H 2. Rapport - Windturbines invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden
Tekst van het document
Figuur 5. Relatie van het karakter van windturbinegeluid en percentage gerapporteerde hinder (Bron: Pedersen et al., 2007) Zweeds laboratoriumonderzoek presenteerde geluidsopnamen van windturbines aan studenten die niet gewend waren aan windturbinegeluid. Hieruit bleek dat geluiden die werden omschreven als ‘zoeven’, ‘kabbelen’ of ‘fluiten’ het meest hinderlijk waren. Het als minst hinderlijk ervaren geluid werd omschreven als ‘knarsend’ en ‘laagfrequent’ (Persson Waye en Öhströhm, 2002). Ten slotte bleek uit interviews dat mensen zich geërgerd voelden doordat de windturbines hun leven binnendrongen, vooral door het zoevende geluid, de variërende schaduw (slagschaduw) en de voortdurende draaibeweging (Pedersen en Persson Waye, 2004). Zie Figuur 5 voor de relatie van het karakter van het geluid met hinder. In het Verenigd Koninkrijk is onderzoek uitgevoerd bij drie woningen (Hayes, 2006) waar klachten waren over het geluid van windturbines. Aan de hand van metingen werd geconstateerd dat binnenshuis het ritmische karakter van het geluid waarneembaar was en dat niet het vermeende laagfrequente karakter van het geluid de klachten veroorzaakte. Geconstateerd werd dat de amplitudemodulatie (regelmatige sterktevariatie) van het geluid de oorzaak kon zijn van klachten. Benadrukt moet worden dat het gaat om
Pagina 28 van 58
RIVM Rapport 200000002
aanvullende hinder door het karakter van het geluid, bovenop de hinder door de equivalente geluidniveaus. Een review, opgesteld door een expertpanel in opdracht van het Department of Environmental Protection in Massachusetts (MDEP, 2012), concludeert eveneens dat hinder een resultante lijkt te zijn van het geluid, de aanblik van windturbines en de houding ten aanzien van het windturbineproject zelf. Volgens het panel is de epidemiologische evidentie nog beperkt dat de blootstelling aan geluid van windturbines leidt tot hinder, doordat er nog maar een klein aantal studies zijn gepubliceerd, en er is onvoldoende bewijs dat er een samenhang is tussen windturbinegeluid en hinder onafhankelijk van de visuele aspecten en vice versa. 3.5.2
Relatie ‘gewoon’ geluid en hinder In Figuur 6 wordt het percentage matig en ernstig gehinderde respondenten uit de Zweedse en Nederlandse studies weergegeven per geluidniveau (oplopend van minder dan 30dB(A) tot meer dan 45 dB (A)). Het gaat hierbij om het geluid van windturbines op de gevel van de woningen van respondenten zoals dat optreedt bij een vrij hoge windsnelheid (8 m/s in een neutrale atmosfeer). Het betreft hinder die buitenshuis (direct buiten de woning) wordt ervaren. De resultaten van het eerste Zweedse onderzoek (op vlak platteland; studie A) komen goed overeen met de Nederlandse resultaten. Voor het tweede Zweedse onderzoek (waarin ook heuvelachtig terrein en voorsteden waren begrepen; studie B) geldt dat minder. Omdat in beide Zweedse onderzoeken respondenten met economische belangen in windturbines waren uitgesloten van de hindercurven, zijn deze in de Nederlandse data in deze figuren eveneens buiten beschouwing gelaten. Pedersen en Van den Berg (2010) constateerden dat windturbinegeluid als hinderlijker wordt ervaren dan geluid van andere bronnen bij gelijke niveaus. Verklaringen worden gezocht in het karakter van windturbinegeluid, zoals hierboven al meermalen aan bod is gekomen. Ook speelt vermoedelijk een rol dat het geluid van wegverkeer ’s avonds gemiddeld genomen afneemt, terwijl het bij hoge windturbines gelijk blijft of zelfs toeneemt.
Andere factoren van belang zijn contextuele en persoonlijke factoren, ook wel niet-akoestische factoren genoemd 1 Contextuele en persoonlijke factoren zijn factoren anders dan het geluid zelf die mede de hinder bepalen,zoals visuele aspecten, procedurele rechtvaardigheid, de onvoorspelbaarheid van windturbinegeluid door variaties in de wind, angst voor afbrekende delen of houding ten aanzien van visuele aspecten.
Pagina 29 van 58
RIVM Rapport 200000002
Figuur 6. Percentage respondenten dat matige of ernstige hinder ondervond van windturbines bij een bepaald geluidniveau (geluidniveau bij 8 m/s windsnelheid op 10 m, neutrale atmosfeer) (Bron: Van den Berg et al., 2008) Janssen et al. (2011) hebben dosis-responsrelaties afgeleid voor hinder door geluid van windturbines binnen en buiten de woning en hebben deze vergeleken met gegeneraliseerde relaties (de zogenaamde Miedema-curves) voor weg-, vlieg- en railverkeersgeluid. Bij het afleiden van de relaties is rekening gehouden met het gebruik van verschillende dosismaten in de Zweeds-Nederlandse studies. Janssen et al. (2011) hebben deze omgerekend naar Lden om vergelijking met andere bronnen mogelijk te maken. Hieruit bleek eveneens dat hinder van windturbines al op lagere niveaus gerapporteerd wordt. Ook in vergelijking met industrielawaai scoort het geluid van windturbines ongunstig (zie figuur 7 en 8).
Figuur 7. Vergelijking van het percentage gehinderden (%A) en ernstig gehinderden (%HA) binnen ten gevolge van geluid van windturbines en geluid van industrie (Bron: Janssen et al., 2009).
Pagina 30 van 58
RIVM Rapport 200000002
Figuur 8. Vergelijking van het percentage gehinderden (%A) en ernstig gehinderden (%HA) binnen ten gevolge van geluid van windturbines vergeleken met geluid van transport per bron (vlieg, weg, rail) (Bron: Janssen et al., 2009). Fiumicelli (2011) en de Belgische Hoge Gezondheidsdaad (2013) stellen dat er nog te veel onzekerheden bestaan om een robuuste dosis-responsrelatie voor windturbines te formuleren. De invloed van lokale, contextuele en persoonlijke aspecten is zo sterk (zie hoofdstuk 4) dat een gegeneraliseerde dosisresponsrelatie slechts een indicatie kan geven van een trend, maar op lokale situaties een slechte voorspelling van het percentage ernstig gehinderden kan opleveren. Ook het Amerikaanse panel van experts stelt dat de relatie tussen geluidsniveaus en hinder van windturbines nog onvoldoende getalsmatig is onderbouwd (MDEP, 2012). De dosis-responsrelatie zoals afgeleid door Janssen et al. (2011) wordt in Nederland echter beschouwd als de best beschikbare op dit moment en is de basis voor huidige regelgeving. 3.5.3
Hinder door infrageluid en laagfrequent geluid (LFG) Uit een overzichtsonderzoek van Jakobsen (2005) blijkt dat het infrageluid van windturbines in gerapporteerde gevallen 10 dB of meer onder de waarneemdrempel ligt. Een Australisch onderzoeksbureau (Sonus, 2010) deed infrageluidmetingen bij Australische windturbineparken en vond eveneens niveaus beneden de gehoorgrens. Data boven de 20 Hz werden in het artikel niet getoond en er konden geen conclusies worden getrokken over niveaus van LFG. Jung et al. (2008) deden metingen bij twee windturbines (1.5 MW en 660 kW) en brachten de geluidniveaus in kaart, inclusief infrageluid. Geconcludeerd werd dat turbines met variabel toerental (pitch regulated) beter presteerden dan met constant toerental (stall regulated) voor wat betreft geluidsbeheersing. Ook zij concluderen dat de niveaus van infrageluid onder de gehoordrempel waren (zie Figuur 4), maar die van LFG boven de gehoordrempel en ten gevolge hiervan het meest waarschijnlijk leidden tot klachten en hinder. Ondanks het feit dat de niveaus van infrageluid laag waren, werden wel trillingen waargenomen (bijvoorbeeld ramen), wat ook tot hinder zou kunnen leiden. Volgens Hayes (2006) is niet het laagfrequente karakter de oorzaak van klachten, maar de amplitudemodulatie van het geluid (zie ook paragraaf 3.4).
