C1. Verweerschrift Raad van State inzake beroepschrift Schalm 5
Tekst van het document
Docnrl
hbr | advocaten OMGEVINGSRECHT | 0 V E R H EID S P RI V A AT R E C H T
Raad van State
Afdeling bestuursrechtspraak Postbus 20019
2500 EA DEN HAAG
Uitsluitend per Veilig Mailen
REFERENTIE:
BETREFT:
BEHANDELD DOOR/TEL.
LB / 2491 /CD
Verweerschrift
DOSSIER:
UW REFERENTIE:
I I
Gemeente Renswoude / Schalm 5
202407411/1/R4
I I @ hbradvocaten.nl
Baarn, 6 februari 2025
Hoogedelachtbaar college, Namens de raad van de gemeente Renswoude ('raad'), voor wie ik als gemachtigde optreed, richt ik
mij tot u inzake bovengenoemde beroepsprocedure. 1.
Inleiding
De raad heeft kennisgenomen van het beroepschrift dat appellanten
en
(gezamenlijk: 'appellanten') hebben ingediend tegen het besluit van de raad tot wei
gering van vaststelling van het bestemmingsplan Schalm 5 ('bestemmingsplan'). Het raadsbesluit dateert van 17 september 2024 en is nader gemotiveerd bij besluit van 22 oktober 2024. In het beroepschrift voeren appellanten procedurele en inhoudelijke gronden aan. Hierna worden
- na een schets van de voorgeschiedenis in paragraaf 2 - deze gronden achtereenvolgens besproken
(paragraaf 3). Dit verweerschrift sluit af met een conclusie in paragraaf 4. 2.
Voorgeschiedenis
De percelen op het adres Schalm 5 zijn gelegen in het buitengebied tussen Renswoude en Veenendaal (zie ook hieronder). De percelen liggen ingeklemd tussen agrarische percelen en, ten noorden en westen, enkele woningen.
HBR advocaten Torenlaan 19,3742 CR Baarn Postbus 4,3740 AA Baarn tel 035 54 31 333 fax 035 30 34 248 KvK 76820947 hbradvocaten.nl HBR advocaten is een maatschap van besloten vennootschappen en is ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 76820947. Alle werkzaamheden worden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht met de maatschap HBR advocaten.
hbr | advocaten OMGEVINGSRECHT | OVERHE1DSPR1VAATRECHT
/
A2gse..
■ "
6,/ 8 ‘a
68
Y7
4
ë
N .o.
6.
"ta
g ;
@TismsG-1ts71Gs
4
I ö,
de
4 OREcte
(0
t=
d, • $
ee s,
,"é > ' 6,' 8g,
,,
A
' -M.
2-A
Voor de percelen geldt al geruime tijd een maatschappelijke bestemming. In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' kreeg het perceel de bestemming 'Maatschappelijk' met de nadere aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - medische kliniek'. De tandheelkundige praktijk die daar
gevestigd was, is in 2014 beëindigd. Op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' was de
maximum goot- en bouwhoogte respectievelijk 3 en 7 meter en gold een maximum bruto vloeroppervlakte van 900 m2.
In het bestemmingsplan 'Schalm 5' (2017) heeft de raad - op verzoek van de nieuwe eigenaar van het perceel - de aanduiding voor dit perceel gewijzigd in 'specifieke vorm van maatschappelijk - hospice
en revalidatie'. Ook op grond van dit bestemmingsplan (inmiddels van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan) geldt een maximum bebouwd oppervlak van 900 m2. De maximale goot- en
bouwhoogte van gebouwen en overkappingen is hetzelfde gebleven (3 en 7 meter). Het hoofdge bouw heeft op dit moment, met alle bijgebouwen, een totale oppervlakte van 968 m2.
De omliggende percelen hebben grotendeels een agrarische functie. Het gaat dan om de percelen Schalm 9, overige percelen langs de Schalm en achterliggende percelen bij Schalm 5A, 6/6A/6B en 8.
