CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

F2 RIVM rapport mei 2021

Raadscommissie 8 juni 2021, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen36.892 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

5 alinea's met “politiek”: 50 86 220 358 446

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Klimaatakkoord: effecten van nieuwe energiebronnen op gezondheid en veiligheid in Nederland RIVM-rapport 2021-0054 L. Gooijer│M.G. Mennen

Klimaatakkoord: effecten van nieuwe energiebronnen op gezondheid en veiligheid in Nederland

RIVM-rapport 2021-0054

RIVM-rapport 2021-0054

Colofon

© RIVM 2021 Delen uit deze publicatie mogen worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave. DOI 10.21945/RIVM-2021-0054 L. Gooijer (auteur), RIVM M.G. Mennen (auteur), RIVM Contact: Leendert Gooijer Centrum Veiligheid e-mail: leendert.gooijer@rivm.nl Dit onderzoek werd verricht in opdracht het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, directie Warmte en Ondergrond in het kader van het project: M/460103/01/BB ‘Veiligheids- en gezondheidseffecten van de energietransitie’.

Dit is een uitgave van: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Postbus 1 | 3720 BA Bilthoven Nederland www.rivm.nl Pagina 2 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

Publiekssamenvatting

Klimaatakkoord: effecten van nieuwe energiebronnen op gezondheid en veiligheid in Nederland De Nederlandse overheid wil fossiele energiebronnen vervangen door energie die het milieu minder belast. Maatregelen om deze duurzame bronnen in te zetten, zoals zonne- en windenergie, staan beschreven in het Klimaatakkoord (2019). Maar ook de nieuwe energiebronnen kunnen negatieve effecten hebben op gezondheid en de veiligheid (arbeidsveiligheid en risico’s voor de leefomgeving). In opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft het RIVM uitgezocht wat deze effecten kunnen zijn. Daaruit blijkt dat de nadelen in verhouding vrij klein zijn. Wel kunnen enkele energiebronnen negatieve effecten op gezondheid en veiligheid veroorzaken. Voor de gezondheid hebben vooral windenergie en biomassa negatieve effecten. Windturbines kunnen hinder veroorzaken bij omwonenden. Installaties om biomassa te verbranden en houtkachels veroorzaken luchtverontreiniging. Wat veiligheid betreft moet er genoeg afstand zijn tussen windturbines en woonwijken. Verder moeten windturbines veilig worden geïnstalleerd en onderhouden. Dat geldt ook voor zonnepanelen, batterijen en warmtepompen. Bij het gebruik van waterstof en biogas zijn maatregelen nodig om de kans op brand en explosie zo klein mogelijk te houden.

Hoe groot de effecten op gezondheid en veiligheid precies zijn, hangt af van de keuzes die de Nederlandse overheid zal maken welke nieuwe energiebronnen waar worden gebruikt. De resultaten van dit onderzoek kunnen bij die keuzes worden meegenomen. Het RIVM reikt ook mogelijkheden aan om de negatieve effecten te verkleinen. Bijvoorbeeld om geluid van windturbines of de uitstoot van biomassa-installaties en houtkachels te beperken. Het RIVM beveelt aan om de komende jaren goed te blijven volgen welke effecten de nieuwe energiebronnen hebben. Dit onderzoek is onderdeel van een drieluik over de gevolgen voor gezondheid en veiligheid van klimaatbeleid. De drie onderzoeken samen laten zien dat klimaatbeleid niet alleen gunstig is voor het klimaat, maar ook voor gezondheid en veiligheid. Kernwoorden: klimaatakkoord, energiebronnen, veiligheid, gezondheid, arbeidsveiligheid, omgevingsveiligheid

Pagina 3 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

Pagina 4 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

Synopsis

Climate Agreement: effects of new energy sources on health and safety in the Netherlands The Dutch government is committed to replacing fossil energy with energy that impacts the environment less. Measures for deploying renewable energy sources, such as solar and wind energy, are described in the Climate Agreement (2019). These new energy sources can, however, also have adverse effects on health and safety (occupational safety and risks for our living environment). On the instructions of the Ministry of Economic Affairs and Climate Policy (EZK), RIVM has investigated what these adverse effects might be. Its study shows that the drawbacks are relatively minor. However, some energy sources can clearly cause adverse effects on health and safety. With respect to health, the adverse effects of wind energy and biomass were primarily examined. Wind turbines cause noise pollution if they are constructed in the vicinity of residential areas and biomass-fired plants and wood-burning stoves cause air pollution. When it comes to safety, there must be sufficient distance between wind turbines and residential areas. Furthermore, wind turbines must be constructed and maintained such that they are safe. This also applies to solar panels, batteries and heat pumps. If hydrogen and biogas are used, measures that minimise the risk of fire and explosion will be required.

The exact extent of the effects on health and safety will depend on the choices made by the Dutch government; i.e. which new energy sources will be used where. The results of this study can be taken into consideration when these choices are made. RIVM also suggests ways to minimise the adverse effects in question: to reduce the noise made by wind turbines or the emissions from biomass plants and wood-burning stoves, for example. It recommends that a watchful eye be kept on the effects of new energy sources in the coming years. This report is one of three studies on the consequences for health of climate policy. Together they show that climate policy is not only beneficial in limiting climate change but is also beneficial to health. Keywords: Climate Agreement, energy sources, health, safety, occupational safety, environmental safety

Pagina 5 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

Pagina 6 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

Inhoudsopgave

Samenvatting — 9 1

Inleiding — 15

2

Afbakening, werkwijze en leeswijzer — 17

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Beoordelingsmethodiek — 19 Effecten op gezondheid — 19 Veiligheidsrisico’s — 24 Expert judgement — 29 Effecten op natuur en milieu — 29 Positieve effecten — 29

4 4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.5 4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.6 4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.7 4.7.1 4.7.2 4.7.3 4.8 4.8.1 4.8.2 4.8.3 4.9 4.9.1 4.9.2 4.9.3 4.10 4.10.1 4.10.2

Nieuwe energiebronnen en maatregelen — 31 Inleiding — 31 Windenergie — 33 Effecten op gezondheid — 34 Veiligheidsrisico’s — 36 Effecten op natuur en milieu — 37 Zonne-energie — 37 Effecten op gezondheid — 38 Veiligheidsrisico’s — 38 Effecten op natuur en milieu — 39 Elektrificatie — 39 Effecten op gezondheid — 41 Veiligheidsrisico’s — 41 Effecten op natuur en milieu — 42 Isolatie en duurzame verwarming van gebouwen — 42 Effecten op gezondheid — 43 Veiligheidsrisico’s — 44 Effecten op natuur en milieu — 44 Waterstof — 45 Effecten op gezondheid — 46 Veiligheidsrisico’s — 46 Effecten op natuur en milieu — 48 Biomassa — 48 Effecten op gezondheid — 50 Veiligheidsrisico’s — 55 Effecten op natuur en milieu — 55 Biobrandstoffen — 55 Effecten op gezondheid — 56 Veiligheidsrisico’s — 58 Effecten op natuur en milieu — 58 Afvang, opslag en hergebruik van CO2 — 58 Effecten op gezondheid — 60 Veiligheidsrisico’s — 61 Effecten op natuur en milieu — 61 Geothermie en Warmte Koude Opslag — 61 Effecten op gezondheid — 62 Veiligheidsrisico’s — 63 Pagina 7 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

4.10.3 4.11 4.11.1 4.12 4.12.1 4.13 4.13.1 4.14 4.14.1 4.14.2 4.14.3 4.14.4

Effecten op natuur en milieu — 63 Aquathermie — 64 Effecten op gezondheid, veiligheid, natuur en milieu — 65 Getijden-energie — 65 Effecten op gezondheid, veiligheid, natuur en milieu — 65 Blauwe energie — 66 Effecten op gezondheid, veiligheid, natuur en milieu — 67 Overige maatregelen uit het Klimaatakkoord — 67 Maatregelen in het vervoer — 67 Effecten op gezondheid, veiligheid, natuur en milieu — 68 Maatregelen in de land- en bosbouw — 68 Effecten op gezondheid, veiligheid, natuur en milieu — 69