Salt en Hullar (2010) vatten de literatuur samen op het gebied van de directe invloed van infrageluid op het oor. Zij concluderen (op basis van dierexperimenten) dat normaliter onhoorbaar infrageluid toch hoorbaar kan zijn als er geen hoger frequent geluid aanwezig is. Op basis hiervan wordt door Salt en Hullar geconcludeerd dat infrageluid van windturbines toch hoorbaar kan zijn, Pagina 31 van 58
RIVM Rapport 200000002
maar nader onderzoek is wel noodzakelijk om deze hypothese verder te onderbouwen. Volgens Bolin et al. (2011) heeft de toename van hoogte van windturbines bij omwonenden de angst opgeroepen dat er meer laagfrequent geluid zal vrijkomen. Op grond van hun literatuuroverzicht concluderen Bolin et al. dat de belangrijkste bron van LFG de interactie is van inkomende wind met de wieken. Infrageluid van 1-20 Hz is zowel dichtbij als op afstand niet hoorbaar en het is niet aangetoond dat infrageluid met niveaus die voorkomen bij windturbines bijdragen aan de hinder van windturbines. Wel is het LFG hoorbaar op de afstand die typisch is voor moderne windturbines en woningen (doorgaans vanaf 400 meter), maar de niveaus overstijgen niet de niveaus afkomstig van bijvoorbeeld wegverkeer. Hoewel nieuwe turbines mogelijk wat meer LFG produceren dan de oudere en kleinere turbines, wordt het verschil als minimaal beoordeeld. Howe et al. (2011) concluderen dat er geen specifieke noodzaak is een laagfrequente component toe te voegen aan de regelgeving: A-gewogen geluidniveaus zijn volgens hem voldoende voor handhaving. Wat betreft de klachten gerelateerd aan de geluidniveaus: deze zijn net als bij trillingen sterk afhankelijk van bouwtechnische aspecten. Er zijn grote verschillen, afhankelijk van de woningindeling en van andere kenmerken gerelateerd aan geluidtransmissies.
Ondanks het feit dat infrageluid niet waarneembaar is bij woningen, roept het veel discussie op. Het is volgens de auteur van groot belang dat meetmethoden en protocollen verder ontwikkeld worden. Møller en Pedersen (2011) hebben de literatuur met betrekking tot LFG van windturbines eveneens uitgebreid geanalyseerd. Zij concluderen dat met de toename in grootte van de windturbines de proportie geluid in de lagefrequentiebanden (63-250 Hz in deze studie) toeneemt. Evenals Howe et al. (2011) concluderen zij dat windturbines weliswaar infrageluid veroorzaken, maar dat de geluidniveaus ter plaatse van woningen onder de drempelwaarde voor het menselijk gehoor liggen. Er bestaat volgens Møller en Pederson een groot risico dat omwonenden hinder ondervinden van LFG. Opmerkelijk is hun conclusie dat de huidige geluidsstandaarden niet goed rekening houden met het laagfrequent geluid. Ook wijzen zij er op dat LFG een groter gebied rond de turbine kan beïnvloeden dan ‘gewoon’ geluid. 3.5.4
Slaapverstoring Slaapverstoring is een belangrijk effect van geluid, omdat een goede slaap essentieel is voor lichamelijke en geestelijke gezondheid (WHO, 2009). Er zijn verschillende directe biologische reacties op nachtelijk geluid mogelijk: een versnelde hartslag, wakker worden, moeilijker inslapen en meer bewegingsonrust tijdens het slapen (Gezondheidsraad, 2004). Volgens de Gezondheidsraad is bij een gegeven gemiddeld geluidniveau (Lnight) de kans op reactie het grootst als er heel veel geluidspieken net (ongeveer 5 dB) boven de drempelwaarde voor reactie liggen. Met andere woorden: veel kleine piekwaarden gedurende de nacht hebben meer effect dan enkele hoge piekwaarden, en vormen de door de Gezondheidsraad beschreven ‘worst case’. In Nederlands onderzoek werd geconstateerd dat het geluid van windturbines geen invloed had op problemen met in slaap vallen (Van den Berg et al., 2008). Problemen met doorslapen bleken wel gerelateerd aan het geluid van windturbines. Een toename in geluidniveau hing samen met een significant grotere kans op wakker worden. Dit was niet het geval bij respondenten met Pagina 32 van 58
RIVM Rapport 200000002
economische voordelen van windturbines. De toename in verstoorde slaap (ten minste eens per maand extra wakker worden) is het meest opvallend (en daar ook significant) in de geluidklasse vanaf 45 dB(A) (geluidniveau bij 8 m/s windsnelheid op 10 meter hoogte in een neutrale atmosfeer). Op basis van een vergelijking van de Nederlandse studie en twee Zweedse studies concludeert Pedersen (2011) dat in twee van de drie studies een significante associatie werd gevonden tussen het geluidniveau en subjectieve slaapverstoring. Hierbij werden alleen de A-gewogen niveaus meegenomen en de resultaten staan een evaluatie van effecten van LFG niet toe. De in het Nederlands onderzoek vermelde resultaten stemmen overeen met de conclusies van de WHO. Volgens de WHO kan slaapverstoring optreden bij een gemiddeld nachtelijk geluidniveau op de gevel (Lnight) van 45 dB(A) en hoger (WHO, 2000). Er wordt dan van uitgegaan dat de gevel het geluid met 15 dB(A) dempt. De drempelwaarde voor slaapverstoring ligt op 30 dB(A) in de slaapkamer, maar in een stille omgeving zou dat nog bij lagere niveaus kunnen zijn. Als de geluidsisolatie van de gevel minder is, wat bij een ver geopend raam mogelijk is, zal slaapverstoring kunnen optreden bij wat lagere waarden dan 45 dB(A) op de gevel.
Verschillende recente studies laten een verband zien met de kwaliteit van slaap en slaapverstoring en de afstand van de woning tot de windturbine. Mensen die dicht bij een windturbine wonen, hebben volgens Nissenbaum et al. (2012) een significant mindere slaapkwaliteit. Shepherd et al. (2011) concludeerden dat verschillen in de kwaliteit van leven (gemeten aan de hand van de WHO HRQOLlijst) worden voorspeld door hinder en subjectieve slaapverstoring. Deze resultaten zijn vergelijkbaar met die gevonden in relatie tot vlieg- en wegverkeer. Het expertteam van het Massachusetts Department of Environmental Protection (2012) concludeert dat slaap een complexe biologische toestand is die van belang is voor gezondheid en welbevinden, en dat er nog geen geschikte data beschikbaar zijn over de invloed van windturbines op de slaap. Er is, volgens het rapport, in epidemiologisch onderzoek in beperkte mate aangetoond dat er een verband bestaat tussen geluid van windturbines en slaapverstoring, maar dat het wel waarschijnlijk is dat geluid van windturbines de slaap verstoort. Een zeer luide windturbine kan in het bijzonder bij kwetsbare groepen de slaap verstoren, al is nog onvoldoende bekend over de drempelwaarden waarboven slaapverstoring optreedt. Ook is de relatie tussen hinder van windturbines en slaapverstoring nog onvoldoende getalsmatig onderbouwd.
Uit de algemene geluidliteratuur is bekend dat slaapverstoring een negatieve invloed heeft op stemming, cognitief functioneren en een gevoel van gezondheid en welbevinden. Toekomstig onderzoek zou volgens het panel de geluidniveaus door windturbines moeten relateren aan fysiologische slaapmaten, er moet aandacht worden besteed aan het aspect van gewenning (habituatie) en tot slot moeten, in onderzoek, kwetsbare groepen ten aanzien van slaapverstoring worden betrokken naast de algemene populatie. 3.5.5
Overige gezondheidseffecten door geluid Er zijn recent twee grote literatuurstudies gepubliceerd naar de gezondheidseffecten van windturbines: een studie van Knopper en Ollson uit 2011 en het eerder genoemde rapport van een expertteam voor de Massachusetts Department of Environmental Protection (MDEP, 2012).
