F2 RIVM rapport mei 2021
Tekst van het document
RIVM-rapport 2021-0054
worden boeren met regelingen gestimuleerd om het installeren van zonnepanelen op stallen en andere bedrijfsgebouwen te combineren met het verwijderen van asbest. Het verbeteren van landgebruik is een relatief nieuw onderdeel van de klimaatstrategie. Een belangrijk aandachtsgebied vormen de veenweidegebieden, waarvan een groot deel in gebruik is voor de melkveehouderij. Veengrond heeft een hoog koolstofgehalte en een poreuze structuur. Door jarenlange kunstmatige verlaging van het grondwaterpeil komt er veel CO2 vrij uit de bovenlaag van de veenbodem. Daarnaast klinkt deze bovenlaag in, waardoor de bodem verzakt, met onder meer tot gevolg verzakkingen van en scheuren in gebouwen en mogelijke schade aan dijken. Om dit proces tegen te gaan wordt gewerkt aan omzetting van een deel van deze gebieden naar agrarische natuur, transitie naar zogenaamde natte teelten, verhogen van het zomerwaterpeil ten gunste van weidevogels en technieken voor onderwaterdrainage.
Ook maatregelen voor het vastleggen van koolstof in de bodem (onder andere door gebruik van organische mest in plaats van kunstmest), het bevorderen van een gesloten koolstofkringloop en het onttrekken van koolstof (lees: CO2) uit de atmosfeer door de uitbreiding van bos en natuurgebieden, het voorkómen van ontbossing en de aanleg van extra bomen en natuur in de openbare ruimte, in stedelijke gebieden en bij infrastructuur maken deel uit van de aanpak van deze Klimaattafel. Een bijkomend voordeel van deze maatregelen is dat de biodiversiteit wordt bevorderd en dat er, op termijn, meer biomassa beschikbaar komt. Voor de argumenten over voor- en nadelen van biomassa en verschillende typen reststromen wordt verwezen naar paragraaf 4.7. 4.14.4
Effecten op gezondheid, veiligheid, natuur en milieu Het verminderen van de uitstoot aan fijnstof, geur en bio-aerosolen door het gebruik van emissiearme stallen zorgt voor een betere luchtkwaliteit en minder hinder (door geur), wat beide een positief effect heeft op de gezondheid. Dat geldt ook voor het verwijderen van asbest van de daken van stallen en andere bedrijfsgebouwen voordat daar zonnepanelen op worden geïnstalleerd. Het tegengaan van de bodemverzakking in veenweidegebieden draagt bij aan de veiligheid, vooral doordat dit het risico op schade aan gebouwen en dijken vermindert. Het is evident dat de uitbreiding van bos- en natuurgebieden en de aanleg van extra bomen en natuur in de openbare ruimte en stedelijke gebieden een positieve uitwerking hebben op de natuur, de biodiversiteit en het ecosysteem. Dit zorgt tevens voor een ‘groenere’ omgeving, wat een positief effect heeft op de gezondheid. Ook de verduurzaming van de landbouw en veeteelt zal daaraan bijdragen. Vermindering van de uitstoot aan ammoniak en het terugdringen van het gebruik van kunstmest zorgen voor een verlaging van de stikstofdepositie.
Pagina 69 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
Pagina 70 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
5
Vier mogelijke toekomstbeelden van de energietransitie
In het Klimaatakkoord en de daaraan gerelateerde afspraken binnen de vijf Klimaattafels is op hoofdlijnen beschreven hoe een reductie van de CO2-uitstoot kan worden bereikt van 49% (in 2030) resp. 95% (in 2050) ten opzichte van 1990. De nadere invulling van de voor deze transitie benodigde veranderingen en maatregelen is nog niet vastgesteld. Die hangt onder meer af van economische, technologische, maatschappelijke en (geo)politieke ontwikkelingen. Hoe snel wordt blauwe energie commercieel toepasbaar? En wordt de verwachting waargemaakt dat met deze techniek aan 10-15% van de elektriciteitsvraag kan worden voldaan? Hoe zit het met het draagvlak voor nieuwe windturbine- en zonneparken? Wat zijn de kosten voor de diverse maatregelen en wie draait daar voor op? Om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van verschillende ontwikkelingen op de mate waarin nieuwe energiebronnen en maatregelen zullen worden toegepast, hebben Den Ouden et al. (2020) in een scenariostudie vier mogelijke toekomstbeelden uitgewerkt voor een klimaatneutrale energievoorziening in 2050. Deze toekomstbeelden zijn niet bedoeld om uit te kiezen, maar dienen als handvat voor netbeheerders en andere betrokken partijen om met alle opties rekening te kunnen houden.
In dit hoofdstuk vatten we de vier toekomstbeelden samen, waarbij vooral wordt ingegaan op de verschillen in omvang van de energievraag en het aanbod, en met welke energiebronnen en maatregelen dat aanbod wordt gerealiseerd. In het volgende hoofdstuk worden de bevindingen van deze scenario-analyse gebruikt bij het duiden van de onzekerheden (onder- en bovengrenzen) in de gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s. In hoofdstuk 7 vormen ze de basis om de resultaten in een breder perspectief te plaatsen. Als basis voor het onderscheid tussen de vier toekomstbeelden is gekozen voor de governance structuur. Wordt de energietransitie vooral bepaald door sturing op regionaal, nationaal of Europees niveau? Of regeert de internationale markt? Langs deze lijn zijn vier scenario’s uitgewerkt die ‘de hoekpunten van het speelveld’ weergeven. Ze hebben een uiteenlopend karakter, niet alleen wat betreft het uitgangspunt met betrekking tot de sturing, maar ook wat betreft de uitwerking qua vraag en aanbod. In die zin vormen de scenario’s vier uitersten, die echter goed combineerbaar zijn. Naar verwachting zal de daadwerkelijke transitie tussen deze beelden in liggen. Het scenario ‘regionale sturing’ wordt gekenmerkt door een sterke invloed vanuit lokale gemeenschappen en burgers en een hoge mate van autonomie en circulariteit.
In dit scenario zijn warmtenetten gevoed door geothermie, een forse elektrificatie – gekenmerkt door bijvoorbeeld het gebruik van buurtbatterijen voor lokale opslag, inductiekoken en (gedeeltelijk) all-electric warmtepompen – en een stevige groei van zonne- en windenergie dominant. Samen met een daling van de industriële activiteit leidt dit tot een Nederland dat vrijwel geheel Pagina 71 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
zelfvoorzienend is in energie. Om piekbelastingen in de energievraag aan te kunnen, worden groen gas uit lokale biomassa en groene waterstof uit wind en zon met elektrolyse gebruikt. Dit scenario gaat ook uit van duurzamer omgaan met warmte en elektriciteit, resulterend in een lagere energievraag dan de huidige. In het scenario ‘nationale sturing’ ligt de regie bij de nationale overheid. In dit scenario wordt zeer sterk ingezet op elektrificatie (in alle verbruikssectoren), op zon- en windvermogen, en minder op groei in warmtenetten. Ten opzichte van het regionale scenario wordt in de vorm van nationaal aangestuurde projecten meer ingezet op de bouw van windparken op zee, gekoppeld aan de productie van waterstof, en op grote zonneweides. Er is import van energie nodig voor de stabiele industriesector en net als in het scenario ‘regionale sturing’ worden pieken opgevangen door inzet van groen gas en groene waterstof. De flinke omvang van de productie van waterstof in dit scenario (zie Figuur 5.2) is congruent met de huidige kabinetsvisie, waarin het economisch belang en de unieke uitgangspositie van Nederland voor de ontwikkeling van duurzame waterstof worden onderstreept. In het scenario ‘Europese CO2-sturing’ is de Europese CO2-heffing voor alle sectoren het leidend beginsel.