5

Vier mogelijke toekomstbeelden van de energietransitie — 71

6 6.1 6.2 6.3 6.4

Overzicht effecten op gezondheid en veiligheid — 77 Inleiding — 77 Effecten op gezondheid — 77 Veiligheidsrisico’s — 81 Effecten en risico’s in relatie tot het afbouwen van energiewinning met fossiele brandstoffen — 83

7 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5

Conclusie en beschouwing — 87 Inleiding — 87 Meest relevante effecten en risico’s voor gezondheid en veiligheid — 87 Koppeling met toekomstbeelden — 87 Aanvullende mogelijkheden om effecten te beperken — 89 Slotbeschouwing en aanbevelingen — 91 Referenties — 93 Bijlage 1. Overzicht van experts — 99 Bijlage 2. Overzicht berekende concentraties in de leefomgeving en Nederland door verbranding van biomassa — 100

Pagina 8 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

Samenvatting

Aanleiding Nederland heeft het voornemen om de opwarming van de aarde te beperken door de emissies van CO2 en andere broeikasgassen sterk te verminderen. In het Klimaatakkoord is op hoofdlijnen beschreven op welke wijze de beoogde reductie van de CO2-uitstoot kan worden bereikt. Dit wordt voor een belangrijk deel gerealiseerd door fossiele brandstoffen te vervangen door duurzame energiebronnen. Dat zal een grote maatschappelijke inspanning vragen met positieve en negatieve effecten op diverse terreinen. Opdracht Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wil inzicht krijgen in de mogelijke effecten van de maatregelen in het Klimaatakkoord op de gezondheid en de veiligheid van de Nederlandse samenleving. In dit rapport is uitvoering gegeven aan de opdracht van EZK aan het RIVM om de mogelijke gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s van nieuwe energiebronnen en de daarmee gepaard gaande maatregelen in kaart te brengen, zodat deze kunnen worden meegenomen in de afwegingen en keuzen binnen de energietransitie. Dit onderzoek is onderdeel van een drieluik over de gevolgen voor gezondheid en veiligheid van klimaatbeleid. Werkwijze Voor dit onderzoek is een inventarisatie gemaakt van de energiebronnen en maatregelen uit het Klimaatakkoord die mogelijk kunnen leiden tot relevante effecten voor de gezondheid en veiligheid.

Voor een verdiepende analyse is een methode ontwikkeld om de gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s te beoordelen en (onderling) te kunnen vergelijken. Gezondheidseffecten zijn waar mogelijk geschat met behulp van de Disability Adjusted Life Years (DALY's) systematiek. Dit is een wetenschappelijk geaccepteerde aanpak om gezondheidseffecten door verschillende oorzaken of voor verschillende typen ziekten te vergelijken. Deze methode wordt veel toegepast in onderzoek ten behoeve van beleid. Omdat het berekenen van DALY’s in het kader van deze studie omgeven is met vele onzekerheden, is een indeling gemaakt in klassen op basis van orde-grootte. Als er geen of onvoldoende informatie beschikbaar is, dan is het effect beoordeeld op basis van expert judgement. In de analyse zijn de volgende milieugerelateerde thema’s beschouwd: luchtverontreiniging (buiten), binnenmilieu, (laagfrequent) geluid en overige effecten, zoals EMV en geurhinder. Bij het in kaart brengen van de veiligheidsrisico’s is onderscheid gemaakt naar de volgende thema’s: omgevingsveiligheid, arbeidsveiligheid, consumentenveiligheid en overig. Net als bij gezondheid zijn bij veiligheid ook klassen gehanteerd om de mogelijke risico’s onderling te kunnen vergelijken.

Hiervoor is gebruikgemaakt van verschillende indicatoren per onderdeel, zoals de risicoafstand (norm van het plaatsgebonden risico PR 1*10-6) voor Pagina 9 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

omgevingsveiligheid, en van indicatoren als werken op hoogte, gevaarlijke stoffen en (elektrische) installaties bij arbeidsveiligheid. Consumentenveiligheid is als relevant aangemerkt als de betreffende maatregelen in de nabijheid van de gebruiker een mogelijk risico vormen. In dat geval kan het nodig zijn er extra aandacht aan te besteden bij de implementatie van de maatregelen. Om de resultaten per energiebron of maatregel in een breder perspectief te plaatsen, is gebruikgemaakt van vier ontwikkelde toekomstbeelden voor een klimaatneutrale energievoorziening in 2050. Deze toekomstbeelden hangen samen met hoe de energietransitie zich kan ontwikkelen als gevolg van economische, maatschappelijke en politieke invloeden en van regionale, nationale en internationale sturingsmechanismen. Resultaten en conclusies Gezondheid Uit de analyse blijkt dat de grootste ziektelast wordt veroorzaakt door luchtverontreiniging die ontstaat door emissies van schadelijke stoffen uit houtkachels, zowel in de buitenlucht als het binnenmilieu. Daarbij wordt de kanttekening gemaakt dat houtkachels worden gebruikt voor zowel sfeerverwarming als voor opwekking van warmte. Alleen het laatste doel kan worden beschouwd als ‘nieuwe’ energiebron in het kader van de transitie.

Ook verbranding van biomassa in energiecentrales en kleinere installaties, en toepassing van biobrandstoffen dragen significant bij aan luchtverontreiniging en daarmee een verhoogde ziektelast. Overigens ontbreekt het aan voldoende gegevens om deze ziektelast nauwkeurig te bepalen en wordt dringend aanbevolen hier nader onderzoek naar te doen. Een ander belangrijk gezondheidseffect is ernstige hinder door geluid die wordt veroorzaakt door windturbines op land, mede gezien de verwachte forse groei van deze vorm van energiewinning in de komende decennia. Onvoldoende ventilatie leidt tot verhoogde blootstelling van bewoners aan schadelijke stoffen en micro-organismen in het binnenmilieu en tot een verhoogd risico op hittestress. Bij het isoleren van gebouwen is het daarom van groot belang de ventilatiemogelijkheden goed af te stemmen op de mate van isolatie en op het gebruik van het gebouw. Er zijn aanwijzingen dat verspreiding van Legionella rond vergistingsinstallaties een potentieel gezondheidsrisico vormt bij productie van biogas. Gewenst is nader onderzoek te doen naar deze risico’s en ook naar de mogelijkheden om de Legionella-risico’s bij vergistingsinstallaties voor biogas te beheersen. Bij alle andere gezondheidseffecten door nieuwe vormen van energiewinning gaat het om een kleine of marginale bijdrage aan de ziektelast.

Enkele voorbeelden van deze effecten zijn: • luchtverontreiniging door gebruik van fossiele brandstoffen voor Carbon Capture Storage en Carbon Capture Usage in de overgangsperiode tot volledige elektrificatie; Pagina 10 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

• • •

geurhinder door emissies van houtkachels en rond biomassa- en mestverwerkingsinstallaties; hinder door de slagschaduw van windturbines; een mogelijk lichte groei van blootstelling aan EMV als gevolg van de elektrificatie.

Er zijn ook maatregelen die een positieve invloed op de gezondheid hebben. Zo zijn in de Klimaattafel Mobiliteit afspraken vastgelegd om de hoeveelheid zakelijke (auto)kilometers te verminderen, onder meer door het bevorderen van het gebruik van de (elektrische) fiets. Dit leidt tot meer bewegen. In de Klimaattafel Landbouw en landgebruik is een pakket maatregelen opgesteld, waaronder het verminderen van de uitstoot aan fijnstof, geur en bio-aerosolen door het gebruik van emissiearme stallen. Deze maatregel zorgt voor een betere luchtkwaliteit en voor minder hinder door geurhinder. Uitbreiding van bos en natuurgebieden en de aanleg van extra bomen en natuur in de openbare ruimte en stedelijke gebieden hebben een positieve uitwerking op de natuur, op de biodiversiteit en het ecosysteem, wat eveneens bijdraagt aan het welzijn en de gezondheid van mensen. Veiligheid Uit de analyse volgt dat er bij een aantal beschouwde energiebronnen en maatregelen niet of nauwelijks veiligheidsrisico’s zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor aquathermie, getijden-energie en blauwe energie. Wel is het zo dat arbeidsveiligheid bij elke activiteit met gevaarlijke stoffen of elektrische apparatuur van belang is. Als we inzoomen op de maatregelen waar veiligheidsrisico’s wel een rol spelen, dan komt bij omgevingsveiligheid vooral windenergie naar voren.