Pagina 33 van 58
RIVM Rapport 200000002
Daarnaast werd zeer recent het advies van de Belgische Hoge Gezondheidsraad (HGR, 2013) met betrekking tot windturbines gepubliceerd. Knopper en Ollson (2011) stellen dat mensen in het debat over windturbines hun mening vormen op basis van twee soorten informatie: 1. wetenschappelijke studies gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften; 2. informatie uit populaire literatuur en van het internet. In hun studie onderzochten zij beide soorten informatie. De onderzoekers constateren dat de conclusies van wetenschappelijke studies sterk verschillen van die uit de populaire literatuur en van internetpublicaties. Uit de wetenschappelijke studies blijkt dat hoorbaar geluid van windturbines, zoals boven beschreven, hinder kan veroorzaken en dat deze hinder mede beïnvloed wordt door contextuele en persoonlijke factoren (zie hoofdstuk 4). Volgens het MDEP (2012) is er geen enkel wetenschappelijk artikel dat wijst op een direct verband tussen het wonen in de nabijheid van een windturbine of het geluid dat deze maakt, en gezondheidseffecten anders dan hinder en in sommige gevallen zelfgerapporteerde slaapverstoring. In de populaire literatuur worden zelfgerapporteerde gezondheidseffecten geassocieerd met de afstand tot windturbines en wordt infrageluid beschreven als een belangrijke oorzaak van deze effecten, ook als de geluidniveaus niet gemeten en derhalve onbekend zijn.
Knopper en Olsson stellen tot slot dat zowel de wetenschappelijke als de populaire literatuur tot de conclusie komt dat windturbines een bron van hinder kunnen zijn, en dat de oorzaak van deze hinder aan verschillende factoren wordt toegeschreven: enerzijds aan het geluid van de turbine en visuele aspecten en anderzijds aan attitude en de hiermee samenhangende attributies. Het panel van experts (MDEP, 2012) concludeert dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs is dat geluid van windturbines directe (onafhankelijk van hinder en slaapverstoring) gezondheidseffecten veroorzaakt. Er is geen bewijs dat blootstelling aan windturbines een set van gezondheidseffecten veroorzaakt die ook wel worden samengevat onder de term ‘windturbinesyndroom’. De veronderstelling dat blootstelling aan infrageluid, veroorzaakt door windturbines, direct het vestibulaire systeem kan beïnvloeden (Moorhouse et al., 2009; Salt en Hullar, 2010), is nog niet wetenschappelijk bewezen. Beschikbare gegevens laten zien dat de infrageluidniveaus bij windturbines niet hoog genoeg zijn om dit te kunnen veroorzaken.
Het MDEPpanel van experts concludeert ook dat er onvoldoende epidemiologisch bewijs is dat er een directe associatie bestaat tussen het wonen in de buurt van windturbines en gezondheidsklachten, zoals psychische problemen, pijn, stijfheid, hoofdpijn/migraine, en aandoeningen, zoals diabetes, cardiovasculaire ziekten, tinnitus en gehoorschade. Ook enkele audiologen (Farboud et al, 2013; Soede, 2013) stellen dat op grond van Salts onderzoek niet geconcludeerd kan worden dat infrageluid de oorzaak is van gezondheidsklachten: daarvoor is meer bewijs nodig. Volgens Leventhall (2013) produceert het menselijk lichaam intern zoveel infrageluid (onder andere door bloedstroming en ademhaling) dat dit van buiten komend infrageluid zou overstemmen; juist vanwege dat interne infrageluid ligt mogelijk de gehoordrempel voor infrageluid zo hoog. Ook het recent uitgekomen advies van de Belgische Hoge Gezondheidsraad (HGR, 2013) stelt dat directe effecten op de gezondheid, anders dan hinder en slaapverstoring, onwaarschijnlijk zijn. De raad geeft wel de waarschuwing mee dat zowel hinder als slaapverstoring via stressprocessen kunnen leiden tot Pagina 34 van 58
RIVM Rapport 200000002
negatieve effecten op de gezondheid en het welbevinden van de mensen die in de buurt van windturbines wonen. Tot slot wijst de Raad er op dat het voor de sociale acceptatie van een windenergieproject door de lokale gemeenschap beslissend is hoe deze de gevolgen ervan voor haar (toekomstige) levenskwaliteit waarneemt. Als het gevoel bestaat dat die erop achteruit gaat (of zal gaan), kan dit bij bepaalde personen tot gezondheidsklachten leiden of deze verergeren, zoals bijvoorbeeld zich depressief voelen, hoofdpijn of hoge bloeddruk. 3.5.6
Vibro-akoestische ziekte en het windturbinesyndroom Regelmatig citeren tegenstanders van de plaatsing van windturbines onderzoek naar vibro-akoestische ziekte en het windturbinesyndroom. Het windturbinesyndroom werd beschreven door de Amerikaanse arts Pierpont. Haar onderzoek is gebaseerd op klachten van 38 mensen uit tien families die in de buurt (300 meter tot 1,5 kilometer) van een windmolen wonen in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Italië, Ierland en Canada. Laag gebrom van de windmolen (infra- een laagfrequent geluid) wordt verondersteld de oorzaak te zijn van wat zij het windturbinesyndroom noemt. Het windturbinesyndroom wordt door Pierpont beschreven aan de hand van een verscheidenheid aan (niet specifieke) klachten: slaapstoornissen en slaapdeprivatie, hoofdpijn, oorsuizing, druk op de oren, duizeligheid, vertigo (draaiduizeligheid), misselijkheid, wazig zien, problemen met concentratie en geheugen, versnelde hartslag en paniekaanvallen geassocieerd met gevoelens van beweging of trilling in het lichaam, zowel tijdens slaap als bij wakkere toestand (Pierpont, 2009).
Het MDEP beoordeelt de studie als wetenschappelijk zwak (MDEP, 2012), op basis van het beperkt aantal deelnemers, de selectie van de deelnemers, het feit dat de studie gebaseerd is op interviews (geen metingen), en dat een aantal deelnemers al gezondheidsproblemen had voor de plaatsing van de windturbines. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van het windturbinesyndroom. In de literatuur wordt ook wel gesproken over vibro-akoestische ziekte (VAZ) in relatie tot LFG en infrageluid. De belangrijkste data rond VAZ komen van een (voortgaande) studie onder vliegtuigtechnici die beroepsmatig zijn blootgesteld aan laagfrequent geluid. Castelo Branco en anderen (2004) beschrijven op basis daarvan de symptomen en kenmerken (onder andere verdikking van het hartweefsel) die zij toeschrijven aan VAZ. VAZ is omstreden als aandoening. De resultaten van de dierproeven zijn uitgevoerd bij hoge niveaus laagfrequent geluid die alleen in industriële situaties voor zullen komen. Daarnaast zijn er nog geen studies uitgevoerd met een degelijke controlegroep. De aandoening lijkt in de wetenschappelijke literatuur grotendeels te worden genegeerd. Ook is de manier van diagnosticeren van de aandoening bekritiseerd, omdat deze niet nauwkeurig genoeg zou zijn (ASTDR 2001).
Het voorkomen van de zogenaamde vibro-akoestische ziekte (VAZ) en het windturbinesyndroom zijn zeer onwaarschijnlijk bij de huidige geluidniveaus van windturbines (Van den Berg, 2011).
Pagina 35 van 58
RIVM Rapport 200000002
Pagina 36 van 58
RIVM Rapport 200000002
4
Fysieke en sociale aspecten van windturbines en gezondheid
Hoofdstuk 4 samengevat: Slagschaduw van windturbines kan hinderlijk zijn voor omwonenden. Om deze hinder te verminderen moeten windturbines voorzien zijn van een stilstandvoorziening. Ook de beweging van de wieken zelf kan als hinderlijk worden ervaren. Lichtschittering en elektromagnetische velden spelen geen rol van betekenis bij de huidige windturbines. Aan windturbines zijn diverse veiligheidseisen gesteld, waaronder afstand tot woningen, die aansluiten bij risico’s van andere maatschappelijke activiteiten. Mensen met een economisch belang bij windturbines in hun woonomgeving rapporteren over het algemeen geen tot weinig hinder. Mensen die het gevoel hebben dat de windturbines afbreuk doen aan hun leefomgeving door bijvoorbeeld het geluid, visuele aspecten en de beweging ervan, rapporteren meer hinder dan mensen bij wie dit niet het geval is. Bij het gevoel van indringing spelen een gevoel van hulpeloosheid en een gevoel van (procedurele) onrechtvaardigheid een belangrijke rol. In dit hoofdstuk wordt op een aantal onderwerpen ingegaan die, naast geluid, van belang zijn voor de beleving en gezondheid van omwonenden van windturbines. Aan de fysieke kant komen visuele aspecten, vervolgens veiligheid en ten slotte elektromagnetische velden aan bod.