Daardoor is er veel nadruk op gebruik van groen gas (inclusief biogas) in verschillende sectoren, naast een stevige groei van zonne- en windenergie. De industrie groeit en wordt CO2-neutraal door een combinatie van hybride elektrificatie, CCS en CCU waarmee blauwe waterstof wordt geproduceerd. Er wordt meer energie geïmporteerd dan in de vorige twee scenario’s. Er is een blijvende rol voor groen gas voor verwarming van gebouwen en in andere sectoren en voor biobrandstoffen ten behoeve van mobiliteit. Groen gas en biobrandstoffen worden geproduceerd uit zowel biomassa als door middel van CCU. Het scenario ‘internationale sturing’ wordt gedomineerd door de internationale markt, waarin op wereldwijd niveau wordt gezocht naar de opties met de laagste kosten. Nederland importeert veel waterstof uit landen waar dit gemakkelijker en goedkoper is te produceren, waardoor er minder eigen windvermogen nodig is. In dit scenario is er minder inzet van groen gas door een sterke hybridisering met waterstof als back-up, ook ter ondersteuning van de groei van de industrie. Voor de productie van elektriciteit neemt geïmporteerde waterstof de plek in die aardgas nu heeft. Net als in het Europese scenario wordt, zij het in andere hoeveelheden, gebruikgemaakt van CCS en van groen gas en biobrandstoffen geproduceerd uit zowel biomassa als door CCU.
In alle vier scenario’s wordt rekening gehouden met een emissievrije productie van industriële grondstoffen en met het afvangen van CO2 voor CCU. Ook worden er in elk scenario biobrandstoffen geproduceerd voor de luchtvaart en internationale scheepvaart, deels door Nederland zelf en deels door andere landen. Op basis van de hierboven samengevatte uitgangspunten hebben Den Ouden et al. (2020) voor elk scenario de energievraag en het aanbod doorgerekend met het Energietransitiemodel (ETM) van Quintel Intelligence, aangevuld met schattingen voor zaken die niet met het Pagina 72 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
ETM zijn te berekenen. Hun rapport bevat een groot aantal gedetailleerde analyses op de vier toekomstbeelden. Echter, voor het doel van onze studie naar de gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s van de energietransitie, geven de volgende twee overzichten voldoende inzicht om een indicatie te krijgen van de mogelijke onder- en bovengrenzen van deze effecten: het totale primaire energieaanbod en het totale benodigde elektrisch vermogen, uitgesplitst naar energiebron. Deze zijn berekend voor het jaar 2015, het jaar 2030 op basis van het Klimaatakkoord en het jaar 2050 conform de vier toekomstbeelden. Figuur 5.1 toont per type energiebron het totale primaire energieaanbod voor de Nederlandse behoefte (exclusief brandstoffen voor luchtvaart en internationale scheepvaart). Hierin is duidelijk het effect van de industriële productie (krimp in het regionale scenario en groei in het Europese en internationale scenario) te zien. In alle scenario’s wordt het gebruik van kolen en aardgas sterk beperkt. Alleen in het Europese scenario blijft aardgas een relevante energiebron, aangevuld met groen gas en biogas. De elektrificatie is duidelijk zichtbaar, maar het meest in het regionale en nationale scenario. De daarvoor benodigde bronnen worden weergegeven in Figuur 5.2. Het gebruik van biomassa voor productie van energie en warmte is in alle scenario’s beperkt.
Wel wordt in het Europese en internationale scenario meer gebruikgemaakt van biobrandstoffen, die worden geproduceerd uit biomassa en door CCU (deels in Nederland en deels in andere landen). Ook olie blijft in deze scenario’s een belangrijke bron van energie en grondstoffen, en vooral in het internationale scenario springt import van elektriciteit en waterstof in het oog. In het regionale scenario wordt geothermie in combinatie met warmtenetten toegepast voor verwarming van gebouwen. Energie uit water, zoals aquathermie, getijden-energie en blauwe energie, is niet meegenomen in de analyses van Den Ouden et al. (2020). De verwachting is echter dat ook deze vormen van energiewinning meer toegepast gaan worden.
Pagina 73 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
3500
Energieaanod (PJ)
3000 2500 2000 1500 1000 500 0
2015
KA 2030
Kolen Duurzame elektriciteit Vaste biomassa Geothermie
Regionale sturing Nationale sturing Europese CO2sturing (Pyrolyse) Olie Geïmporteerde elektriciteit Biobrandstoffen
Aardgas Geïmporteerde waterstof Groen gas en biogas
Figuur 5.1 Overzicht van het primaire energieaanbod voor de Nederlandse behoefte (exclusief brandstoffen voor luchtvaart en internationale scheepvaart).
Om in de groeiende behoefte aan elektriciteit te voorzien, wordt ingezet op zonne- en windenergie en waterstof. Figuur 5.2 geeft een overzicht van het totale elektrisch vermogen (dat is de ‘duurzame elektriciteit’ uit Figuur 5.1.), uitgesplitst naar energiebron. Vooral in het regionale en nationale scenario is er een stevige groei van zonne- en windenergie (bijna tweemaal zoveel als in de twee andere scenario’s), in combinatie met door elektrolyse geproduceerde groene waterstof om piekvragen op te vangen. Verder is opvallend dat in het Europese scenario gebruik wordt gemaakt van (deels groen) gas in combinatie met CCS om daarmee blauwe waterstofproductie volledig CO2-neutraal te maken.
Pagina 74 van 101
Internationale sturing
RIVM-rapport 2021-0054
Elektrisch vermogen in GW
250
200
150
100
50
0
2015
KA 2030
Regionale sturing
Nationale sturing
Europese CO2- Internationale sturing sturing
Kolen
(Groen) gas
AVI's (deels CCS)
Waterstof
Zon op daken
Zonneparken
Wind op land
Wind op zee
Geïmporteerde elektriciteit
Figuur 5.2 Overzicht van het elektrisch vermogen voor de Nederlandse energiebehoefte.
De verschillen in de omvang van vormen van energiewinning tussen deze toekomstbeelden kunnen van belang zijn voor de effecten op gezondheid, veiligheid, natuur en milieu. Zo is duidelijk dat in het regionale en nationale scenario tweemaal zoveel windenergie op land wordt gegenereerd als in de beide andere scenario’s. Dat kan gevolgen hebben voor de mate van hinder door geluid veroorzaakt door windturbines. In het internationale scenario is de toepassing van biobrandstoffen het grootst, ongeveer achtmaal groter dan in het regionale scenario. Toepassing van biobrandstoffen leidt tot meer luchtverontreiniging. Zo zijn er ook duidelijk verschillen zichtbaar tussen de toekomstbeelden bij andere bronnen, zoals geothermie, zon op daken en zonneparken, en bij waterstof.
Pagina 75 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
Pagina 76 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
6
Overzicht effecten op gezondheid en veiligheid
6.1
Inleiding In hoofdstuk 4 is aan de hand van de beoordelingsmethodiek (zie hoofdstuk 3) voor elk type energiebron of maatregel uit het Klimaatakkoord ingegaan op de mogelijke gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s. Vanuit het vorige hoofdstuk is duidelijk gemaakt dat er relevante verschillen zijn tussen de vier toekomstbeelden. In dit hoofdstuk vatten we de resultaten van de beoordelingen samen, zodat de omvang van de effecten en risico’s voor de verschillende bronnen en maatregelen onderling kunnen worden vergeleken. Via het gebruik van bovengrenzen van de beoordeling worden de verschillen tussen de toekomstbeelden meegenomen. Op deze manier geeft dit hoofdstuk een overzicht van de mogelijke effecten op de gezondheid en veiligheid waarbij accenten worden gelegd op basis van de geschetste toekomstbeelden. Hierbij wordt opgemerkt dat bij de inschatting van de gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s, en dus ook bij de scores in Tabel 6.1 (gezondheid) en Tabel 6.2 (veiligheid), is uitgegaan van een situatie waarbij de maatregelen in gebruik zijn en ze voldoen aan relevante eisen en normen op gebied van veiligheid en gezondheid. In hoofdstuk 7 worden aanvullende gezondheids- en veiligheidsmaatregelen besproken.
Door zulke mitigerende maatregelen direct in de realisatie van de energietransitie mee te nemen, kunnen de effecten op gezondheid en veiligheid worden verminderd ten opzichte van de scores in Tabel 6.1 en Tabel 6.2.
