere beleidsplannen, zoals de welstandsnota en de geldende bestemmingsplannen. Daarnaast heeft de toetsingsmatrix uitsluitend betrekking op het traject van toetsing voor vergunningverlening, met opneming van eventuele voorwaarden. Wel geldt dat in het kader van het toezicht uiteraard geen volledige beoordeling plaats zal vinden op onderdelen die in het kader van vergunningverlening op een lager niveau zijn beoordeeld. Dit laat onverlet dat de eigenaar van een bouwwerk verplicht is om er voor zorg te dragen dat het bouwwerk voldoet aan het bepaalde in het Bouwbesluit. Uit het bouwbeleidsplan blijkt op welke onderdelen van het Bouwbesluit de toezichthouders controleren na vergunningverlening.

6.6.2 Hoofdlijnen Bouwbesluit

Het Bouwbesluit geeft voorschriften voor het bouwen van bouwwerken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in soorten van bouwwerken, namelijk woningen, woongebouwen, woonwagens en bouwwerken die niet voor bewoning bedoeld zijn, alsmede bouwwerken die geen gebouw zijn. Deze differentiatie in soorten bouwwerken is weer onderverdeeld naar een indeling in functies, zoals woonfunctie, bijeenkomstfunctie, winkelfunctie, etc. Deze gebruiksfuncties zijn belangrijk bij de toetsing, omdat de onderdelen waarop getoetst wordt en de mate waarin die toetsing plaatsvindt, mede afhankelijk is van die gebruiksfuncties. De voorschriften voor al deze gebruiksfuncties hebben betrekking op thema’s die de concrete aspecten bevatten die getoetst worden. Voorbeelden van die thema’s zijn veiligheid, gezondheid en energiezuinigheid. In de opzet van het Bouwbesluit is gestreefd naar een betere integratie van samenhangende onderdelen. Het is mogelijk om niet alles wat opgenomen is in het Bouwbesluit te beoordelen. De gemeente kan daar (gemotiveerd) van afwijken en de beoordeling afstemmen op de eigen beleidsprioriteiten en lokale situatie.

6.7 Toetsmatrix Vereniging Bouw- en Woningtoezicht

Landelijk is door de Vereniging Bouw - en Woningtoezicht een “toetsmatrix (LTB 2012)” opgesteld. Gemeenten kunnen dit gebruiken bij de bepaling van hun toetsprotocol. De matrix bevat vier niveaus van toetsing die staan voor de intensiteit waarin een onderdeel wordt getoetst. In de praktijk is er ook nog een niveau 0 mogelijk. Dit betekent dat bij de beoordeling van de aanvraag op het Bouwbesluit niet op dat aspect getoetst wordt. De Vereniging Bouw - en Woningtoezicht Nederland heeft het gemiddelde toetsniveau in Nederland geïnventariseerd van alle gemeenten die voor hun toetsing CBK online gebruikten. Dit is als standaard genomen voor de BRIS toets/toetsmatrix LTB 2012.

6.7.1 Toetsniveau’s De landelijke toetsmatrix (LTB 2012) werkt met vier niveaus van toetsing (niveau 1 t/m 4). Deze zijn als volgt omschreven.

Niveau 1 Uitgangspuntentoets: bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd op het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergegeven.

26

Beleidsplan VTH 2020-2023

Niveau 1 geeft in beginsel minimale invulling aan de taak van de toetsende instantie. Niveau 1 kan worden toegepast op voorschriften waarvan de kans dat daaraan niet wordt voldaan zeer gering is en waarvan bovendien de gevolgen van het niet voldoen daaraan zeer gering zijn. Met andere woorden, het gaat hierbij om voorschriften met een gering risico (= kans x effect). In het Bouwbesluit is het aantal voorschriften met 30% teruggebracht en de resterende voorschriften zijn daarom in principe zo relevant, dat het toekennen van niveau 1 in de matrix alleen nog uitzonderingen betreft. Indien relevante gegevens niet aanwezig zijn en het bevoegd gezag niet om aanvulling heeft gevraagd, dan kan de vergunning hier niet meer op worden aangehouden/geweigerd. Feitelijk is niveau 1 niet meer dan het beoordelen of alle stukken beschikbaar zijn die conform de Mor nodig zijn om de aanvraag (voor een bouwactiviteit) inhoudelijk te kunnen behandelen. Voorheen werd deze beoordeling aangeduid als de ontvankelijkheidstoets conform het besluit indieningsvereisten uit de Mor.

Niveau 2 Visueel toetsen: kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in de juiste vorm zijn, waarvan ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten aannemelijk zijn. Niveau 2 is inhoudelijk het basisniveau binnen de matrix. Het is mogelijk om op basis van een aannemelijke uitkomst een vergunning te verlenen, nadere gegevens te vragen of een aanvullende buitencontrole voor te schrijven. Een vergunning weigeren op basis van een niet aannemelijke uitkomst zal vrijwel altijd in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Indien een uitkomst niet aannemelijk is, zal de berekening altijd gecontroleerd/nagerekend moeten worden. Ook kan de aanvrager verzocht worden om door aanvulling van gegevens meer duidelijkheid te verschaffen.

Niveau 3 Representatief toetsen: controle van de maatgevende onderdelen. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten aannemelijk zijn. De maatgevende berekeningen worden gecontroleerd dan wel nagerekend. Niveau 3 is het niveau van toetsen voor voorschriften met betrekking tot veiligheid en gezondheid, met name van kwetsbare groepen. Niveau 3 is eveneens geadviseerd voor voorschriften die gesteld zijn in het algemeen belang. Het bepalen van wat de belangrijkste berekeningen zijn blijft een taak van de toetser. Hiervoor is geen eenduidige instructie te geven. Welke aspecten moeten worden nagerekend wordt bepaald op basis van de resultaten van de visuele toets.

Niveau 4 Volledig toetsen: alles in samenhang controleren. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd/ nagerekend.

27

Beleidsplan VTH 2020-2023

Niveau 4 komt in de matrix voor met betrekking tot toepassing van gelijkwaardige oplossingen (art. 1.3 van Bouwbesluit 2012) en energiezuinigheid bij de woonfunctie. In de praktijk zal toetsen op niveau 4 voorkomen wanneer de kwaliteit van de aanvraag dan wel de veronderstelde weigeringsgrond aanleiding geeft tot het zwaarder toetsen dan volgt uit de matrix. Niveau 4 is zeer geschikt om bepaalde al dan niet tijdelijke of gebiedsgewijze speerpunten binnen het gemeentelijk beleid extra invulling te geven, bijv. bij een project Duurzaam Bouwen, veiligheid bij wonen nabij een industriegebied. De toetsniveau’s zijn vooral van belang bij voorschriften waar een berekening aan ten grondslag ligt. In het geval van eenvoudige voorschriften, zoals de aanwezigheid van een buitenruimte, is een onderscheid tussen niveau 2, 3 en 4 nauwelijks te maken. In de toetsniveau’s wordt aangegeven dat vanaf niveau 2 wordt beoordeeld of een uitkomst aannemelijk is. De waarde van de inschatting of iets aannemelijk is, is sterk afhankelijk van de kennis en ervaring van de toetser. Het is aan het bevoegd gezag om vast te stellen of een toetser voldoende kennis en ervaring heeft om op niveau 2 te toetsen.