Deels hebben percelen (inmiddels) ook een woonfunctie. Daarbij gaat het om Schalm 6/6A/6B (voorheen agrarisch), Schalm 5A (ook bed & breakfast) en Schalm 8.
In de zomer van 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renswoude ('college') initiatiefnemer laten weten in te stemmen met het voornemen om op deze locatie drie woningen te bouwen. Aan de principemedewerking is een aantal voorwaarden verbonden. Een en ander heeft geleid tot het volgende plan:
hbr | advocaten OMGEVINGSRECHT | OVERHEIDSPRIVAATRECHT
•
3 woningen van 660 m3 (met gebruikmaking van de 10%-regeling);
•
80 m2 bijgebouwen per woning;
•
70 m2 hooiberg voor opslag van tuinmaterialen;
•
goede landschappelijke inpassing.
Het ontwerpbestemmingsplan voorziet in drie bouwvlakken ter grootte van gezamenlijk 1.023 m2-
exclusief de bijgebouwen en hooiberg. De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 6
en 10 meter.
Het ontwerpbestemmingsplan is op 5 september 2023 in de raadscommissie behandeld. Tijdens de commissievergadering zijn kritische kanttekeningen geplaatst bij het plan. Uiteindelijk heeft een
meerderheid ingestemd met (uitsluitend) de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Daarbij hebben meerdere fracties benadrukt dat géén inhoudelijke uitspraken of toezeggingen worden gedaan over het al dan niet inhoudelijk akkoord gaan met het plan. Het ontwerpbestem
mingsplan is vervolgens met ingang van 20 september 2023 ter inzage gelegd. Tegen het
ontwerpbestemmingsplan zijn vier zienswijzen ingediend. De provincie heeft in haar reactie van 31 oktober 2023, zaaknummer
het
volgende aangegeven: "Het voorliggende bestemmingsplan geeft mij geen aanleiding opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Provincie Utrecht en geborgd in de bijbehorende Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht".
Begin 2024 heeft het college besloten om met appellant
een anterieure overeenkomst
te sluiten, die op 15 maart 2024 namens de gemeente is ondertekend door de burgemeester. Daarin verklaart de gemeente zich onder voorwaarden bereid om medewerking te verlenen aan het plan.
Naast hoogwaardige landschappelijke inpassing houden de voorwaarden onder meer in dat een actueel geur- en stikstofonderzoek moeten worden opgesteld en dat geen sprake mag zijn van
omzetting waardoor de Food Valley-regeling niet van toepassing kan worden verklaard. In de over eenkomst staat verder dat de gemeente bij de nakoming daarvan volledig haar publiekrechtelijke
verantwoordelijkheid ten aanzien van het publiekrechtelijke besluitvormingsproces behoudt (artikel 5). Het raadsvoorstel is op 3 september 2024 besproken in een commissievergadering. Tijdens die ver
gadering is een aantal kritische vragen gesteld, die zijn beantwoord. Op 17 september 2024 heeft de raad vervolgens besloten het bestemmingsplan niet vast te stellen. Daarbij speelden ook de
ingediende zienswijzen een rol. De redenen voor de raad om het plan niet vast te stellen laten zich
- samengevat - als volgt omschrijven: De mogelijkheid van drie vrijstaande woningen staat niet in verhouding tot hetgeen nu toegestaan is - maatschappelijke bestemming met maximaal 900 m2;
hbr | advocaten OMGE VINGSRECHT | 0 V E R H EI D S P R I V A AT R E C H T
Het voorstel wijkt teveel af van de manier waarop omgegaan wordt met bebouwing op
vrijkomende agrarische percelen;
De toename in oppervlak (vierkante meters) leidt tot verstedelijking. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het raadsbesluit. 3.
Reactie op gronden beroep
Hierna ga ik achtereenvolgens in op de verschillende beroepsgronden. Voordat ik dat doe, maak ik eerst inleidende opmerkingen en schets ik het toetsingskader.