6.2
Effecten op gezondheid Negatieve effecten op de gezondheid zijn zo goed als mogelijk gekwantificeerd door de ziektelast die gepaard gaat met een bepaald type energiebron of maatregel uit te drukken in DALY’s. Vanwege de onzekerheden in de berekeningen is gekozen voor een indeling in klassen op basis van orde-grootte (zie Tabel 3.1 in paragraaf 3.1). Als er geen of onvoldoende informatie beschikbaar is om ziektelast uit te drukken in DALY’s, dan is het effect beoordeeld op basis van schattingen en expert judgement. In de beoordeling is onderscheid gemaakt naar ziektelast als gevolg van luchtverontreiniging, geluid, blootstelling aan stoffen in het binnenmilieu en overige effecten. In Tabel 6.1 zijn de resultaten van de beoordeling samengevat. In sommige gevallen is vanwege de onzekerheid in de beoordeling een onder- en bovengrens vermeld, bijvoorbeeld 0/A. Een score 0/A kan betekenen dat ofwel de ziektelast ligt tussen verwaarloosbaar (0) en 1000 DALY’s ofwel een kwalitatief vergelijkbaar niveau (A). Dit betekent dat er sprake is van een relatief klein gezondheidseffect.
Pagina 77 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
Tabel 6.1 Overzicht van de geschatte ziektelast door luchtverontreiniging, hinder door geluid, blootstelling aan stoffen in het binnenmilieu en andere effecten per type bron en maatregel.
Bron/maatregel Windenergie Zonne-energie Vergroting capaciteit landelijk hoogspanningsnetwerk Elektrificatie d.m.v. (buurt)batterijen, e-voertuigen Power-to-heat Isolatie van gebouwen Warmtepompen Waterstof (grijs, blauw) Waterstof (groen) Biomassa: houtstook Biomassa: verbrandingsinstallaties < 15 MW Biomassa: centrales > 15 MW inclusief bijmengen Biobrandstoffen en biogas Hergebruik van CO2 Opslag van CO2 Geothermie en Warmte Koude Opslag Aquathermie Getijden-energie Blauwe energie
Luchtverontreiniging 0
Ziektelast Geluid incl. LFG Binnen(laag frequent milieu geluid) A/B 0
Overige 0/A (slagschaduw) 01 0/A 1 (EMV)
0 0
0/A 0
0 0
0
0/A
0
01
0 0 0 0/A 0 B
0 0 0/A 0 0 0
0 0/A 0 0 0 A
A/B
0/A
0
0 0 01 0 0 A (geurhinder) 0/A (geurhinder)
A
0
0
0
A/B
0
0
0 0 0
0 0 0
0 0 0
0/A (Legionella) 0 0 0
0 0 0
0 0 0
0 0 0
0 0 0
De ziektelast die is toe te schrijven aan de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen wordt, uitgaande van een oorzakelijk verband, geschat op 35 DALY’s (klasse 0/A). Bij een oorzakelijk verband kunnen ook andere delen van het elektriciteitsnet (ondergrondse kabels, hoogspanningsstations, transformatorhuisjes) bijdragen aan de ziektelast. Deze bijdrage is niet kwantitatief in te schatten, maar leidt naar verwachting niet tot een ziektelast buiten de categorie 0/A. De jaargemiddelde blootstelling aan EMV door andere bronnen, zoals omvormers van zonnepanelen, warmtepompen en buurtbatterijen, is veel lager; de daarmee gepaard gaande ziektelast wordt daarom op 0 gesteld.
1
Het overzicht maakt duidelijk dat de grootste ziektelast wordt veroorzaakt door luchtverontreiniging die ontstaat door houtkachels (klasse B), al wordt daarbij de kanttekening gemaakt dat niet goed bekend is wat het aandeel houtkachels is dat wordt gebruikt voor opwekking van warmte en dat daarmee kan worden beschouwd als ‘nieuwe’ energiebron in het kader van de transitie. Ook luchtverontreiniging door verbranding van biomassa in energiecentrales en kleinere installaties en toepassing van biobrandstoffen draagt significant bij aan de ziektelast. Op basis van de Pagina 78 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
huidige kennis wordt deze vooralsnog geschat op klasse A/B. Het ontbreekt momenteel aan voldoende gegevens om een berekening van deze ziektelast te maken in DALY’s. Omdat het om een significant gezondheidseffect gaat, wordt dringend aanbevolen nader onderzoek te doen. De eerste stap daarin is het verkrijgen van een goed landelijk beeld van de emissies uit hout- en pelletkachels voor verwarming, biomassacentrales en kleinere biomassa-installaties. Op grond van deze inventarisatie en verspreidingsberekeningen met een aantal scenario’s kan de ziektelast door luchtverontreiniging als gevolg van deze emissies worden bepaald. Het ligt voor de hand daar de methodiek voor te gebruiken die is ontwikkeld voor het Schone Lucht Akkoord (SLA). In deze analyse kunnen ook toekomstige ontwikkelingen en effecten van mitigerende maatregelen zoals beschreven in paragraaf 4.7.1 worden meegenomen, onder andere aanscherpen van emissie-eisen voor kleinere en middelgrote biomassa-installaties, saneren van verouderde kachels door invoering van een nationale emissienorm en het beperken van gebruik van openhaarden. Emissies uit houtkachels dragen ook bij aan een verslechterd binnenmilieu. Hiervoor geldt eveneens dat het met de beschikbare gegevens niet goed mogelijk is de ziektelast te berekenen (deze wordt indicatief geschat op klasse A) en dat het wenselijk is daar nader onderzoek naar te doen.
Daarnaast is aandacht nodig voor mogelijke effecten als gevolg van onjuiste toepassing van isolatie en ventilatie op het binnenmilieu. Onvoldoende ventilatie leidt tot verhoogde blootstelling van bewoners aan verhoogde concentraties schadelijke stoffen en micro-organismen en tot een verhoogd risico op hittestress. Een ander gezondheidseffect dat uit Tabel 6.1 naar voren komt is hinder door geluid dat wordt veroorzaakt door windturbines. Deze ziektelast wordt geschat op klasse A/B, waarbij in de bovengrens rekening is gehouden met een forse groei van windenergie op land in de komende decennia. Bij windturbines op land spelen ook niet-akoestische factoren een rol, zoals geluidgevoeligheid, communicatie, vertrouwen in de autoriteiten en verandering van het landschap, waarvan bekend is dat deze van invloed zijn op de ervaren hinder. Er zijn aanwijzingen dat verspreiding van Legionella rond vergistingsinstallaties een potentieel gezondheidsrisico vormt bij productie van biogas. In de afgelopen jaren zijn er in Nederland drie uitbraken van de veteranenziekte – die wordt veroorzaakt door de bacterie Legionella – beschreven, waarbij een industriële afvalwaterzuiveringsinstallatie met biogasproductie de bron van besmetting was. Ook in vergistingsinstallaties voor biogasproductie kan soms Legionella worden aangetoond.
Het is op dit moment nog onvoldoende bekend of deze installaties een hoger Legionella-risico hebben dan aerobe installaties zonder biogasproductie en hoe groot het gezondheidseffect daarvan is. Het is gewenst nader onderzoek te doen naar deze risico’s en ook naar de mogelijkheden om de Legionella-risico’s bij vergistingsinstallaties voor biogas te beheersen. Bij alle andere gezondheidseffecten in het overzicht gaat om een kleine of marginale bijdrage aan de ziektelast, overeenkomend met minder dan Pagina 79 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
0,5 % van de totale huidige ziektelast veroorzaakt door milieufactoren. Deze effecten zijn: • luchtverontreiniging door gebruik van waterstof (voor zover dat wordt gebruikt als brandstof voor hybride warmtepompen of in elektriciteitscentrales om aan een eventuele piekvraag te kunnen voldoen); • luchtverontreiniging door gebruik van fossiele brandstoffen voor CCS en CCU in de overgangsperiode tot volledige elektrificatie; • geurhinder door emissies van houtkachels; • geur- en geluidhinder en luchtverontreiniging op lokaal niveau rond biomassa- en mestverwerkingsinstallaties, onder andere door zwaar vrachtverkeer; • (laagfrequent) geluid veroorzaakt door warmtepompen, omvormers van zonnepanelen en buurtbatterijen; • hinder door de slagschaduw van windturbines; • een mogelijk lichte groei van blootstelling aan EMV als gevolg van de elektrificatie, die gepaard gaat met onder meer de uitbreiding van het hoogspanningsnetwerk, de inrichting van buurtbatterijen en een toename van gebruik van elektrische apparaten als warmtepompen, airco’s en omvormers van zonnepanelen; deze ziektelast is echter beperkt (minder dan 50 DALY’s, zie paragraaf 4.4.1) en dat zal ondanks de groei zo blijven. Een aantal maatregelen ten behoeve van de energietransitie en het Klimaatakkoord kan een positieve invloed op de gezondheid hebben.