6.8 Toetsmatrix van de gemeente Renswoude 6.8.1 Opbouw matrix

Onderdeel van het Bouwbeleidsplan is de gedetailleerde toetsingsmatrix. Hiervoor is de landelijke toetsmatrix als voorbeeld genomen. De toetsmatrix voor Renswoude is opgesteld met in het achterhoofd de komst van de Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen. Bouwwerken die in gevolgklasse 1 vallen worden in beginsel op een lager niveau beoordeeld dan bouwwerken in Gevolgklasse 2 en hoger. Tevens is een uitzondering gemaakt voor bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan vergunningsvrije bouwwerken, maar dat door bijv. hun ligging niet zijn.

6.8.2 Uitgangspunten bij toetsing Uitgangspunt bij toetsing is de vraag in hoeverre het reëel is om een aanvrager op kosten te jagen voor het aanleveren van gegevens, terwijl met simpele teksten op tekening of d.m.v. opmeten van tekening een interpretatie kan worden gedaan. We streven er naar het voor de aanvrager zo eenvoudig mogelijk te houden Er worden steeds meer tekeningen digitaal ingediend. Is het reëel om zeer streng te zijn qua ontvankelijkheid, maar qua toetsniveau dat onderdeel zeer globaal te toetsen. Een specifiek voorbeeld hiervan zijn afmetingen van binnendeuropeningen of breedte afmetingen van toilet. Door steekproefsgewijs de afmetingen na te gaan, kan worden bepaald of het aannemelijk is dat wordt voldaan. Er hoeft daarom geen interne maatvoering van kleine onderdelen als afmeting deuren en positionering van deuren op tekening te staan.

6.8.3 Vergelijking toetsmatrix Renswoude met Landelijke matrix

De Bouwbesluittoetser van de Gemeente Renswoude toetst in vergelijking met de normering van de LTB 2012 minder intensief op een aantal onderdelen. Het college toetst een aantal artikelen in zijn geheel niet aan het Bouwbesluit, het zogenaamde niveau 0, dit om sneller en efficiënter te kunnen werken.

Niveau 0 Niveau 0 is het niet beoordelen of aan voorschriften voldaan wordt Het niet beoordelen komt in de landelijke toetsmatrix niet voor. In de landelijke matrix wordt als laagste niveau, niveau 1 toegepast. Hierbij wordt gecontroleerd of de globale uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen. Het college is van mening dat in bepaalde situaties het niet reëel is om te verlangen dat deze uitgangspunten op tekening staan. Voorbeeld een bouwwerk dat door zijn positionering vergunningplichtig is (aanbouw aan de openbare weg) maar de buren op de andere hoek van het blok die niet aan de openbare weg grenzen met hun tuin vergunningsvrij kunnen bouwen. Het college toetst hier voor vergunningverlening niet aan.

28

Beleidsplan VTH 2020-2023

Tevens bouwwerken die qua omvang gelijk zijn met vergunningsvrije bouwwerken worden niet getoetst. Een landelijke tendens is dat er steeds meer vergunningsvrij mag worden gebouwd. De overheid treedt hierbij terug en de aanvrager/bedrijfsleven wordt hierbij zelf verantwoordelijk om aan het Bouwbesluit te voldoen. De wetgever heeft qua risico inschatting bepaald bij de vergunningsvrije situaties dat de risico’s beperkt zijn. In de artikelen 2 en 3 van Bijlage II van het Bor is bepaald voor welke werken geen omgevingsvergunning activiteit bouwen benodigd is. In artikel 3 van bijlage II van het Bor is aangegeven dat bijbehorende bouwwerken lager dan 5 meter op het achtererfgebied vergunningsvrij zijn voor de activiteit bouwen. Een uitbouw of bijgebouw lager dan 5 meter aan de achterzijde mag dus alleen ruimtelijk worden getoetst. Dit betekent dat een uitbouw van een woonkamer van bijvoorbeeld 5 meter diep niet wordt getoetst op constructie, daglicht, ventilatie, etc. Er zal hierdoor een versobering van toetsing ontstaan. Uitzondering op de versobering zijn erkers en uitbouwen aan de voorzijde en zijgevel en bergingen en garages in voortuinen. Het belang en intentie van opname van deze toets is niet de bouwveiligheid geweest, maar het grip houden op aanzicht en netheid van gebouwen vanaf openbaargebied.

Er zijn geen grotere risico’s qua bouwveiligheid of iets gelegen is op het achtererf of op het voor- of zijerf. Het college toetst betreffende aanvragen niet aan het Bouwbesluit omdat de wetgever reeds bepaald heeft dat er een gering risico is (= kans x effect!). In de Omgevingsvergunning zal melding worden gedaan dat het college niet heeft getoetst aan het Bouwbesluit en dat de verantwoordelijkheid voor het voldoen aan de bouwtechnische regels ligt bij de initiatiefnemer en haar bouwer, net zoals dit nu voor dezelfde bouwwerken aan de achterzijde geldt.

6.8.4 Constructeur Constructie heeft alles te maken met veiligheid. In de gemeente Renswoude verricht een extern ingehuurde specialist de constructieve beoordeling. Bouwwerken die qua omvang gelijk zijn met vergunningsvrije bouwwerken of bouwwerken waarvoor alleen een omgevingsvergunning voor de activiteit “afwijken van het bestemmingsplan” nodig is, worden niet gecontroleerd. Voorbeeld hiervan zijn: • •

Dakkapel op het voorgeveldakvlak in plaats van het achtergeveldakvlak. Berging lager dan 5 meter op voorerf.

In uitzonderlijke gevallen kan echter toch om de constructiegegevens gevraagd worden, wanneer derden de gemeente hiertoe verzoeken of wanneer een specifieke situatie hiertoe aanleiding geeft.

6.8.5 Afwijken van toetsniveau Het kan voorkomen dat de gemeente toch meer gegevens verlangt of op een hoger niveau toetst dan in de Toetsmatrix staat aangegeven. Voorbeeld hiervan is een situatie wanneer derden de gemeente hiertoe verzoekt, het college hiertoe verzoekt door het overleggen van een gelijkwaardigheidsverzoek, bij Rijks – of Gemeentelijk monument of in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld van de constructie bij de bouw van bouwwerken tegen andere gebouwen aan.