Inleidende opmerkingen en kader Bij het besluit over de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsruimte en moet hij
de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het
besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de
met dat besluit te dienen doelen. Uit het besluit om een bestemmingsplan niet vast te stellen moet blijken welke ruimtelijk relevante motivering daaraan ten grondslag ligt. Verder is van belang dat de raad bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot vaststelling van het
bestemmingsplan niet aan de inzichten van het college van burgemeester en wethouders gebonden is. Het is immers de raad, die oordeelt over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een ruimtelijke ont
wikkeling.1 Dat tussen een initiatiefnemer en het college een anterieure overeenkomst is gesloten
waarin met het oog op de vaststelling van het plan een bereidverklaring tot medewerking is opgeno
men, maakt dat niet anders. Dat geldt temeer als die overeenkomst een bepaling bevat waaruit volgt dat die overeenkomst de uitoefening van alle publiekrechtelijke bevoegdheden, waaronder die van
de raad, onverlet laat. Er is met andere woorden geen toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de gemeente als de raad anders beslist dan de koers die het college vaart of voer. Beroepsgrond: grondslag onjuist en ten onrechte niet ter inzage gelegd Appellanten voeren aan dat de raad ten onrechte heeft miskend dat het oude recht van toepassing
is. Het besluit had gebaseerd moeten worden op artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening ('Wro'), had
volgens appellanten ter inzage moeten worden gelegd (artikel 3.8 Wro en artikel 3.44 lid 1 Algemene
wet bestuursrecht ('Awb')) en daarnaast kenbaar moeten worden gemaakt via 'regels op de kaart'.
Reactie raad
Deze beroepsgrond slaagt niet.
1 AbRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:580
hbr | advocaten OMGEVINGSRECHT | O V E R H E I D S P R IV A AT R E C H T
Het is juist dat het oude recht van toepassing blijft op een voor 1 januari 2024 ter inzage gelegd
ontwerpbestemmingsplan. Daarvan is in dit geval sprake. Van belang is echter dat de raad nu juist niet is overgegaan tot vaststelling van het bestemmingsplan. De raad heeft het bestreden besluit dan ook niet genomen op grond van artikel 3.1 Wro. Om die reden is artikel 22.1 Omgevingswet ('Ow') vermeld. Mocht die vermelding in het licht van het overgangsrecht niet (geheel) correct zijn, dan
wijst de raad er op dat dat geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van het genomen besluit.
Vast staat bovendien dat door de vermeldingswijze hoe dan ook geen belangen zijn geschaad.
Daar waar het gaat om de terinzagelegging van het besluit wijst de raad op het volgende. Artikel 3.8 Wro bevat vereisten waaraan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan moet voldoen.
Ook stelt dat artikel eisen aan de bekenmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmings plan. De bepaling gaat niet in op de vraag welke eisen gelden voor een besluit waarbij een bestem mingsplan niet wordt vastgesteld.2 Ook artikel 3:44 lid 1 Awb bevat geen bepalingen voor bekend
making van de beslissing waarbij het (in ontwerp ter inzage gelegde) bestemmingsplan niet wordt
vastgesteld. Dat artikel ziet immers op besluiten tot vaststelling en mist toepassing bij het uitblijven van de vaststelling van een bestemmingsplan.
In dit geval heeft de raad ervoor gekozen om de bekendmaking van het raadsbesluit op dezelfde wijze te laten plaatsvinden als wanneer het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan bekend
was gemaakt. Op 30 oktober 2024 heeft bekendmaking in het Gemeenteblad plaatsgevonden,
waarbij ook de motivering kenbaar is gemaakt.3 Voor zover daaraan al gebreken kleven, doen die niet af aan de werking van het raadsbesluit. Beroepsgrond: onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering
Appellanten voeren aan dat het raadsbesluit niet zorgvuldig is voorbereid en evenmin deugdelijk is
gemotiveerd. Zij menen onder meer dat de ruimtelijk relevante motivering ontbreekt. Ook vinden zij de argumentatie op punten niet navolgbaar.