Op basis van de geldende norm (risicoafstanden tot het plaatsgebonden risico (PR) van 1*10-6 per jaar) is het gebied waar beperkingen gelden qua ruimtelijke ontwikkeling rondom windturbines relatief groot. Die risicoafstanden zijn overigens alleen relevant voor de ruimtelijke inpassing bij windenergie op land. Voor windenergie op zee is omgevingsveiligheid niet van belang. Daarnaast zijn biogas en waterstof relevant bij omgevingsveiligheid. Hiervoor geldt dat de veiligheidsrisico’s vergelijkbaar zijn met die van andere gevaarlijke stoffen, zoals aardgas of LPG. Door het werken op hoogte spelen arbeidsrisico’s ook een rol bij windenergie. Verder zijn arbeids- en consumentenveiligheid afhankelijk van de toekomstige ontwikkelingen. Het is vooral van belang of maatregelen, zoals warmtepompen en zonnepanelen, op grote schaal zullen worden geïmplementeerd. Beschikbaarheid van (technisch) personeel is hierbij een belangrijk aandachtspunt. Ten slotte noemen we de brandrisico’s bij zonnepanelen, elektrische voertuigen en (buurt)batterijen als aandachtspunt, aangezien de bestrijding van dergelijke branden speciale werkwijzen van de brandweer vraagt. Overall beeld Uit de resultaten van deze studie volgt dat de gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s van de meeste maatregelen uit het klimaatakkoord beperkt zullen zijn, terwijl er wel enkele maatregelen zijn, zoals Pagina 11 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

biomassa, houtkachels en windturbines, die tot significante negatieve effecten kunnen leiden. Wanneer we de resultaten op hoofdlijnen leggen naast de positieve effecten die het uitfaseren van het gebruik van fossiele brandstoffen op de gezondheid en veiligheid betekent, is het beeld dat het netto effect positief zal zijn voor de gezondheid en veiligheid. Dit overall beeld volgt uit de vergelijking van de resultaten van luchtkwaliteit, geluid en veiligheid. Voor de luchtkwaliteit geldt dat de negatieve gezondheidseffecten met name veroorzaakt zullen worden door gebruik van biomassa en houtkachels. Daartegenover staat dat vooral de maatregelen van het Schone Lucht Akkoord (SLA) zullen leiden tot grote positieve effecten op de luchtkwaliteit. Daarnaast is het aantal mensen dat ernstige hinder ondervindt door geluid van windturbines veel lager dan de aantallen personen die ernstige hinder ondervinden van wegverkeer. Het positieve netto effect wordt vooral veroorzaakt door vervanging van auto’s met brandstofmotoren door elektrische auto’s, wat geluidreductie oplevert. Bij veiligheid vallen als gevolg van de vervanging van fossiele brandstoffen koolmonoxidevergiftigingen weg. Dat is de voornaamste oorzaak waardoor het netto effect op de veiligheid positief zal zijn.

Aanbevelingen De resultaten van deze verkenning laten zien dat de impact van de meeste maatregelen uit het Klimaatakkoord op de gezondheid en veiligheid beperkt zal zijn. Enkele energiebronnen kunnen echter wel tot relevante gezondheidseffecten of veiligheidsrisico’s leiden. Om deze verder te beperken zijn er aanvullende gezondheids- en veiligheidsmaatregelen mogelijk, waarvan er hieronder enkele op hoofdlijnen worden besproken. Juist de ontwikkelfase van de energietransitie biedt mogelijkheden om gezondheids- en veiligheidsaspecten integraal mee te nemen (bijvoorbeeld in de Regionale Energie Strategieën). Zo is het raadzaam om omwonenden te betrekken bij de besluitvorming over optimalisering van locaties (afstand tot woonbebouwing) en landschappelijke inpassing van windturbines en zonneparken, en hen daarbij van goede, betrouwbare informatie te voorzien. Gedurende de transitie kan worden gemonitord hoe gezondheids- en veiligheidseffecten zich ontwikkelen. Zo zijn er handreikingen met maatregelen voor het verduurzamen van woningen waarbij rekening wordt gehouden met het beperken van negatieve gezondheidseffecten. Denk daarbij aan aspecten als ventilatie, isolatie et cetera. In het Bouwbesluit worden aanvullende geluidseisen opgenomen om bewoners en omwonenden beter te beschermen tegen geluid van de buitenunits van warmtepompen en airco’s.

Ook voor het reduceren van de veiligheidsrisico’s zijn handleidingen en richtlijnen opgesteld, onder andere met betrekking tot accu’s en batterijen. Een andere mogelijkheid is het gebruikmaken van gecertificeerde producten of installateurs en onderhoudsmonteurs om daarmee de arbeidsveiligheid en consumentenveiligheid te bevorderen. Verder zal het beperken van emissies bij het verbranden van biomassa en het gebruik van houtkachels door strengere eisen leiden tot minder Pagina 12 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

luchtverontreiniging. Dit zal een relevante bijdrage kunnen leveren aan de gezondheidswinst. Uit de verkenning blijkt ten slotte dat er voor sommige maatregelen onvoldoende informatie aanwezig is om een goede inschatting van de gezondheids- en veiligheidseffecten te doen. Bij die onderwerpen is er sprake van kennishiaten en is aanvullend onderzoek nodig om de effecten beter in kaart te brengen. Dit gaat vooral om de gezondheidseffecten door verbranding van biomassa en biobrandstoffen en de gevolgen van geluidhinder en andere effecten, zoals hinder van visuele aspecten door windturbines. Daarnaast wordt aanbevolen om de risico’s van een verslechterd binnenmilieu als gevolg van onjuiste toepassing van isolatie en ventilatie en door emissies uit open haarden en houtkachels beter in kaart te brengen. Nader onderzoek is ook wenselijk met betrekking tot de risico’s van Legionella bij vergistingsinstallaties voor biogas en de mogelijkheden om die te beheersen.

Pagina 13 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

Pagina 14 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

1

Inleiding

In 2015 ondertekende Nederland het Klimaatakkoord van Parijs. Dit betekent dat Nederland het voornemen heeft om de opwarming van de aarde te beperken door de emissies van CO2 en andere broeikasgassen sterk te verminderen. Dit wordt voor een belangrijk deel bereikt door fossiele brandstoffen te vervangen door duurzame energiebronnen. In het Nederlandse Klimaatakkoord (d.d. 28 juni 2019) is op hoofdlijnen beschreven op welke wijze een reductie van de CO2-uitstoot kan worden bereikt van 49% (in 2030) resp. 95% (in 2050) ten opzichte van 1990. Hoewel het primaire doel van het Klimaatakkoord is om de reductie van de CO2-uitstoot te realiseren – tegen maatschappelijk acceptabele kosten – bieden de beoogde maatregelen ook kansen op andere terreinen, zoals het verbeteren van de leefomgeving, de verduurzaming van de landbouw, het vergroten van de biodiversiteit, minder ziekte, meer welzijn en lagere zorgkosten. Naast positieve effecten is er ook een kans op negatieve effecten als gevolg van de maatregelen die worden genoemd in het Klimaatakkoord. Zo kunnen verschillende maatregelen invloed hebben op gezondheid, veiligheid, natuur en milieu.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wil inzicht krijgen in de mogelijke effecten en risico’s van de maatregelen die worden genomen in het kader van het Klimaatakkoord en de energietransitie op de gezondheid en de veiligheid van de Nederlandse samenleving. Daartoe zijn in 2019 twee verkennende onderzoeken uitgevoerd. Ten eerste heeft het RIVM de (positieve) gevolgen in beeld gebracht van het verdwijnen van de huidige fossiele CO2-bronnen voor veiligheid, gezondheid en natuur (Van der Ree et al., 2019). Daarnaast heeft het Analistennetwerk Nationale Veiligheid de risico’s van nieuwe energietechnologieën geanalyseerd vanuit het perspectief van de nationale veiligheid (ANV, 2019). In vervolg op deze analyses heeft het ministerie van EZK gevraagd om de (positieve en negatieve) effecten van vervangende energiebronnen en de daarmee gepaard gaande maatregelen op veiligheid en gezondheid in kaart te brengen, zodat deze kunnen worden meegenomen in de afwegingen en keuzen binnen de energietransitie. Dit rapport beschrijft de opzet en resultaten van deze studie. Dit rapport is onderdeel van een drietal studies. De eerste betreft de actualisatie van het RIVM-rapport 2019, waarin de effecten van het uitfaseren van fossiele energie in kaart zijn gebracht (Kelfkens et al., 2021).