29

Beleidsplan VTH 2020-2023

6.9 Formatie VTH-vergunningverlening bouwen

Voor de activiteit bouwen is 1 fte vergunningverlening beschikbaar en nog deels ondersteuning voor administratieve werkzaamheden. Naast de puur vergunningverlenende taken op het gebied van bouwen vallen ook andere taken onder de verantwoordelijkheid van de medewerker vergunningverlening. Hierbij moet gedacht worden aan het uitvoeren van taken op het gebied van Ruimtelijke Ordening en de vergunningverlening voor monumenten. De urenraming in 6.4 laat de tijdsbesteding in het kader van vooroverleg buiten beschouwing. Ook hier geldt dat dit een ruim beslag legt op de capaciteit. Wel verdient dit zich uiteindelijk als het goed is terug in een gestroomlijnder proces als het vooroverleg overgaat in een aanvraag omgevingsvergunning. Naast de tijd die besteed wordt aan vooroverleg, wordt er ook veel tijd besteed aan de dienstverlening richting de burgers in het kader van de beoordeling of sprake is van een vergunningsvrij bouwwerk. Door de groei van het aantal woningen, neemt ook de tijd die hieraan besteed wordt toe. De tijd die besteed wordt aan een goede dienstverlening in het kader van vergunningsvrij bouwen, wordt bespaard op de tijdsbesteding voor handhaving. Als mensen duidelijk weten wat wel en wat niet kan, hoeft er uiteraard minder handhavend opgetreden te worden.

De thans aanwezige capaciteit is onvoldoende om de dienstverlening in het kader van vergunningsvrij bouwen, vooroverleggen, RO-werkzaamheden en de aanvragen om omgevingsvergunning te behandelen. Gebleken is dat we kwetsbaar zijn op dit punt (zie analyse kwaliteitscriteria in het jaarverslag 2021 en uitvoeringsprogramma 2022 VTH gemeente Renswoude).

6.10 Doorkijk naar Wet Kwaliteitsborging in de bouw

Voor de vergunningverlening voor de activiteit bouwen is de Wkb (zie 3.2) van grote invloed de komende jaren. Bouwwerken die te categoriseren zijn als Gevolgklasse 1 worden niet meer in het kader van de vergunningverlening getoetst aan het Bouwbesluit. Het “ruimtelijke jasje” moet nog wel beoordeeld worden door de gemeente. Bij een aanvraag omgevingsvergunning behoeft na inwerkingtreding van de Wkb een aanvrager alleen maar aan te geven welk instrument voor deze aanvraag wordt toegepast. Een gemeente kan dit via een landelijk register controleren. Dit register wordt t.z.t. ondergebracht in een Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO). Als instrument voor de toelating tot dit Register kunnen o.a. de BRL 5019, de TIS-regeling en de Erkenningsregeling kleine bouwwerken aangewezen zijn. Aan de kwaliteitsborger zullen tevens eisen worden gesteld zoals de organisatie, de kennis en kunde van personen die toetsen en de controle van het eindresultaat. Deze eisen zullen overeenstemmen met de kwaliteitscriteria zoals voorgesteld in de Wet VTH. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning zal de aanvrager een risico-inventarisatie moeten overleggen van de door de aanvrager aangetrokken kwaliteitsborger, waaruit blijkt welk instrument is gekozen en welke aandachtspunten de kwaliteitsborger ziet bij het desbetreffende bouwplan. Het ZBO zal steekproefsgewijs controles hierop uitoefenen.

Na de oplevering geeft de kwaliteitsborger een verklaring aan de vergunninghouder af dat het bouwwerk conform de regels is uitgevoerd, een zgn. conformiteitverklaring. De vergunninghouder zal het bouwwerk (incl. de conformiteitverklaring) gereed melden bij de gemeente. De gemeente controleert verder of de gereedmelding juist en volledig is. Dit alles zal vastgelegd worden in een dossier; dit dossier zal beschikbaar gesteld worden aan de gemeente.

6.10.1 Gevolgklasse 1

Om duidelijk te krijgen wat de gevolgen zijn, is het noodzakelijk om inzicht in de bouwwerken te krijgen, die onder Gevolgklasse 1 vallen. Hieronder zijn de bouwwerken (ook verbouw) opgenomen die onder gevolgklasse 1 vallen: • •

Woonfuncties (niet gelegen in een woongebouw) tot en met maximaal 3 bouwlagen; Kassen,

30

Beleidsplan VTH 2020-2023

• • •

Bedrijfshallen, Werkplaatsen, etc. eventueel met een klein kantoor of kantine in het gebouw; Bouwwerken geen gebouw zijnde, kleine nutsgebouwtjes en overige bouwwerken niet bedoeld voor het verblijven van personen; • Kleine infrastructurele bouwwerken, zoals fiets- en voetgangersbruggen • Kantoor in een montagehal/ werkplaats is toegestaan zolang dat kantoor bedoeld is voor maximaal 10 personen en het totaal aantal personen niet meer dan 50 personen bedraagt. Belangrijke kanttekening is, dat als gebruik gemaakt wordt van een gelijkwaardigheid, het bouwwerk niet meer in Gevolgklasse 1 valt.

6.10.2 Wat betekent dit nu voor de gemeente

Van de 142 aanvragen met de activiteit bouwen zal straks ruim 85% onder Gevolgklasse 1 vallen (zie Bijlage 2). Van de overige dossiers is niet zeker of deze straks onder Gevolgklasse 1 vallen of dat die inderdaad nog wel aan het Bouwbesluit getoetst moeten worden door de gemeente. Dit betreft dan vooral agrarische gebouwen. Gelet op de omschrijvingen zullen van die 22 plannen er nog eens zo’n 12 wel onder Gevolgklasse 1 vallen. Potentieel zijn er dus ruim 92% van de aanvragen die enkel aan het ruimtelijk jasje getoetst hoeven te worden. Bij de voorbereiding op de Omgevingswet (de Wkb treedt immers gelijk met de Omgevingswet in werking) zal hier dan ook aandacht voor zijn. Aangezien in de gemeente Renswoude de Bouwbesluittoets reeds extern belegd is, heeft dit voor de capaciteitsbehoefte geen grote gevolgen. Wel betekent dit dat o.a. de doorlooptijden omlaag kunnen (er hoeft niet gewacht te worden op een beoordeling of een herbeoordeling van aanvullende gegevens).

6.11 Activiteit milieu

Vergunningverlening en toezicht en handhaving voor de activiteit milieu wordt door de ODRU uitgevoerd op basis van de DVO4 die met de ODRU is gesloten. In deze beleidsnota is enkel nog de analyse opgenomen van de gemeente Renswoude. De vergunningenstrategie en aandachtspunten bij toezicht en handhaving zijn opgenomen in de U&H-strategie Provincie Utrecht.

6.11.1 Situatieschets gemeente Renswoude

Het doel van de vergunningenstrategie milieu is om het gewenste kwaliteitsniveau van de diverse processen en werkzaamheden zo hoog mogelijk te houden en in ieder geval te laten voldoen aan de wettelijke eisen en kwaliteitscriteria. De komende beleidsperiode zal worden gebruikt om de vergunningenstrategie verder uit te werken en om tot een verdere harmonisering te komen in de uitvoering van de vergunningentaak. De ODRU is ook nog bezig met een analyse van de kwaliteitscriteria 2.2. Het bedrijvenbestand waarvoor de gemeente bevoegd gezag is en waarvoor de ODRU de uitvoering verricht is ingedeeld in meldingsplichtige en vergunningplichtige inrichtingen. Het inrichtingenbestand bestaat uit ongeveer 279 inrichtingen. Circa 16 van deze bedrijven vallen niet onder de werking van de Wet milieubeheer. Het gaat dan bijvoorbeeld om een kledingwinkel, een kapsalon en dergelijke.