Reactie raad Anders dan appellanten naar voren hebben gebracht, meent de raad dat het besluit wel degelijk
zorgvuldig is voorbereid en dat daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. De onderbou wing van het raadsbesluit is ingegeven door de ruimtelijke motieven die voor de raad van belang zijn
bij beslissingen over functies voor locaties. Voor zover die ruimtelijke motieven onvoldoende zouden
blijken uit het raadsbesluit zelf, licht de raad die als volgt toe. Het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010', dat de raad in 2010 heeft vastgesteld, is gericht op behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daarbij - zo meldt de
toelichting - wordt gestreefd naar behoud en ontwikkeling van de landbouw in samenhang met het 2 Strikt genomen is hier geen sprake van een besluit, omdat er geen rechtsgevolgen in het leven worden geroepen. De beslissing om een bestemmingsplan niet vast te stellen wordt voor de mogelijkheid van beroep met een besluit gelijkgesteld ( artikel 6:2 onder a Awb). 3Zie ook artikel 3.8 lid 3 Wro.
hbr | advocaten OMGEVINGSRECHT | O V E R H E I D S P R IV A AT R E C H T
behoud van de waardevolle landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische elementen. Focus ligt primair op de aan het landelijk gebied gebonden functies: water, landbouw, natuur en landschap,
recreatief medegebruik en cultuurhistorie (de primaire functies). Daarnaast worden ook andere functies in het plangebied geregeld. De woonbebouwing in het buitengebied is voor een belangrijk
deel gesitueerd in linten en kleine clusters, zo meldt de toelichting. Daarnaast is binnen het plangebied een aantal voormalige agrarische bedrijfswoningen in gebruik als burgerwoning
Het perceel aan Schalm 5 is in dit bestemmingsplan als gezegd bewust en weloverwogen bestemd als
'maatschappelijk'. De functie is toen voorzien van een op het perceel toegesneden aanduiding.
Daarbinnen was een tandheelkundige praktijk toegestaan - op deze plek was een tandartsenpraktijk gevestigd. De aanduiding is in 2017 op verzoek van de eigenaar gewijzigd, omdat de op dat moment
gewenste zorgfunctie niet paste. Het initiatief ziet op de realisering van 3 burgerwoningen aan Schalm 5.
Vooropgesteld: de raad is géén voorstander van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied. Wonen is een niet aan het buitengebied gebonden functie. De raad voert op dit punt dan ook een terughoudend beleid, des te meer waar het gaat om nieuwe woningen.4 Op dit uitgangspunt maakt de raad incidenteel een uitzondering. Het gaat daarbij om de toepassing
van de regeling 'Ruimte-voor-Ruimte' en daarmee samenhangende functiewijzigingen.5 Zo heeft de raad, in nauw overleg met de provincie Utrecht, meegewerkt aan de realisering van 2 burger
woningen aan het tegenoverliggende perceel aan Schalm 6. Met het oog op de realisering van deze
2 woningen is 2300 m2 agrarische bebouwing gesloopt (intensieve veehouderij).