Dit onderhavige rapport gaat dus in op de mogelijke effecten en risico’s van de energiebronnen en maatregelen uit het Klimaatakkoord voor gezondheid en veiligheid. De derde studie is ingegaan op de gezondheids- en veiligheidseffecten van klimaatverandering in Nederland en schetst een beeld van het effect van het klimaatmitigatiebeleid op de gezondheid en veiligheid (Hall et al., 2021). Om de effecten en risico’s van de maatregelen uit het Klimaatakkoord voor gezondheid en veiligheid te kunnen beoordelen en in vergelijkend perspectief te kunnen plaatsen – het gaat immers om een divers palet aan bronnen en maatregelen, waarbij nog onduidelijk is in welke mate Pagina 15 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

deze in de verschillende regio’s (RES 1) zullen worden toegepast – is een systematische aanpak nodig. Bij voorkeur worden effecten op gezondheid en veiligheid uitgedrukt in kwantitatieve maten, al is dat vanwege een aantal onzekerheden vaak niet mogelijk. Zo zijn er verschillende scenario’s denkbaar waarlangs de energietransitie zich kan ontwikkelen. Ook zijn niet voor alle gezondheids- en veiligheidsaspecten voldoende gegevens beschikbaar om effecten te kunnen kwantificeren. Daarom is gekozen voor een combinatie van kwantificering waar mogelijk, aangevuld met expert judgement.

1 RES staat voor Regionale Energie Strategie. Nederland is ingedeeld in 30 energieregio’s. In elk van deze regio’s werken overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties samen om op regionaal niveau te onderzoeken waar en hoe het best duurzame elektriciteit opgewekt kan worden, welke warmtebronnen te gebruiken zijn, welke energie-infrastructuur nodig is en welke maatregelen maatschappelijk gezien acceptabel en financieel haalbaar zijn. Het Nationaal Programma RES ondersteunt de regio's bij het maken van de RES. Medio 2021 moet elke regio een RES 1.0 gereed hebben.

Pagina 16 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

2

Afbakening, werkwijze en leeswijzer

De focus van deze analyse is inzichtelijk maken van de mogelijke impact van de maatregelen in het klimaatakkoord, waarbij het accent ligt op gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s. Het kwantificeren van effecten op de natuur en het milieu valt buiten de scope van deze analyse. Er is echter wel voor gekozen om eventuele effecten op dit vlak te benoemen, te meer vanwege de relatie met gezondheid. Daarnaast zal er waar relevant worden ingegaan op eventuele toe- of afname van de stikstofdepositie door de maatregelen uit het klimaatakkoord. Deze effecten worden niet gekwantificeerd. De maatregelen en energiebronnen die worden genoemd in het Klimaatakkoord vormen de basis van deze studie. Dit houdt een beperking in van het aantal energiebronnen en maatregelen dat wordt beschouwd. Kernenergie wordt bijvoorbeeld niet expliciet genoemd in het Klimaatakkoord en is daarom niet meegenomen in dit onderzoek. Ook de vermindering van de CO2-uitstoot door de internationale scheepvaart en luchtvaart is geen onderdeel van het Klimaatakkoord en valt buiten de scope van dit rapport. Wel zullen we er kort aandacht aan besteden bij de bespreking van gezondheids- en veiligheidsaspecten van biobrandstoffen.

Zoals gemeld richt deze studie zich op de impact van de maatregelen en energiebronnen genoemd in het Klimaatakkoord en gaat ze niet in detail in op het (netto) effect van deze maatregelen en op het afbouwen van de huidige maatregelen (lees: energiewinning met fossiele brandstoffen). Die gevolgen zijn immers al inzichtelijk gemaakt (Van der Ree et al., 2019) en geactualiseerd (Kelfkens, 2021). Om het verschil duidelijk te maken, nemen we de vervanging van een kolencentrale als voorbeeld. Dit is een maatregel die wordt genoemd in het Schone Lucht Akkoord (SLA) met een positief effect op de luchtkwaliteit. De netto opbrengst voor de luchtkwaliteit hangt echter af van of een kolencentrale wordt vervangen door een biomassacentrale of door bijvoorbeeld windenergie. In deze studie beschouwen we uitsluitend de effecten van de maatregelen biomassa en windenergie, omdat die als maatregelen worden genoemd in het Klimaatakkoord binnen een van de Klimaattafels, en niet de effecten van het stoppen van energiewinning met de kolencentrale. In de beschouwing van de resultaten zullen we wel op hoofdlijnen ingaan op het netto effect van de vervangende energiebronnen en maatregelen samen ten opzichte van het afbouwen van energiewinning met fossiele brandstoffen.

Bij het in kaart brengen van de effecten voor gezondheid en de veiligheidsrisico’s vormt het in gebruik hebben (de gebruiksfase) van de maatregelen genoemd in het klimaatakkoord het uitgangspunt. Dit betekent onder andere dat de mogelijke effecten tijdens het productieproces van bijvoorbeeld windturbines, zonnepanelen of een geothermieput, of effecten van het amoveren als de productie is gestopt, buiten beschouwing blijven.

Pagina 17 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

In de zogenoemde Klimaattafels hebben betrokken partijen (overheden, bedrijfssectoren, brancheorganisaties, adviesraden en maatschappelijke organisaties) afspraken op hoofdlijnen gemaakt, op grond waarvan een samenhangend pakket aan voorstellen is opgesteld om het CO2reductiedoel in 2030 te kunnen realiseren. Voor dit onderzoek is eerst per Klimaattafel (Gebouwde omgeving, Mobiliteit, Landbouw en landgebruik, Industrie en Elektriciteit) een inventarisatie gemaakt van de energiebronnen en maatregelen. Daarbij is nagegaan welke hiervan mogelijk kunnen leiden tot effecten voor de gezondheid en veiligheid (met een schuin oog naar natuur en milieu). Vanuit de inventarisatie is vervolgens per maatregel ingezoomd op de mogelijke impact op gezondheid of veiligheid. Voor deze verdiepingsstap is gebruikgemaakt van literatuurstudie en interviews met experts vanuit het RIVM. Hierdoor ontstaat inzicht in de aspecten die het meest van belang zijn en is een eerste indicatie beschikbaar van de omvang van de effecten. Dit levert een globaal overzicht op maatregelniveau. Voor een verdere vergelijking is een methode ontwikkeld om de gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s te beoordelen en (onderling) te kunnen vergelijken. De gehanteerde methode en de criteria zijn in het volgende hoofdstuk beschreven.

