D2. De Staat van Utrecht over armoeden (sv)
Tekst van het document
De Staat van Utrecht over armoede CIJFERS, BELEVING EN ONTWIKKELINGEN SAMENVATTING
1
2
Samenvatting
In deze special kijken we op drie manieren naar armoede. Op de eerste plaats kijken we naar de cijfers over armoede in de provincie Utrecht, zowel voor de provincie als geheel als voor de gemeenten apart. Op de tweede plaats zetten we een aantal relatief nieuwe inzichten op een rij over de impact die armoede kan hebben op het persoonlijke leven van mensen. Bijvoorbeeld hoe er sprake kan zijn van ‘overerving’ bij moeilijke omstandigheden en hoe het zelfbeeld van mensen aangetast kan raken. Tenslotte kijken we naar armoede in maatschappelijk perspectief. We noemen een aantal samenlevingsbrede ontwikkelingen, die een indicatie geven van nieuwe wegen die worden ingeslagen.
Cijfers over armoede Er bestaat (helaas) nog niet één soort cijfer dat voor alle Nederlandse huishoudens armoede omvattend in beeld brengt. In deze special hebben we er dan ook voor gekozen om een lijst van 21 afzonderlijke armoede-indicatoren onder elkaar te zetten voor iedere gemeente apart – en uiteraard voor de provincie als totaal. Deze cijfers geven tezamen nog steeds niet ‘de enige werkelijkheid’ rond armoede weer. Onder andere omdat geen rekening wordt gehouden met (uiteenlopende) armoedegrenzen en individueel
toegepaste regelingen vanuit gemeenten afzonderlijk. De cijfers representeren vooral het (aanzienlijke) risico dat een huishouden op armoede heeft. Provincie Utrecht totaal: Voor de provincie Utrecht als totaal geldt dat zij in het algemeen een gunstig beeld laat zien op armoedegebied. Op 20 van de 21 indicatoren is de gemiddelde score van de provincie Utrecht gunstiger dan voor Nederland totaal. Alleen waar het gaat om het aandeel paren met kinderen dat vier jaar of langer een inkomen heeft tot aan de lage inkomensgrens, is het cijfer (0,8%) voor de provincie Utrecht gelijk aan dat van Nederland. Kijken we naar huishoudentypes dan zijn het vooral de eenpersoonshuishoudens die zowel kort- als langdurig een inkomen hebben tot aan de lage inkomensgrens. Dit geldt ook voor heel Nederland en specifiek sterk voor de groep 55- tot 65-jarigen. Opvallend is dat er in de provincie Utrecht (net als in Nederland totaal), veel meer huishoudens zijn met geregistreerde problematische schulden (47.500 huishoudens) dan met een inkomen tot aan de lage inkomensgrens (19.700 huishoudens). Hier gaan we in deel drie verder op in. Gemeenten apart: Uit analyse van de 26 gemeenten blijkt dat zij onderling heel uiteenlopende armoede(risico)-profielen laten zien. De drie gemeenten die gemiddeld genomen het meest ongunstig scoren binnen de provincie zijn Utrecht, Zeist en Amersfoort.
3
Gemeenten die in totaal relatief gunstig scoren zijn Bunnik, Houten en Woudenberg. Voor de gemeente Zeist geldt dat zij als enige Utrechtse gemeente scores heeft die – ongunstig – boven het Nederlandse gemiddelde uitkomen op zowel het vlak van relatieve woonkosten (woonquote) als energiearmoede. In de bijlagen zijn alle cijfermatige uitkomsten per gemeente en per indicator bij elkaar gebracht.