Contextuele en persoonlijke factoren die besproken worden, betreffen economische binding, inbreuk op de privacy en acceptatie. 4.1
Visuele aspecten Moderne windturbines steken hoog uit boven hun omgeving waardoor ze tot op grote afstand zichtbaar zijn. Dit heeft invloed op het landschap. Ze trekken bovendien aandacht door de beweging van de wieken. Door die beweging kunnen ook lichtvariaties optreden. Het visuele en auditieve aspect bleken in de studie van Pedersen et al., (2007) sterk samen te hangen en zijn daardoor moeilijk te onderscheiden, maar lijken behalve een additief ook een cumulatief effect te hebben op hinder.
4.1.1
Inpassing in het landschap Inpassing in het landschap is een factor van groot belang en wordt in belangrijke mate bepaald door de visie die mensen hebben op het landschap en de wensen en verwachtingen ten aanzien van de eigen leefomgeving. Een uitwisseling van visies tussen de verschillende partijen (bewoners, planologen, initiatiefnemer et cetera) kan hier verheldering brengen, maar niet noodzakelijkerwijs een oplossing. Windturbines zullen minder opvallen in een meer door gebouwen (stad, bedrijventerrein) of techniek bepaalde (fabriek, procesinstallatie) omgeving. In een meer natuurlijk landschap contrasteren windturbines sterker met de omgeving. Een groter aandeel in het blikveld en een groter contrast zullen invloed hebben op de reactie/gevoelens van omwonenden ten opzichte van de windturbine(s): bij een negatieve waardering kan de beleving mogelijk nog negatiever worden, maar bij een positieve waardering mogelijk nog positiever. Kortom, over ‘aantasting’ van het landschap is vanuit gezondheid geen eenduidig oordeel te geven (Van den Berg, 2013).
Pagina 37 van 58
RIVM Rapport 200000002
De effecten van windturbines op (de beleving van) het landschap moeten getoetst worden in een milieueffectrapportage (m.e.r.). Agentschap NL heeft in het voorjaar van 2013 de handreiking ‘Waardering landschappelijke effecten van windenergie’ uitgebracht, met daarin beschrijvingen van de visuele (belevings)effecten van windturbines op het landschap. Met deze handreiking kan beoordeeld worden wat de impact is van windturbines op het landschap. De beoordelingsmethode bestaat uit een klein aantal vuistregels, eenvoudig te hanteren bij het opstellen van een MER. Ook tijdens het ontwerpproces van een windturbinepark biedt de handreiking aanknopingspunten: hij inspireert tot nadenken over de relatie tussen windturbines en landschap en de effecten van windturbines op de beleving van het landschap (Website Agentschap NL, 2013). 4.1.2
Slagschaduw Als de zon de rotor van een windturbine beschijnt, leidt dit tot een (bewegende) slagschaduw. Dit is de schaduw van de turbine op de ondergrond of achtergrond. Deze slagschaduw draait met de zon mee en reikt bij zonsopgang en -ondergang het verst. Lage zon treedt vaker op in de winter. Als de slagschaduw op het raam van een woning valt, treedt een stroboscopisch effect op met mogelijk grote verschillen in lichtsterkte. Vooral de continue wisseling tussen wel en geen schaduw kan als hinderlijk worden ervaren. Er is speciale wet- en regelgeving opgenomen in het Activiteitenbesluit om de hinder van slagschaduw te beperken (zie paragraaf 2.2).
4.1.3
Lichtschittering Lichtschittering kan optreden als gevolg van reflectie van zonnestralen op de rotorbladen. Dit kan hinderlijk zijn. Bij moderne windturbines komt dit verschijnsel niet tot nauwelijks meer voor, aangezien standaard een antireflectielaag wordt aangebracht op de rotorbladen.
4.1.4
Beweging wieken Door de beweging van de wieken vallen windturbines meer op dan een stilstaand element in het landschap en trekken ze aandacht (Schöne, 2007). Hoe sneller de windturbine draait, hoe onrustiger het beeld wordt. De huidige standaard driebladige windturbines ogen door hun lagere omwentelingssnelheid wat rustiger dan de kleinere, veelal tweebladige, windturbines uit de jaren tachtig. In Nederlands onderzoek (Van den Berg et al., 2008) onder mensen die binnen ongeveer 2,5 kilometer van een Nederlands windpark woonden, gaf 52 procent van de respondenten aan dat ze de beweging van de wieken vanuit huis opmerkten; 19 procent gaf aan deze beweging enigszins tot erg hinderlijk te vinden.
4.2
Veiligheid Windturbines worden door de fabrikant geplaatst onder toezicht van onder andere de gemeente en volgens kwaliteitsprotocollen van de fabrikant. Een windturbine moet jaarlijks door een deskundige worden nagekeken op de goede werking. Wanneer een gebrek geconstateerd of vermoed wordt waarbij de veiligheid voor de omgeving in het geding is, moet een turbine worden stilgezet (art. 3.14 Activiteitenbesluit). Toch is er een kans dat er iets misgaat tijdens de minimaal twintig jaar dat een windturbine in functie zal zijn. Er kan mastbreuk optreden, de gondel of een rotorblad kan afbreken en in de winter kan ijs van de rotorbladen vallen. Bij kans op ijsafzetting moet een windturbine daarom buiten werking worden gesteld. Pagina 38 van 58
RIVM Rapport 200000002
Het falen van een windturbine kan behalve op de plaats van de windturbine zelf ook daarbuiten nog schade berokkenen doordat een rotorblad breekt en weggeslingerd wordt. De maximale afstand waarover een afgebroken bladtip kan worden weggeslingerd, is ongeveer 600 meter. Hierbij is uitgegaan van een 3MWwindturbine met een masthoogte van 120 meter en een toerental dat twee keer zo hoog is als normaal (32 in plaats van 16 omwentelingen per minuut). Bij normale omwentelingssnelheid bedraagt de maximale werpafstand voor een 3MWwindturbine ongeveer 200 meter. De kans dat een voorval met een windturbine zich voordoet, is statistisch gezien klein. De kans dat vervolgens een gebouw of installatie wordt getroffen is kleiner. De kans dat een persoon wordt getroffen, is weer kleiner, omdat die persoon ook nog juist op de tijd van het voorval aanwezig moet zijn. De kans dat iets of iemand getroffen wordt, blijft echter aanwezig, maar moet volgens overheidsbeleid (Activiteitenbesluit) voldoende klein zijn: het risico op overlijden van een individu door het falen van een windturbine mag niet hoger zijn dan eens in de miljoen jaar (zie ook paragraaf 2.2.3). Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) heeft een handboek ontwikkeld om per locatie de risico’s van het plaatsen van een windturbine te beoordelen (Faassen et al., 2013).
Dit handboek is een praktijkrichtlijn, bedoeld om een risicoanalyse op eenduidige en consistente wijze te kunnen uitvoeren. In dit handboek worden, gebaseerd op generieke gegevens, afstanden (maximale worpafstanden en veiligheidscontouren) gegeven (zie Bijlage 1). 4.3
Elektromagnetische velden (EMV) Elektrische, magnetische en elektromagnetische velden komen overal voor. Bekende natuurlijke vormen zijn UV-straling (zon), infrarode straling (warme voorwerpen) en zichtbaar licht. Elektromagnetische velden (EMV) zijn ook aanwezig bij bijvoorbeeld elektrische apparaten en bij het transport van elektriciteit over lange afstanden (via hoogspanningsverbindingen). De sterkte van deze velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Ook rondom de gondel en de kabels die de windturbine koppelen aan het hoogspanningsnet kunnen magnetische velden voorkomen. Door de afstand tussen de gondel/kabels en de locatie waar langdurig kinderen kunnen verblijven (woningen, scholen, kinderdagverblijven et cetera) is het echter onwaarschijnlijk dat gondel/kabels substantieel aan de blootstelling bijdragen en dat kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden sterker dan 0,4 microtesla (de sterkte van het magnetische veld die in het beleid rond hoogspanningslijnen als voorzorg wordt gebruikt). Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat elektromagnetische velden die in de buurt van windturbines en de daarbij behorende ondergrondse kabelverbindingen voorkomen, een gezondheidsrisico vormen. Op de website van het Kennisplatform EMV staat meer informatie over elektromagnetische velden (Kennisplatform EMV, 2013).