Als laatste stap zijn de maatregelen met hun mogelijke effecten in een breder perspectief geplaatst. Dan gaat het niet meer om de mogelijke effecten van een losse maatregel, maar om mogelijke toekomstbeelden waarin de verschillende maatregelen als systeem worden geschetst. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een scenariostudie van Den Ouden et al. (2020), een studie die vier mogelijke toekomstbeelden heeft uitgewerkt voor een klimaatneutrale energievoorziening in 2050. Elk van deze vier toekomstbeelden hangt samen met hoe de energietransitie zich kan ontwikkelen als gevolg van economische, maatschappelijke en politieke invloeden en van regionale, nationale en internationale sturingsmechanismen. De vier toekomstbeelden zijn samengevat in hoofdstuk 5. Zoals gemeld bevat het volgende hoofdstuk de beschrijving van de methodiek en de gebruikte criteria om de effecten en risico’s te beoordelen. De resultaten van de inventarisatie van de bronnen en maatregelen uit het Klimaatakkoord worden gepresenteerd in hoofdstuk 4. De relevante bronnen en maatregelen zijn in ditzelfde hoofdstuk vervolgens een voor een beschreven, waarbij nader wordt ingegaan op de mogelijke effecten. De stap naar het breder perspectief en de verschillende scenario’s waarlangs de energietransitie zich kan voltrekken, wordt gemaakt in hoofdstuk 5. Daar wordt een viertal toekomstbeelden samengevat.

Hoofdstuk 6 bevat vervolgens het overzicht van de resultaten van de mogelijke gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s. In dat hoofdstuk wordt ook een beschouwing gegeven van het netto effect van de vervangende energiebronnen en maatregelen ten opzichte van het afbouwen van energiewinning met fossiele brandstoffen. Het rapport sluit af met een hoofdstuk conclusies en slotbeschouwing. Hierin worden de resultaten uit hoofdstuk 6 met behulp van de toekomstbeelden in een breder perspectief geplaatst. Daarbij wordt op hoofdlijnen ook ingegaan op mogelijke aanvullende maatregelen om de negatieve effecten die zijn geïnventariseerd te reduceren. Pagina 18 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

3

Beoordelingsmethodiek

In het Klimaatakkoord wordt een divers palet aan energiebronnen en maatregelen beschreven. Om de gevraagde effecten op gezondheid en veiligheid van deze – veelal uiteenlopende – bronnen en maatregelen te kunnen beoordelen en in vergelijkend perspectief te kunnen plaatsen, is er een systematische aanpak nodig. Het uitgangspunt daarbij is om de effecten en risico’s zo goed mogelijk uit te drukken in kwantitatieve maten, al dan niet aangevuld met expert judgement. In de volgende paragrafen wordt de methode beschreven voor achtereenvolgens gezondheid en veiligheid. We richten ons daarbij in eerste instantie op effecten en risico’s die een negatieve impact hebben. Eventuele positieve effecten (zie paragraaf 3.4) en ook de impact op natuur en milieu, inclusief bijdragen aan de stikstofdepositie (zie paragraaf 3.3), zullen alleen kwalitatief worden beschouwd. 3.1

Effecten op gezondheid In analogie met de werkwijze voor de analyse van de effecten als gevolg van het verdwijnen van fossiele brandstoffen (Van der Ree et al., 2019) richten we ons op milieugerelateerde gezondheidseffecten en gaan we uit van de beoordelingsmethodiek van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2018 (VTV 2018). In deze benadering wordt de ziektelast (Burden of Disease) voor een bepaalde populatie uitgedrukt in Disability Adjusted Life Years (DALY's). DALY’s worden berekend uit ziektejaarequivalenten (het aantal jaren geleefd met een ziekte, gewogen voor de ernst hiervan (Years Lived with Disability; YLD’s) en het aantal verloren levensjaren door vroegtijdige sterfte als gevolg van de ziekte (Years of Life Lost; YLL’s). Op deze wijze kunnen gezondheidseffecten door verschillende oorzaken (bronnen) of voor verschillende typen ziekten vanuit eenzelfde perspectief worden vergeleken. Dit is een wetenschappelijk en door onder meer de WHO geaccepteerde aanpak, die veel wordt toegepast in onderzoek ten behoeve van beleid. Een belangrijke onzekerheid bij het berekenen van DALY’s wordt bepaald door de keuze (aanname) van de weegfactor voor de ernst van de aandoening, die lineair doorwerkt. Voor veel aandoeningen is er consensus over deze weegfactoren. Niettemin kunnen aannames per soort aandoening verschillend zijn, waardoor DALY’s niet zomaar kunnen worden opgeteld.

Op de website Volksgezondheidenzorg.info zijn gegevens te vinden over ziektelast uitgedrukt in DALY's, toegeschreven aan verschillende soorten ziekten dan wel aan verschillende soorten bronnen of oorzaken. De totale ziektelast van de Nederlandse bevolking is geschat op ongeveer 5.000.000 DALY’s (VTV, 2018). Ongeveer 4% daarvan (200.000 DALY’s) wordt toegeschreven aan bronnen en factoren in het milieu (175.000 DALY’s aan buitenmilieu en 25.000 DALY’s aan binnenmilieu). Ter vergelijking met leefstijlfactoren: de ziektelast door roken, ongezonde voeding, weinig bewegen en alcoholgebruik bedraagt gezamenlijk ruim 1.000.000 DALY’s.

Pagina 19 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

Omdat het berekenen van DALY’s in het kader van deze studie is omgeven met vele onzekerheden, is een indeling gemaakt in vier klassen op basis van orde-grootte. Deze klassen staan in onderstaande Tabel 3.1. Per klasse is aangegeven hoe de berekende ziektelast zich verhoudt tot de totale ziektelast veroorzaakt door milieufactoren. Als er geen of onvoldoende informatie beschikbaar is, of dusdanig onzeker dat uitdrukken in DALY’s niet is te verantwoorden, dan is het effect beoordeeld op basis van expert judgement. Tabel 3.1 De bij de beoordeling gehanteerde indeling in vier klassen op basis van orde-grootte ziektelast, uitgedrukt in DALY’s.

Klasse

Aantal DALY’s

% t.o.v. totale ziektelast ‘milieu’ (200.000)

0 (geen effect) A B C

< 1.000 1.000 – 10.000 > 10.000

< 0,5% 0,5 – 5 % > 5%

Als het gaat om effecten als gevolg van de energietransitie, kunnen de volgende milieugerelateerde thema’s een rol spelen: luchtverontreiniging (buiten), binnenmilieu, (laagfrequent) geluid en trillingen en overige effecten. Voor elke energiebron c.q. maatregel is per milieuthema eerst vastgesteld of er een gezondheidseffect is te verwachten. Zo ja, dan is informatie verzameld om het effect te kwantificeren in DALY’s of is een kwalitatieve beoordeling gegeven. De resultaten van deze beoordelingen en de onderbouwing daarvan zijn beschreven in hoofdstuk 4. Hieronder geven we eerst een algemene beschouwing van de gezondheidseffecten per milieuthema. In hoofdstuk 4 gaan we in op specifieke zaken. Luchtverontreiniging Van alle milieuthema’s heeft luchtverontreiniging de grootste invloed op onze gezondheid. Die invloed wordt grotendeels bepaald door blootstelling aan fijnstof en aan stikstofdioxide, die kan leiden tot (het verergeren van) hart- en vaatziekten en aandoeningen van de ademhalingsorganen, en tot vroegtijdige sterfte. Ook blootstelling aan andere schadelijke stoffen, onder meer PAK’s, roet, ozon en vluchtige organische componenten zoals aldehyden en aromaten, brengt schade toe aan de gezondheid, onder meer doordat ze carcinogeen zijn of andere toxische effecten veroorzaken. Die bijdrage is echter kleiner dan die van fijnstof en stikstofdioxide.