6.12 Bodemkwaliteit

De omgevingsanalyse schetst een beeld van de huidige gemeentelijke bodem en grondwaterkwaliteit. Op een aantal plaatsen is de bodem vervuild door bewoning en industriële activiteiten die op die locaties hebben plaatsgevonden. De gemeente heeft verscheidene grond- en grondwaterverontreinigingen. Op de meeste locaties is er geen risico voor de mens. Meestal is de bodem geschikt om op te wonen, te werken en te ontwikkelen. Er dient wel op gelet te worden dat de verontreiniging in de grond of het grondwater niet verplaatst wordt door grondverplaatsingen en grondwateronttrekkingen. Informatie over verontreinigingen is bekend bij de Provincie en is in te zien op Geoloket van de RUD Utrecht of op www.bodemloket.nl.

6.12.1 Kwetsbare objecten

Naast scholen en kinderdagverblijven zijn enkele bejaardenhuizen en overige zorginstellingen verspreid over de gemeente gevestigd. Er is geen ziekenhuis aanwezig in de gemeente. 4 Dienstverleningsovereenkomst

31

Beleidsplan VTH 2020-2023

6.12.2 Inrichtingenbestand, ingedeeld in meldingsplichtige en vergunningplichtige inrichtingen

In Renswoude zijn ongeveer 41 type A inrichtingen aanwezig. Deze bedrijven hebben geen meldingsplicht maar moeten wel voldoen aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit. Er zijn circa 163 type B inrichtingen, deze bedrijven moeten een melding indienen bij oprichting of wijziging van de inrichting. Met name bedrijven in de branches veehouderijen, automotivebedrijven, horeca-, sport- en recreatiebedrijven, detailhandel- en ambachtsbedrijven, tanks bij particulieren, opslag en transportbedrijven en metaal-elektrobedrijven zijn in Renswoude gevestigd. Daarnaast zijn er 29 type B inrichtingen, die naast een melding tevens een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) nodig hebben. Het gaat dan om 26 veehouderijen, een loonbedrijf en twee afvalbedrijven. Er zijn 18 type C inrichtingen (vergunningplichtig), waarvan 10 type C inrichtingen met een IPPC-installatie. Bij bedrijven met een IPPC-installatie vinden activiteiten plaats die onder de Richtlijn industriële emissies vallen en die een grote impact op het milieu (kunnen) hebben. Alle IPPC-installaties zijn veehouderijen. Van de overige vergunningplichtige bedrijven zijn ongeveer een derde veehouderijen en de overige zijn industriële bedrijven. De vergunningssituatie bij de bedrijven in Renswoude is dekkend.

Bestaande vergunningen worden waar nodig geactualiseerd, waarbij de toepassing van de best beschikbare technieken voorop staat. Toezicht op de naleving van de gestelde voorschriften ter bescherming van het milieu vindt periodiek plaats op basis van de eerder genoemde risicoanalyse en het Uitvoeringsprogramma.

6.12.3 Inrichtingen met betrekking tot veiligheid

In Renswoude zijn geen inrichtingen aanwezig die vallen onder het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi). Er zijn wel risicovolle bedrijven gelegen in de gemeente die onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen: -

vijf (kleine) propaantanks; één opslaginstallatie met chloorbleekloog ten behoeve van het zwembad.

Bij dit soort bedrijven is in het kader van de veiligheid het volgende van belang: het naleefgedrag; het veiligheidsmanagement van de inrichting en de ligging van het bedrijf ten opzichte van kwetsbare bestemmingen. Er is een landelijke risicokaart beschikbaar waarop de risicovolle inrichtingen staan aangegeven. Hieronder is een uitsnede van de risicokaart voor Renswoude opgenomen:

FIGUUR 8 UITSNEDE RISICOKAART

32

Beleidsplan VTH 2020-2023

7 Handhaving 7.1 Wat leggen we vast

In dit beleidsplan VTH is vastgelegd hoe wij onze taken op het gebied van vergunningverlening en handhaving opvatten en uitvoeren. En op welke hoogte de lat wordt gelegd. In dit beleidsplan worden processen en procedures tegen het licht gehouden. De inzet van mensen en middelen moet zo efficiënt mogelijk gebeuren. Dit moet garant staan voor een constante kwaliteit in producten en ervoor zorgen dat de behandeltijd niet langer is dan strikt noodzakelijk. Naast criteria ten aanzien van specifieke deskundigheden spelen ook het strategisch en operationeel beleidskader een belangrijke rol voor het voldoen aan de gestelde eisen. Dat zijn eisen ten aanzien van probleemanalyse, programmatische aanpak, processen, protocollen en rapportage. Het beleidsplan VTH geeft invulling aan die gestelde eisen. De gemeente Renswoude sluit met het opstellen van een beleidsplan VTH aan op de landelijke trend. Binnen het omgevingsrecht was er al een verplichting om een beleidsplan te hebben voor handhaving; in Renswoude was dat over eerdere jaren vastgelegd in het handhavingsbeleid 2017-2021. Dit beleidsplan heeft tot doel een overzicht te geven van de stand van zaken op verschillende terreinen waar de gemeente een wettelijke taak heeft op het gebied van handhaving. Daar waar het bestaand beleid betreft, is het uitgangspunt uit te gaan van een beleidsneutrale vertaling naar dit VTH-beleid.

Dat betekent dat in dit VTH-beleid zonder inhoudelijke beleidswijzigingen wordt gesproken over die beleidsterreinen.

7.2 Integrale bescherming fysieke leefomgeving

Wij streven naar een integraal handhavingsbeleid voor de fysieke leefomgeving. In dit Beleidsplan VTH is de Wabo het uitgangspunt van het gemeentelijk handhavingsbeleid. De daaruit voortvloeiende kwaliteitseisen zijn reeds geïmplementeerd in onze organisatie. Het uitgangspunt is te streven naar een integrale handhavingsvisie geldend voor de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat het handhavingsbeleid zich ook richt op andere taken, zoals die voortvloeien uit de APV en de Alcoholwet. Hiermee wordt ook vooruitgelopen op de komst van de Omgevingswet, die ook de fysieke leefomgeving als basis neemt en uitgaat van een integrale benadering. Hoewel naast de omgevingsvergunning ook de APV onder de reikwijdte van de nota valt, vormen de kwaliteitseisen voortvloeiend uit de Wabo en het Bor de basis van de voorliggende nota. In de praktijk moeten de kwaliteitseisen leiden tot meer integraliteit, zowel in de uitvoering als in beleid. Er zijn diverse actiepunten geformuleerd om dit te bewerkstelligen. Uiteindelijk moet dit leiden tot beter naleefgedrag van wet- en regelgeving en zo ten dienste zijn van burgers en bedrijven In de praktijk hebben de verschillende kwaliteitseisen geleid tot meer integraliteit, zowel in de uitvoering als in beleid. Er zijn in het handhavingsbeleidsplan 2017-2021 diverse actiepunten geformuleerd om dit te bewerkstelligen.