We konden deze effecten niet kwantificeren, wel kwalitatief in beschouwing nemen. Zo zijn in de Klimaattafel Mobiliteit afspraken vastgelegd om de hoeveelheid zakelijke (auto)kilometers in 2030 met 8 miljard te verminderen, onder meer door het bevorderen van het gebruik van de (elektrische) fiets. Dit leidt tot meer bewegen, wat een positief effect heeft op de gezondheid. Ook de verduurzaming van de landbouw draagt bij aan de doelstellingen van het Klimaatakkoord. De Klimaattafel Landbouw en landgebruik heeft daarvoor een pakket maatregelen opgesteld, waaronder het verminderen van de uitstoot aan fijnstof, geur en bio-aerosolen door het gebruik van emissiearme stallen. Deze maatregel zorgt voor een betere luchtkwaliteit en minder hinder door geurhinder, wat beide een positief effect heeft op de gezondheid. Dat geldt ook voor het verwijderen van asbest van de daken van stallen en andere bedrijfsgebouwen voordat daar zonnepanelen op worden geïnstalleerd. Uitbreiding van bos en natuurgebieden en de aanleg van extra bomen en natuur in de openbare ruimte en stedelijke gebieden hebben een positieve uitwerking op de natuur, op de biodiversiteit en het ecosysteem, wat eveneens bijdraagt aan het welzijn en de gezondheid van mensen.
Tot slot zorgt betere isolatie van woningen en gebouwen, mits op juiste wijze toegepast en in goede combinatie met adequate ventilatie en zonwering, voor een betere luchtkwaliteit en voor meer comfort en welzijn.
Pagina 80 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
6.3
Veiligheidsrisico’s Veiligheidsrisico’s hebben te maken met ongewenste afwijkingen van een normale situatie. Het gaat daarbij om incidenten met mogelijke gevolgen voor de mensen die worden blootgesteld aan de gevolgen van dergelijke incidenten. Voor het onderdeel omgevingsveiligheid is als indicator de afstand vanaf de risicobron tot aan de norm van het plaatsgebonden risico (PR 10-6 ) gehanteerd. Die is gebaseerd op de kans en gevolgen van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen van of het falen van een windturbine, zoals beschreven in paragaaf 3.2. Binnen het gebied van dit plaatsgebonden risico gelden ruimtelijke beperkingen (zonering). Bij de risico’s met betrekking tot arbeidsveiligheid is aan de hand van een aantal indicatoren een indicatie van de relevantie gegeven. Dat is een kwalitatieve benadering, zoals beschreven in paragraaf 3.2. Daar waar maatregelen in de (directe) nabijheid van consumenten zullen worden geplaatst, is consumentenveiligheid als mogelijk aandachtspunt aangemerkt. Tabel 6.2 bevat de resultaten van de beoordeling van de veiligheidsrisico’s. Net als bij de beoordeling van de gezondheidseffecten is in sommige gevallen een bovengrens vermeld vanwege de onzekerheid in de beoordeling. Een score 0/A kan bijvoorbeeld betekenen dat een veiligheidsrisico ligt tussen verwaarloosbaar (0) of beperkt relevant (A).
Een bovengrens kan ook afhankelijk zijn van een bepaald toekomstbeeld. Dat is bij de opmerkingen aangegeven. Omdat aan elke maatregelen arbeidsrisico’s gebonden zijn is ervoor gekozen om daar minimaal een 0/A beoordeling aan toe te kennen. Onder consumentenveiligheid is met arcering en een ‘X’ aangeven als het een aandachtspunt vormt. Tabel 6.2 Overzicht van de geschatte veiligheidsrisico’s per type bron en maatregel.
Bron/maatregel
Veiligheid Omgevingsveiligheid (zonering)
Opmerkingen, Arbeids- Consumenten- overige aspecten veiligheid veiligheid
Windenergie
C
B
Zonne-energie
0
B/C
Vergroting capaciteit landelijk hoogspanningsnetwerk
0
A
Elektrificatie d.m.v. (buurt)batterijen
0/A*
B
Bij windenergie op zee is omgevingsveiligheid niet relevant X
Bovengrens C bij grote aantallen zonnecellen op daken. Brandbestrijding is een aandachtspunt. Dit gaat om bekende arbeidsrisico’s.
X
Brandbestrijding is een aandachtspunt (batterijen, e-voertuigen). Pagina 81 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
Bron/maatregel
Veiligheid Omgevingsveiligheid (zonering)
Opmerkingen, Arbeids- Consumenten- overige aspecten veiligheid veiligheid
en e-voertuigen Power-to-heat
0
A
Isolatie van gebouwen, warmtepompen
0
A/B
X
De bovengrens (B) geldt als warmtepompen op grote schaal in de gebouwde omgeving zullen worden toegepast.
Waterstof (grijs, blauw, groen)
B (tankstations)
A/B
X
De bovengrens (B) geldt als waterstof op grote schaal in de gebouwde omgeving zal worden toegepast.
0
A
X
Consumentenveiligheid is relevant voor de kleinschalige installaties en houtkachels.
Biobrandstoffen en biogas
B (biogas)
A/B
Hergebruik van CO2
A
A
Opslag van CO2
A
A
Geothermie en Warmte Koude Opslag
0
0/A
Aquathermie
0
0/A
Getijden-energie
0
0/A
Blauwe energie
0
0/A
Biomassa
Veiligheidsbewustzijn is een aandachtspunt. Dat is de reden voor bovengrens (B).
*Er zijn geen risicoafstanden (PR) voor buurtbatterijen beschikbaar, maar vanwege de mogelijke risico’s voor de omgeving is gekozen om A als bovengrens voor omgevingsveiligheid te hanteren.
Uit het overzicht volgt dat veiligheid bij een aantal energiebronnen en maatregelen niet of beperkt relevant is, waarbij natuurlijk wel geldt dat arbeidsveiligheidsaspecten aandacht behoeven bij elke activiteit met gevaarlijke stoffen of elektrische apparatuur. Op grond van de beoordeling is vooral windenergie relevant bij omgevingsveiligheid. Vanwege de relatief grote afstanden tot de norm (>100 meters), is het gebied waar beperkingen gelden qua ruimtelijke ontwikkeling ook relatief groot. Door het werken op hoogte spelen ook arbeidsrisico’s een rol bij windenergie. Die risicoafstanden zijn overigens Pagina 82 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
alleen relevant voor de ruimtelijke inpassing bij windenergie op land. Voor windenergie op zee is omgevingsveiligheid niet van belang. Bij de toekomstbeelden met regionale en nationale sturing speelt windenergie op land een veel grotere rol dan bij de scenario’s Europese en internationale sturing (zie hoofdstuk 5). Daarnaast spelen biogas en waterstof een rol in de omgevingsveiligheid. Hiervoor geldt dat de risico’s en de risicoafstanden vergelijkbaar zijn met bekende risico’s van andere gevaarlijke stoffen, zoals die van aardgas of LPG. Voor biogas geldt de kanttekening dat de arbeidsrisico’s niet als groot zijn beoordeeld, terwijl er wel incidenten met dodelijk gevolg bekend zijn. Dit vraagt vooral risicobewustzijn van de betrokkenen dat het hier gaat om het werken met een gevaarlijke stof. Verder hangt bij enkele maatregelen de arbeids- en consumentenveiligheid af van de toekomstige ontwikkelingen, waarbij het vooral van belang is of de maatregelen in de directe omgeving van de consumenten op grote schaal zullen worden uitgerold. Dat gaat onder andere om de ontwikkelingen met betrekking tot warmtepompen en zonnepanelen. Bij de scenario’s regionale en nationale sturing zullen zonnepanelen op daken bijvoorbeeld een veel grotere rol vervullen dan in het Europese of internationale scenario.