Armoede in de persoonlijke leefwereld In de afgelopen decennia zijn nieuwe (wetenschappelijke) inzichten ontstaan over hoe armoede invloed heeft op het persoonlijke leven van mensen. Alhoewel er al wel langer (cijfermatige) verbanden werden gezien tussen bijvoorbeeld armoede en minder goede gezondheid, ontbrak het nog vaak aan precieze verklaringen. Daar is nu verandering in gekomen. We noemen vier relevante nieuwe inzichten die toekomstig beleid verder kunnen ondersteunen. Overerving genetische effecten bij zware levensomstandigheden: Op de eerste plaats is er meer kennis over hoe zware sociale levensomstandigheden (die kunnen leiden tot armoede of soms geworteld zijn in armoede) ongunstige genetische effecten kunnen hebben. Het is niet zo dat het DNA van mensen dan zomaar verandert, maar wel dat sommige genen kunnen worden ‘aan- en
4
uitgezet’. Dit kan leiden tot fysieke gezondheidsproblemen en tot negatieve impact op het sturen van eigen gedrag. Uiteindelijk kunnen deze genetische effecten ook worden overgeërfd door baby’s, die daarmee al belast ter wereld komen. Deze visie vormt een breuk met eerdere aannames dat sociale omstandigheden weliswaar invloed hebben op het leven van kinderen in het hier en nu, maar op zichzelf niet erfelijk zijn. Aangenomen werd dat baby’s in dat opzicht altijd met een schone lei ter wereld komen. De nieuwe inzichten brengen intergenerationele problematiek sterker in beeld en de mogelijke kwetsbaarheid van baby’s al voor hun geboorte. Landelijke programma’s zoals ‘De eerste duizend dagen van het kind’ spelen onder andere hier op in. Langdurige stress brengt lichamelijke en gedragsmatige veranderingen teweeg: Relatief nieuw stress-gerelateerd onderzoek laat eveneens zien hoeveel consequenties chronische stress kan hebben op gezondheid en gedrag. Door een disbalans in stressnetwerken in het lichaam, bijvoorbeeld als gevolg van armoede- of schuldenproblematiek, kunnen (langdurige) veranderingen optreden in de productie van bepaalde hormonen die daarmee op hun beurt de werking van organen en hersenen in ongewenste richting bijsturen.
Concreet kan dit onder andere betekenen dat er een verminderd vermogen ontstaat om te plannen en langetermijn-beslissingen te nemen, er meer risico komt op bepaalde ziektes en het ervaren van angst en depressie. Mensen
die hiermee te maken krijgen lopen sterk risico om op deze manier in een neerwaartse spiraal van problemen te komen. Zelfredzaamheidsproblemen van mensen kunnen niet zomaar worden opgelost: Bij de opkomst van de participatiesamenleving is door beleidsmakers vaak impliciet aangenomen dat mensen in principe zelfredzaam zijn, ofwel tot zelfredzaamheid kunnen worden gebracht door bijvoorbeeld aanmoediging of interventies. In een studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) wordt die visie op een onderbouwde manier bekritiseerd. De WRR stelt dat mensen, als zij taken moeten verrichten, niet alleen hun ‘gewone’ intelligentie gebruiken, maar ook een aantal niet-cognitieve vaardigheden moeten inzetten (om bijvoorbeeld een plan te maken, in actie te komen of met tegenslag om te gaan). Dit laatste noemt de WRR het doenvermogen van mensen, iets dat grotendeels in aanleg gevormd is en niet zomaar kan worden bijgesteld. Juist dit doenvermogen is van wezenlijk belang bij het managen van eventuele financiële problemen, omdat daar risico’s spelen als het overzicht verliezen of geen oog hebben voor langetermijngevolgen. Het is zaak volgens de WRR dat in de beleidsuitvoering rekening wordt gehouden met de verschillen in doenvermogen tussen mensen zodat er voor iedereen evenveel mogelijkheid ontstaat om zich goed te redden bij (financiële) tegenslag.