Het Beleidsplan-VTH 2020-2023 is uitdrukkelijk een vervolg op de ingeslagen weg. De hoofddoelstelling is dan ook nog steeds het bevorderen van naleefgedrag en zo ten dienste zijn van burgers en bedrijven. De bestaande beleidsuitgangspunten worden ook voor de komende jaren gehanteerd. Waar nodig vindt een aanscherping plaats van de geformuleerde actiepunten.

7.2.1 Integrale handhaving

Integrale handhaving begint bij de vergunningverlening. Het uitgangspunt is dat bij vergunningverlening zo veel mogelijk integraal wordt afgestemd en inhoudelijk wordt afgewogen. Die integrale afweging volgt uit de Wabo. Toestemmingsstelsels buiten de Wabo, maar die wel samenhangen met de omgevingsvergunning worden zo veel mogelijk integraal worden afgestemd en verleend.

33

Beleidsplan VTH 2020-2023

Het gaat hier met name om het bespreken van dergelijk vergunningen tussen de betrokken vakdisciplines. Een integrale vergunning is van belang voor het uitvoeren van integraal toezicht en handhaving. Nu individuele toezichthouders hier ervaring mee hebben opgedaan wordt overgegaan op signaaltoezicht. Toezichthouders signaleren in dat geval overtredingen voor elkaar, zodat een integrale aanpak nog steeds geborgd is. De gemeente Renswoude heeft als uitgangspunt dat één toezichthouder voor alle facetten van een (omgevings)vergunning praktisch onuitvoerbaar is. Uiteindelijk kan de vergunningverlening en het toezicht leiden tot handhaving. Integrale handhaving betekent ook dat er één handhavingsbeschikking wordt afgegeven.

7.3 Doel en uitgangspunten handhaving 7.3.1 Doel handhaving

Handhaving is geen doel op zich, maar vormt een belangrijk onderdeel van de publieke taak om de gemeente Renswoude leefbaar te houden. De gemeente heeft hierbij de ambitie handhaving zichtbaar te maken, het vertrouwen in de gemeente te versterken en handhaving op een kwalitatief hoog niveau te brengen. Om dit te bewerkstelligen richt de gemeente Renswoude zich op preventie en het aangaan van het gesprek en pas daarna op de handhaving zelf. Dit alles met het hoofddoel om regelnaleving door burgers en bedrijven te bevorderen.

7.3.2 Beleidsuitgangspunten

Om de hoofddoelstelling “het bevorderen van regelnaleving door burgers en bedrijven” te bereiken is het wenselijk om een aantal beleidsuitgangspunten vast te stellen, zodat voor iedereen duidelijk is wat zij van ons mogen verwachten. 1. Handhaving heeft een nalevingsdoel waarbij voorkomen beter is dan genezen. De gemeente Renswoude geeft structureel aandacht aan preventie en preventieve handhaving door in te zetten op heldere communicatie en voorlichting, het verlenen van kwalitatief hoogstaande vergunningen en het uitvoeren van toezicht. 2. Bij overtreding van de wettelijke voorschriften kunnen en mogen burgers en bedrijven verwachten en er op vertrouwen dat de gemeente Renswoude handhavend optreedt. 3. Verzoeken om handhaving worden altijd behandeld. De overige handhavingszaken worden op basis van prioriteitenstelling opgepakt. 4. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt gedoogd en altijd in de vorm van een beschikking die openbaar wordt gemaakt. 5. Verbeurde lasten onder dwangsom worden geïnd. Kosten van bestuursdwang worden verhaald.

7.3.3 Activiteiten toezicht en handhaving

De activiteiten van toezicht en handhaving zijn onder te verdelen in bouwen en ruimtelijke ordening, brandveiligheid, milieu en openbare ruimte.

7.3.3.1 Bouwen en ruimtelijke ordening Een groot deel van dit toezicht betreft toezicht op verleende vergunningen. In bijlage 1 is de toetsmatrix opgenomen. Soms wordt al gestart met bouwwerkzaamheden, terwijl de constructieberekeningen- en tekeningen nog niet zijn goedgekeurd en bij wapeningscontroles worden ook regelmatig afwijkingen geconstateerd. In veel gevallen kunnen door de toezichthouder afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de wapening. Een stillegging van de bouwwerkzaamheden is hiermee in een enkel geval maar noodzakelijk. Daarnaast constateren toezichthouders c.q. medewerkers van de Afdeling Fysiek en Sociaal Domein zelf overtredingen en acteren zij op basis van verzoeken om handhaving of klachten. Het toezicht op de naleving van de bestemmingsplannen wordt vooral thematisch uitgevoerd op de hoge prioriteiten en de gestelde doelen en gezien de beperkte capaciteit wordt handhaving hierop ingezet. Gemiddelde zaken worden opgepakt als daarvoor ruimte beschikbaar is. Laag geprioriteerde zaken worden in principe niet opgepakt.

7.3.3.2 Brandveiligheid Ten aanzien van brandveilig gebruik van gebouwen voert de Brandweer (onderdeel van de Veiligheidsregio Utrecht) inspecties uit. Daarnaast heeft de Brandweer controles uitgevoerd in het kader van verleende vergunningen (bij nieuwbouw).

34

Beleidsplan VTH 2020-2023

7.3.3.3 Openbare ruimte De BOA’s houden toezicht in de openbare ruimte en treden daarbij verbaliserend op. De activiteiten van de BOA’s zijn gericht op parkeer- en verkeersoverlast, hondenoverlast, zwerfafval en toezicht bij evenementen. De BOA’s zijn vaak goed bekend met de knelpunten binnen de gemeente en investeren vanuit hun toezichthoudende rol in het contact met inwoners en bedrijven. Het toezicht op illegale kap wordt door de opzichter buitendienst uitgevoerd. Inwoners kunnen op de gemeentelijke website 24 uur per dag via de website hun klacht of melding op het gebied van de openbare ruimte of openbare orde doorgeven.

7.3.3.4 Milieu De ODRU houdt resultaatgericht toezicht. Hierbij staat programmatisch toezicht centraal. Programmatisch toezicht betekent voor de ODRU dat er een cyclisch proces wordt opgericht, waarbij op een informatie gestuurde wijze de inzet voor toezicht en handhaving wordt uitgevoerd. Per branche of projectplan zullen groepen en subgroepen worden geïdentificeerd, zodat er een analyse kan worden gemaakt welk type overtredingen en welk type gedrag per groep hoort. Dit leidt tot een gedragdoelgroepcombinatie. Vervolgens kan per combinatie het meest efficiënte en effectieve toezicht- of handhavingsinstrument worden toegepast. Het combineren van programmatisch toezicht en branchegericht werken resulteert in een werkwijze van toezicht en handhaving waarbij de grootste bedreigingen op de meest effectieve manier worden aangepakt, waarbij de analyses dankzij het cyclische karakter elk jaar in kwaliteit toenemen.