Beschikbaarheid en opleiding van (technisch) personeel zijn hierbij belangrijke aandachtspunten. Wat betreft de veiligheidsrisico’s noemen we ten slotte de brandrisico’s bij zonnepanelen, elektrische voertuigen en (buurt)batterijen. Hierbij kunnen toxische verbrandingsproducten vrijkomen en bovendien vergt de bestrijding van dergelijke branden speciale werkwijzen van de brandweer. 6.4
Effecten en risico’s in relatie tot het afbouwen van energiewinning met fossiele brandstoffen In het onderzoek van Van der Ree et al. (2019) en de actualisatie daarvan door Kelfkens (2021) is een overzicht gegeven van de gezondheids- en veiligheidswinst door het uitfaseren van het gebruik van fossiele brandstoffen. De vraag rijst of het toepassen van vervangende energiebronnen en daarmee gepaard gaande maatregelen deze ‘winst’ – al dan niet gedeeltelijk – compenseert. Dit netto effect is vanwege de verschillende onzekerheden – bijvoorbeeld over hoe de energietransitie zich zal voltrekken en aannames die ten grondslag liggen aan de beoordeling van de gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s – niet exact te bepalen. Wel kan een beschouwing op hoofdlijnen worden gegeven. Daartoe maken we voor gezondheid onderscheid in de effecten op de thema’s luchtverontreiniging, (laagfrequent) geluid en overige effecten en gaan we afzonderlijk in op de veiligheidsrisico’s. Luchtverontreiniging Het stoppen met het gebruik van fossiele brandstoffen levert een aanzienlijke gezondheidswinst op, namelijk 60.000 DALY’s (Van der Ree et al., 2019). Deze gezondheidswinst is toe te schrijven aan staand beleid ter verbetering van de luchtkwaliteit, waaronder maatregelen uit het Schone Lucht Akkoord (SLA).
Met de aanvullende maatregelen uit het Klimaatakkoord wordt een extra gezondheidswinst van 3000 tot 4500 DALY’s behaald, mogelijk oplopend tot 6000-9000 DALY’s in 2050. Deze laatste Pagina 83 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
waarde kent een grote onzekerheid, omdat er voor de periode 2030 tot 2050 nog geen concreet pakket aan maatregelen is vastgesteld. Opwekking van warmte en energie met houtkachels en door verbranding van biomassa, en ook toepassing van biobrandstoffen zorgen voor een toename van luchtverontreiniging. Ook dragen emissies uit houtkachels bij aan een verslechterd binnenmilieu. De ziektelast die dit alles met zich meebrengt is vanwege een gebrek aan voldoende gegevens niet goed te berekenen. Omdat het om een relevant gezondheidseffect gaat, wordt dringend aanbevolen nader onderzoek te doen, waarbij het voor de hand ligt daar de methodiek voor te gebruiken die is ontwikkeld voor het Schone Lucht Akkoord. Een grove inschatting (zie Tabel 6.1 en de toelichting daarbij) maakt duidelijk dat deze ziektelast in elk geval lager is dan de 63.000 tot 64.500 DALY’s gezondheidswinst door het stoppen met fossiele brandstoffen, waarbij wordt opgemerkt dat dit wordt bereikt met meerdere maatregelen, waarvan die in het Klimaatakkoord een deel vormen. De luchtverontreiniging veroorzaakt door andere nieuwe energiebronnen is verwaarloosbaar klein ten opzichte van die door biomassa en biobrandstoffen. Geluid De meeste slaapverstoring door omgevingsgeluid vindt plaats door geluid van wegverkeer binnen de bebouwde kom.
Vervanging van auto’s met brandstofmotoren door elektrische auto’s levert een gezondheidswinst door geluidreductie op, die door Van der Ree (2019) werd geschat op 50007000 DALY’s in 2050, uitgaande van een volledig geëlektrificeerd wagenpark. Hierbij is inbegrepen dat het aantal zakelijke autokilometers dan met 8 miljard is gereduceerd. De geschatte gezondheidswinst moet echter als indicatief worden beschouwd, omdat er recent nieuwe gegevens beschikbaar zijn gekomen over de relatie tussen verkeersgeluid, slaapverstoring en de daaraan gekoppelde ziektelast (Kelfkens, 2021). Momenteel werkt het RIVM aan een nieuwe analyse om deze ziektelast te bepalen, maar die is nog niet beschikbaar. Daarnaast geeft het PBL aan dat er vanwege onduidelijkheid over het stimuleringsbeleid na 2025 de vervanging door elektrische auto’s mogelijk vertraging oploopt. Dat zorgt voor een extra onzekerheid in de schatting van de gezondheidswinst door geluidreductie. Tabel 6.1 laat zien dat de meeste nieuwe vormen van energiewinning geen tot weinig gezondheidsschade door (laagfrequent) geluid veroorzaken. De enige uitzondering hierop zijn windturbines. De ziektelast veroorzaakt door geluid van windturbines is niet uit te drukken in DALY’s en is kwalitatief beoordeeld op klasse A/B, waarbij in de bovengrens rekening is gehouden met een forse groei van windenergie op land in de komende decennia.
Echter, het aantal mensen dat ernstige hinder ondervindt door geluid van windturbines is veel lager dan de aantallen personen die ernstige hinder ondervinden van wegverkeer. Ook is, anders dan voor geluid van wegverkeer, niet wetenschappelijk aangetoond dat geluid van windturbines bijdraagt aan slaapverstoring. Op basis van deze kwalitatieve argumenten lijkt het netto effect op de gezondheid als gevolg van de vervanging van fossiele brandstoffen door nieuwe energiebronnen positief.
Pagina 84 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
Overige effecten Dit betreft onder andere geurhinder door emissies van houtkachels, een mogelijk lichte groei van blootstelling aan EMV als gevolg van de elektrificatie en hinder door de slagschaduw van windturbines. De bijdrage van deze gezondheidseffecten door nieuwe energiebronnen en maatregelen aan de totale ziektelast is marginaal. Daar staat bovendien tegenover dat geurhinder die wordt veroorzaakt door het gebruik van fossiele brandstoffen – deze manifesteert zich vooral door emissies van wegverkeer en uit de industrie – zal afnemen als deze worden vervangen. In Van der Ree et al. (2019) wordt deze geurhinder wel genoemd onder de gezondheidseffecten, maar ze is niet gekwantificeerd. Veiligheid De grootse veiligheidswinst door het afbouwen van het gebruik van fossiele brandstoffen zit in het wegvallen van dodelijke slachtoffers door koolmonoxidevergiftigingen door gebruik van aardgasinstallaties in huis. Als alle woningen gasloos zijn, worden 10-50 dodelijke slachtoffers per jaar voorkomen (Van der Ree et al., 2019). De aardgasinstallaties kunnen door verschillende energiebronnen worden vervangen, zoals waterstof of het gebruik van warmtepompen, waarbij het risico op koolmonoxidevergiftiging niet zal optreden.
Daarnaast verdwijnen door het afbouwen van het gebruik van fossiele brandstoffen risicobronnen, zoals de distributie van aardgas en het transport van LPG, waardoor de kans op een ramp met meerdere doden door deze bronnen verdwijnt (Van der Ree et al., 2019). Hierbij wordt opgemerkt dat de kans op een dergelijke ramp ook in de huidige situatie al zeer klein is. Daarbij geldt dat het netto effect afhangt van de alternatieven die zullen worden gebruikt. Wanneer waterstof als brandstof zal worden ingezet, blijft de kans op een dergelijke type ramp van eenzelfde ordegrootte. Bij elektrificatie kunnen er wel incidenten optreden, maar zullen er naar verwachting geen grote aantallen slachtoffers vallen. Als we ten slotte de resultaten uit Tabel 6.2 bekijken, dan blijkt dat arbeidsveiligheid van belang is. Het aantal arbeidsincidenten zou wellicht kunnen toenemen, bijvoorbeeld door de grote aantallen installaties die in sommige toekomstbeelden zijn voorzien en het onderhoud dat zij vergen. Op voorhand kan echter geen goede inschatting worden gemaakt van wat dit zou kunnen betekenen voor het aantal incidenten, laat staan voor het aantal mogelijke slachtoffers.
Op basis van bovenstaande argumenten zou het netto effect voor de veiligheid als gevolg van de vervanging van fossiele brandstoffen (vooral door het wegvallen van de koolmonoxidevergiftigingen) door nieuwe energiebronnen positief zijn.