4.4
Contextuele en persoonlijk factoren Onderzoek in de afgelopen jaren heeft enig inzicht gegeven in waarom sommige mensen meer last van windturbines hebben dan anderen. Naast fysische aspecten spelen persoonlijke factoren en de feitelijke situatie een rol bij gerapporteerde hinder door windturbines.
Pagina 39 van 58
RIVM Rapport 200000002
4.4.1
Zicht op windturbines De geluidhinder kan niet los worden gezien van de visuele hinder omdat deze elkaar sterk beïnvloeden (zie paragraaf 3.3.1). Mensen die zicht hebben op een windturbine kunnen bang zijn dat de voortdurende blootstelling aan geluid van deze turbine hun gezondheid schaadt. Het gevolg kan zijn dat zij meer hinder ondervinden (HGR, 2013).
4.4.2
Economische aspecten Economische aspecten blijken een rol te spelen bij de gerapporteerde hinder door windturbines. In een Nederlands onderzoek (Pedersen et al., 2007) had veertien procent van de respondenten economisch belang bij een of meer windturbines. Voor een belangrijk deel waren dit ondernemende boeren die gemiddeld dichter bij de windturbines woonden en aan hogere geluidniveaus werden blootgesteld dan de overige respondenten. Ondanks het feit dat zij de windturbines bij hetzelfde geluidniveau even goed hoorden als andere respondenten en dezelfde termen gebruikten om het geluid te karakteriseren, was het percentage gehinderden in deze groep laag tot zeer laag. Deze groep was gemiddeld jonger dan de rest van de respondenten, vsaker man, beter opgeleid, werkten vaker in/bij huis en rapporteerden minder gezondheidsproblemen en slaapverstoring. De onderzoekers verwijzen naar deze groep dan ook als ‘healthy farmers’, met een knipoog naar het begrip ‘healthy workers’. Mogelijk hangt de lage hinder, naast de financiële voordelen, tevens samen met een positievere kijk op windturbines in het landschap door de mate van controle (zie ook paragraaf 4.5) die men had op de plaatsing van de windturbine(s) (Van den Berg et al., 2008).
4.4.3
Afbreuk van privacy / vrije keuze Pedersen et al. (2007) vonden dat mensen die het gevoel hebben dat windturbines indringers zijn op hun privéterrein en afbreuk doen aan hun privacy (als geluid, visueel en beweging) meer hinder rapporteren. Als mensen zich erg gehecht voelen aan hun omgeving (‘place attachment’), kan een windpark de identiteit of eigenheid van die plek bedreigen en tot een negatieve associatie en tegenstand leiden (Devine-Wright en Howes, 2010). Bij het gevoel van indringing kan ook een gevoel van hulpeloosheid en van (procedurele) onrechtvaardigheid een rol spelen (zie paragraaf 4.5). Mogelijk speelt dit sterker bij mensen die op het platteland wonen vanwege de rust; voor hen kan de komst van een windpark een belangrijke inbreuk zijn op de (visuele en auditieve) rust.
4.4.4
Geluidgevoeligheid Geluidgevoeligheid verwijst naar een interne toestand (fysiologisch, psychisch, attitude, leefstijl, activiteiten) van een persoon die de reactiviteit op geluid in het algemeen verhoogt. Geluidgevoeligheid heeft een sterk genetische component (is erfelijk), maar kan ook ontstaan door een lichamelijke ziekte (bijvoorbeeld migraine) of een hoofdwond/trauma. Ernstige paniekstoornissen kunnen ook samengaan met overgevoeligheid voor geluid en dat kan de gevoelens van paniek weer versterken (Van Kamp en Davies 2013). Tot slot kunnen oorinfecties, operaties met verdoving en sommige medicijnen (tijdelijk) leiden tot een overreactie op geluid. Slechts in een paar studies wordt ingegaan op de rol van geluidgevoeligheid bij hinder van windturbinegeluid. Een voorbeeld is het onderzoek van Shepherd et al. (2011) in Nieuw-Zeeland, waarin twee groepen vergeleken werden (turbine- versus controlegroep). Geluidgevoeligheid werd gemeten aan de hand van een enkelvoudige vraag waarin mensen werd Pagina 40 van 58
RIVM Rapport 200000002
gevraagd of ze niet, matig of erg gevoelig waren voor geluid. In de groep woonachtig in de buurt van een windturbine werd een sterke relatie gevonden tussen geluidgevoeligheid en hinder tegenover een zwakke correlatie in de controlegroep. Dit duidt mogelijk op een interactie-effect van blootstelling en gevoeligheid op hinder. Twee recente publicaties (Chapman et al., 2013 en Crichton et al., 2013) wijzen eveneens op het belang van de psychosociale component in de relatie tussen blootstelling aan windturbines en gezondheidsklachten. Het is echter ook mogelijk dat in dit gebied juist geluidgevoelige mensen zijn gaan wonen omdat het een stil gebied was. 4.5
Sociale aspecten Voor de sociale aanvaarding van een windenergieproject door de lokale gemeenschap is het beslissend hoe de gemeenschap de gevolgen van dit project voor haar (toekomstige) levenskwaliteit waarneemt (HGR, 2013). De relatie tussen de betrokken partijen (omwonenden, gemeente, projectontwikkelaar) is hierin van groot belang. Overlast van windturbinegeluid blijkt een complex vraagstuk te zijn waarin de hiervoor beschreven objectieve blootstelling (fysieke) en persoonlijke factoren een rol spelen, maar ook beleid, psychologie, communicatie en rechtvaardigheid. Als planning en inspraak als onjuist of onrechtvaardig worden ervaren, brokkelt het draagvlak af, ook onder mensen die er aanvankelijk neutraal tegenover stonden (Gross, 2007). Als bewoners het idee hebben dat ze niet voldoende betrokken worden, voelen ze zich vaak machteloos, omdat ze niets kunnen ondernemen tegen de (verwachte) inbreuk op hun leven en leefomgeving. Deze bezorgdheid kan worden verminderd door een eerlijke en open procedure waarin bewoners daadwerkelijk een positieve inbreng hebben (Tyler, 2000). Ook de onderzoeksresultaten van Wolsink (1990) en Breukers (2007) laten zien dat een samenwerking met meer nadruk op lokale onderwerpen meer succes had dan een benadering die zich richt op het ontwikkelen van zo veel mogelijk windenergie en een hiërarchisch beleid.
Ook kunnen voor- en tegenstanders van de plannen heel andere beelden en verwachtingen hebben van het gebruik van het landschap (zie ook paragraaf 4.1.1). Dat leidt tot selectief gebruik van informatie: sommige informatie wordt genegeerd, andere sterk benadrukt (Pepermans en Loots, 2013).
Pagina 41 van 58
RIVM Rapport 200000002
Pagina 42 van 58
RIVM Rapport 200000002
5
Conclusies
Omwonenden kunnen geluidhinder van windturbines ondervinden; dit is het meest beschreven effect van het wonen nabij windturbines. Daarnaast kan onder bepaalde omstandigheden slagschaduw optreden, wat hinderlijk kan zijn wanneer dit op de ramen van een woning valt. Er zijn nog onvoldoende data beschikbaar om de invloed van windturbines op de slaap te kunnen beoordelen. Voor andere directe effecten op de gezondheid is geen bewijs. Wel kunnen bij sommige mensen gezondheidsklachten ontstaan of verergeren via hinder en stress, die ontstaat als mensen het gevoel hebben dat de plaatsing van windturbines leidt tot verslechtering van de omgevings- of levenskwaliteit (zie Figuur 9).