7.4 Specifiek Handhavingsbeleid

De gemeente Renswoude heeft op verschillende beleidsvelden specifiek handhavingsbeleid opgesteld, zoals de beleidsregels wet aanpak woonoverlast, sluiting van voor het publiek toegankelijke gebouwen, artikel 13b Opiumwet en Wet Bibob. Daarnaast is het streven ook binnen de periode van dit beleidsplan nog beleid omtrent huisvesting van arbeidsmigranten op te stellen met de regio. Het vaststellen van specifiek handhavingsbeleid geeft aan dat de gemeente op het betreffende beleidsveld prioriteiten stelt wat betreft handhaving. Deze prioriteiten zijn reeds uiteengezet in 5.2.1 en komen terug in de risicoanalyse en proriteitenmatrix in bijlage 3 en 4. De komende jaren zal er mede vanuit het RIEC5 specifieke aandacht zijn voor ondermijning. In gemeenten zoals Renswoude ziet de ondermijning vaak op de verhuur van opstallen voor drugsgerelateerde misdrijven. In de looptijd van deze beleidsnota zal hier actief uitvoering aan gegeven worden. Vanuit het RIEC is er ook een project gestart op de kleine gemeenten binnen de Provincie Utrecht hierin te ondersteunen.

7.5 Preventie- en toezichtstrategie 7.5.1 Preventiestrategie

Preventieve handhaving is een breed begrip. Er valt alles onder dat bijdraagt aan het voorkomen van overtredingen. Een voorwaarde voor het kunnen werken van dit instrument is dat wet- en regelgeving handhaafbaar is. Regels moeten helder en duidelijk zijn om goed handhaafbaar te zijn. Deze regels moeten bovendien geaccepteerd worden. Als de regels bekend en begrijpelijk zijn, ze handhaafbaar zijn en als er draagvlak bestaat voor deze regels zal dit leiden tot een betere naleving. Om die reden is goede communicatie over wet- en regelgeving een belangrijk instrument.

Communicatie

Communicatie wordt op verschillende manieren ingezet. Op bijvoorbeeld voorlichtingsavonden wordt informatie verstrekt over op- en vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen. Een ander voorbeeld hiervan is het geven van voorlichting aan sportverenigingen op het gebied van de Alcoholwet.

5 Regionaal Informatie en Expertise Centrum

35

Beleidsplan VTH 2020-2023

De middelen die ingezet worden ten aanzien van dit instrument hangen af van de over te brengen boodschap. Waar mogelijk worden voorlichting en communicatie ingezet als middel van preventieve handhaving om naleving te bevorderen. Bij nieuwe wet- en regelgeving worden inwoners en bedrijven geïnformeerd. Dit kan zowel collectieve voorlichting zijn als individueel met inwoners en/of bedrijven of met afgebakende doelgroepen. Voorbeelden hiervan zijn: • •

gebruik maken van de gemeentelijke website voor actuele informatie. vergunningverleners informeren aanvragers over wet- en regelgeving. Ook maken zij duidelijk waarom bepaalde voorwaarden gesteld worden. • tijdens toezichtcontroles wordt ingegaan op de achtergronden van wet- en regelgeving. • in samenwerking met de medewerker communicatie worden zo nodig brochures en folders opgesteld en worden voorlichtingsbijeenkomsten gehouden. • beleid op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving wordt openbaar gemaakt, net als het jaarlijkse uitvoeringsprogramma en het jaarverslag. • media-aandacht voor handhavingszaken kan eveneens een preventief effect hebben. Het informeren van media over handhavingsacties gebeurt echter met enige terughoudendheid en met oog voor de privacybelangen van betrokkenen. Met de medewerker communicatie moet continu en actief worden overlegd over de inzet van dit instrument in de strategie.

7.5.2 Toezichtstrategie

In de toezichtstrategie worden de verschillende vormen van toezicht onderscheiden en wat daarbij de basiswerkwijze is. Niet voor elke situatie kan het toezicht hetzelfde zijn. De soort controle moet afgestemd zijn op de situatie. Grofweg kan er een onderscheid gemaakt worden in actief toezicht en ad hoc toezicht. Actief toezicht vindt planmatig plaats en kan onderverdeeld worden in routinematig toezicht, projectmatig toezicht en ook toezicht op tijdelijke activiteiten. Routinematige controles vinden plaats bij doorlopende activiteiten. Hier gaat het bijvoorbeeld om controles in het kader van milieutoezicht bij bedrijven, Alcoholwet-controles, de rondes van de Boa’s in de openbare ruimte en de rondes van bouwtoezichthouder in het kader van bestemmingsplanregels. De frequentie en intensiteit waarop deze controles uitgevoerd worden is afhankelijk van de prioriteit van het betreffende onderwerp. Projectmatig toezicht richt zich op een specifiek thema, branche of gebied en vraagt om een projectmatige aanpak. Onder tijdelijk toezicht vallen bijvoorbeeld de controles bouwtoezicht bij te realiseren bouwwerken en -werkzaamheden en bij evenementen. Ad hoc toezicht vindt plaats naar aanleiding van klachten, meldingen, calamiteiten en handhavingsverzoeken. Klachten en meldingen van inwoners en bedrijven vormen een zekere en constante aanvulling op het actieve toezicht.

Zo nodig wordt er handhavend opgetreden en de indiener van de klacht of melding wordt van de resultaten op de hoogte gesteld.

7.5.3 Verzoek om handhaving

In geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift is het bevoegde bestuursorgaan in de regel verplicht om hiertegen op te treden, vanwege het algemeen belang dat met handhaving is gediend. Bij constatering van een overtreding treedt de gemeente Renswoude uit eigen beweging handhavend op. Daarnaast is het mogelijk om handhavend op te treden op basis van een verzoek van een burger of bedrijf tegen een andere burger of bedrijf. De basis hiervoor is een zogenoemd verzoek om handhaving. Bij een verzoek om handhaving zijn altijd minimaal drie soorten partijen betrokken, de verzoeker om handhaving, degene tegen wie het handhavingsverzoek is gericht (de overtreder/belanghebbende) en de gemeente als bevoegd gezag. Om er voor te zorgen dat de procedure voor elke partij op een gelijkwaardige manier verloopt, informeren wij, indien relevant, alle andere partijen over en weer over de lopende zaak. Zo ontstaat een “speelveld” met gelijke kansen voor alle betrokken partijen.

36

Beleidsplan VTH 2020-2023

Het betekent ook per definitie dat een overtreder/belanghebbende direct bekend wordt met de inhoud van het verzoek om handhaving en de identiteit van de aanvrager. Die overtreder/belanghebbende moet zich bijvoorbeeld kunnen verdedigen tegen de inhoud en strekking van het verzoek om handhaving. Daarnaast kan een verzoek een zeer grote impact op het dagelijks leven van een overtreder/belanghebbende hebben, zeker als blijkt dat het verzoek onterecht wordt ingediend. Het is dan wel zo netjes dat men weet uit welke hoek het verzoek komt. Dit betekent bovendien dat wij anonieme verzoeken om handhaving nooit in behandeling nemen. Anonieme verzoeken zijn ook niet mogelijk, omdat een verzoek om handhaving ook een formele aanvraag is. Aanvragen moeten in ieder geval de naam van aanvrager moet bevatten. Een verzoeker om handhaving moet dus rekening houden met de bekendmaking van zijn of haar identiteit en de inhoud van zijn verzoek aan de overtreder/belanghebbende.