Dit gemeentelijke uitgangspunt is ook te vinden in de 'Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030'. Daarin wordt benadrukt dat het buitengebied in balans moet blijven. De te benutten kansen liggen
op het gebied van natuurontwikkeling en vrijkomende agrarische bebouwing. Nieuwe woonbebouwing moet passen binnen de bestaande structuur. De eerste keus voor uitbreiding van het dorp ligt bij het gebied binnen de beken6, en daarmee niet in ander, verder gelegen buitenge
bied. Ook het 'Coalitieakkoord Renswoude 2022-2026' noemt de Ruimte-voor-ruimte-regeling als
vorm van functieverandering, waarbij voor het aantal ruimte-voor-ruimte woningen de sloopmeters leidend zijn. Het akkoord vermeldt verder de voorkeur om nieuwe woningen zoveel mogelijk aan de
rand van de dorpskern te realiseren; mocht dat niet mogelijk zijn, dan is zorgvuldige inpassing in het landelijk gebied noodzakelijk en "zodanig dat blijvende agrariërs niet onevenredig in hun ontwikkeling worden belemmerd".7
4Zie par. 6.6.1. in de toelichting op het bestemmingsplan Buitengebied 2010. Zie ook de toelichting op het bestemmingsplan Buitengebied 2010 (o.a. p. 69). Ten zuiden van Renswoude gaat het dan om het gebied nabij de Munnikenbeek, dat aansluit op het dorp. 7 Coalitieakkoord Renswoude 2022 - 2026 (o.a. p. 8). 5
6
hbr | advocaten OMGEVINGSRECHT | OVERHEIDSPRIVAATRECHT
De wijze waarop de gemeente Renswoude invulling geeft aan functieverandering bij vrijkomende
agrarische bebouwing heeft in 2024 nader vorm gekregen in het Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024' ('Afwegingskader'). Bij de totstandkoming daarvan zijn meerdere gemeenten betrokken geweest.8 Hierin zijn - rekening houdend met provinciale (beleids)regels - de randvoor
waarden geschetst voor medewerking aan functieverandering van agrarische functies in (onder
meer) wonen. Uitgangspunt is behoud van de bestaande woning en met toepassing van de sloopmeterssystematiek de eventuele toevoeging van een woning op locatie (of elders). Daarbij gelden verschillende eisen, zoals een maximum van 1 vrijstaande woning en een compact erf. Het
Afwegingskader vermeldt dat de werkwijze ook op andere functies toegepast kan worden, bijvoorbeeld voor niet-agrarische bedrijvigheid en recreatie.9
Al met al constateert de raad dat de wijziging van een maatschappelijke bestemming in een
woonfunctie niet valt onder dit uitzonderingsbeleid. Dat neemt niet weg dat zich ook andere situaties kunnen voordoen waarbij medewerking van de raad, met toepassing van maatwerk, aanvaardbaar en soms zelfs gewenst is. In dat verband speelt
onder meer een rol wat de bestaande functie behelst, welke functie in de plaats komt van de bestaande functie, welke omvang die nieuwe functie heeft (zowel in aantal als in meters), wat het
effect is van die nieuwe functie op andere beleidsuitgangspunten en daarmee samenhangende mogelijke precedentwerking, en hoe de beoogde situatie zich verhoudt tot de omgeving. Daarnaast
is voor de raad van belang of de aard en omvang van de gewenste woonontwikkeling in lijn is met overige (woon)ontwikkelingen die de raad in het buitengebied mogelijk heeft gemaakt. Er moeten,
kort samengevat, zwaarwegende redenen zijn om mee te werken aan een uitzondering op het uitgangspunt dat geen burgerwoningen worden toegestaan in het buitengebied. En als er een
uitzondering wordt gemaakt, dan moet die goed uit te leggen zijn in het licht van andere uitzonderingen. In dit geval heeft de raad gemeend dat het plan die lat niet haalt, en wel om de volgende redenen.
Allereerst constateert de raad dat niet is gebleken van omstandigheden die - vergelijkbaar met de regeling voor agrariërs - een uitzondering rechtvaardigen en die nopen tot wijziging van een maat
schappelijke bestemming in een woonfunctie. De situatie waarin agrariërs zich bevinden geeft om meerdere redenen aanleiding om onder bepaalde voorwaarden mee te werken aan een woonfunctie
op een agrarisch perceel. Denk aan factoren als wijzigingen in wet- en regelgeving, het ontbreken van bedrijfsopvolging, financiële druk op de bedrijfsvoering waardoor die nauwelijks meer rendabel is en
de omvang van de hoeveelheid agrarisch vastgoed dat op den duur leeg komt te staan in het buitengebied. Verder is van belang dat op agrarische percelen doorgaans ook al gewoond wordt.