Gebrek aan grip kan negatieve spiraal van (maatschappelijke) ontevredenheid op gang brengen: Tenslotte is er nog het relatief nieuwe wetenschappelijke inzicht (eveneens van de WRR) dat het gevoel van mensen om ‘grip’ te hebben op situaties sterk samenhangt met levenstevredenheid, geluk en mentale- en fysieke gezondheid. De afwezigheid van dit gevoel hangt sterk samen met gevoelens van maatschappelijk onbehagen. Veel mensen met armoede- en schuldenproblematiek zullen te maken hebben met gevoelens van ‘griploosheid’. Iets dat volgens deskundigen misschien nog wel erger is dan weinig geld hebben. Het wakkert gevoelens van wantrouwen jegens instanties en overheid aan en kan parallel daarmee gevoelens van (vermeend) eigen tekortschieten aanjagen, met negatieve zelfbeelden en een spiraalwerking naar beneden als gevolg. Ook hier geldt volgens de WRR dat er nadrukkelijk meer aandacht moet komen voor dit thema in de beleidsuitvoering. Niet alleen voor de burgers zelf maar vooral ook in het belang van cohesie in de samenleving als geheel.
Samenlevingsbrede ontwikkelingen Armoedevraagstukken hebben zich door de geschiedenis heen altijd voorgedaan, maar veranderen in de loop der tijd wel steeds van context. Op basis van literatuurstudie en analyse van de cijfermatige data noemen we een aantal ontwikkelingen
5
die armoedeproblematiek in onze huidige tijd kenmerken, ons realiserend dat we deze lijst zeker niet compleet kunnen maken. Communiceren in een (digitale) netwerksamenleving. In de afgelopen dertig jaar zijn er nieuwe waarden ontstaan over hoe er gecommuniceerd moet worden over bijvoorbeeld (de aanvraag van) voorzieningen door burgers. Daarbij wordt er sterker geleund op ieders mogelijkheden om vragen, problemen, wijzigingen in de leefomstandigheden en dergelijke, om te zetten in abstracte digitale acties en het verlies te dragen van menselijk contact waarin de persoonlijke situatie gezamenlijk kan worden doorgesproken. Naast dat aan de digitalisering ook veel goeds kan worden toegeschreven waar het gaat om voorzieningen op het gebied van armoede (zoals maatwerk), draagt de noodzaak tot digitale geletterdheid ook bij aan een potentieel verlies aan controle en grip, zoals hierboven besproken. Veranderende set aan basisbehoeften: Met het veranderen van samenlevingsvormen, verandert ook de set aan basisbehoeften van mensen. Dit maakt het noodzakelijk om voortdurend te blijven ijken hoe een minimumpakket van voorzieningen er in geval van armoede uit moet zien. Met name de Commissie Sociaal Minimum gaat momenteel uitvoerig in op de brede aspecten van armoede. Zij koppelt daar een streven aan naar (de soms mogelijk verwarrende term) ‘bestaanszekerheid’. De commissie komt met
6
nieuwe berekeningen en beleidsuitdagingen, zoals het versterken van de financiële positie van huishoudens met kinderen en het harmoniseren van gemeentelijke regelingen. Schuldenproblematiek momenteel meest omvangrijke indicator van armoede: In de afgelopen dertig jaar is het aantal huishoudens met geregistreerde problematische schulden bijna verdrievoudigd, waarbij blijkt dat 60% van de huishoudens deze schulden minimaal drie jaar op een rij heeft. Voor de provincie Utrecht geldt, zo blijkt uit dit onderzoek, dat het aantal huishoudens met schulden in 2023 2,4 maal hoger ligt dan het aantal huishoudens met een inkomen tot aan de lage inkomensgrens, waarbij ook nog maar beperkt sprake is van overlap tussen beide. Schuldenproblematiek lijkt daarmee een belangrijkere factor te zijn geworden om armoede te identificeren, dan (alleen) het inkomen. Opkomst van stress-sensitieve benadering in sociaal domein: De nieuwe inzichten over de effecten van stress op gezondheid en gedrag, zoals eerder al toegelicht, worden steeds vaker vertaald naar nieuwe aanpakken in gezondheidszorg en sociaal domein. Onder de noemer ‘stress-sensitief werken’ veranderen bijvoorbeeld afdelingen Werk & Inkomen van gemeenten hun aanpak, gericht op het verlagen van de druk (en stress-niveaus) van mensen met financiële problemen, om op die manier de negatieve spiraalwerking ervan te doorbreken.