7.5.4 Landelijke handhavingsstrategie

Om te bepalen wanneer en hoe handhavend wordt opgetreden wordt in Renswoude de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) gevolgd. In 2014 is de LHS vastgesteld. Deze strategie is opgesteld door IPO en het OM, in samenwerking met de VNG, de UvW, het ministerie van I&M, de Inspectie Leefomgeving en Transport, ISZW, politie en de vereniging van omgevingsdiensten. De LHS komt voort uit de wens van alle betrokken instanties om de organisatie en uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving te verbeteren en om een gelijk speelveld te creëren voor natuurlijke personen en rechtspersonen voor wie bepaalde voorschriften gelden. Een ander doel van de LHS is dat de samenleving ervan uit mag gaan dat handhavers zo optreden dat het rechtsgevoel wordt gerespecteerd en de leefomgeving veilig, schoon en gezond blijft. De LHS geeft hier inhoud aan door een kader te scheppen voor het passend interveniëren bij iedere bevinding. Voor de milieutaken waar de ODRU het mandaat voor heeft, wordt een kleine afwijking van de LHS gehanteerd. Het verschil is dat de extra hersteltermijn zoals die in de LHS is opgenomen, niet geldt voor de milieutaken. Dit besluit is genomen in het AB van 2015/2016 en de U&H-strategie Provincie Utrecht. Afhankelijk van de situatie kan op basis van de LHS weloverwogen gekozen worden welk instrument ingezet wordt.

Om de strategie van sanctie-instrumenten te bepalen wordt in de LHS enerzijds naar het gedrag van de overtreder gekeken en anderzijds naar de ernst van de overtreding. Bewust gemaakte overtredingen met ernstige gevolgen worden zwaarder aangepakt, bijvoorbeeld met een mix van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke middelen. Bij de inzet van strafrechtelijke middelen is nauwe samenwerking met politie en Openbaar Ministerie vereist. De LHS wordt in Renswoude gehanteerd, waarbij op het gebied van omgevingsrecht het volgende stappenplan wordt gevolgd. Er wordt gewerkt aan de hand van een drie stappenplan, dit mede vanuit de gedachte dat handhaving een nalevingsdoel heeft waarbij voorkomen beter is dan genezen. De gemeente Renswoude geeft zoals hiervoor aangegeven structureel aandacht aan preventie en preventieve handhaving. Daar past het drie stappenplan goed bij. 1. Na constatering van de overtreding ontvangt betrokkene een constateringsbrief of waarschuwingsbrief waarin deze geïnformeerd wordt over de geconstateerde overtreding. Betrokkene krijgt de gelegenheid om binnen een bepaalde termijn de overtreding ongedaan te maken. Ook wordt aangekondigd dat als bij hercontrole blijkt dat de overtreding niet ongedaan is gemaakt, er bestuursrechtelijke maatregelen kunnen worden getroffen. 2.

Indien bij hercontrole blijkt dat de overtreding niet of niet geheel ongedaan is gemaakt, ontvangt de betrokkene een voornemen tot het opleggen van een bestuursrechtelijk maatregel. Dat is meestal een last onder dwangsom. Betrokkene krijgt de mogelijkheid om ten aanzien van dit voornemen binnen een gestelde termijn een zienswijze in te dienen. 3. Indien na beoordeling van de zienswijze niet wordt afgezien van handhaving, en de overtreding voortduurt, wordt het besluit genomen tot het opleggen van een bestuursrechtelijke maatregel. Dit stappenplan is het uitgangspunt bij reguliere situaties. Er zijn echter situaties waarbij hiervan kan worden afgeweken: • •

Gevaar: bij acuut gevaar voor personen en/of de omgeving, is direct optreden noodzakelijk; Onherstelbare schade: indien onherstelbare schade plaatsvindt of dreigt plaats te vinden zal direct dan wel versneld optredende meest aangewezen werkwijze zijn;

37

Beleidsplan VTH 2020-2023

• •

Ernstige hinder: in deze situatie wordt stap 1 overgeslagen om de overtreding snel ongedaan te laten maken; Herhaling van (vergelijkbare) overtredingen: indien optreden tegen een eerdere overtreding geen effect heeft gehad, kan bij herhaling van de overtreding gekozen worden voor een versnelde/direct aanpak. Het informeren van de betrokkene (stap 1) is in deze gevallen weinig zinvol omdat de eerdere waarschuwing niet tot het gewenste gedrag heeft geleid.

7.5.5 Handhavingsinstrumenten

De gemeente beschikt over diverse handhavingsinstrumenten die kunnen worden ingezet bij de bestuursrechtelijke handhaving. Dit zijn: het uitoefenen van toezicht, het toepassen van bestuursdwang, het opleggen van een last onder dwangsom. In deze paragraaf wordt worden de verschillende handhavingsinstrumenten besproken. Ook komt de privaatrechtelijke en de strafrechtelijke handhaving kort aan de orde.

7.5.5.1 Bestuursrechtelijke handhaving De gemeente heeft preventieve en repressieve instrumenten om de handhaving van de regels af te dwingen. Onder preventieve handhaving wordt verstaan het voorkomen van overtredingen door het gebruik van middelen voor de naleving van regelgeving (vooraf). Repressieve handhaving houdt in het door bestuurlijk optreden ongedaan maken van de overtreding of het opheffen van de strijdige situatie nadat de overtreding is begaan en/of geconstateerd (achteraf). Het voorkomen van overtredingen moet bij het uitoefenen van de bestuurlijke handhavingsbevoegdheid voorop staan. Wanneer de regels worden overtreden en de gemeente deze moet handhaven, gaat dit namelijk veelal gepaard met enerzijds hoge kosten voor de overtreder en anderzijds hoge kosten (tijdsbelasting) voor de gemeente.

7.5.5.2 Preventieve handhaving Onder preventieve handhaving worden in dit verband vier verschillende zaken bedoeld:

Goede informatievoorziening en gerichte voorlichting aan de burger.

Als uitgangspunt geldt uitdrukkelijk dat de naleving van regels en voorschriften is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder en/of initiatiefnemer zelf is. Omdat veel regelgeving uiterst gecompliceerd is, zijn veel burgers echter in hoge mate afhankelijk van de informatie die door de gemeente wordt verstrekt. Daarbij spelen de juistheid en het tijdig geven van de informatie een grote rol. Een goed toegankelijke gemeentelijke website is daarvoor onmisbaar.

Kwalitatief hoogstaande vergunningen.

Door het afgeven van een vergunning toetst de gemeente de voorgenomen activiteit aan de van toepassing zijnde regels, voorafgaand aan de aanvang van de activiteit. De efficiëntie, nauwkeurigheid en snelheid waarmee deze toets plaatsvindt, is in hoge mate bepalend voor de wijze waarop uiteindelijk tot uitvoer wordt gekomen. Hiernaast worden in de vergunningen voorschriften opgenomen ter bescherming van diverse belangen, bijvoorbeeld van het milieu. Komt de organisatie traag en onprofessioneel over op de aanvrager, of worden niet-relevante voorschriften opgelegd, dan is hij eerder geneigd zich niet aan die regels te houden. Het belang ervan wordt dan vaak niet ingezien.

