CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

F. Special Staat van Utrecht

Gemeenteraad 26 oktober 2021, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen23.707 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Staat van Utrecht

Maatschappelijke impact van de coronapandemie in de provincie Utrecht Een tussenstand

H1

Inleiding

H2 H3 H4

De coronapandemie heeft tot op heden als een storm door de samenleving geraasd en daarbij veel schade aangericht. De schade bestaat uit de vele levens die zijn geëist, de bedrijven die zijn omvergeblazen en de ziekte, angst, conflicten en onzekerheid die hij heeft voortgebracht. Deels heeft de storm ook positieve effecten teweeg gebracht zoals meer rust in het persoonlijke leven, meer aandacht voor de directe kring om ons heen en tijd om gedachten en wensen ten aanzien van de toekomst te hergroeperen.

H5

Alhoewel het medio oktober 2021 nog te vroeg is om de balans op te maken van de impact die de coronacrisis heeft op de samenleving, willen we in deze special al wel proberen een voorzichtige tussenstand op te nemen. Wat is tot nu toe onderzocht en bekend over de impact? Welke conclusies durven deskundigen nu al op hun vakgebieden te trekken? We onderzoeken dit op 22 thema’s binnen de domeinen: gezondheid, dagelijks leven, economie en fysiek-sociale infrastructuur. De verschillende deelonderwerpen zijn in deze special herkenbaar middels de volgende iconen:

Gezondheid

Mobiliteit

Veiligheid

Dagelijks leven

Cultuur, recreatie & natuur

Wonen

Economie

Milieu, water & duurzaamheid

Het domein fysiek-sociale infrastructuur beslaat verschillende thema’s.

2

H1

H2 H3 H4 De breedte van de impact komt daarmee al naar voren. Dit zal in de toekomst nog verder oprekken; er zullen weinig terreinen overblijven waar de pandemie geen sporen op nalaat. Door het in kaart brengen van de veelheid aan onderwerpen hopen we tegelijkertijd ook brede bewustwording en begrip te kunnen creëren voor de gevolgen van de crisis – die kan leiden tot alertheid om problemen en kansen in een zo vroeg mogelijk stadium te herkennen.

H5

Uiteraard focussen we zoveel mogelijk op de situatie binnen de provincie Utrecht zelf. Dit lukt maar ten dele, want veel ontwikkelingen zijn alleen landelijk (of zelfs mondiaal) in kaart gebracht. Daar waar we specifiek Utrechtse informatie en Utrechts onderzoek konden vinden, brengen we dat in beeld. We sluiten de special af met een blik op het thema herstel en vernieuwing. We noemen een aantal aandachtspunten die in ieder geval op dit moment van belang lijken. De maatschap­pelijke opgave die dit alles overkoepelt zou wat ons betreft moeten luiden: Hoe kunnen herstel en vernieuwing binnen de provincie Utrecht zo worden vormgegeven dat belangrijke waarden als gezondheid, kansengelijkheid en duurzaamheid worden versterkt.

3

H1

Inhoud

H2 H3 H4

Inleiding

2

H5 1.

Gezondheid: de grenzeloze impact van corona

6

Samenvattend

7

1.1

Ziek worden door corona: grote verschillen

8

1.2

Gevolgen voor niet-COVID patiënten

14

1.3

Vaccinaties: opluchting en problemen

16

1.4

Zorgwekkende toename psychisch onwelzijn

20

1.5

Zorgen over post-pandemische capaciteit ggz en sociaal werk

24

1.6

Evaluatie corona-ouderenzorg in Utrecht

25

2.

Een dagelijks leven met nieuwe bestanddelen

27

Samenvattend

28

2.1

Veranderingen in het huiselijke leven

29

2.2

Schaduwkanten van dichter op elkaar leven

33

2.3

Niet naar school: kansen onder druk

34

2.4

Opmars van Het Nieuwe Werken

36

2.5

Een corona babyboom – of toch niet?

39

2.6

Nieuwe maatschappelijke scheidslijnen

42

4

H1

H2

3.

Economie: verlies én gunstige vergezichten

46

Samenvattend

47

3.1

Economische vooruitzichten

48

3.2

Terugblik opgelopen schade

52

3.3

Financiële steunmaatregelen vanuit de overheid

54

3.4

Veranderend winkellandschap verwacht

58

4.

Fysiek-sociale infrastructuur: pandemie als katalysator

60

Samenvattend

61

4.1

Koersveranderingen op het gebied van mobiliteit

62

4.2

Impact corona op woningmarkt zal nog moeten blijken

65

4.3

Duurzaamheidsvraagstukken integreren in herstelbeleid

66

4.4

Vrijetijdssectoren: geleden schade en nieuwe paden

68

4.5

Veiligheidsvraagstukken vanuit corona-perspectief

71

5.

En dan: de weg naar herstel en vernieuwing

74

Samenvattend

75

5.1

Beleid gericht op herstel en vernieuwing

76

5.2

Aandachtspunten bij herstel

78

Verwijzingen

82

Colofon

87

H3 H4

H5

5

H1

H2

Gezondheid:

De grenzeloze impact van corona

1

H3 H4

H5

1

H1

Gezondheid: De grenzeloze impact van corona Samenvattend

H2 H3 H4

H5

Van alle levensgebieden is de impact die COVID-19 op de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van inwoners heeft het meest ingrijpend te noemen. In de provincie Utrecht kwamen van begin 2020 tot eind augustus 2021 ruim 1.300 mensen te overlijden door het virus en zijn er 150.000 positieve testuitslagen afgegeven. Het virus heeft niet iedereen in gelijke mate getroffen. In 2020 waren het vooral de ouderen en mensen met chronische gezondheidsklachten die bovengemiddeld kwetsbaar bleken. Gaande het jaar werd duidelijk dat het doormaken van de corona-infectie ook bij jongeren en vitale mensen veel impact kan hebben. Niet per se in intensiteit van de klachten, maar vooral in de duur ervan. Het virus blijkt bij velen restverschijnselen achter te laten (long-COVID) die zich onder andere uiten in klachten als vermoeidheid, kortademigheid, spierpijn en concentratieproblemen. Het RIVM schat momenteel in dat maximaal 1 op de 5 personen na 4 of 5 weken nog klachten heeft. De hoge verwachtingen rondom de vaccinatie bleken in de aanloop naar zomer 2021 niet helemaal ingelost te kunnen worden. Afgezien van het feit dat de delta-variant zich aandiende, die voor een nieuwe piek in besmettingen zorgde, blijkt niet iedereen even vaccinatie-bereid en bieden de vaccinaties ook geen absolute garantie dat men niet meer ziek wordt of besmettelijk is voor anderen.

Eind augustus 2021 is in de provincie Utrecht

7

H1 62% van de inwoners volledig gevaccineerd. Wetenschappelijk onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat de kans op long-COVID halveert na vaccinatie. Niet alleen de gezondheid van de geïnfecteerden zelf is door de pandemie in het geding geraakt, ook die van de niet-COVID patiënten. Deze laatste groep moest door de focus in de zorg op corona vaak wachten op behandeling, of is zelf behandeling actief gaan mijden uit angst besmet te raken. Momenteel is er sprake van veel druk in ziekenhuizen om ‘inhaalzorg’ te realiseren. Er zijn tussen maart 2020 en juni 2021 in Nederland 320.000 operaties minder uitgevoerd dan normaal. Federaties van verpleegkundigen en medisch specialisten geven aan dat ze het van belang vinden dat zorgmedewerkers eerst zelf herstellen van de veeleisende periode die achter hen ligt voordat met de inhaalzorg aan de slag wordt gegaan. Naast het feit dat COVID-19 voor verstrekkende lichamelijke gezondheids­problemen zorgt, kan de impact op het psychisch welbevinden van inwoners nauwelijks overschat worden. Onder alle leeftijdsgroepen (kinderen, jeugdigen, jongvolwassenen, volwassenen en ouderen) is er sprake van een omvangrijke toename aan psychisch onwelbevinden. Professionals op dit gebied uiten hun zorgen over de vraag of de toegenomen problematiek passend kan worden opgevangen.

Voor de coronacrisis was er al sprake van nijpende capaciteitstekorten in onder meer de geestelijke gezondheidszorg.

1.1

H2 H3 H4

H5

Ziek worden door corona: grote verschillen Grote verschillen in wat de infectie in het lichaam aanricht Het hebben van een corona-infectie kenmerkt zich door extreme uitersten op het gebied van ziektelast. Variërend van een totaal ontbrekend ziektebeeld (zoals bij degenen die het virus bij zich droegen, maar nergens last van hadden), tot overlijden.