Figuur 9: Schematisch overzicht van relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid Toelichting bij Figuur 9 De relatie tussen windturbines en de reacties van mensen (waaronder effecten op de gezondheid) is ingewikkeld; directe effecten op gezondheid/welbevinden, contextuele en persoonlijke factoren zijn met elkaar verweven en beïnvloeden elkaar. Zo kunnen bijvoorbeeld de visuele aspecten niet los worden gezien van geluidhinder; het zien van een windturbine heeft invloed op de gerapporteerde geluidhinder. Ook is bij mensen die economisch voordeel hebben van de windturbines of positief staan ten opzichte van windturbines in het landschap, de kans op hinder verminderd. De fysieke kenmerken van het geluid spelen ook een belangrijke rol. Hoewel windturbines minder geluid produceren dan andere bekende hinderbronnen zoals wegverkeer en industrie, wordt het geluid eerder als hinderlijk ervaren. Het karakter van het geluid (zoeven, zwiepen) speelt hierin waarschijnlijk een belangrijke rol. Wellicht kan het laagfrequente deel van Pagina 43 van 58
RIVM Rapport 200000002
het geluid van windturbines, net als bij andere bronnen, tot extra hinder leiden, maar er is nog geen evidentie dat dit een factor van belang is bij windturbines. Windturbines kunnen alleen al door hun (geplande) aanwezigheid overlast veroorzaken, ingegeven door persoonlijke of contextuele factoren. Omwonenden kunnen het gevoel hebben dat hun (toekomstige) leefomgevingskwaliteit afneemt, dat ze erop achteruit gaan, ze kunnen bang zijn voor effecten op de gezondheid en voor vermindering van de waarde van hun woning, zich onvoldoende betrokken voelen bij het proces et cetera. Bij bepaalde personen kan dit gevoel leiden tot gezondheidsklachten of deze verergeren, zoals depressie, hoofdpijn of hoge bloeddruk.
Pagina 44 van 58
RIVM Rapport 200000002
6
Advisering door GGD
De advisering van de GGD richt zich erop gezondheidseffecten door windturbines te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Geluid, zicht en een transparante besluitvorming zijn hierbij de voornaamste aandachtspunten. De advisering richt zich op twee sporen: blootstelling (fysiek): zoals geluid, veiligheid, slagschaduw, inpassing omgeving; persoonlijke factoren: zoals draagvlak, attitude, perceptie, communicatie, participatie, economisch voordeel, geluidgevoeligheid. Beide sporen zijn bepalend voor het optreden van gezondheidseffecten, waaronder hinder en/of slaapverstoring. Vooral met het laatste spoor wordt bij de planning en besluitvorming rondom windturbines niet altijd voldoende rekening gehouden. Het is aan te raden omwonenden te betrekken bij de planvorming, op een moment dat nog betekenisvolle dialoog (en dus veranderingen in het ontwerp) mogelijk is. Een uitwisseling van nuchtere en evenwichtige argumentatie voor windturbines is daarbij noodzakelijk. De vrees voor een verslechterde leefomgeving moet serieus worden genomen en niet afgedaan als NIMBY (‘not in my backyard’)-bezwaren. Gevoelens van onmacht en gebrek aan controle zijn immers niet bevorderlijk voor de gezondheid. GGD’en kunnen voor inbreng zorgen in de discussie rondom windturbines om zodoende een genuanceerde afweging te bevorderen. 6.1.1
Procedure Het plaatsen van windturbines moet passen in de ruimtelijke plannen (structuurvisies) die op gemeentelijk niveau tot uiting komen in het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan is juridisch bindend. Een provincie of de landelijke overheid (het Rijk) kan sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening op 1 juli 2008 ook een bestemmingsplan maken, dat het gemeentelijke bestemmingsplan kan overrulen: het inpassingsplan. Een initiatiefnemer voor een windturbine(park) moet een omgevingsvergunning aanvragen. De aanvraag van deze vergunning wordt getoetst aan geldende voorwaarden (bestemmingsplan en activiteitenbesluit). Het bevoegd gezag voert ten behoeve van de vergunning een OBM uit (omgevingsvergunning beperkte milieutoets). Omdat tegelijk met de aanvraag een activiteitenbesluitmelding moet worden gedaan, moet de initiatiefnemer een akoestisch rapport toevoegen. Aan de hand van dit rapport wordt getoetst of wordt voldaan aan de geluidnormen uit dit besluit. Bij meer dan tien windturbines of een gezamenlijk vermogen van meer dan 15 MW is het project MER-beoordelingsplichtig. Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of er een milieueffectrapportage (m.e.r.) moet worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag voor uitvoeringsplannen (vergunningen en ontheffingen) is in de meeste gevallen de gemeente.
In bepaalde gevallen gaat het bevoegd gezag over naar de provincie. De GGD kan echter de gemeente als ingang en Pagina 45 van 58
RIVM Rapport 200000002
bevoegd gezag beschouwen totdat de gemeente aangeeft dat het anders geregeld is. Aanknopingspunten GGD: Pro-actief (zonder dat er een aanvraag voor een specifiek project ligt): opstellen structuur- en bestemmingsplannen: meedenken, adviseren. Dit vergt veel tijd en een brede blik (het gaat om meer onderwerpen dan alleen windturbines). Reactief (bij (verkenning van) een specifiek project): meedenkend, adviserend: adviesvraag aanvrager en gemeente (rondom gezondheid, communicatie en draagvlak); formeel: inspreken op ontwerpbesluiten. Voorwaarde voor betrokkenheid en inbreng van de GGD is dat GGD’en op de hoogte zijn van plannen voor plaatsing van windturbines. Het is daarom aan te bevelen dergelijke plannen in de gaten te houden en zo niet alleen afhankelijk te zijn van meldingen van burgers. Aan te raden is gemeenten nog eens extra te attenderen op de bijdrage van de GGD aan een goed proces en aandacht te vragen voor de volksgezondheid. Ook kan de GGD al contacten leggen met verantwoordelijken binnen de gemeenten voordat dergelijke ontwikkelingen spelen. Welke afdeling dat precies is (ruimtelijke ordening of milieu), zal per gemeente verschillen. Wanneer de juiste afdeling op de hoogte is van de mogelijke inbreng van de GGD, kan de GGD worden betrokken zodra een windenergieproject zich aandient. 6.1.2
Advisering, aandachtspunten Geluid: Op de gevels van woningen en andere kwetsbare bestemmingen (ziekenhuizen, scholen) mogen de normen niet worden overschreden (47 Lden en 41 Lnight). Cumulatie geluid windturbine met geluid van andere windturbines. Cumulatie geluid windturbine met andere geluidsbronnen, bijvoorbeeld verkeer (zie Bijlage 3). Laagfrequent geluid: behoeft geen aparte beoordeling. A-gewogen geluidniveaus zijn voldoende. Infrageluid: behoeft geen aparte beoordeling. Niveaus komen niet boven de gehoordrempel uit. Karakter geluid: het karakter van het geluid is medebepalend voor de mate van hinder. Het zoeven of zwiepen van windturbinegeluid zou een reden kunnen zijn het geluid strenger te beoordelen dan even luid ander bedrijfsmatig geluid, zeker in de avond en de nacht. Slagschaduw Door de stilstandvoorziening zou het optreden van slagschaduw in woningen niet moeten voorkomen. Adviseer monitoring ter controle of de berekende tijden kloppen. Dit kan bijvoorbeeld door een nummer/site ter beschikking te stellen waarop omwonenden overlast kunnen melden, en vervolgens snel op deze meldingen te reageren. Zicht Het is belangrijk dat aandacht wordt besteed aan de geluidhinder en visuele hinder/zicht op windturbines samen. De geluidhinder kan niet los worden gezien van de visuele hinder omdat deze elkaar beïnvloeden. Pagina 46 van 58
RIVM Rapport 200000002
Inpassing in omgeving Over visuele verstoring/aantasting van het landschap is vanuit gezondheid geen eenduidig oordeel te geven. Wel lijkt regelmaat in de opstelling beter dan een ‘zwerm’ die een meer chaotische indruk maakt. Aan visuele rust kan nog worden toegevoegd dat het mogelijk is om windturbines synchroon te laten draaien. Dat kan met elk in dezelfde positie of misschien ook steeds iets verschoven ten opzichte van elkaar. Datzelfde kan wellicht ook met de waarschuwingslichten bovenop de turbines: geen wanordelijk geknipper maar een synchroon of ‘lopend’ geknipper. Indien mogelijk bewoners hierover laten meedenken. Veiligheid: Aan het aanvaardbaar risico van 10-6/jr (persoonsgebonden risico) moet worden voldaan. Dit betekent dat binnen een bepaalde afstand geen groepen woningen, scholen of ziekenhuizen mogen staan. Vaak komt de veiligheid voor bewoners overigens niet in het geding, omdat op de afstand van 193-216 meter (zie Bijlage 1) niet aan de geluidnormen wordt voldaan. Het risico dat dan nog voor omwonenden zou kunnen bestaan, is dat er door het ongeval een object wordt geraakt dat een vervolgrisico kan veroorzaken. Dit moet voor elke locatie apart worden onderzocht. Persoonlijke factoren/communicatie: Pas bij een concreet plan kunnen de voordelen van duurzame energie worden beoordeeld op concrete gevolgen voor de eigen omgeving.