Pagina 85 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
Pagina 86 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
7
Conclusie en beschouwing
7.1
Inleiding In dit laatste hoofdstuk worden de conclusies van deze verkenning beschreven, aangevuld met een beschouwing van de resultaten. Ten eerste worden de resultaten uit het vorige hoofdstuk samengevat en wordt aangegeven welke energiebronnen en maatregelen uit het Klimaatakkoord het meest relevant zijn voor de geschatte effecten op de gezondheid en veiligheid. Om deze resultaten in een breder perspectief te plaatsen, maken we daarna een koppeling met de toekomstbeelden uit hoofdstuk 5. Vervolgens wordt op hoofdlijnen ingegaan op mogelijkheden om de genoemde effecten te reduceren. In een slotbeschouwing worden enkele observaties gedeeld die naar voren zijn gekomen bij deze verkenning en worden aanbevelingen gedaan voor nader onderzoek om een aantal belangrijke effecten beter in beeld te krijgen.
7.2
Meest relevante effecten en risico’s voor gezondheid en veiligheid In het vorige hoofdstuk is een overzicht gegeven van de mogelijke effecten op de gezondheid en veiligheid per maatregel. Vanuit het gezondheidsperspectief zijn daarbij luchtverontreiniging door houtkachels, biomassa-installaties en biobrandstoffen, en geluidhinder door windturbines het meest relevant. Bij de veiligheidsrisico’s komen de risico’s van windenergie, zonne-energie, elektrificatie ((buurt)batterijen) en warmtepompen naar voren. Voor windenergie is zowel omgevingsveiligheid als arbeidsveiligheid van belang, terwijl het bij de andere drie bronnen met name gaat om arbeidsveiligheid. Daarnaast zijn (vooral vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid) de risico’s bij het gebruik van de gevaarlijke stoffen waterstof en biogas van belang. Uit de geschatte gezondheidseffecten (zie Tabel 6.1) en veiligheidsrisico’s (zie Tabel 6.2) volgt dat de impact van de meeste maatregelen uit het klimaatakkoord beperkt zal zijn. Wanneer we dit op hoofdlijnen naast de ‘winst’ leggen die het afbouwen van het gebruik van fossiele brandstoffen op de gezondheid en veiligheid betekenen (zie paragraaf 6.4), dan is het beeld dat het netto effect positief zal zijn voor de gezondheid en veiligheid.
De resultaten in de genoemde tabellen zijn gebaseerd op de inventarisatie per maatregel, terwijl het bijvoorbeeld relevant is of een maatregel in grote aantallen zal worden toegepast. Om de resultaten meer in context te beschouwen, wordt in de volgende paragraaf een koppeling van de meest relevante bronnen en maatregelen met de toekomstbeelden gelegd.
7.3
Koppeling met toekomstbeelden Uit de geschetste toekomstbeelden in hoofdstuk 5 komt duidelijk naar voren dat bij de scenario’s regionale en nationale sturing ingezet wordt op wind- en zonne-energie. De bijdragen van deze bronnen aan het totaal zijn significant groter dan bij de scenario’s Europese en Pagina 87 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
internationale sturing. Qua effecten op de bevolking geldt dat alleen windenergie op land relevant is. Uit Figuur 5.2 volgt dat windenergie op land bij het regionale en nationale scenario in dezelfde orde-grootte wordt toegepast. Voor zonne-energie geldt eenzelfde soort redenering. De risico’s qua consumentenveiligheid (brandrisico) en arbeidsveiligheid zijn bij zonnepanelen op daken relevanter dan bij zonneparken. In dit geval is er wel onderscheid tussen de twee scenario’s; bij het scenario regionale sturing is het aandeel zon op daken groter dan bij het scenario nationale sturing. De veiligheidsrisico’s van (buurt)batterijen en warmtepompen zijn gekoppeld aan mogelijke blootstelling van mensen (installateurs, bewoners) in de directe leefomgeving. Deze maatregelen (windenergie op land, zon op daken, (buurt)batterijen en warmtepompen) worden met name ingezet bij het scenario nationale sturing en vooral bij het scenario regionale sturing. Hierbij geldt dat de maatregelen zon op daken, (buurt)batterijen en warmtepompen in de directe leefomgeving van de bevolking zullen worden geïmplementeerd waardoor potentiële blootstelling van de bevolking hoog is. In het algemeen geldt: des te kleiner de afstand tussen bron en ontvanger, des te groter het potentieel aantal blootgestelden en mogelijk effect. Waterstof is bij alle scenario’s relevant, waarbij er wel verschil is qua invulling.
Bij het scenario internationale sturing gaat het vooral om het importeren van waterstof en zijn de risico’s gekoppeld aan het transport en het leidingennetwerk. Hierbij wordt gekeken naar de mogelijkheden om het bestaande aardgasleidingennetwerk te gebruiken voor waterstof. Bij het scenario nationale sturing wordt er een sterke koppeling gelegd van windenergie op zee met de productie van groene waterstof en het vervolgens transporteren via een leidingennetwerk. Net als bij het scenario internationale sturing gaat het dan vooral om industriële veiligheidsaspecten. Voor de mogelijke effecten op de bevolking zijn de risico’s van het gebruik van waterstof in de directe leefomgeving het meest relevant. Als voorbeeld noemen we waterstof als brandstof voor de cv-ketels van woningen. Toepassing van biobrandstoffen, biogas en biomassa is vooral voorzien bij de scenario’s Europese en internationale sturing. Voor biogas wordt aandacht gevraagd voor de arbeidsrisico’s en het veiligheidsbewustzijn van de sector en voor het potentiële risico op vorming en verspreiding van Legionella. De effecten van biobrandstoffen en biomassa betreffen de luchtverontreiniging bij verbranding. Voor biomassa gaat het dan met name om houtrook (houtkachels) in woningen en om lokale biomassainstallaties met een vermogen minder dan 15 MW.
Uit deze verkenning blijkt dat de effecten van de nieuwe energiebronnen en maatregelen op de gezondheid en veiligheid zich vooral manifesteren in de directe leefomgeving van de bevolking. Want juist daar worden mensen het meest blootgesteld. Dat is de reden dat in de volgende paragraaf het accent ligt op aanvullende mogelijkheden om de effecten te reduceren juist in de directe leefomgeving of de gebouwde omgeving, dus aan de kant van de mogelijke ontvanger. Daarnaast worden ook enkele mogelijkheden besproken om de effecten van de relevante maatregelen te beperken. Pagina 88 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
7.4
Aanvullende mogelijkheden om effecten te beperken Uit de resultaten opgenomen in Tabel 6.1 en Tabel 6.2 volgt dat de impact van de meeste maatregelen uit het klimaatakkoord beperkt zal zijn voor de gezondheid en veiligheid. Tegelijkertijd zijn er enkele energiebronnen en maatregelen die tot gezondheidseffecten of veiligheidsrisico’s kunnen leiden. Om deze effecten te beperken zijn er aanvullende gezondheids- en veiligheidsmaatregelen mogelijk, bovenop de bestaande normen en eisen, waarvan er enkele op hoofdlijnen worden besproken. Juist de ontwikkelfase van de energietransitie biedt mogelijkheden om gezondheids- en veiligheidsaspecten integraal mee te nemen. De GGD Gelderland-Midden heeft in samenwerking met andere GGD’en een handreiking opgesteld, voorzien van een stappenschema en een uitgebreid Excelbestand met mogelijke maatregelen voor het verduurzamen van woningen, waarbij rekening wordt gehouden met het beperken van negatieve gezondheidseffecten. Aspecten als ventilatie, isolatie, thermisch comfort, beperken geluidhinder, vermijden van trillingen en houtrook, verkoelen van woningen en het vinden van een goede afstemming tussen het isoleren en ventileren komen aan bod. In het Bouwbesluit worden aanvullende geluidseisen opgenomen om bewoners en omwonenden beter te beschermen tegen geluid van de buitenunits van warmtepompen en airco’s.
Zo’n eis is bijvoorbeeld dat men een warmtepomp laat installeren door een erkende gecertificeerde installateur. De handreiking van de GGD Gelderland-Midden sluit aan bij een recent rapport van de Gezondheidsraad (GGD Gelderland-Midden, 2019) met adviezen en opties om gezondheid te bevorderen in de planvorming rond de energietransitie, in het bijzonder gericht op de Klimaattafel Gebouwde Omgeving. In dat rapport wijst de Gezondheidsraad er ook op om het aspect gezondheid in algemene zin direct bij de planvorming rond de energietransitie (bijvoorbeeld in de Regionale Energie Strategieën) mee te nemen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar in de praktijk wordt er niet altijd of te laat aan gedacht. Een voorbeeld van het rekening houden met gezondheidsaspecten bij planvorming is de optimalisering van locaties (afstand tot woonbebouwing) waar windturbines – en overigens ook zonneparken – worden geplaatst. Door het betrekken van omwonenden bij de besluitvorming over locaties en landschappelijke inpassing en hen daarbij van goede, betrouwbare informatie te voorzien, kan eventuele hinder zo goed mogelijk preventief worden aangepakt. Ook het inrichten van een klachtensysteem, het beschikbaar stellen van een knop om windturbines stil te zetten en economische incentives (door omwonenden mee laten delen in de opbrengst van windturbines) kunnen daaraan bijdragen.