8

H1 Tot de grootste risicogroepen behoorden voor de grote vaccinatiecampagnes de (kwetsbare) ouderen van boven de 70 en volwassenen van 18 jaar en ouder met onderliggende ziekten. Hier gaat het met name om mensen met chronische luchtweg- of longproblemen, hartpatiënten, mensen met diabetes en mensen met een verminderde weerstand tegen infecties in het algemeen. Mensen van boven de 70 hadden voor de vaccinatiecampagnes ook een verhoogd risico op een ernstig verloop van een infectie met het coronavirus. Van alle overledenen aan COVID-19 (die hierop getest waren) was in 2020 driekwart ouder dan 76 jaar. (RIVM, 2021 g) In heel Nederland overleden in 2020 ruim 20.000 inwoners aan COVID-19, wat overeenkomt met 0,12 procent van de bevolking. De provincie Utrecht steekt daar iets gunstiger bij af, met een percentage van 0,10 procent. De provincies Limburg en Noord Brabant zijn in 2020 het zwaarst getroffen met inwoners die kwamen te overlijden door corona. Hier ging het om 0,18 en 0,17 procent van de bevolking. (CBS, bewerking Staat van Utrecht) Tot eind september 2021 overleden er in de provincie Utrecht 1.341 inwoners met zekerheid aan COVID-19. Waarschijnlijk zijn het er meer geweest omdat de ziekte niet in alle gevallen is opgespoord of vastgesteld. Relatief de meeste overlijdens vonden plaats in de gemeenten De Bilt, Bunschoten en IJsselstein. (GGD regio Utrecht, 2021 f)

H2 H3 H4

H5

Aantal overledenen aan COVID-19 in 2020 naar percentage totale bevolking Aantal overledenen aan COVID-19 in 2020

Aantal

% van de totale bevolking

Nederland

20138

0,12%

Groningen

219

0,04%

Fryslân

322

0,05%

Drenthe

220

0,04%

Overijssel

1343

0,12%

Flevoland

308

0,07%

Gelderland

2412

0,12%

Utrecht

1378

0,10%

Noord-Holland

2818

0,10%

Zuid-Holland

4595

0,12%

Zeeland

201

0,05%

Noord-Brabant

4364

0,17%

Limburg

1958

0,18%

Bron: CBS, berekening SvU

9

H1

H2

Aantal overledenen COVID-19 per gemeente (tot en met september 2021)

H3

261

H4

150

35 5

27

13

8

31

11

6

22

49

70

73

76

82

75 16

39

Bu

ns

ch

H5

9

ik ote n De Ro De B i nd e V lt en en Ee mn es Ho ute IJs n se lst ein Le us de n Lo pik Mo ntf oo Nie uw rt eg ein Ou de wa ter Re ns wo ud e Rh en en So Sti es ch t tse Ve ch Ut t rec Ut hts rec eH ht eu vel rug Ve e ne Vij fhe n ere daal Wi nla jk nd bij en Du urs ted e Wo e r Wo de n ud en be rg

io eg

nn Bu

nR

ite

39

55

ist

12

8

Bu

ers

Am

(Bl

an

k) foo rt Ba arn

4

31

50

Ze

81

Bron: GGD regio Utrecht

‘Bij de interpretatie van de figuren moet altijd rekening worden gehouden met het totaal aantal geregistreerde besmettingen van de gemeente en het aantal afgenomen testen. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de leeftijdsverdeling van alle inwoners binnen een gemeente. Een aantal gemeenten heeft relatief gezien een groter aandeel jongeren, zoals De Bilt, Houten, Montfoort, Oudewater en Utrecht’. (GGD regio Utrecht, 2021 (juli))

In de manier waarop het coronavirus zich verspreid heeft over de samenleving tekenen zich verschillende patronen af. In Utrechts onderzoek wordt de verwachting uitgesproken dat door corona en de bijbehorende maatregelen niet alleen bestaande gezondheidsverschillen tussen groepen groter worden, maar er ook nieuwe groepen in beeld komen die harder dan anderen geraakt worden. Hierbij wordt verwezen naar jongeren, jongvolwassenen, zzp’ers en mensen met flexcontracten. (Volksgezondheid gemeente Utrecht, 2021) Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) stelt dat mensen met een lage sociaaleconomische status door hun werk- en leefomstandigheden meer moeite hebben om zich tegen een besmetting te wapenen en daarmee ook extra kwetsbaar zijn voor fysieke gevolgen van corona. (SCP, 2021a)

10

H1

H2

Aantal besmettingen in % per gemeente verdeeld naar leeftijd (juli 2021)

13

0 - 19 jaar

40 - 59 jaar

20 - 39 jaar

60 - 79 jaar

5

10

5 11

16

8

13

13

9

5

10

5 16 23

20

H3

80+

8

6

4

4 14

11

5

5 13

17

11

6 17

20

8

17

H5

29

52

39

50

35

Stichtse Vecht

Soest

Rhenen

Renswoude

30

51 30

39

20

17

Oudewater

24

55

53

46

Zeist

34 23

Nieuwegein

32

Montfoort

33

Lopik

IJsselstein

Houten

25

Eemnes

De Bilt

De Ronde Venen

29

Leusden

40

Bunschoten

Bunnik

44

Utrecht

50 28

Baarn

Amersfoort

33

41

38

63

61 47

51

Woudenberg

49

74

62

Woerden

52

56

23 49

Wijk bij Duurstede

55

56

46

Vijfheerenland

54

32

42

56

Veenendaal

36

47

Utrechtse Heuvelrug

43 52

52

40

H4

Bron: GGD Regio Utrecht, juli 2021

GGD’en nemen ruim 11 miljoen coronatesten af in 8 maanden Om te bepalen of men wel of niet geïnfecteerd was door het coronavirus heeft men zich in de afgelopen anderhalf jaar massaal laten testen. Tussen 1 augustus 2020 en medio april 2021 hebben de GGD’en in heel Nederland 11,3 miljoen coronatesten afgenomen bij 6,7 miljoen mensen. Dit betekent dat in deze periode 38% van de Nederlandse bevolking zich minsten één keer bij een GGD heeft laten testen. Jongeren en jongvolwassenen lieten zich het meest testen, ouderen het minst. Werknemers lieten zich vaker testen dan mensen met een bijstandsuitkering of pensioen. Onder mensen die werken in het onderwijs was het percentage testen het hoogst. Overigens is het aantal mensen dat zich

11

H1 daadwerkelijk heeft laten testen in deze periode veel groter omdat er ook buiten de GGD’en om getest is en later uiteraard ook de zelftesten verschenen. Van alle bij de GGD geteste personen in deze periode heeft 17% minstens één keer een positieve testuitslag gehad. (CBS, 2021m)

H2 H3 H4

Testen en vaccineren binnen de provincie Utrecht

H5

Afgenomen testen Tussen 4 januari en 21 september 2021 zijn er in de teststraten van de GGD regio Utrecht (GGDrU) ruim 1.031.000 testen afgenomen. (NB: de GGDrU valt geografisch samen met provincie Utrecht). Vaccinatielocaties Sinds 8 januari 2021 vaccineert GGDrU op verschillende locaties. In juli 2021 wordt op negen vaste locaties (Amersfoort, Breukelen, Driebergen, Houten, Utrecht, Nieuwegein, Veenendaal, Woerden, Zeist) en meerdere tijdelijke/mobiele locaties gevaccineerd (Soest, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Montfoort, Leusden, Oudewater, Ronde Venen, Lopik, Eemnes, Bunschoten, Baarn, Renswoude, De Bilt, Rhenen, IJsselstein, Bunnik, Woudenberg). Vaccinaties Sinds de start van de COVID-19-vaccinaties op 8 januari zijn tot en met 21 september 2021 ruim 1.505.000 vaccinaties gezet door de GGD regio Utrecht. Hierbij hebben 812.546 mensen hun eerste vaccinatie ontvangen en 692.469 mensen hun tweede. Bron: Regionale rapportage COVID-19, 22 september 2021.

Kwart volwassen Utrechters heeft zelftest gedaan Met de komst van de zelftesten zijn er nieuwe mogelijkheden gekomen om snel te weten of men het virus bij zich draagt. Uit metingen van de gedragsunit OMT, bewerkt door de GGD regio Utrecht (september 2021) blijkt dat op 1 augustus 2021 een kwart van alle volwassenen in de provincie Utrecht ooit een zelftest heeft gedaan. De redenen die ze aangaven waren besmetting uitsluiten (33%), op bezoek kunnen of kunnen ontvangen (25%), het ondervinden van coronagerelateerde klachten (23%), het bezoeken van een evenement (19%) of gevraagd worden door school of werkgever (19%). Het testen maakt het mogelijk om aan meer activiteiten buitenshuis deel te nemen en elkaar weer in grotere

12

H1 kring te kunnen ontmoeten. (OMT gedragsunit, bewerkt door GGD regio Utrecht, september 2021)

H2

Reden om zelftests af te nemen volgens inwoners van provincie Utrecht (juni en juli 2021)

H3 H4

6 juni - 20 juni 28 juli - 1 augustus

H5

Om op bezoek te kunnen Om zeker te weten niet besmet te zijn Om evenement te kunnen bezoeken Gevraagd door school of werkgever Vanwege coronagerelateerde klachten

0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

Bron: OMT gedragsunit, bewerkt door GGD regio Utrecht (september 2021).