In die debatten wordt uiteindelijk de nationale wens tot meer duurzame energie afgewogen tegen de effecten op de eigen leefomgeving. Het is belangrijk dat de juiste gegevens op tafel liggen over mogelijke gezondheidseffecten, maar ook dat het debat op een open en eerlijke manier gevoerd wordt. De mate van hinder kan verlaagd worden door een zorgvuldige behandeling van lokale plannen. De GGD kan in deze procedure betrokken worden om hinderaspecten toe te lichten voor zowel bewoners als bestuur. Zaken die belangrijk zijn in zo’n proces: Geef omwonenden reële inspraakmogelijkheden (niet alleen instemming/afwijzing van een plan). Probeer ze te betrekken bij de planvorming en zo mogelijk de exploitatiefase. Zorg dat het proces van planvorming en besluit ordelijk en open verloopt. Communiceer regelmatig en open met belanghebbenden. Voor betrokkenen die baat (economisch voordeel) hebben bij de plannen zou een hoger geluidniveau toelaatbaar kunnen zijn. Iemand die zelf besluit een windturbine neer te zetten en daar economisch voordeel van heeft, ervaart weinig tot geen hinder. Wordt door een ander bepaald dat er een windturbine wordt geplaatst, dan zal economisch voordeel over het algemeen minder van invloed zijn op het draagvlak en/of hinder.
Geef aan dat mogelijke effecten (geluidhinder, slagschaduw) over een bepaalde tijd zullen worden gemonitord en dat snel op meldingen zal worden gereageerd.
Pagina 47 van 58
RIVM Rapport 200000002
Pagina 48 van 58
RIVM Rapport 200000002
Referenties
Websites Website Agentschap NL. Ministerie van Economische zaken. http://www.agentschapnl.nl/onderwerp/windenergie-op-land, 29 juli 2013. Website Infomil. Rijkswaterstaat. http://www.infomil.nl/onderwerpen/ruimte/handreiking/functies/fnc-wind/fncwind-beleid-w/fnc-wind-beleid-w-we/, augustus 2013. Kennisplatform Elektromagnetische Velden, http://www.kennisplatform.nl/Homepage.aspx, 21 oktober 2013. Website de Rechtspraak http://uitspraken.rechtspraak.nl/#snelzoeken/?zoekterm=BZ3549, 3 december 2013. Literatuur Acoustics. Normal equal-loudness-level contours. BS ISO 226, British Standards, 2003. ASTDR (2001) Public Health Assessment Guidance Manual U.S. Department of Health and Human Services Public Health Service Agency for Toxic Substances and Disease Registry. Atlanta, Georgia. Bakker, R.H., E. Pedersen et al. (2012) Impact of wind turbine sound on annoyance, self-reported sleep disturbance and psychological distress. Sci Total Environ 425: 42-51. Berg, G.P. van den (2005) The beat is getting stronger. The effect of atmospheric stability on low frequency modulated sound of wind turbines. Journ Low Freq Noise Vib Active Control 2005, 24 (1): 1-24. Berg, G.P van den, E. Pedersen, J. Bouma en R. Bakker (2008) Project WINDFARMperception – Visual and acoustic impact of wind turbine farms on residents. Final report, Universiteit Groningen, UMCG en Universiteit Göteborg. Berg, G.P.
van den en N.M. van Kuijeren (2008) Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden. GGD-informatieblad medische milieukunde. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven. RIVM briefrapport 609333002. Berg, G.P. van den (2009a) Why is wind turbine noise noisier than other noise? Proc. Euronoise2009, Edinburgh. Berg, G.P. van den (2009b) Low Frequency Noise and phantom sounds. Journ Low Freq Noise Vib Active Control 2009, 28 (2): 105-116. Berg, G.P. van den (2011) Duurzaam en ongezond? Sociale en (niet)akoestische kanten van windenergie. Geluid (4), dec 2011 Pagina 49 van 58
RIVM Rapport 200000002
Berg, G.P. van den (2013) Advies Windpark Lage Weide, Utrecht. Bolin, K., G. Bluhm et al. (2011) Infrasound and low frequency noise from wind turbines: Exposure and health effects. Breukers, S.C. (2007) Changing institutional landscapes for implementing wind power. Proefschrift Universiteit van Amsterdam. Castelo Branco, N.A.A. en M. Alves-Pereira (2004) Vibroacoustic disease. Noise & Health 2004; 6(23): 3-20. Chapman, S, A. St. George, K. Waller en V. Cakic (2013) The Pattern of Complaints about Australian Wind Farms Does Not Match the Establishment and Distribution of Turbines: Support for the Psychogenic, ‘Communicated Disease’ Hypothesis. PLoS ONE 8(10): e76584. doi:10.1371/journal.pone.0076584. Coleby, A.M., D.R. Miller en P.A. Aspinall (2009) Public attitudes and participation in wind turbine development. Journal of Environmental Assessment Policy and Management. 11(1): 69-95. Crichton, F., G. Dodd, G. Schmid, G. Gamble en K.J. Petrie (2013, March 11) Can Expectations Produce Symptoms From Infrasound Associated With Wind Turbines?. Health Psychology. Advance online publication. doi: 10.1037/a0031760 Devine-Wright, P. en Y. Howes (2010) Disruption to place attachment and the protection of restorative environments: a wind energy case study. J Environ Psychol 30(3): 271-80. Doolan, C.J., D.J. Moreau en L.A.
Brooks (2012) Wind turbine noise mechanisms and some concepts for its control. Acoustics Australia: Vol. 40, No. 1, April 2012 – 7. EU (2006) Special Eurobarometer, Attitudes towards energy. Faassen, C.J., P.A.L Franck en A.M.H.W Taris (2013) Handboek Risicozonering Windturbines 2013. Uitgave Agentschap NL. Farboud A, Crunkhorn R, Trinidade A (2013). ‘Wind turbine syndrome’: fact or fiction? Journal of Laryngology & Otology 127, 222–226 Fiumicelli, D. (2011) Wind Farm Noise Dose Response. Acoustics Bulletin 2011. Gedeputeerde Staten van Groningen (18 juni 2013) Brief aan de provinciale staten. Taakstelling windenergie op land. Gezondheidsraad (2004) Over de invloed van geluid op de slaap en de gezondheid, Advies 2004/14, Gezondheidsraad, Den Haag. Gross, C. (2007) Community perspectives of wind energy in Australia: The application of a justice and community fairness framework to increase social acceptance. Energy Policy 35: 2727-2736.
Pagina 50 van 58
RIVM Rapport 200000002
Hayes, M. (2006) The measurement of low frequency noise at three UK wind farms. Hayes McKenzie Partnership Ltd en Department of Transport and Industry, Groot-Brittannië. Health Canada (2011) Health Impacts and Exposure to Sound From Wind Turbines: Updated Research Design and Sound Exposure Assessment http://www.hc-sc.gc.ca/ewh-semt/consult/_2013/wind_turbineeoliennes/research_recherche-eng.php HGR (2013) Hoge Gezondheidsraad. Public health effects of siting and operating onshore wind turbines. Publication of the Superior Health Council No. 8738, België. Howe, B., N. McCabe et al. (2011) Addressing low frequency sound and infrasound from wind turbines. Canadian Acoustics - Acoustique Canadienne 39(3): 86-87. Hubbard, H.H., F.W. Grosveld en K.P. Shepherd (1983) Noise characteristics of large wind turbine generators. Noise Control Engineering Journal 21, 21-29. Jakobsen, J. (2005) Infrasound emission from Windturbines. Journ Low Freq Noise Vib Active Control 24 (3) 2005: 145-155. Janssen, S.A., H. Vos, A.R. Eisses, E. Perdersen (2009) Exposure response relationship for annoyance by windturbine noise : a comparison with other stationary sources. Proceedings Euronoise. Janssen, S.A., H. Vos et al. (2011) A comparison between exposure-response relationships for wind turbine annoyance and annoyance due to other noise sources. J Acoust Soc Am 130(6): 3746-3753.