Andere maatregelen om de geluidsbelasting door windturbines te beperken zijn technische innovaties, zoals vermindering van het toerental, het toepassen van een andere bladvorm en het aanbrengen van structuren op de rotorbladen die het geluid verminderen.
Pagina 89 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
Daarnaast zal het beperken van emissies bij het verbranden van biomassa door strengere eisen leiden tot minder luchtverontreiniging. Dit zal een relevante bijdrage kunnen leveren aan de gezondheidswinst. Het PBL heeft berekend dat de concentraties fijnstof, roet en stikstofoxiden in de leefomgeving aanzienlijk kunnen worden verlaagd door het verplicht saneren van verouderde kachels en het beperken van gebruik van openhaarden. Verder kan vervanging van conventionele houtkachels door de aanmerkelijk schonere pelletkachels worden gepropageerd en kan ook voorlichting over goed stookgedrag bijdragen aan vermindering van luchtverontreiniging. Wat betreft biomassa-installaties kan gedacht worden aan scherpere emissie-eisen, verlaging van de vermogensgrens van 15 MW voor vergunningplicht, verhogen van de schoorsteen, aanvullende rookgasreiniging en – voor nieuwe installaties – zorgen voor voldoende afstand tot kwetsbare bestemmingen. Zulke maatregelen passen bij de afspraken, die Rijk, provincies en gemeenten in het kader van het Schone Lucht Akkoord hebben gemaakt om ‘in 2030 minimaal 50% gezondheidswinst uit binnenlandse bronnen te realiseren ten opzichte van 2016’. Net als bij de effecten op de gezondheid geldt op grond van Tabel 6.2 dat de effecten op de veiligheid als beperkt zijn te kwalificeren, terwijl er bij sommige maatregelen veiligheidsrisico’s zijn voorzien.
Bij nieuwe maatregelen of technieken zijn veiligheidseisen en richtlijnen met betrekking tot ontwerp, installatie en onderhoud nog in ontwikkeling. Bij de vergunningaanvragen van de eerste waterstoftankstations was de rekenmethodiek om de risico’s te bepalen bijvoorbeeld nog niet definitief. De ontwikkeling van de verschillende nieuwe rekenmethodieken (naast waterstof ook bijvoorbeeld die voor windturbines) is door het RIVM als beheerder van de rekenmethodieken opgepakt. Daarnaast zijn er handleidingen en richtlijnen met betrekking tot accu’s en batterijen opgesteld en zijn andere in ontwikkeling. Daarin komen onder andere de brandrisico’s van elektrisch vervoer en EOS systemen (buurtbatterijen) aan de orde. Een concreet voorbeeld is de Handreiking Elektriciteit Opslag Systemen (EOS) en de Circulaire Risicobeheersing Lithium-ion-energiedragers. Eerder is de PGS 37 genoemd als richtlijn die in ontwikkeling is en die zal ingaan op lithium-ion-batterijen. Onderzoek naar alternatieven voor de lithium-ion-batterij zou op termijn mogelijk kunnen leiden tot batterijen met minder (brand)risico. Een andere mogelijkheid betreft certificering en het inzetten op bijvoorbeeld een CE-keurmerk voor energie opslagsystemen. Het gebruikmaken van gecertificeerde producten of installateurs en onderhoudsmonteurs kan ook de arbeidsveiligheid en consumentenveiligheid bevorderen.
Zeker als maatregelen zoals zonnepanelen en warmtepompen op grote schaal zullen worden uitgerold, kunnen arbeidsrisico’s en eventueel brandrisico’s toenemen door het groot aantal installateurs en monteurs dat hiervoor nodig zal zijn. Om de risico’s van maatregelen zoals batterijen, zonnepanelen of warmtepompen in de toekomst te kunnen kwantificeren, is centrale Pagina 90 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
registratie van incidenten en van de aantallen installaties behulpzaam. Een systeem waar dit plaatsvindt bestaat momenteel niet. 7.5
Slotbeschouwing en aanbevelingen In de vorige paragraaf zijn enkele mogelijkheden benoemd om de voorziene effecten op de gezondheid en veiligheid te beperken. In deze paragraaf worden ten slotte enkele opmerkingen gemaakt geredeneerd vanuit een overall beeld op de energietransitie, op de beschouwde maatregelen en de verschillende toekomstbeelden. Daarnaast worden ook aanbevelingen gedaan gericht op verdere kennisontwikkeling, die nodig is om effecten beter te kunnen kwantificeren. Alternatieven Een vraag die vanuit dit perspectief aan de orde komt, is of er wellicht alternatieven van een bepaalde maatregel voorhanden zijn die minder gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s kunnen betekenen. Ook kan worden gekeken naar de locaties waar maatregelen kunnen worden toegepast. Deze vragen zijn gerelateerd aan de (beleids)keuzen die worden gemaakt wat betreft de scenario’s die zijn geschetst. Zoals gemeld zal het niet gaan om een keuze uit een van de vier scenario’s, maar eerder om een mix van de vier scenario’s. Daarbinnen kunnen wel verschillende accenten op maatregelen worden gelegd. Door bij die keuzen rekening te houden met gezondheid en veiligheid, kan worden voorkomen dat de gezondheids- en veiligheidswinst door het afbouwen van het gebruik van fossiele brandstoffen deels wordt tenietgedaan door de invoering van nieuwe bronnen en maatregelen.
Kennishiaten Uit de verkenning blijkt verder dat er voor sommige maatregelen onvoldoende informatie is om een goede inschatting van de gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s te kunnen doen. Bij die onderwerpen is sprake van kennishiaten en is aanvullend onderzoek nodig om de effecten beter in kaart te brengen, niet alleen voor de huidige situatie maar ook door toepassen van mitigerende maatregelen. Dit gaat vooral om de gezondheidseffecten door verbranding van biomassa en biobrandstoffen en de gevolgen van geluidhinder door windturbines. Daarnaast wordt aanbevolen om de risico’s van een verslechterd binnenmilieu als gevolg van onjuiste toepassing van isolatie en ventilatie en door emissies uit openhaarden en houtkachels beter in kaart te brengen. Nader onderzoek is ook wenselijk met betrekking tot de risico’s van Legionella bij vergistingsinstallaties voor biogas en de mogelijkheden om die te beheersen. Verder ontwikkelen van technieken met minste impact Uit de resultaten in het vorige hoofdstuk komt verder naar voren dat bij sommige nieuwe energiebronnen de effecten op de gezondheid en veiligheid zeer beperkt zijn. Dat geldt onder andere voor aquathermie, getijden-energie en blauwe energie. Deze technieken worden in Nederland nog niet veel toegepast en zijn nog in ontwikkeling.
Vanuit het perpsectief van gezondheid en veiligheid is het interessant om verdere (kennis)ontwikkelingen van deze technieken te volgen. Pagina 91 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
Vinger aan de pols De energietransitie bevindt zich in de ontwikkelfase en juist dan kan rekening worden gehouden met gezondheids- en veiligheidsaspecten. Dit rapport biedt hiervoor enkele handvaten. Het is echter ook zinnig om gedurende het gehele proces van de energietransitie momenten in te bouwen om na te gaan hoe gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s zich ontwikkelen en welke mogelijkheden er op dat moment zijn om eventuele effecten en risico’s te voorkomen of te reduceren.