Long-COVID: rekening houden met langdurige ontregeling van het dagelijks leven Degenen die de infectie doorstaan hebben en daarvan ook klachten ondervonden, hebben in variërende mate last van ‘restverschijnselen’. Houden de klachten langer aan dan drie maanden na het uitbreken van de infectie, dan wordt er in Nederland gesproken van ‘long-COVID’ (het woord ‘long’ moet hier opgevat worden als ‘lang’ en verwijst niet naar de long als orgaan). Voor artsen is vooralsnog niet duidelijk hoe de aanhoudende klachten geduid moeten worden en welke herstelprognoses kunnen worden afgegeven. Wereldwijd wordt hier momenteel veel onderzoek naar verricht. Ook de vraag hoe groot het percentage corona-besmetten is die long-COVID krijgen, is nog niet duidelijk. Volgens recente documentatie van het RIVM is een eerste schatting dat

13

H1 maximaal 1 op de 5 personen 4 of 5 weken na een positieve test nog klachten heeft. Dat aantal neemt verder af 12 weken of langer na de besmetting. Recent onderzoek gepubliceerd in The Lancet (september 2021) stelt dat de kans op het ontwikkelen van long-COVID halveert na vaccinatie. (Antonelli, 2021) (RIVM, 2021 q) De Long-COVID klachten zelf bestaan uit onder andere vermoeidheid, kortademigheid, pijn op de borst, spierpijn, hoofdpijn en concentratieproblemen. RIVM-onderzoek wijst uit dat de gemiddelde duur van deze klachten (in juli 2021) zeven maanden was. Deelnemers aan onderzoek geven bijna allen aan dat de impact van de langdurige klachten groot tot zeer groot is op hun persoonlijke leven. 34% van de deelnemers geeft op het moment van invullen van de vragenlijst aan momenteel niet meer te kunnen werken door de klachten. Voor 46% geldt dat zij minder kunnen werken dan gewoonlijk. Al met al is er sprake van langdurige ontregeling van het dagelijks leven bij de long-COVID getroffenen, en moet er rekening mee worden gehouden dat zij (ernstige) hinder ondervinden bij het deelnemen aan het sociale, economische en maatschappelijke verkeer. (RIVM, 2021 d) (RIVM, 2021 f) (AD, 2021g) Wat het algemene ziekteverzuim onder werknemers in heel Nederland betreft: 2% geeft aan in 2020 te hebben verzuimd op het werk met klachten die veroorzaakt werden door het coronavirus.

Het totale ziekteverzuim is in 2020 gestegen naar 4,7%. Dit was in 2019 4,4%. (CBS, 2021d)

1.2

H2 H3 H4

H5

Gevolgen voor niet-COVID-19 patiënten Veel niet-COVID-patiënten ondervinden indirect last van de pandemie Omdat de focus van zorgverleners noodzakelijkerwijs lange tijd op het behandelen van COVID heeft gelegen en er daarnaast zware beperkingen golden voor het hebben van direct fysiek contact, zijn veel reguliere medische zorgprocessen stil komen te liggen. Medische zorg kon enerzijds niet verleend worden omdat de instellingen daar de capaciteit en de mogelijkheden niet voor hadden. Anderzijds waren er veel mensen die liever niet naar een arts

14

H1 of ziekenhuis gingen uit angst om besmet te raken. In Utrechts onderzoek (Volksgezondheid gemeente Utrecht, 2021) wordt ingegaan op het feit dat de uitgestelde zorg tijdens de coronacrisis het risico op gezondheidsschade met zich mee heeft gebracht (en waarschijnlijk nog steeds brengt) voor met name mensen met chronische aandoeningen en mensen met beginnende gezondheidsklachten. Ook het SCP stelt dat het aannemelijk is dat het uit- of afstellen van reguliere zorg tot gevolg heeft dat meer mensen (ernstigere) gezondheidsproblemen krijgen. (SCP, 2021a)

H2 H3 H4

H5

Inhaalslag op de uitgestelde zorg niet zo makkelijk als gehoopt Naarmate het aantal ziekenhuisopnames in relatie tot COVID daalt en de vaccinatiegraad onder de bevolking toeneemt, wordt er gekeken naar de manier waarop de uitgestelde medische zorg kan worden ingehaald. Deze inhaalzorg laat zich minder makkelijk uitvoeren dan door velen gehoopt en verwacht. In krantenartikelen komen in het voorjaar 2021 onder andere vertegenwoordigers van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN) en Federatie Medisch specialisten aan het woord. Zij stellen op basis van eigen onderzoek dat een meerderheid van zorgmedewerkers kampt met fysieke en mentale klachten en dat zorgverleners eerst zelf moeten herstellen voordat ze aan de slag kunnen met reguliere – en inhaalzorg. En dat gaat volgens hen verder dan ‘een paar weekjes vakantie’. Belangrijke aspecten van de ervaren uitputting zijn: restverschijnselen van de corona-infecties die men zelf doorlopen heeft, langdurig in een staat van continue paraatheid hebben verkeerd (bijvoorbeeld om ‘code zwart’ te voorkomen) en langdurig in een staat van grote bezorgdheid te hebben verkeerd of men zelf geen corona opliep dan wel overbracht op patiënten, cliënten en eigen familie.

(AD, 2021f) (AD, 2021 r) (Federatie medisch specialisten, 2021) In totaal zijn er vanaf maart 2020 tot en met mei 2021 in Nederland circa 320.000 operaties minder uitgevoerd dan normaal, wat overeenkomt met 22% van het aantal operaties dat gewoonlijk jaarlijks plaatsvindt. Het aantal personen waarop dit betrekking heeft, ligt iets lager omdat sommigen meer dan één operatie ondergaan. De afname is vooral groot bij de niet-urgente ingrepen, zoals die aan

15

H1 de bovenste luchtwegen en het middenoor en operaties vanwege artrose aan knie of heup. Overigens betekent dit niet dat al deze operaties moeten worden ingehaald. In sommige gevallen hebben patiënten een andere behandeling ondergaan, of is de noodzaak tot opereren komen te vervallen. (Nza, 2021) Het ziekteverzuim onder werknemers in zorg en welzijn is in het tweede kwartaal van 2021 6,5 procent. Dat is het hoogste verzuimcijfer voor deze sector in het tweede kwartaal vanaf 2003. Net als in voorgaande kwartalen was het verzuim in de zorg hoog ten opzichte van andere bedrijfstakken. (CBS, 2021 aa)

1.3

H2 H3 H4

H5

Vaccinaties: opluchting en problemen Eind september 2021: 62% inwoners provincie Utrecht volledig gevaccineerd In de provincie Utrecht is op 20 september 2021 62% van de inwoners volledig gevaccineerd. Hierbij doen zich vrij grote verschillen voor naar gemeente. Relatief het hoogste aantal volledig gevaccineerden is er op dat moment in de gemeenten Bunnik (70%), Leusden (68%) en Houten (67%), relatief het laagste aantal volledig gevaccineeerden zijn er op dat moment in de gemeenten Renswoude (50%), Bunschoten (53%) en Rhenen (53%). (GGD regio Utrecht, 2021 f)

Wel of geen vaccinatie? Met de komst van een aantal vaccins tegen het coronavirus ligt het in de lijn der verwachting dat de grootste problemen rondom pandemie achter ons gelaten kunnen worden. Echter wordt in voorjaar 2021 steeds meer duidelijk dat niet iedereen zich zomaar zal laten vaccineren.

16

H1 Percentage inwoners provincie Utrecht dat volledig gevaccineerd is op 20 september 2021

H2

62% Amersfoort

61%

Baarn

H3

64%

Bunnik

70%

Bunschoten

53%

De Bilt

65%

De Ronde Venen

65%

Houten

67%

IJsselstein

64%

Leusden

68%

Lopik

60%

Montfoort

63%

Nieuwegein

63%

Oudewater Renswoude Rhenen

64% 50% 53%

Soest

63%

Stichtse Vecht

64%

Utrecht

61%

Utrechtse Heuvelrug Veenendaal

H5

64%

Eemnes

65% 55%

Vijfheerenland

60%

Wijk bij Duurstede

66%

Woerden

65%

Woudenberg Zeist

H4

58% 64%

Bron: RIVM - CIMS

17

H1 In juni 2021 blijkt dat de verwachte vaccinatiegraad onder Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond achterloopt op het landelijk gemiddelde: 69 om 88 procent. In mei 2021 uitten huisartsen al publiekelijk hun zorgen over deze verschillen in vaccinatiebereidheid. (AD, 2021) In de zomer van 2021 gaan GGD’en actief aan de slag met het opzoeken van groepen die zich nog niet hebben laten vaccineren. Ze sluiten de grootschalige vaccinatie-locaties en gaan dichter bij hun doelgroepen aan de slag. (AD, 2021 t) Wie laat zich (vooralsnog) niet vaccineren? Onderzoek van I&O Research toont aan dat het in juni 2021 gaat om 12% van de volwassenen in Nederland. Zij zeggen zich waarschijnlijk of zeker niet te willen laten vaccineren. Van deze groep geeft 63% aan dit niet te willen omdat ze niet weten wat de langetermijneffecten zijn. Volgens ruim de helft (56%) is het vaccin er te snel en vertrouwt men het daarom niet. 44% geeft aan gebrek aan vertrouwen te voelen in de overheid en 43% gebrek aan vertrouwen in farmaceutische bedrijven. Een op de drie geeft aan bang te zijn voor bijwerkingen (29%) en 18% is bang onvruchtbaar te raken. Aanvullende redenen om zich niet te willen laten vaccineren zijn:

H2 H3 H4

H5

• ‘Corona is niet zo erg, dus de nadelen van bijwerkingen wegen niet op tegen de voordelen’. • ‘Corona en de vaccinaties zijn onderdeel van een “groter plan”. • ‘Ik hou voldoende afstand en leef heel gezond’. • ‘Ik wil wachten’. • ‘Ik ben tot nu toe de dans ontsprongen, en geloof niet dat het nodig is’. • ‘Ik twijfel of dit overeenkomt met mijn geloof in God en ik twijfel nog meer aan de veiligheid en werking van de vaccins’. • ‘Ik kijk het nog even aan. Ik voel enorm veel weerstand met betrekking tot de gang van zaken, de beslissingen die de overheid neemt en de sociale dwang’. • ‘Mijn immuunsysteem functioneert onvoldoende‘. De helft van de groep inwoners die niet gevaccineerd wil worden (of zegt dat nog niet weten) is middelbaar opgeleid. Ze zijn meestal tussen de 25 en 49 jaar oud

18

H1 en 35% heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Een kwart van hen stemde bij de Tweede Kamerverkiezingen op Forum voor Democratie (27%; gemiddeld 5%) en deze groep heeft vaker dan gemiddeld niet gestemd. (I&O Research, 2021 (juli)) > Zie ook paragraaf 2.5: Nieuwe maatschappelijke scheidslijnen

Gevaccineerd zijn betekent niet voor iedereen vrijheid Het feit dat steeds meer mensen gevaccineerd zijn, betekent medio 2021 niet voor iedereen dat ze daarmee volledige vrijheid voelen om te gaan en staan waar ze willen. De (onvoorzien sterke) opkomst van de deltavariant voor de zomer van 2021 speelde hier een belangrijke rol bij. Ook het feit dat vaccinatie niet automatisch betekent dat men geen corona-infectie meer kan oplopen en alsnog ziek kan worden, speelt een rol. Artsen benoemen in dit kader bijvoorbeeld de positie van kwetsbare ouderen als zorgelijk, deze groep dreigt door hun aanhoudende angst voor besmetting – ondanks dat zij gevaccineerd zijn - verder geïsoleerd te raken, waarmee passende zorg en ondersteuning niet goed kan worden ingezet. (AD, 2021k)

H2 H3 H4

H5

Vaccinaties soms niet effectief bij mensen met problematiek afweersysteem. Voorlopige resultaten van wetenschappelijk onderzoek, gedeeld op een webinar van ZonMw in augustus 2021, wezen er in eerste instantie op dat honderdduizenden mensen in Nederland bij wie het afweersysteem niet goed werkt, niet of nauwelijks baat zouden hebben bij de (vaak tweeledige) vaccinaties tegen COVID-19. In september kon dit nieuws gelukkig bijgesteld worden en blijken de coronavaccins prima te werken voor het overgrote deel van de patiënten die afweeronderdrukkende medicijnen gebruiken. Alleen bij enkele, vrij uitzonderlijke medicijnen wordt de werking van de inenting beperkt. Een derde of mogelijk zelfs vierde prik zou volgens deskundigen de bescherming voor deze groep kunnen verbeteren. Daar wordt verder onderzoek naar gedaan. (NOS Nieuws, 2021) (NOS, 2021p) (RIVM, 2021y)

19

H1

Deltavariant riskanter voor (niet gevaccineerde) zwangere Zwangere vrouwen zien zich in de zomer van 2021, na het uitbreken van de deltavariant, voor extra zware keuzes gesteld waar het het vaccineren betreft. Onderzoeksresultaten uit Engeland, bevestigd door waarnemingen in Nederlandse ziekenhuizen, wijzen uit dat de COVID-deltavariant zwangeren zieker maakt dan voorgaande virusvarianten. Ook het RIVM rapporteert inmiddels over het feit dat je als zwangere meer risico loopt om ernstig ziek te worden van COVID-19 en er complicaties kunnen optreden. Zij geeft het advies aan alle zwangere vrouwen om zich te laten vaccineren met Pfizer of Moderna. Van de groep zwangeren die op de IC’s terecht komt blijkt in de zomer van 2021 bijna niemand gevaccineerd. Zwangere vrouwen die ervoor kiezen geen vaccinatie te krijgen, zijn daarmee sterker dan voorheen belast met de noodzaak om in isolatie te leven. (AD, 2021 l) (RIVM, 2021 ab)

1.4

H2 H3 H4

H5

Zorgwekkende toename psychisch onwelzijn Achteruitgang psychische gezondheid Naast grote impact op de lichamelijke gezondheid van mensen, heeft de coronapandemie ook veel invloed (gehad) op het psychische welzijn van zeer velen. Bijvoorbeeld speelt en/of speelde voor velen dat de coronatijd eenzaamheid in hun leven heeft gebracht of versterkt, evenals gevoelens van angst, stress en somberheid. (RIVM, 2021b) Gevoelens van stress kunnen ook direct samenhangen met bijvoorbeeld een meer onzeker geworden inkomenspositie. Vergelijkend onderzoek onder volwassenen tussen oktober 2020 en juni 2021 laat zien dat er sprake is van een toename in psychische klachten zoals gevoelens van depressie en angst en problemen met slapen. Deelnemers aan het onderzoek tussen de 20 en 35 jaar rapporteren daarbij de meeste klachten. Een op de vier respondenten geeft aan dat hun psychische gezondheid erop is achteruitgegaan door de coronacrisis. (Trimbos Instituut, 2021c) Het Centraal Bureau voor de Statistiek rapporteert in september 2021 dat de mentale gezondheid van Nederlanders in de eerste helft van 2021 op een dieptepunt verkeert. In de eerste twee kwartalen

20

H1

H2 H3 H4

H5 van 2021 was 15% van de bevolking van 12 jaar en ouder psychisch ongezond. Dit percentage is sinds het begin van de monitoring op dit gebied (2001) niet zo hoog geweest. De mentale gezondheid is gemeten via een vragenlijst waarin wordt gevraagd naar vijf aspecten: somberheid, zenuwachtigheid, in de put zitten, rust en kalmte en gelukkig zijn. (CBS, 2021 r)

Verhoogd risico op angst en depressie onder jongeren Uit regionaal gezondheidsonderzoek blijkt daarnaast dat in 2020 9% van de jongvolwassenen (18 tot 35 jaar) een hoog risico op een angststoornis of depressie had. Dit is een toename ten opzichte van 2016 (7%) en 2012 (6%). Bij volwassenen van 35 jaar en ouder is het risico op een angststoornis of depressie de afgelopen jaren juist licht afgenomen. Het totale percentage van de volwassen bevolking dat een hoog risico heeft op een angststoornis of depressie is 6%. Naast jongvolwassenen komt een hoog risico onder andere vaker voor bij vrouwen, inwoners met een laag opleidingsniveau en regio’s met een hoge stedelijkheidsgraad. (RIVM, 2021e) Regionale verschillen laten zien dat de provincie Utrecht (die samenvalt met het GGD-gebied Regio Utrecht) relatief gunstig scoort waar het het risico op een angststoornis of depressie onder volwassenen in het algemeen betreft. Het risico in deze regio is 5,5% ten opzichte van 6,4% landelijk gemiddeld. GGD-regio’s die het gunstigst scoren zijn Drenthe (4,6%), Friesland (4,8%) en IJsselland (5,0%). Het minst gunstig wordt gescoord in GGD-regio’s Zuid Limburg (8,5%) en Amsterdam (8,4%). (RIVM, 2021e)

21

H1 Hoog risico op angst of depressie onder bevolking 18 jaar of ouder, naar GGD-regio 8,4