Actualiseren en handhaafbaarheid van verordeningen en bestemmingsplannen.

Van groot belang is dat normstellingen in verordeningen, bestemmingsplannen en vergunningsvoorschriften duidelijk en handhaafbaar geformuleerd worden. Daarnaast moeten bijvoorbeeld bestemmingsplannen regelmatig aangepast worden aan de actuele ontwikkelingen. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet actualiseringsplicht bestemmingsplannen en beheersverordeningen zijn gemeenten niet langer verplicht om bestemmingsplannen binnen de periode van 10 jaar opnieuw vast te stellen. De actualiseringsplicht is niet voor alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen afgeschaft. Met het oog op de kenbaarheid van de geldende bestemmingsregeling voor burgers en bedrijven is de wet uitsluitend van toepassing op die plannen en verordeningen die elektronisch (beschikbaar gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl.) raadpleegbaar zijn.

38

Beleidsplan VTH 2020-2023

Het houden van gedegen toezicht.

Met toezicht wordt hier bedoeld: "het uitoefenen van de bevoegdheid om te controleren of men zich aan de gestelde regels houdt". Het houden van toezicht is de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan dat de vergunning heeft verleend, de vrijstelling heeft gegeven et cetera. Over het algemeen zijn burgers vrij goed op de hoogte van de zaken die zich in hun omgeving afspelen. Dit geldt eveneens voor de gevallen waarin de gemeente handhavend optreedt. De wetenschap dat de 'pakkans' groot is, weerhoudt een groot aantal mensen ervan een overtreding te begaan. In afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is een aantal bevoegdheden opgenomen die een toezichthouder heeft, waaronder het vorderen van inlichtingen, het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden, en het betreden van plaatsen. Als handhaving leidt tot verdenking van een strafbaar feit, kan handhaving overgaan in 'opsporing'. Voor de uitoefening van opsporingsactiviteiten zijn opsporingsambtenaren beschikbaar.

7.5.5.3 Repressieve handhaving De aanschrijving

De zogenoemde aanschrijving vormt het belangrijkste instrument voor de gemeente om de regels op bestuursrechtelijke wijze te kunnen handhaven. De bevoegdheid van een gemeente om over te gaan tot een aanschrijving wordt ontleend aan artikel 125 van de Gemeentewet juncto artikel 5:21/32 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanschrijving is een besluit waarin aan de overtreder of de persoon die ook daadwerkelijk de overtreding ongedaan kan maken, wordt meegedeeld dat deze dat binnen een in de last gestelde termijn moet doen. Dat is de zogenoemde begunstigingstermijn. Ook wordt meegedeeld dat een dwangsom wordt verbeurd of bestuursdwang wordt toegepast als de overtreding niet ongedaan wordt gemaakt.

Vooraankondiging (waarschuwing) plus horen (artikel 4:8 Awb)

Voorafgaand aan de aanschrijving krijgt de overtreder (en overige belanghebbenden) bijna altijd een vooraankondiging van het voornemen tot aanschrijven. Door middels van deze vooraankondiging wordt de gelegenheid geboden om, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk zienswijzen tegen het voornemen kenbaar te maken. Dit is wettelijk voorgeschreven en is bedoeld als waarborg voor een zorgvuldige voorbereiding. Dit met uitzondering van gevallen waarin de spoed vereist dat direct opgetreden wordt, zoals bij een zogenaamde 'bouwstop' of bij direct gevaar voor personen en/of goederen.

Persoon en voldoende feitelijkheid

Er moet altijd een persoon worden aangeschreven, ongeacht of dit een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is. Eenieder die het in zijn macht heeft de met de wet of andere regelingen strijdige toestand op te heffen, moet worden aangeschreven.

Voldoende duidelijk worden omschrijven welke constateringen er zijn gedaan

De toezichthouder mag zich niet laten voorstaan op 'horen-zeggen' en de overtreder moet zonder verdere informatieverstrekking kunnen begrijpen waarover het gaat.

Rechtsgrond

Aanschrijven gebeurt in de regel op grond van een zogenaamde verbodsbepaling: de grondslag van de aanschrijving. De rechtsgrond moet duidelijk in de aanschrijving worden aangehaald.

Overwegingen

In de aanschrijving moet een duidelijke afweging worden gemaakt, waarbij men ingaat op de door belanghebbende(n) ingebrachte zienswijzen en deze ook in voldoende mate zijn betrokken bij de afweging.

Legalisatie

In het kader van de belangenafweging moet altijd de mogelijkheid van concreet zicht op legalisatie worden onderzocht. Een overtreding kan bijvoorbeeld gelegaliseerd worden door de overtreder alsnog een omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen, al dan niet in combinatie met het verlenen van toestemming afwijken van het bestemmingsplan. De vraag of het bestuursorgaan al dan niet overgaat tot legalisatie moet worden beantwoord binnen de wettelijke grenzen en binnen het kader van de bestuurlijke beoordelingsvrijheid. De uitkomst van het legalisatieonderzoek moet in het besluit vermeld worden.

39

Beleidsplan VTH 2020-2023

Bequnstigingstermijn (artikel 5:24, lid 2 Awb)

De aanschrijving moet voorzien zijn van een begunstigingstermijn, met uitzondering van de situatie waarin de gegeven last onder dwangsom strekt tot het voorkomen van een herhaling van de overtreding. De overtreder moet immers in de gelegenheid worden gesteld om het opleggen/uitvoeren van de last te voorkomen. De gegunde termijn moet daarvoor redelijk zijn. Vorst, ziekte, ouderdom et cetera kunnen redenen zijn om een wat ruimere begunstigingstermijn te hanteren. De termijn mag echter ook weer niet zo lang zijn dat er feitelijk sprake is van gedogen. De gemeente hanteert voor specifieke beleidsvelden beleid ten aanzien van gedoogbeschikkingen. Het uitgangspunt is echter dat gedogen uitzondering is. Er zijn situaties denkbaar waarin na oplegging van de definitieve last het als gevolg van nieuwe omstandigheden wenselijk is de begunstigingstermijn te verlengen. Dit is mogelijk. Dit moet schriftelijk worden bevestigd. Uitsluitend ten aanzien van de verlengde termijn ontstaat hiertoe een nieuw besluit. De bezwaarclausule moet dan ook worden opgenomen. Als bezwaar wordt gemaakt, staat in deze procedure het besluit tot aanschrijving als zodanig niet ter discussie.

Bekendmaking (artikel 5:24, lid 3 Awb)

De aanschrijving moet door toezending of uitreiking bekend worden gemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbende op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan de bestuursdwang/dwangsom wordt toegepast en indien van toepassing aan de aanvrager. De aanschrijving, voorzover het een sanctiebesluit betreft, moet aangetekend worden verstuurd in verband met bewijslast. Afhankelijk van het type overtreding is een inschrijving op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen noodzakelijk/gewenst. Een rechtsopvolger weet zo dat er een beperking rust op een perceel en een rechtsopvolger kan hiermee dan ook voor de rechtsgevolgen verantwoordelijk worden gehouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12106374/1