De totale bijdrage van luchtverontreiniging aan de ziektelast wordt geschat op 150.000 DALY’s (VTV 2018). Om de ziektelast door luchtverontreiniging te verminderen, is sinds begin 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) van kracht. Dit akkoord, dat is ondertekend door het ministerie van I&W en een groot aantal gemeenten en provincies, bevat een pakket aan maatregelen om de lucht in Nederland schoner en gezonder te maken. Het gaat vooral om het reduceren van emissies van fijnstof en stikstofdioxide door wegverkeer, landbouw, scheepvaart, industrie en huishoudens. Dit wordt voor een aanzienlijk deel bereikt door het (geleidelijk) terugdringen van het gebruik van fossiele brandstoffen voor vervoer, Pagina 20 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

industriële processen en energieproductie, en door vervanging door andere vormen van energiewinning. In het kader van het SLA is berekend hoe groot de gezondheidswinst is bij volledige vervanging van fossiele brandstoffen – behalve voor de zeescheepvaart en luchtvaart (deze vallen beide buiten het Klimaatakkoord) – in Nederland en het buitenland. Deze komt overeen met een reductie van ongeveer 40% ofwel 60.000 DALY’s (Van der Ree et al., 2019). Met de aanvullende maatregelen uit het Klimaatakkoord (boven op die van het SLA) wordt de reductie 42% overeenkomend met 63.000 DALY’s. Daar is eventuele gezondheidsschade als gevolg van luchtverontreiniging veroorzaakt door nieuwe energiebronnen en maatregelen niet in verdisconteerd. Dat wordt juist in dit rapport onderzocht. Effecten van geluid Blootstelling aan geluid kan tot verschillende gezondheidseffecten leiden, namelijk: (ernstige) hinder, (ernstige) slaapverstoring, coronaire hartziekten, hypertensie, concentratieproblemen c.q. leerachterstand bij kinderen (lezen), en aantasting van het algeheel welbevinden en kwaliteit van leven. Bij langere blootstelling aan zeer hoge geluidniveaus (meer dan 80 dB) kunnen gehoorschade en tinnitus optreden.

Hinder wordt als een gezondheidseffect beschouwd, conform het uitgangspunt van de WHO (en ook in het Nederlandse beleid) die gezondheid beschouwt als een staat van compleet fysiek, mentaal en sociaal welbevinden en niet uitsluitend als de afwezigheid van ziekte. Door de grote verschillen in typen effecten is een relatie tussen geluid en gezondheid niet eenvoudig te leggen. Voor (ernstige) hinder, slaapverstoring en leerachterstand bij kinderen is er voldoende wetenschappelijk bewijs voor de relatie met geluidsbelasting, voor coronaire hartziekten is er enig bewijs, en voor andere effecten is dat bewijs zeer beperkt (Van Kamp et al., 2018). In Nederland is wegverkeer veruit de belangrijkste geluidsbron die hinder veroorzaakt, gevolgd door rail- en vliegverkeer, buren, windturbines, industrielawaai, constructiewerkzaamheden en recreatie. De geluidsbelasting van de Nederlandse bevolking neemt de laatste jaren geleidelijk toe (zie onder andere Van Poll, 2020). Door het overschakelen op elektrisch vervoer zullen hinder en slaapverstoring door wegverkeer komende jaren afnemen, resulterend in een mogelijke reductie van een derde in het aantal gehinderden in 2050 (Verheijen en Jabben, 2010). Daar staat tegenover dat een toename van het treinverkeer (groei van het openbaar vervoer) kan zorgen voor meer hinder door geluid en trillingen.

De laatste jaren is er toenemende aandacht voor gezondheidseffecten door laagfrequent geluid. Dat is geluid dat is opgebouwd uit lage frequenties, tussen 20 en 100/125 Hz, die voor veel mensen niet met het oor waarneembaar zijn. Vaak wordt gesproken over ‘bromtonen’, omdat niet in alle gevallen is gemeten of de bromtoon inderdaad onder de 100/125 Hz ligt. Het aantal meldingen over zulke bromtonen bij GGD’en is de laatste jaren gegroeid (Dusseldorp et al., 2019).

Pagina 21 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

Laagfrequent geluid kan ernstige hinder veroorzaken en mogelijk slaapverstoring. Voor andere soorten klachten, zoals hoofdpijn, duizeligheid, evenwichtsverlies, concentratieproblemen, problemen met hart en luchtwegen en de zogeheten vibro-akoestische ziekte 2, bestaat er geen bewijs dat laagfrequent geluid daar een mogelijke oorzaak van is. Soms nemen mensen een bromtoon waar die er niet is, maar die kan worden veroorzaakt door bijvoorbeeld tinnitus. In dat geval is het mogelijk om hulp te krijgen bij het leren omgaan met deze waarneming (White et al., 2020). Bekende bronnen van laagfrequent geluid zijn wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer, zware motoren, windturbines, industrie, transformatoren, warmtepompen, mechanische ventilatie, airco’s, (zuiger)compressoren, generatoren, wasmachines en muziek bij festivals. Door de groei van windturbines, mechanische ventilatie, koelsystemen en warmtepompen neemt het aantal van zulke bronnen toe. Daar komt bij dat door maatregelen tegen geluid van wegverkeer, die vooral hogere tonen dempen, laagfrequent geluid relatief meer opvalt. Binnenmilieu Mensen verkeren een groot deel van de tijd in hun woning of in andere gebouwen en worden daar blootgesteld aan stoffen, radioactieve straling, micro-organismen, vocht en geluid. In de VTV 2018 is een overzicht gegeven van de ziektelast door verschillende factoren in het binnenmilieu.

Dit overzicht is grotendeels gebaseerd op een studie van Schram et al. (2013), die de ziektelast als gevolg van blootstelling aan binnenlucht op 25.000 (7.000 tot 52.000) DALY’s schatten. De belangrijkste oorzaken waren blootstelling aan tabaksrook, radon en thoron en vochtigheid. Andere oorzaken, zoals CO-vergiftiging, blootstelling aan formaldehyde en andere vluchtige organische componenten, dragen weinig bij aan de ziektelast. In de studie van Schram et al. is echter blootstelling aan houtrook, micro-organismen (schimmels, virussen en bacteriën) en verbrandingsproducten zoals fijnstof en NO2 niet meegenomen. In woningen waar warmte wordt opgewekt met hout- of pelletkachels kunnen bewoners worden blootgesteld aan houtrook. Gerapporteerde gezondheidseffecten door houtrook zijn voornamelijk allergieën, ademhalingsklachten en aandoeningen van de luchtwegen. Hier wordt dieper op ingegaan in de beschrijving van energiewinning met behulp van biomassa (zie paragraaf 4.7). Bij koken op aardgas komen verbrandingsproducten vrij, zoals fijnstof en NO2. Door de overgang van koken op gas naar elektrisch koken zal deze bloostelling afnemen (Jacobs et al., 2016). Micro-organismen, zoals schimmels, virussen en bacteriën, vormen in gebouwen een andere potentiële bron van ziekten. De meeste microorganismen zijn niet schadelijk of veroorzaken hooguit milde klachten, zoals een verkoudheid.

Sommige kunnen echter ernstige ziektes en zelfs overlijden veroorzaken, vooral bij mensen met een kwetsbare gezondheid. Voorbeelden zijn Aspergillus fumigatus (een schimmel), Legionella (een bacterie) en het SARS-CoV-2 virus. In hoeverre de ziektelast als gevolg van dit soort infectieziekten is toe te schrijven aan 2 Dit is een verzamelnaam voor verschillende klachten variërend van somberheid tot bindweefsel dat kapot gaat, hart- en vaatziekten en epilepsie die sommige mensen toeschrijven aan laagfrequent geluid. De vibroakoestische ziekte is wetenschappelijk niet bewezen en is ook geen erkende diagnose in de medische wereld.