6,5

6,4 5,8

5,6 4,8

4,6

5,0

5,7

6,6

6,1 5,5

5,2

5,2

8,5

8

8

5,9

H2

5,4

7,9

5,8

6,3

6,7

5,5

6,2

H3

5,9

H4

the DI Jss ell D Re rdan ilig gio d en h. Tw en Oo e Ge st nte Ge z. G lde eld rla erl nd an GG d-M DG idd eld en erl an GG d-Z DR GG uid eg DH io Ut GG oll re an DZ ch ds aa t -N ns oo tre r d ek en /W GG ate DK rla en nd ne me G GD rla GG nd DG Am ste oo ie r d nV am ec hts GG tre DH GG ek aa DH g lan GG oll de DR an Die n ds ott ns M e tG r i d d de am ezo n -R nd ijn he mo id &J nd eu gd ZH GG Z DZ GG ee DW l GG a es nd DH t-B art rab voo GG an t DB rB rab rab a an nt GG t-Z DL uid im oo bu st rgGG N DZ o ord uid -Li m bu GG rg DF lev ola nd

lân

Ve

GG

DN

oo

GG

GG

GD

Dr

en

en

rys

GG

DF

ing

ron

DG

GG

Ne

de

rla

nd

H5

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2020, GGD’en, CBS en RIVM

Kindertelefoon en Luisterlijn: veel meer en andersoortige gesprekken De negatieve impact op het persoonlijk leven is ook terug te zien in de toename en veranderde inhoud van gesprekken die de Kindertelefoon en de Luisterlijn in 2020 voerden. In 2020 werden er vanuit De Kindertelefoon gemiddeld 1.400 gesprekken per dag gevoerd, waar dat er in 2019 nog 1.100 waren. Tijdens de eerste lockdown werd er volgens onderzoeksgegevens weliswaar veel vaker dan normaal contact opgenomen, maar de onderwerpen waarover gesproken werd, waren niet echt veranderd. Wel kregen ze een ‘coronajasje’, zoals ‘Hoe vraag ik iemand verkering in coronatijd?’. Later in het jaar wordt echter een verschuiving

22

H1 gezien in de gespreksonderwerpen. Kinderen voelden zich steeds vaker somber door een gebrek aan sociale contacten en afleiding zoals school, hobby’s en sport. Ook werd er vaker contact opgenomen over huiselijk geweld en emotionele problemen zoals depressie, zelfdoding en eenzaamheid. Tegelijkertijd werd er een afname gezien van gesprekken die gingen over ‘normale puberzaken’, zoals verliefdheid, vriendschap en verkering. Er werd ook een verschuiving naar meer chatgesprekken gezien. Dit wordt door de organisatie verklaard uit het feit dat door de lockdown er soms minder privacy was voor kinderen, en chatten daarop uitkomst bood. Daarnaast blijkt dat chatgesprekken vaker over zwaardere onderwerpen gaan en gemiddeld langer duren dan een telefoongesprek. (De Kindertelefoon, 2021) Ook voor de Luisterlijn geldt dat er in 2020 veel meer gesprekken gevoerd zijn dan een jaar daarvoor: 357.000 in 2020 ten opzichte van 323.000 in 2019 (+10%). In de gesprekken van 2020 gaat het, anders dan in 2019, frequent over gevoelens van stress. (Luisterlijn, 2020)

H2 H3 H4

H5

Meer meldingen verward en zorgelijk gedrag Verward en zorgelijk gedrag is tijdens de pandemie ook veelvuldiger waargenomen. Bij het Meld- en Adviespunt Bezorgd (MAB) van de GGD regio Utrecht kunnen (onder andere) bezorgde burgers melding doen van, of zorgen uiten over personen met verward gedrag. Het MAB werkt momenteel voor 17 van de 26 gemeenten binnen de provincie Utrecht. In het jaarverslag 2020 worden diverse zorgwekkende ontwikkelingen benoemd. Zo is er een forse stijging van het aantal meldingen te zien. In 2019 ontving het MAB gemiddeld 9,4 meldingen per week, in 2020 waren dit er 17,6 en in het eerste half jaar van 2021 waren dat er 29,1. Mensen met verward gedrag hebben vaak complexe problematiek op meerdere levensgebieden. Tijdens de coronaperiode is een toename te zien in meldingen die betrekking hebben op overlast, huiselijk geweld en suïcidaal gedrag. (GGD regio Utrecht, 2021 (juli)) (GGD regio Utrecht, 2021 f)

23

H1

1.5

Zorgen over post-pandemische capaciteit ggz en sociaal werk Extra zorg om de positie van jeugdigen in ggz De inspectie Gezondheid en Jeugd maakt in een rapport uit het voorjaar van 2021 haar ernstige zorgen kenbaar over de positie van jeugdigen in de ggz. De zorgen hebben een tweeledig karakter: enerzijds verwacht men dat de complexe en chronische problematiek onder jongeren groter en ernstiger zal worden - tot mogelijk twee jaar na de pandemie. Hierbij moet gedacht worden aan suïcidaliteit, gedragsproblematiek, middelenafhankelijkheid, eetstoornissen en zelfbeschadiging. Als jeugdigen niet met hulp starten terwijl ze dit wel nodig hebben, kan hun problematiek verergeren of zelfs chronisch worden. Het risico bestaat dat lichtere problematiek verzwaart waardoor op een later moment zwaardere hulp nodig zal zijn.

H2 H3 H4

H5

Anderzijds is er zorg of men deze toegenomen druk op de specialistische jeugdggz wel aankan. Instellingen hebben volgens de inspectie onvoldoende personeel en financiële middelen om aan de complexe hulpvragen te kunnen voldoen en er spelen overkoepelende problemen die een structurele bovenregionale aanpak vragen. (Inspectie Gezondheid en Jeugd, 2021) De rijksoverheid heeft in april 2020 50 miljoen euro vrijgemaakt om de beschikbaarheid van de acute jeugd-ggz tijdelijk te vergroten en zo de druk op deze specialistische vorm van jeugdzorg te verminderen. Met dit extra geld kunnen de instellingen die de zwaarste en meest acute zorg moeten vormgeven extra investeren in teams en afdelingen die deze zorg leveren. In totaal heeft het kabinet 613 miljoen euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het aanpakken van de acute problematiek in de jeugdzorg. De 50 miljoen voor de acute jeugd-ggz is hier een onderdeel van. (VNG, 2021) (GGD regio Utrecht, 2021)

24

H1

Wachtlijstsituatie voor volwassenen in ggz weer op hetzelfde (hoge) pre-coronaniveau Het Trimbosinstituut constateert in het voorjaar van 2021 dat het aantal verwijzingen en behandelingen van volwassenen in de specialistische ggz weer terug is op het niveau van voor de coronacrisis, met de aantekening erbij dat ook de wachttijden weer op eenzelfde niveau zijn teruggeveerd en dat deze erg lang zijn. Tegelijkertijd lijkt er ook een verwachte extra toestroom van ggz-patiënten op gang te komen. (Trimbos Instituut, 2021a)

H2 H3 H4

H5

Sociaalwerkers extra nodig, terwijl bezuinigingen zich al hadden aangediend Vanuit de Hogeschool Utrecht wordt er vanuit de lectoraten Participatie, zorg en ondersteuning en Innovatieve dienstverlening expliciet aandacht gevraagd voor de ingewikkelde omstandigheden waaronder sociaal werkers opeens hun werk moesten doen. Voor sociaal werkers dreigden al voor de coronacrisis bezuinigingen, terwijl de behoefte aan sociaal werk als gevolg van de crisis eerder zal stijgen dan dalen. (Hogeschool Utrecht, Kenniscentrum sociale innovatie, 2020)

1.6

Evaluatie corona-ouderenzorg in Utrecht Netwerk Utrecht Zorg voor Ouderen (NUZO) komt met aanbevelingen voor de toekomst Corona heeft vooral in de begintijd enorm veel impact gehad op de levens van ouderen. In deze leeftijdsgroep is het aantal overlijdens bovengemiddeld groot geweest evenals de dreiging die de verspreiding van het virus voor hen meebracht. Dit leidde veel tot isolement, eenzaamheid en bijvoorbeeld zorgmijding. Er zijn in die begintijd ‘van buitenaf’ veel beslissingen genomen om de gezondheid van de ouderen zoveel mogelijk te borgen. NUZO (Netwerk Utrecht Zorg voor Ouderen) heeft samen met de ouderen opgetekend welke lessen in 2020 van de crisis zijn geleerd (NUZO, 2021). NUZO wil deze ervaringen graag delen en stimuleren dat de geleerde lessen landen in de praktijk, ook na de coronatijd. Belangrijke punten uit de aanbevelingen zijn:

25

H1 Houd vast aan het aanbieden van maatwerk in de zorg voor ouderen. Bijvoorbeeld waar het gaat om het spanningsveld tussen kwaliteit van leven en veiligheid. • Spreek ouderen aan op hun kracht (ook al zijn ze door omstandigheden kwetsbaar). Ga met ouderen en naasten in gesprek over de laatste levensfase, over perspectief én over kwaliteit van leven en sterven. Zorg is breder dan alleen medische zorg. • Let speciaal op migrantenouderen en ouderen met een kleinere beurs – oversterfte was bij hen hoger in coronacrisis. Laat zorg en welzijn naar alle ouderen toekomen (waar mogelijk). • Door corona hebben meer ouderen geleerd ‘digitaal’ te communiceren. Maar laat dat in de toekomst niet de ouderwetse manieren vervangen. Voer wat dat betreft een tweesporenbeleid. • Welke rol hebben regionale partners en ouderen zelf ten tijde van crisis? Communiceer daar onderling duidelijker over. • Kijk in tijden van crisis naar de zorg voor ouderen vanuit één geheel: eerstelijnszorg, zorg en welzijn thuis en zorg in ziekenhuizen en verpleeghuizen. Deze zijn onderling afhankelijk van elkaar. Denk aan inkoop en verspreiding van beschermende middelen. • Kijk toekomstgericht naar nieuwe leef- en woonvormen voor ouderen. Stimuleer samenwerking met ouderen(organisaties) op dit gebied, denk aan ontwikkeling van nieuwe woonvormen en gebruik van slimme technologie.