Jung, S.S., W-S Cheung, C. Cheong, S-H Shin (2008) Experimental Identification of Acoustic Emission: Characteristics of Large Wind Turbines with Emphasis on Infrasound and Low-Frequency Noise. Journal of the Korean Physical Society, 53, 4, 1897-1905. Kamp I van, Davies H. Noise and health in vulnerable groups: a review. Noise Health. 2013 May-Jun;15(64):153-9. Knopper, L.D. en C.A. Ollson (2011) Health effects and wind turbines: a review of the literature. Environ Health 10: 78. Lee, S., K. Kim et al. (2011) Annoyance caused by amplitude modulation of wind turbine noise. Noise Control Engineering Journal 59(1): 38-46. Leventhall, G (2013). Infrasound and the ear. Proceedings 5th International Conference on WindTurbineNoise, Denver MDEP (2012) Massachusetts Department of Environmental Protection and Massachusetts Department of Public Health. Wind Turbine Health Impact Study: Report of Independent Expert Panel. Miedema, H.M.E., Oudshoorn, C.G.M. Annoyance from transportation noise: relationships with exposure metrics DNL and DENL and their confidence intervals. Environmental Health Perspectives 2001, 109: 409-16. Pagina 51 van 58
RIVM Rapport 200000002
Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en Ministerie van Economische zaken (maart 2013) Ontwerp-structuurvisie Windenergie op land. Møller, H. en C.S. Pedersen (2011) Low-frequency noise from large wind turbines. J Acoust Soc Am 129(6): 3727-3744. Moorhouse, A.T., M. Hayes, S. von Hünerbein, B. Piper en M. Adams (2007) Research into Aerodynamic Modulation of Wind Turbine Noise. Final report. July 2007. University of Salford, Contract no NANR233). Moorhouse, A.T., D.C. Waddington et al. (2009) ‘A procedure for the assessment of low frequency noise complaints.’ J Acoust Soc Am 126(3): 1131-1141. Nissenbaum, M.A., J.J. Aramini, C.D. Hanning (2012) Effects of industrial wind turbine noise on sleep and health. Noise Health 2012;14:237-43 Oerlemans, S. (2011) Chapter 2: primary noise sources. Uit: D. Bowdler en G. Leventhall(ed.) Wind turbine noise. Muliti-Science Publishing Co, UK. Pedersen, E., K. Persson Waye en L.R-M. Hallberg (2004) Living Close to Wind Turbines–A Qualitative Approach to a Deeper Understanding. proc. Internoise2004, Prague. Pedersen, E. en K. Persson Waye (2004) Perception and Annoyance due to Wind Turbine Noise – a Dose-Response Relationship. J. Acoust. Soc. Am 116 (6) 2004: 3460-3470. Pedersen E. en K. Persson Waye (2007) Wind turbine noise, annoyance and selfreported health and wellbeing in different living environments.
Occup Environm Med, 64 2007: 480 – 486. Pedersen, E., L.R-M. Hallberg en K. Persson Waye (2007) Living in the vicinity of wind turbines – a grounded theory study. Qualitative Research in Psychology, 2007, 4 (1-2), 49-63. doi:10.1080/14780880701473409 Pedersen, E. en K. Persson Waye (2008) Wind turbine - a low level noise source interfering with restoration? Environmental Research Letters, 2008, 3 (1), 015002. doi:10.1088/1748-9326/3/1/015002. Pedersen, E. en F. van den Berg (2010) Why is wind turbine noise poorly masked by road traffic noise? In: Proceedings of INTERNOISE, 39th International congress of noise control engineering, Lisbon, 13-16 June 2010. Invited paper. Pedersen, E. (2011) Health Apects Associated with Windturbine Noise. Noise control Engineering Journal. Vol. 59 Nr. 1, 47-53. Pepermans, Y. en I. Loots (2013) Wind farm struggles in Flanders fields: a sociological perspective. Energy Policy 59: 321-328. Persson Waye, K., en E. Öhström (2002) Psycho-acoustic characters of relevance for annoyance of windturbine noise. J. Sound Vib. 250 (1) 2002: 6573. Pagina 52 van 58
RIVM Rapport 200000002
Pierpont, N. (2009) Wind Turbine Syndrome: A Report on a Natural Experiment. Santa Fe, K-Selected Books. Proceedings Internoise 2011, 2012; http://www.internoise2012.com/ http://www.proceedings.com/17617.html Proceedings ICA (International Congress of Acoustics), 2013, Montréal, Canada, http://asadl.org/poma/resource/1/pmarcw. RIVM (2013) Factsheet Laagfrequent Geluid (LFG). http://www.rijksoverheid.nl/documenten-enpublicaties/brieven/2013/06/18/rivm-factsheet-laag-frequent-geluid-lfg.html Salt, A.N. en T. E. Hullar (2010) Responses of the ear to low frequency sounds, infrasound and wind turbines. Hear Res 268(1-2): 12-21. Schöne, M.B. (2007) Windturbines in het landschap. Alterra, rapport 1501, Wageningen. Shepherd, D., D. McBride et al. (2011) Evaluating the impact of wind turbine noise on health-related quality of life. Noise Health 13(54): 333-339. Soede W (2013). Verklaring voor hinder van laagfrequent geluid. Tijdschrift Geluid (2) juni 2013. Sonus (2010) Wind farms Technical Paper. Paper Environmental Noise Prepared for Clean Energy Council. November 2010 S3387C6. Tyler, T.R. (2000) Social Justice: Outcome and Procedure. International Journal of Psychology, 35 (2). Verheijen, E., J. Jabben, E. Schreurs en K.B. Smith (2011) Impact of wind turbine noise in The Netherlands. Noise Health 2011;13:459-63. Wolsink, M.
(1990) Maatschappelijke acceptatie van windenergie; Houdingen En Oordelen Van De Bevolking. Thesis Publishers, Amsterdam. World Health Organization (WHO) (2000) Guidelines for Community Noise, B. Berglund, T. Lindvall, D. Schwela en K.T. Goh (Eds.). Geneva. World Health Organization (WHO) (2009) Night Noise Guidelines for Europe (NNGL) Edited by Charlotte Hurtley, WHO regional office for Europe.
Pagina 53 van 58
RIVM Rapport 200000002
Bijlage 1
Risicocontouren, generieke waarden
Bron: Handboek Risicozonering Windturbines 2013 (Faassen et al., 2013) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval door een falende windturbine. Rondom een windturbine kunnen risicocontouren worden getekend voor het plaatsgebonden risico. In het gebied direct rondom de windturbine (op ongeveer een bladlengte afstand) ligt de 10-5 per jaar contour. De kans op overlijden is op deze contour gelijk aan een op de honderdduizend per jaar. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten staan. Op een grotere afstand van de windturbine (op ongeveer ashoogte + bladlengte afstand) ligt de 10-6 per jaar contour, waar de kans op overlijden een op een miljoen per jaar is. Tussen de 10-5 en de 10-6 per jaar contour mogen zich wel beperkt kwetsbare objecten bevinden (bijvoorbeeld losstaande huizen of bedrijven met een beperkt aantal medewerkers). Kwetsbare objecten, zoals bijeenstaande woningen, scholen en ziekenhuizen mogen alleen buiten de 10-6 per jaar contour staan. Voor de risicocontouren met generieke gegevens gelden de volgende vuistregels: 1. De PR = 10-6 per jaar contour is gelijk aan het maximum van ashoogte plus halve rotordiameter of maximale werpafstand bij bladbreuk bij nominaal rotortoerental.