Pagina 92 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
Referenties
ANV (2019). Verkenning risico’s van de energietransitie voor de nationale veiligheid, Analistennetwerk Nationale Veiligheid. 2019. AVIV (2014). Interne veiligheidsanalyse biogasinstallaties. 1 mei 2014. Bartels, A.A., Leerdam, R.C. van, Lodder, W.J., Vermeulen, L.C. en Berg, H.H.J.L. van den (2019). Inventarisatie van legionellarisico’s bij afvalwaterzuiveringsinstallaties. RIVM-briefrapport 2019-0061. RIVM, Bilthoven. Brandweeracademie (2020). Jaaroverzicht fatale woningbranden 2019. Arnhem: Instituut Fysieke Veiligheid. Beelen, P. van, Schijven, J., Roda Husman, A.M. de, Aa, N.G.F.M. van der en Otte, P.F. (2011). De mogelijke risico’s van warmte- en koudeopslag voor de grondwaterkwaliteit. RIVM rapport 607050009. Campmans, Th.B.J. (2017). Laagfrequent geluid, oriënterende studie naar de ontwikkeling van in Nederland. LBP Sight rapport R056087aa.00001.tc, in opdracht van RIVM. CE Delft (2018). Nationaal potentieel van aquathermie. Analyse en review van de mogelijkheden. Rapport nr. 18.5S74.116, CE Delft i.s.m. Deltares in opdracht van Stowa. Chakraborty, R., Heydon, J., Mayfield, M. and Mihaylova, L. (2020). Indoor air pollution form residential stoves: Examining the flooding of particulate matter into homes during real-world use. Atmosphere, 11, 1325; doi:10>3990/atmos11121326. Circulaire risicobeheersing lithium-ion energiedragers.
Website: https://wetten.overheid.nl/BWBR0043769/2020-07-01. Commissie Deskundigen Meststoffenwet (2015). Nut en risico’s van covergisting, syntheserapport, WUR, WOt-technical report 32, februari 2015. Danish Ecological Council (2016). Pollution from residential burning. Danish experience in an international perspective. ISBN: 978-8792044-92-1. Danish Ecological Council, Kopenhagen, Denemarken. Dassen, A.G.M., Jabben, J. en Janssen, P.M.H. (2001). Uitbouw en optimalisatie van het Landelijk Beeld van Verstoring. Partiele validatie en gevoeligheidsanalyse. RIVM rapport 725401001/2001. RIVM, Bilthoven. DNV GL (2019). Gevolgen van de inzet van biomassa voor elektriciteit en warmte productie op emissies naar de lucht. Rapportnummer 191033. DNV GL Netherlands BV, Arnhem. Dusseldorp ,A., Schaap, M., Gram, J., Schoevaars-Lops, S. en Jonker, R. (2019). Meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten bij GGD'en, periode 2017-2018, RIVM Briefrapport 2019-0132. European Agency for Safety and Health at Work (2013). Occupational safety and health in the wind energy sector. European Risk Observatory Report. ISBN: 978-92-9240-277-8. 2013. Geleijns, H. en Dijkstra, M. (2013). Literatuuronderzoek laagfrequent geluid windturbines. LBPSIGHT in opdracht van AgentschapNL. Gezondheidsraad rapport (2020). Gezonde energietransitie in de gebouwde omgeving. Gezondheidsraad, Den Haag. Ginkel, J. van.
(2020). GGD handreiking Verbranding van biomassa en gezondheid. Academische werkplaats Milieu & Gezondheid (concept). Pagina 93 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
Hall, L. et al. (2021). Mondiaal klimaatbeleid: gezondheidswinst in Nederland bij minder klimaatverandering. RIVM Rapport 2020-0200. GGD Gelderland-Midden (2019). Handreiking opgesteld i.s.m. de Veiligheidsregio Gelderland-Midden en andere GGD’en t.b.v. de GGD werkgroep binnenmilieu en de Academische werkplaats Milieu en gezondheid. Versie december 2019. Hartman, J.C., Gyimesi, A. en Prinsen, H.A.M. (2010). Zijn vogelflappen effectief als draadmarkering in een hoogspanningslijn? Bureau Waardenburg bv. Holtrop, ing. R.J. (2020). Registratie van huishoudelijke elektriciteitsongevallen achter de meter. Kiwa N.V. VGI/1288/Htr. 23 maart 2020. Hoogerbrugge, R., Geilenkirchen ,G.P., Hollander, H.A. den, Schuch, W., Swaluw, E. van der, Vries, W.J. de en Wichink Kruit, R.J. (2020). Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. RIVM Rapport 2020-0091. RIVM, Bilthoven. Hoogervorst, N. (2020). Waterstof voor de gebouwde omgeving; operationalisering in de Startanalyse 2020, Den Haag: PBL. Inspectie SZW (2020). Jaarverslag 2019, mei 2020. IFV (2020). Brandveiligheid van parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen. Arnhem: Instituut Fysieke Veiligheid. IFV (2020a). Instituut Fysieke Veiligheid. Energieopslag en/of opwekking op daken van collectieve woongebouwen. Handreiking voor een veilige plaatsing van zonnepanelen in combinatie met Elektriciteit Opslag Systemen.
8 oktober 2020. IFV (2020b). Vooronderzoek depositie bij branden met zonnepanelen. Een verkennende studie naar de depositie van verbrandingsproducten als gevolg van brand met substantiële hoeveelheden zonnepanelen. Instituut Fysieke Veiligheid, 8 december 2020. IFV (2020c). Veiligheidsmaatregelen voor het gebruik van waterstof binnenshuis. Instituut Fysieke Veiligheid, 4 december 2020. IFV (2021). Veiligheidsprincipes kleinschalige EOS’en (<20 kWh). Martin Meijer (LIOGS), Sander Lepelaar (VRH), Tom Hessels. Instituut Fysieke Veiligheid Jacobs, P., Borsboom, W. and Kemp, R. (2016). PM2.5 in Dutch dwellings due to cooking. Paper presented at the AIVC/ASHRAE conference, 12-14 september 2016, Alexandria, USA. Janssen, S.A., Vos, H. en Eisses, A.R. (2008). Hinder door geluid van windturbines. Dosis-effectrelaties op basis van Nederlandse en Zweedse gegevens. TNO Bouw en Ondergrond, Delft. Joosten, K. (2019). Het batterijenlandschap. Onderwerpen, bedreigingen en kansen voor beleidsdoelen. Bax and Company, 4 oktober 2019. Kamp, I. van, Berg, F. van den. (2018). Health Effects Related to Wind Turbine Sound, Including Low-Frequency Sound and Infrasound. Acoustics Australia volume 46, pages 31–57(2018). Kamp, I. van, Breugelmans, O.R.P., Poll, H.F.P.M. van, Baliatsas, C. en Kempen, E.E.M.M. van (2018).
Meldingen over en hinder van Laagfrequent Geluid of het horen van een bromtoon in Nederland: Inventarisatie. RIVM Rapport 2018-0119. RIVM, Bilthoven.
Pagina 94 van 101
RIVM-rapport 2021-0054
Kamp, I. van, Schreckenberg, D., Kempen, E.E.M.M. van, Basner, M., Brown, A.L., Clark, C., Houthuijs, D.J.M., Breugelmans, O.R.P., Beek, A.J. van and Janssen-Stelder, B.M. (2018). Study on methodology to perform environmental noise and health assessment. RIVM Report 2018-0121. RIVM, Bilthoven. Kamp, I. van, et al. (2019). Review of evidence relating to environmental noise exposure and annoyance, sleep disturbance, cardio-vascular and metabolic health outcomes in the context of ICGB(N). RIVM rapport 2019-0088. Kamp, I. van, Berg, G.P. (2020). Health effects related to wind turbine sound: an update RIVM report 2020-0150. Kelfkens, G., et al. (2021). Klimaatakkoord: Gevolgen van het uitfaseren van fossiele energie voor veiligheid, gezondheid en stikstofdepositie; een update. RIVM rapport 2020-0143. KIWA (2018). Toekomstbestendige gasdistributienetten. GT-170272. 5 juli 2018. Knol, A.B. en Staatsen, B.A.M. (2005). Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands 1980 – 2020. RIVM rapport 500029001/2005. Koppejan, J. en Bree, F. de (2018). Kennisdocument houtstook in Nederland. Project PB201704. Procede Biomass BV (i.s.m. Bureau Blauw BV), Enschede. KWR (2016). Risico's van Geothermie voor Grondwater. BTO rapport 2016.077. November 2016. Middelkoop, M. van en Segers, R. (2019). Houtverbruik huishoudens WoON-onderzoek 2018. CBS rapport oktober 2019. CBS, Den Haag.