H2 H3 H4

H5

26

H1

H2

Dagelijks leven:

Een leven met nieuwe bestanddelen

2

H3 H4

H5

2

Dagelijks leven: Een leven met nieuwe bestanddelen Samenvattend

H1

H2 H3 H4

H5

Naast dat corona ongelooflijk veel impact heeft (gehad) op de lichamelijke en geestelijke gezondheid van inwoners, heeft het ook het leven van alledag sterk beïnvloed. Er ontstonden nieuwe leefpatronen die deels als positief zijn ervaren, maar deels ook voor serieuze problemen zorg(d)en. Noodgedwongen op elkaars lip leven bijvoorbeeld in tijden van spanning en verandering, kent belangrijke keerzijden die zelfs leidden tot een toename van huiselijk geweld en kindermishandeling. Ook het onderwijs heeft belangrijke nieuwe gezichten gekregen. Leerlingen op alle niveaus hebben met beperkingen te maken gekregen die de kwaliteit van hun lessen zwaar onder druk hebben gezet en tegelijkertijd veel van de noodzakelijke sociale experimenteer- en ontwikkelruimte hebben afgesneden. Waar het om kantoor-werken gaat, heeft zich in korte tijd een ware thuiswerk-revolutie voltrokken. Waren veel leidinggevenden in de precoronatijd nog huiverig om hun medewerkers buiten hun blikveld te laten werken, door de coronabeperkingen lijkt deze koudwatervrees in één keer overwonnen. Er ontvouwt zich momenteel een nieuwe horizon aan kansen en mogelijkheden om werk- en privétaken beter op elkaar af te stemmen. Dit neemt niet weg dat bewaakt moet worden dat er geen negatieve bij-effecten ontstaan.

Thuiswerken pakt niet voor iedereen even gunstig uit en kan niet als vanzelfsprekende nieuwe eis op tafel worden gelegd.

28

H1 We kunnen er niet om heen te constateren dat de coronacrisis ook nieuwe scheidslijnen heeft gecreëerd die ons raken in het leven van alledag. Een belangrijke scheidslijn is de lijn tussen degenen die zich in sterke mate zorgen maken over besmettingsgevaar tegenover degenen die dat geheel niet, of alleen in lichte mate doen. Voor de een betekent dit leven in (bijna) totaalisolement, voor de ander gaat het leven ‘gewoon door’. In het verlengde hiervan speelt ook het onderscheid tussen degenen die zich hebben laten vaccineren en degenen die dat (bewust) niet doen. De tweespalt die hieruit voortkomt kan zich dwars door bestaande familie-, werk- en zorgrelaties heenboren en aan beide zijden aanleiding geven tot diepe gevoelens van frustratie, verdriet en onbegrip.

2.1

H2 H3 H4

H5

Veranderingen in het huiselijke leven Corona brengt ook meer rust en ontspanning Veel mensen geven aan dat zij in de coronatijd meer rust zijn gaan ervaren in hun leven. Ze zijn blij met het feit dat ze minder tijd kwijt zijn aan het reizen en er meer tijd overblijft voor het gezin (RIVM, 2021b). Sommigen voelen zich ook opgewekter dan voor corona en hebben bijvoorbeeld minder last van ‘fear of missing out’ (fomo) omdat er voor iedereen minder vrijetijdsbesteding buitenshuis mogelijk is. Ook werden met name in de begintijd van de pandemie meer gevoelens van saamhorigheid gerapporteerd en tevredenheid over het feit dat mensen het collectieve belang vooropstellen en zich solidair tonen. (SCP, 2021a) Door de coronamaatregelen is het leesgedrag van mensen iets veranderd en zijn zij veel meer e-books gaan lezen en luisterboeken gaan luisteren, dan gebruik te maken van fysieke boeken. Het aantal uitgeleende e-books schoot in 2020 omhoog en nam toe van bijna 3,9 miljoen in 2019 naar 5,6 miljoen in 2020 (+45%). Ook het aantal downloads van luisterboeken groeide. Dit aantal steeg van 1,8 miljoen in 2019 naar bijna 2,6 miljoen een jaar later, een toename van 44%. (CBS, 2021i) Het uitlenen van fysieke boeken nam als gevolg van de lockdowns in 2020 sterk af en daalde van 61,1 miljoen in 2019 naar 43,4 miljoen in 2020 (-29%).

29

H1

Minder consumeren, maar wel meer bestellen Het reële beschikbare inkomen van huishoudens (zoals berekend door het CBS) steeg in 2020 ondanks de coronacrisis sneller dan in 2019. Er werd in deze periode fors minder geconsumeerd. Consumptieve bestedingen van huishoudens waren in 2020 18,2 miljard euro lager dan een jaar eerder. (CBS, 2021c) In april en mei 2021 werd hier echter alweer flink op gecorrigeerd en besteedden consumenten rond de 9% meer dan een jaar eerder. Netto is er nog steeds sprake van een daling. In mei 2021 besteedden consumenten nog 4,2% minder dan in mei 2019. (CBS, 2021f) De Nederlandsche Bank verwacht in augustus 2021 dat huishoudens slechts 14% van hun coronabesparingen zullen gebruiken voor consumptie; ze verwachten een beperkte mate van ‘inhaalconsumptie’. (De Nederlandsche Bank, 2021)

H2 H3 H4

H5

Het heeft er alle schijn van dat hetgeen Nederlanders wél uitgaven in coronatijd, voor een groot deel bij Europese webwinkels is gebeurd. In het eerste kwartaal van 2021 spendeerden Nederlanders 800 miljoen euro bij Europese webwinkels, ten opzichte van 500 miljoen in hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Niet eerder sinds het begin van de huidige meetmethode in 2014 namen de bestedingen in een kwartaal zoveel toe ten opzichte van een jaar eerder. (CBS, 2021e)

Moeilijker of juist makkelijker rondkomen Waar in het ene huishouden tekorten ontstonden aan financiële middelen, doordat er geen werk (meer) was of er schulden gemaakt moesten worden, kon er in andere huishoudens meer gespaard en opzij gezet worden. Onderzoek van RaboResearch geeft aan dat er in 2020 meer is gespaard door Nederlanders dan voorheen. Echter betekent dit niet dat een groter aandeel Nederlanders ook echt een buffer heeft kunnen opbouwen voor financiële tegenvallers. Het zijn vooral de hogere inkomens die in de afgelopen periode vaak minder uitgaven en hun spaargeld zagen toenemen. (Rabobank / Raboresearch, 2021a) Deze conclusie wordt in augustus 2021 bevestigd in onderzoek van de Nederlandsche Bank. Het aantal huishoudens dat extra heeft gespaard in coronatijd is bijna twee keer zo hoog bij een netto inkomen boven de 2.600 euro

30

H1 per maand, als bij lagere inkomens. Huishoudens met inkomsten op basis van loondienst hebben ook beduidend vaker extra gespaard dan zelfstandigen. Deze laatste groep is gemiddeld harder geraakt door de economische gevolgen van de pandemie. (De Nederlandsche Bank, 2021)

Digitaal ontmoeten: niet voor iedereen even makkelijk Door de coronamaatregelen zijn veel persoonlijke ontmoetingen komen te vervallen. In groten getale is men gebruik gaan maken van digitale hulpmiddelen om met elkaar te communiceren. Het SCP plaatst hier de kanttekening bij dat digitaal contact niet voor iedereen in gelijke mate is weggelegd: ouderen en laagopgeleiden gebruiken digitale hulpmiddelen minder dan (jong)volwassenen en hoogopgeleiden. (SCP, 2021a)

H2 H3 H4

H5

Digitale vaardigheden zijn ook sterk aan de orde sinds de invoering van de coronacheck-app. Deze app heeft men sinds medio 2021 onder meer nodig om toegang te krijgen bij evenementen en als men op reis gaat. Om de app te installeren heeft men een smartphone nodig met mobiel internet en een DigiD inlog. Niet iedereen beschikt daar vanzelfsprekend over, evenmin als over een burgerservicenummer (nodig voor de DigiD), thuiscomputer en -internet of bijvoorbeeld een printer. De rijksoverheid komt personen te hulp met informatie en mogelijkheden voor persoonlijke ondersteuning op dit vlak, zoals met een algemeen telefoonnummer (0800-1351).