Pagina 22 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

het binnenmilieu, is niet goed bekend. Dat komt onder meer doordat voor vele micro-organismen niet exact bekend is hoe de verspreiding en transmissie verlopen en waar mensen zoal besmettingen oplopen (in huis of op andere plaatsen). Vanwege de COVID-19-crisis wordt veel onderzoek gedaan naar de rol van transmissie via druppels, aerosolen en oppervlakken, maar tot nu toe heeft dat niet geleid tot een eenduidig beeld (RIVM, pers. commun.). Uit bron- en contactonderzoek blijkt vaak dat bij uitbraken verschillende routes mogelijk zijn, en dat zal niet anders zijn voor andere veelvoorkomende virussen. Mede daardoor is de ziektelast door blootstelling aan micro-organismen in het binnenmilieu niet goed te schatten. In algemene zin is wel duidelijk dat voldoende ventilatie van gebouwen helpt om de verspreiding van ziekteverwekkers en de blootstelling aan stoffen, vocht en micro-organismen in binnenmilieu te verkleinen. Aan de andere kant moet verlies van warmte uit gebouwen zo goed mogelijk worden beperkt. Er moet dus een goede balans zijn tussen verversen van lucht enerzijds en verlies van warmte of koude anderzijds. Dat betekent dat de ventilatiemogelijkheden goed afgestemd moeten zijn op de mate van isolatie en op het gebruik van het gebouw, niet alleen in technisch opzicht, maar ook wat betreft het gedrag van bewoners of gebruikers. In paragraaf 4.5 komen we hier op terug.

Overige gezondheidseffecten Een potentiële bron van gezondheidseffecten wordt gevormd door elektromagnetische velden (EMV). Extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) kunnen acute effecten veroorzaken. Als de ELF-velden sterk genoeg zijn, kunnen ze leiden tot duizeligheid, het zien van lichtflitsen en het voelen van tintelingen of pijn door prikkeling van zenuwen. Deze veldsterkten komen in de leefomgeving niet voor. Ook radiofrequente (RF) velden kunnen door oververhitting tot acute effecten leiden. Voor beide typen EMV zijn limieten vastgesteld, waaronder deze kortetermijneffecten niet optreden. Onderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten op de lange termijn door blootstelling aan EMV onder deze limieten is nog in volle gang. Er zijn aanwijzingen dat kinderen die in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen wonen en boven een bepaalde magneetveldsterkte worden blootgesteld, een hogere kans hebben om leukemie te krijgen. De effecten daarvan worden geschat op ongeveer 35 DALY’s, uitgaande van een oorzakelijk verband. 3 De Nederlandse overheid hanteert sinds 2005 een voorzorgbeleid bij bovengrondse hoogspanningslijnen.

Dit beleid is gericht op het voorkómen van nieuwe situaties waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden boven de 0,4 microtesla, zoals bij de aanleg van nieuwe hoogspanningslijnen en het bouwen van nieuwe woningen bij bestaande hoogspanningslijnen. Naar aanleiding van een advies van de Gezondheidsraad overweegt de overheid het voorzorgbeleid uit te breiden tot andere delen van het elektriciteitsnet, zoals ondergrondse hoogspanningsverbindingen, transformatorstations en transformatorhuisjes. Welke vorm het nieuwe beleid precies krijgt en

3 Uitgaande van een oorzakelijk verband is 1 van de 270 leukemiegevallen van kinderleukemie die elke twee jaar in Nederland optreden toe te schijven aan de magneetvelden van een bovengrondse hoogspanningslijn. Met een ruwe schatting komt dit overeen met circa 35 DALY’s per jaar.

Pagina 23 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

wat dat betekent voor eventuele gezondheidseffecten, kan op dit moment niet worden ingeschat. Andere bronnen van EMV, zoals elektrische apparaten, zonnepanelen en mobiele telefoons, voldoen in principe aan eisen waardoor de veldsterkte onder de door de overheid gehanteerde blootstellingslimiet ligt. Voor deze apparaten geldt, in tegenstelling tot voor kinderen die in de buurt van een bovengrondse hoogspanningslijn wonen, dat men er gewoonlijk niet langdurig aan wordt blootgesteld. Elektrificatie is een belangrijke pijler van de voorgenomen energietransitie. Daardoor zal de capaciteit van het elektriciteitsnet en het landelijk hoogspanningsnetwerk fors moeten worden uitgebreid. Daarnaast groeit ook het aantal andere bronnen van EMV, zoals warmtepompen, zonnepanelen, laadpalen en (buurt)batterijen. Andere gezondheidseffecten, zoals verstoring van het lichtbeeld (door de slagschaduw van windturbines) en geurhinder, worden specifiek besproken bij de bronnen en maatregelen waar deze effecten mogelijk aan de orde zijn. Consumptie van verontreinigd drinkwater, gewonnen uit grond- en oppervlaktewater dat is vervuild door bijvoorbeeld lekkage in een geothermieput (zie paragraaf 4.10) of uitspoeling van stoffen in een zonnepark, vormt een potentieel gezondheidsrisico.

Echter, in de Nederlandse drinkwatervoorziening wordt zulke verontreiniging over het algemeen efficiënt verwijderd door zuivering –incidenten uitgezonderd. We beschouwen deze route daarom niet als een relevante oorzaak van gezondheidsschade als gevolg van nieuwe vormen van energiewinning. 3.2

Veiligheidsrisico’s In dit onderzoek beschouwen we veiligheidsrisico’s als schade die kan ontstaan als gevolg van afwijkingen van een normale situatie, zoals incidenten, rampen of (arbeids)ongevallen. Het onderscheid van deze potentiële veiligheidseffecten met de effecten op gezondheid is dat bij het laatste wordt uitgegaan van de gevolgen die zullen optreden in geval van een normale (continue) situatie. Qua veiligheidsrisico’s kan het gaan om (chronisch) letsel en overlijden, maar ook om psychische, economische en fysieke schade die het welbevinden van slachtoffers negatief beïnvloeden. In deze studie is de focus de mogelijke directe schade voor de mens (overlijden/letsel). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in (i) omgevingsveiligheid, (ii) arbeidsveiligheid en (iii) veiligheid in en om het huis (consumentenveiligheid) en (iv) overige veiligheidsrisico’s. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van industriële bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Hierbij ligt de focus op de risico’s met betrekking tot schade door explosies, branden en het vrijkomen van gevaarlijke stoffen (toxische wolken) voor mensen in de omgeving van een risicobron, zoals een chemische installatie, een tankwagen of een buisleiding.

Binnen dit onderzoek gaat het bijvoorbeeld om risico’s gekoppeld aan het

Pagina 24 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

toepassen van waterstof of biogas, of om gevaarlijke stoffen die vrijkomen bij een brand van bijvoorbeeld een buurtbatterij. Arbeidsveiligheid heeft betrekking op risico’s die werknemers kunnen lopen bij handelingen die ze tijdens hun werk verrichten. Binnen het thema energiewinning kan worden gedacht aan ongevallen bij installatie, reparatie en onderhoud van windturbines, zonnepanelen, geothermieputten, warmtepompen, buurtbatterijen, buisleidingen, energiecentrales, et cetera. Ook consumenten kunnen risico’s ondervinden, bijvoorbeeld bij een brand van een zonnepaneel op een woonhuis of als ze zelf reparaties of onderhoud uitvoeren aan een warmtepomp, batterij of zonnepaneel (consumentenveiligheid). De brandbestrijding vormt binnen de energietransitie een apart aandachtsgebied en valt buiten de scope van dit rapport. Op plekken waar het een aandachtspunt vormt, is het wel gemeld. Vanuit organisaties als Brandweer Nederland en het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) wordt hier aandacht voor gevraagd (onder andere IFV, 2020). Onder ‘overige veiligheidsrisico’s’ vallen zaken als de eventuele impact met betrekking tot verkeersveiligheid en voedselveiligheid, zoals schade aan gewassen door bijvoorbeeld depositie van deeltjes bij branden.