Bijvoorbeeld krijgen
ontmoetingsruimten meer omgevingscomfort en wordt er psychoeducatie gegeven aan cliënten over de impact van stress. Meer ruimte voor ervaringsdeskundigheid: In de afgelopen jaren is er vanuit diverse maatschappelijke organisaties steeds meer ingezet op het opleiden van ervaringsdeskundigen: mensen die hun ervaringen met arm-zijn helder en open weten te verwoorden, met name ook voor beleidsmakers. Tezamen met artikelen en boeken die vanuit dit perspectief zijn geschreven, komt er meer zicht op de diepgaande en complexe impact die armoede kan hebben. Vooral ook hoe de effecten een leven lang bij iemand kunnen blijven, ondanks dat men inmiddels een ‘gewoon’ inkomen heeft. Toenemende verantwoordelijkheid van publieke en private sectoren: Naast het reguliere armoedebeleid van Rijksoverheid en gemeenten zijn er diverse grote maatschappelijke partijen, die betrokken worden bij de (preventie van) armoedeproblematiek. Bijvoorbeeld worden werkgevers door de overheid uitgenodigd om financiële problemen bij hun personeel zo vroeg mogelijk op het spoor te komen en daarop te handelen. Primair- en voortgezet onderwijsscholen worden gevraagd alert te zijn op signalen van armoede bij kinderen en hun ouders en daarop passende interventies te plegen. Jeugdbeschermers worden bijgeschoold op het vollediger identificeren van financiële stress in een gezin waar zorgen over zijn.
Nutsvoorzieningen worden gevraagd melding te
doen als rekeningen onbetaald blijven, zodat gemeenten vroegtijdig een hulpaanbod kunnen organiseren. Daarnaast zijn er talloze burgerinitiatieven waarbij men bijvoorbeeld door middel van crowdfunding direct en concreet schrijnende situaties weet op te lossen (Collectief Kapitaal, ‘Lekker Geven’). Soms wordt er vanuit die burgerinitiatieven ook samengewerkt met lokale overheden. Tenslotte: Ondanks deze brede maatschappelijke inzet op het gebied van armoede, blijken de problemen nog lang niet opgelost. Deels gaat het om politieke discussies, deels om een wicked problem van mismatch tussen (latente) vraag en aanbod op onder steuningsgebied. De besproken nieuw gegroeide inzichten en maatschappelijke ontwikkelingen rondom armoede zullen hierbij hopelijk op termijn steeds breder toepasbaar en effectief blijken.
7
Colofon Dit is een uitgave van de Staat van Utrecht www.staatvanutrecht.nl info@staatvanutrecht.nl De Staat van Utrecht wordt ontwikkeld in opdracht van de provincie Utrecht in samenwerking met de gemeente Utrecht. Programmateam Florien Labree – programmamanager, provincie Utrecht Ingrid van Lieshout – projectleider kwalitatief onderzoek, gemeente Utrecht Jan-Berno van Lochem – projectleider kwantitatief onderzoek, gemeente Utrecht Shanti Gopal – programma-ondersteuning, provincie Utrecht Tiffany Clein – websitebeheer en sociale media, Jonge Honden Onderzoek en rapportage special Ingrid van Lieshout (Staat van Utrecht, gemeente Utrecht)
8
Vormgeving Vorm de Stad, Amsterdam Bronvermelding Het overnemen van gegevens uit deze special is toegestaan met bronvermelding: Staat van Utrecht, Provincie Utrecht Disclaimer In deze special wordt gebruik gemaakt van gegevens afkomstig van derden. Hoewel de bronnen als betrouwbaar bekend staan en er zo zorgvuldig mogelijk is omgegaanmet de beschikbare data, zou het kunnen voorkomen dat er onjuistheden zitten in de informatie in deze special. April 2025
9