Gezonde leefstijl deels bevorderd, deels onder druk gekomen Aan het begin van de coronapandemie werd duidelijk dat veel mensen het belang van goede gezondheid, met weerbaarheid tegen zowel welvaartsals infectieziekten belangrijker gingen vinden. Op het gebied van bewegen bijvoorbeeld werd er ten tijde van het sluiten van sport- en fitnesslocaties ook de nodige creativiteit gegenereerd op het gebied van sporten in groepsverband. Zo zag men bij sportscholen ineens groepen (op gepaste afstand) buiten de locaties sporten en ging men meer in de openbare ruimte aan de slag. Actieve bewegingsvormen in ‘eigen

31

H1 regie’, zoals wandelen, hardlopen, fietsen en fitness thuis en in de openbare ruimte groeiden in sterke mate. Het RIVM constateert in augustus 2021, alhoewel met enige voorzichtigheid, dat mensen in coronatijd meer zijn gaan bewegen vooral in en rond huis. (Staat van Utrecht, 2021) (RIVM, 2021z) Maar daar is alles niet mee gezegd. Het Mulier Instituut, het onafhankelijke landelijke onderzoeksbureau op het gebied van sport en bewegen, stelt dat velen als gevolg van de coronacrisis juist minder zijn gaan sporten en bewegen. Het betreft met name vrouwen met schoolgaande kinderen, alleenstaanden en laagopgeleiden. Dit betekent dat deze mensen een groter risico hebben op (ernstige) gezondheidsproblemen. Het Mulier Instituut constateert dat in de meeste gemeenten in Nederland geen extra aandacht is voor de sociale ongelijkheid in sport- en beweegdeelname. Het blijkt dat de motivatie om te gaan sporten en bewegen, ondanks de toegenomen aandacht voor het belang van sporten en bewegen tijdens de coronacrisis, onder velen ook niet is veranderd ten opzichte van voor de coronacrisis. Dit betekent dat mensen die minder zijn gaan sporten en bewegen hun oude sport- en beweeggedrag mogelijk niet zomaar weer oppakken. Extra ondersteuning vanuit gemeenten om sporten en bewegen te faciliteren lijkt daarom volgens de deskundigen wenselijk.

Met name de inzet van (extra) buurtsportcoaches zou hierbij effectief kunnen zijn. (Mulier Instituut, 2021) (Mulier Instituut, 2021 b) (RIVM, 2021 i)

H2 H3 H4

H5

Ook op enkele andere leefstijlgebieden heeft de coronacrisis negatieve gevolgen gehad. Het RIVM spreekt over het feit dat mensen meer zijn gaan roken en meer overgewicht hebben gekregen. Het drinken van alcohol is gelijk gebleven. Een belangrijke vraag is in hoeverre de nieuw ingesleten patronen een blijvend karakter zullen hebben. (RIVM, 2021b)

32

H1

2.2

Schaduwkanten van dichter op elkaar leven

H2

Kleiner behuisden in het nadeel

H3

Door de lockdown-maatregelen zijn veel mensen meer afhankelijk geworden van de beschikbare ruimte direct in en om het huis. Een gebrek aan ruimte heeft voor velen ernstige consequenties, zoals meer geluidshinder en toegenomen stress in gezinssituaties. Dit geldt met name voor mensen die in kleinere woningen leven of in wijken met weinig groene ruimte voor ontmoeten en recreëren. (Volksgezondheid gemeente Utrecht, 2021)

H4

H5

Nieuwe gezinsdynamieken Het verplichte dicht op elkaar leven en het minder makkelijk bezoek kunnen ontvangen of zelf op bezoek gaan, levert ook nieuwe gezinsdynamieken op. Uit in Utrecht opgezet onderzoek naar de effecten van de pandemie op het gezinsleven, komt het grote belang van informele steun naar voren. Wat gebeurt er allemaal als de vanzelfsprekende aanwezigheid en steun van bijvoorbeeld opa’s en oma’s wegvalt in een gezin? Het onderzoek laat zien dat de gevolgen van de coronamaatregelen op dat gebied niet gelijk verdeeld zijn over alle gezinnen. Er zijn grotere consequenties voor onder meer alleenstaande ouders en gezinnen met extra zorgtaken. Doordat de balans in het wel-niet samenzijn binnen het gezin door de lockdowns verstoord is geraakt, gaan zich nieuwe dynamieken ontwikkelen, die gunstig kunnen zijn (zoals meer naar elkaar toegroeien, meer samen ondernemen), maar ook zeer ongunstig kunnen uitpakken. (Hogeschool Utrecht, lectoraat Jeugd, 2021b)

Groter risico kindermishandeling Het meer als gezin op elkaar aangewezen raken binnen de lockdown-periodes, kan ook leiden tot grotere risico’s op kindermishandeling. Onderzoek vanuit de Universiteit Leiden laat zien dat er tijdens de (eerste) lockdown sprake is geweest van een stijging van het aantal slachtoffers op dit gebied. Dit komt met name door een toename van de mate waarin emotionele verwaarlozing heeft plaatsgevonden in gezinnen. Hier gaat het vooral om verwaarlozing van onderwijs

33

H1 en het getuige zijn van huiselijk geweld. Vooral gezinnen met kinderen over wie al zorgen bestonden lijken kwetsbaar. (Instituut Pedagogische Wetenschappen Universiteit Leiden, 2021)

H2 H3

2.3

Niet naar school: kansen onder druk

H4

Schooladvies valt voor sommige groepen lager uit

H5

Het feit dat gedurende in ieder geval de eerste 17 maanden van de pandemie veel kinderen en jongeren niet op de ‘gewone manier’ naar school konden, heeft veel consequenties gehad die zeer waarschijnlijk op dit moment nog lang niet allemaal in kaart zijn gebracht. Eén van de maatregelen die ten tijde van de pandemie is genomen, betreft het schrappen van de eindtoets op het basisonderwijs in 2020. Volgens het SCP is deze maatregel niet zomaar voor alle leerlingen in het voordeel. Nadelig was het voor de groep die juist door de eindtoets een hoger doorstroomadvies zou hebben gekregen. (SCP, 2021b) Door het wegvallen van de eindtoets kregen met name meisjes en leerlingen uit lagere sociaaleconomische klassen te maken met een lager schooladvies. (CBS, 2021d) Voor deze kinderen geldt dat zij hierdoor in de toekomst ook mogelijk verslechterde arbeidsmarktkansen krijgen. (SCP, 2021a)

Bestaande verschillen opleidingskansen vergroot Landelijk wordt gezien dat leerlingen, scholieren en studenten leervertraging oplopen door het uitvallen van onderwijs en het geven van digitaal in plaats van fysiek onderwijs. Met name leerlingen en scholieren met ouders met een laag opleidingsniveau, uit gezinnen met beperkte digitale middelen of gezinnen met veel en/of jonge kinderen lopen leervertraging op. Met veel van deze kinderen ging het al minder goed op school, waardoor de al bestaande verschillen in opleidingskansen en -niveaus worden vergroot. (Volksgezondheid gemeente Utrecht, 2021) Voor mbo-studenten geldt daarnaast dat het in de coronaperiode lastiger is om een (passende) stage te vinden, wat de aansluiting op de arbeidsmarkt bemoeilijkt. In de arbeidsmarktregio Midden-Utrecht is er in juli 2021 een stagetekort van 579 stageplekken.

34

H1 Onderzoek van loopbaanorganisatie Qompas laat zien dat een belangrijk deel van eerstejaars studenten mbo, hbo en wo (wetenschappelijk onderwijs) die gestopt zijn met hun opleiding, aangaf dat ze het online onderwijs niet motiverend vonden (81%). De helft noemde ook het feit dat ze online onderwijs niet goed konden volgen en het bovendien saai vonden. 65% van de ondervraagde studenten geeft aan studievertraging te hebben opgelopen door corona. Als belangrijke oorzaken noemen zij minder motivatie, minder concentratie en te weinig begeleiding. (Qompas, 2021, juni)

H2 H3 H4

H5

Ook grote impact op sociale ontwikkeling jeugdigen Niet naar school of opleiding kunnen heeft niet alleen gevolgen voor de leerprestaties en cognitieve ontwikkeling van kinderen en jeugdigen en studenten, maar vooral ook voor de sociale ontwikkeling. School en opleiding zijn belangrijk voor de sociale aspecten van ieders ontwikkeling: gezelligheid vinden bij elkaar, steun krijgen, je opgenomen voelen in een gemeenschap die los staat van het leven thuis, experimenteren met het aangaan van vriendschappen en dergelijke. Alhoewel er zeker kinderen en jeugdigen zijn die zich goed gevoeld hebben bij het thuis onderwijs volgen, is het aannemelijk om er van uit te gaan dat het niet fysiek naar school of opleiding kunnen gaan ook leidt tot grotere verschillen in ontwikkeling, gezondheid en welzijn van bepaalde groepen. Dit kan ook in de toekomst nog verderstrekkende gevolgen hebben. (Volksgezondheid gemeente Utrecht, 2021) (NOS, 2020c) (Movisie, 2021) (SCP, 2021p) Onderzoek onder Utrechtse mbo-studenten laat zien dat tussen najaar 2019 en najaar 2020, velen te maken kregen met een toename aan sociale problemen en afname van positieve gevoelens over de toekomst. De studenten zijn niet alleen bezorgd over zichzelf wat betreft het oplopen van studievertraging en/of een coronabesmetting, maar ook vaak bang dat familieleden besmet kunnen raken met het coronavirus.