Deze laatste categorie is methodisch niet verder uitgewerkt, omdat het slechts een beperkt aantal maatregelen uit het Klimaatakkoord betreft en veelal om indirecte gevolgen gaat. Mogelijk relevante aandachtspunten ten aanzien van deze vormen van veiligheid die in de analyses per bron of maatregel naar voren komen, worden aldaar benoemd. Hieronder wordt ingegaan op de indicatoren voor omgevingsveiligheid, arbeidsveiligheid en consumentenveiligheid. Omgevingsveiligheid In Nederland gebeuren weinig rampen of incidenten met gevaarlijke stoffen waarbij in de omgeving van een bedrijf, transportroute of buisleiding (dodelijke) slachtoffers zijn gevallen (zoals de brand bij Chemiepack (zonder dodelijke slachtoffers) of de Vuurwerkramp in Enschede (met dodelijke slachtoffers)). Daardoor zijn er geen DALY’s beschikbaar voor de kwantificering van het effect. Om toch veiligheid in vergelijkend perspectief te kunnen plaatsen, kiezen we voor de volgende methodische benadering. In de vigerende regelgeving voor activiteiten met gevaarlijke stoffen is het plaatsgebonden risico (PR) een risicomaat waarvoor een norm geldt. De norm van het PR betreft de overlijdenskans van PR 1*10-6 per jaar, dat wil zeggen dat de kans om te overlijden als gevolg van een incident bij een risicobron een op de miljoen per jaar is.

4 In het gebied vanaf de risicobron tot aan de plek waar de PR 1*10-6 contour ligt, gelden beperkingen qua ruimtelijke ontwikkeling. Dit houdt in dat de omvang van het PR 1*10-6 contour iets zegt over het ruimtebeslag dat een risicobron veroorzaakt. In andere woorden: hoe groter de omvang van de PR 1*10-6 contour des te groter het gebied waar ruimtelijke beperkingen gelden. Op deze manier kan de berekende afstand van de risicobron tot de PR 1*10-6 als indicator dienen (voor de 4 Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats.

Pagina 25 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

risicobronnen waar een PR 1*10-6 voor kan worden bepaald). Naast het plaatsgebonden risico is er het groepsrisico (GR), waarvoor geen norm geldt. Het groepsrisico drukt de kans uit op een incident met een groot aantal slachtoffers. Dit is onder meer afhankelijk van het aantal inwoners in de directe omgeving van een risicobron. Het groepsrisico is een instrument waarmee het bevoegde gezag een afweging kan maken in het gebied buiten de PR 10-6 afstand, maar waar nog wel impact van incidenten kan optreden. 5 Doordat het groepsrisico afhangt van de specifieke situatie, is het niet geschikt als indicator binnen deze studie en wordt het dan ook verder niet gebruikt. Dit betekent dat de afstanden van de risicobron tot de PR 10-6 als indicator voor de omgevingsveiligheid zullen dienen. Het zijn de risicoafstanden die gelden als aan de norm wordt voldaan. Hierbij geldt wel dat er geen referentiekader bestaat waar een onderverdeling in categorie A, B of C aan is te koppelen. Anders gezegd, die onderverdeling is enigszins arbitrair en maakt alleen een onderlinge vergelijking mogelijk. • 0: als omgevingsveiligheid niet relevant is; • A: < 30 m; • B: 30-100 m; • C: >100 m. De geografische context speelt hierbij overigens een belangrijke rol.

Als een nieuwe activiteit met een gevaarlijke stof op grote afstand van woonbebouwing plaatsvindt, maakt het voor de risico’s van de omgeving niet uit of een PR 1*10-6 op 30 of 300 meter vanaf de bron ligt. Dit betekent dat omgevingsveiligheid niet relevant is voor bijvoorbeeld windturbines op zee of voor CO2-opslag onder de Noordzee. Bij dit laatste zijn de leidingen naar de opslag toe wel relevant. Verder speelt het aantal risicovolle bronnen of activiteiten een rol. Bij grotere aantallen is de kans op een incident bij een van de tankstations groter dan bij kleine aantallen. Het maakt uit of het gaat om bijvoorbeeld tientallen of duizenden waterstoftankstations. Het aantal bronnen hangt af van de wijze waarop de energietransitie zal worden vormgegeven. Om hiermee rekening te houden wordt gebruikgemaakt van de verschillende toekomstbeelden (zie hoofdstuk 5). Arbeidsveiligheid Jaarlijks vallen er tientallen dodelijke slachtoffers bij arbeidsongevallen. Afgelopen jaren waren dat er 69 (2019), 71 (2018) en 54 (2017). De meeste dodelijke slachtoffers (in absolute zin) van arbeidsongevallen vallen in de sector bouw. In 2019 overleden in totaal 18 slachtoffers in deze sector.

Daarnaast vielen in 2019 de meeste dodelijke slachtoffers van arbeidsongevallen – net als in voorgaande jaren – in de sectoren vervoer en opslag (10), industrie (9), landbouw/bosbouw en visserij (8) en de handel (7) (Inspectie SZW, 2020 en ministerie SZW, 2020). Ook relatief (aantal dodelijke slachtoffers afgezet naar het aantal banen binnen een sector) vallen in de bouwnijverheid de meeste slachtoffers, gevolgd door de sectoren afvalbeheer (inclusief waterleidingbedrijven), 5 Voor het groepsrisico is er een doorontwikkeling gaande, waarbij onder meer gebruik zal worden gemaakt van aandachtsgebieden. Zie: https://omgevingsveiligheid.rivm.nl/handboek-omgevingsveiligheid.

Pagina 26 van 101

RIVM-rapport 2021-0054

landbouw/ bosbouw/visserij, industrie en vervoer/opslag (Inspectie SZW, 2020). Als wordt ingezoomd op de energiesector, dan is de constatering uit het RIVM-rapport van 2019 (Van der Ree et al., 2019) dat er qua ordegrootte gemiddeld 1 dodelijk arbeidsslachtoffer per jaar valt bij de winning, verwerking en opslag van fossiele brandstoffen. In de meeste van de gevallen is er geen verband met gevaarlijke stoffen. Omdat het in deze studie gaat om mogelijke toekomstige situaties wat betreft de beschouwde energiebronnen en maatregelen, is het niet mogelijk om de risico’s direct te relateren aan de bestaande ongevalsdata. De huidige data kunnen wel helpen om een indicatie te geven waar extra arbeidsrisico’s te verwachten zijn. Dit kan door uit te gaan van de sectoren waar de meeste ongevallen plaatsvinden en te kijken naar de voornaamste achterliggende oorzaken. Door die inzichten te relateren aan de activiteiten die nieuwe energiebronnen of maatregelen vragen, wordt een beeld gevormd van het extra arbeidsrisico van de bron of maatregel. Uit deze analyse volgt dat machineongeval, ongeval met vallende objecten (niet kranen) en vallen van ladder/trapje het meeste voorkomen als oorzaak van een ernstig ongeval. Voor de bouwsector speelt het werken op hoogte (denk aan: vallen van daken, vloer of platform en het vallen van een steiger) een belangrijke rol.

Voor deze studie wordt dit vertaald naar indicatoren die zijn gekoppeld aan het installeren en onderhouden van (elektrische) installaties, waarbij het werken op hoogte een extra risico geeft. Het installeren en onderhouden van een windturbine op grote hoogte brengt bijvoorbeeld meer risico op vallen met zich mee dan het onderhoud van een buurtbatterij. Daarnaast is het werken met gevaarlijke stoffen gebruikt als indicator. Verder geldt dat als de aantallen nieuwe installaties groot zijn, ook het arbeidsrisico (de kans op ongevallen) simpelweg toeneemt. Als miljoenen woningen van een warmtepomp of zonnepanelen moeten worden voorzien, dan vraagt dat veel inzet van installateurs. Op grond van bovenstaande worden de volgende vragen gehanteerd om een beeld te krijgen van de arbeidsveiligheid: • Vraagt een maatregel om werken op hoogte? • Wordt er met gevaarlijke, brandbare of explosieve stoffen gewerkt of is er anderszins kans op brand, explosie of vrijkomen van schadelijke stoffen? • Gaat het om grote aantallen (elektrische) installaties waarbij veel inzet van installateurs/monteurs nodig is? Voor de beoordeling wordt de volgende onderverdeling gehanteerd: • 0/A: als geen van bovengenoemde punten relevant is; • A: als 1 van bovengenoemde punten relevant is; • B: als 2 van bovengenoemde punten relevant zijn; • C: als alle 3 bovengenoemde punten relevant zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10238950/1