(Universiteit Utrecht, 2021)

35

H1

2.4

Opmars van Het Nieuwe Werken

H2

Werken op kantoor wordt nooit meer hetzelfde

H3

Doordat het (gedeeltelijk) thuiswerken voor bijna alle kantoorwerkers inmiddels bijna een vanzelfsprekendheid is geworden, is er een enorme vaardigheid ontwikkeld in het digitaal vergaderen. Daarmee is een grote pijler van het ‘verplicht aanwezig zijn op kantoor’ onderuitgehaald. Nieuwe mogelijkheden en kansen dienen zich aan: wellicht kan het woon-werkverkeer veel efficiënter en milieuvriendelijker worden ingericht. Misschien kan er ruimte worden ingelast om tussen het werken door wat mantelzorgtaken uit te voeren, te gaan fitnessen, een boodschap te doen? Uit onderzoeksmetingen van januari 2021 blijkt dat 48% van de thuiswerkers ook na corona verwacht vaker thuis te gaan werken. (Kennisinstituut voor mobiliteitsbeleid, 2021)

H4

H5

Beschikken over aparte werkruimte thuis ongelijk verdeeld Het vele thuiswerken dat in de afgelopen anderhalf jaar heeft plaatsgevonden, roept ook vragen op over hoe tevreden men hier precies over was en hoe dat er dan in de praktijk uitzag. Werkte men massaal vanaf de keukentafel of had bijna iedereen wel een aparte werkruimte in huis? Onderzoek van het SCP laat zien dat van de werknemers die in het najaar van 2020 thuiswerkten, 44% dat meestal deed vanuit een aparte werkruimte thuis (werk- of studeerkamer). Ruim de helft van de werknemers werkte in een ruimte die voor iets anders is bedoeld (keuken, woonkamer) en de rest rapporteert te werken in allerlei vaak wisselende werkruimtes, waarbij vooral de slaapkamer vaak werd genoemd. Mannen (54%) hadden duidelijk vaker dan vrouwen (31%) de beschikking over een aparte werkruimte. Daarnaast blijkt dat alleenstaanden veruit het minst vaak over een aparte werkruimte beschikken, namelijk 30%. Voor alleenstaande jongeren gold dit nog sterker; 21% had een aparte werkruimte. Er is sprake van een duidelijke samenhang met het huishoudeninkomen: hoe hoger dat was, des te meer konden werknemers thuiswerken in een aparte werkruimte. (SCP, 2021 l )

36

H1

86% van de thuiswerkers kon dit meestal ongestoord doen Het overgrote deel van de thuiswerkers (86%) kon ik het najaar van 2020 vaak of (vrijwel) altijd ongestoord thuiswerken. Het ligt voor de hand dat thuiswerkers met een aparte werkruimte veel vaker ongestoord konden werken dan degenen die in een ruimte werkten die ook voor andere doeleinden wordt gebruikt. Toch slaagt volgens SCP-onderzoek een ruime meerderheid van de laatstgenoemde groep er in om meestal ongestoord te werken. Ouders met kinderen jonger dan 13 jaar konden duidelijk minder vaak ongestoord thuiswerken dan alleenstaanden, paren zonder kinderen en ouders met oudere kinderen. Daarbij gaven moeders met kinderen onder de 13 jaar minder vaak dan de vaders met kinderen in die leeftijdsgroep aan dat ze (vrijwel altijd of vaak) ongestoord konden werken (71% ten opzichte van 85%). Dit ligt voor maar een klein deel aan het feit dat moeders met jonge kinderen minder vaak dan vaders een aparte werkruimte thuis hadden (32% ten opzichte van 57%). Belangrijker is volgens SCP mogelijk hun grotere aandeel in de zorg voor kinderen. Hierdoor zijn kinderen gewend meer tijd thuis met hun moeder door te brengen en gaan ze voor een vraag of aandacht mogelijk eerder naar hun moeder dan hun vader toe, ook al werken beide ouders thuis.

Daarnaast voelen moeders wellicht een sterkere verantwoordelijkheid dan vaders voor zorg, en zijn ze daardoor, ook als ze werken, mogelijk alerter op een eventuele zorgbehoefte van kinderen, waardoor ze vaker het gevoel hebben gestoord te worden. (SCP, 2021 l )

H2 H3 H4

H5

Thuiswerken gunstiger voor mannen met jonge kinderen dan vrouwen met jonge kinderen Werknemers met jonge kinderen zijn van alle werknemers volgens het SCP de meeste tijd kwijt aan zorgtaken en ervaren de grootste tijdsdruk. Het feit dat zij nu vaker (verplicht) thuiswerken zou daarom naar verwachting een (lichte) verbetering in de werk-privébalans kunnen opleveren. Uit onderzoek blijkt echter dat moeders met kinderen onder de 13 jaar bij thuiswerken geen betere aansluiting tussen werktijden en thuissituatie rapporteren. Dit was overigens ook al zo in de periode voor de coronacrisis. Onder vaders echter blijkt de aansluiting wel te verbeteren bij thuiswerken, zowel ten tijde van de coronapandemie als

37

H1 de periode daarvoor. Zij blijken vaker dan de moeders ook ongestoord thuis te kunnen werken en, zo wordt verondersteld, ervaren daardoor wel de lusten van het thuiswerken (de kinderen vaker zien) maar de niet de lasten (vaker gestoord worden). In de periode dat de scholen en kinderopvang dicht waren, was de werkprivébalans voor ouders met jonge kinderen – thuiswerkend of niet – overigens in het algemeen lastiger, en leverden vooral moeders vrije tijd in. (SCP, 2021 l )

SCP: aandachtspunten voor beleid toekomstig thuiswerken Op basis van het hierboven beschreven onderzoek heeft het SCP de volgende aandachtspunten opgesteld voor diegenen die beleid maken in relatie tot toekomstig thuiswerken. (SCP, 2021 l )

H2 H3 H4

H5

1. Geef werknemers voldoende keuzemogelijkheden om thuis of op locatie te werken. 2. Laat werknemers een grote zeggenschap behouden over werktijden bij thuiswerken. 3. Hou in de gaten of de onderlinge steun van collega’s hoog blijft bij afwisselend op locatie en thuis werken en zorg ervoor dat leren van elkaar voldoende mogelijk blijft. 4. Hou er rekening mee dat werknemers minder gaan thuiswerken dan ze nu aangeven te willen doen, zelfs bij voldoende keuzemogelijkheden. (Mede op basis van angst om daarmee een negatief signaal aan leidinggevenden af te geven). 5. Hou er rekening mee dat thuiswerken de arbeidsdeelname van vrouwen niet of slechts beperkt vergroot. 6. Hou er rekening mee dat de voordelen voor het milieu kleiner uitvallen dan op basis van de voorkeuren van werknemers te verwachten is. (Zie punt vier).

Borging van professionele kwaliteit binnen de organisatie Specialisten op het gebied van de toekomst van het (hybride) werk benoemen in een dagblad hoe het thuiswerken ook van invloed kan zijn op de kwaliteit van de (werk)prestaties binnen een organisatie. Zij signaleren dat hoe groter de ervaring is die je hebt in je werk, hoe beter je netwerk is, hoe groter de kans is

38

H1 dat je een manier van thuiswerken hebt gevonden waar je je goed bij voelt. Daar staat tegenover dat er ook medewerkers zijn die wegkwijnen bij thuiswerken en er zelfs ziek van worden. Voor nieuwe medewerkers geldt dat deze nog geen sociaal kapitaal hebben opgebouwd in de organisatie en daarmee het risico lopen onnodig lang ‘door te modderen’ in hun eentje en niet makkelijk tot leren komen. Leren doe je volgens genoemde deskundigen namelijk vooral ook door anderen aan het werk te zien. Waar het gaat om besluitvormingsprocessen in de organisatie: hier verloopt volgens de specialisten alles toch anders als je elkaar niet meer treft bij het kopieerapparaat en er terloopse tips kunnen worden uitgewisseld – het zogenaamde wandelgangenkapitaal. De vraag is volgens hen hoe je de kwaliteit van je alle organisatieprocessen kunt borgen wanneer iedereen zelf mag weten wanneer hij of zij op kantoor komt. (Trouw, 2021)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10671131/1