8
Het gaat om de gemeenten Amersfoort, Baarn, Barneveld, Bunschoten, Ede, Eemnes, Leusden, Nijkerk, Putten, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel, Soest, Veenendaal, Wageningen en Woudenberg. 9
Afwegingskader, p. 10.
hbr | advocaten OMGEVINGSRECHT | OVERHEIDSPRIVAATRECHT
Deze omstandigheden doen zich in dit geval niet voor. Hier is sprake van een maatschappelijke
functie waar een bepaalde invulling (tandarts) is beëindigd, geen andere maatschappelijke invulling heeft plaatsgevonden en waar inmiddels de realisering van woningen wordt beoogd.
Daarbij wijst de raad op het belang dat bestaat bij behoud van percelen waar maatschappelijke
voorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Dat belang zal in de toekomst aan gewicht winnen. Het
beroep op de zorg neemt immers toe, onder meer door vergrijzing. De vraag naar zorgvoorzieningen zal dan ook binnen Renswoude toenemen. Het vinden van passende locaties voor zorgvoorzieningen is gelet op de schaarse ruimte niet gemakkelijk. Voor een herbestemming van een maatschappelijke functie tot een woonfunctie in het buitengebied, moeten voor de raad dan ook heel goede redenen
aanwezig zijn.
Aanvullend acht de raad van belang dat het ontwerpplan voorziet in 3 nieuwe burgerwoningen
tegenover de beëindiging van de maatschappelijke functie. Dat aantal verhoudt zich slecht met de terughoudende opstelling die de raad doorgaans inneemt bij wensen tot realisering van
burgerwoningen in het buitengebied. Er is - bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden - volgens
de raad geen goede rechtvaardiging te vinden voor het hanteren van een soepeler uitgangspunt bij beëindiging van een maatschappelijke functie dan bij beëindiging van een agrarische functie. Het
verlenen van gemeentelijke medewerking aan dit plan zou dan ook een reëel risico op precedentwerking creëren. Dat wil de raad voorkomen.
De raad constateert dat de provincie onder voorwaarden akkoord is gegaan met het voorgestelde
plan. Daarmee is het plan volgens de provincie (kennelijk) in overeenstemming met artikel 9.7 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht ('IOV'). De raad plaatst vraagtekens bij die
constatering. Artikel 9.7 IOV ziet in algemene zin op wijzigingen van bestaande stedelijke functies in het landelijk gebied (buitengebied) en heeft daarmee een breed toepassingsbereik. Het artikel bevat dan ook geen criteria hoeveel woningen tegenover een te beëindigen functie mogen worden
toegevoegd (zoals de Ruimte-voor-ruimte-regeling dat wel doet).
Het ligt naar het oordeel van de raad voor de hand om, als een bestaande stedelijke functie in het buitengebied wordt beëindigd en daarvoor in de plaats bij uitzondering een woonfunctie wordt
toegestaan, in beginsel aan te sluiten bij de criteria en randvoorwaarden die gelden voor woon
functies bij voormalige agrarische bedrijfswoningen en -percelen.10 Daarbij geldt als uitgangspunt dat een bedrijfswoning onder voorwaarden tot burgerwoning kan worden bestemd en dat bij sloop
van agrarische bebouwing tussen 750 m2 en 2500 m2 (in beginsel) 1 burgerwoning mag worden
toegestaan. Het plan behelst echter meer dan dat.
10
Zie artikel 9.10 en 9.11 Interim Omgevingsverordening Utrecht.
hbr | advocaten OMGEVINGSRECHT | O V E R H EI D S P RIV A AT R E C H T
Aansluitend merkt de raad op dat het aantal vierkante meters dat in het ontwerpplan is opgenomen, groter is dan het eerdere bestemmingsplan Buitengebied 2010 en het bestemmingsplan Schalm 5
(2017) mogelijk maakten. Het maximale bebouwde oppervlak is volgens het huidige regime 1035 m2
(900 vermeerderd met 15%). Het verzoek van appellanten ziet waar het gaat om de drie woningen op een maximaal bebouwd oppervlak van 1023 m2. Het plan staat verder 4 bijgebouwen toe van in
totaal 310 m2. Het totaal bebouwde oppervlak zou daarmee 1333 m2 bedragen.
De raad wijst er verder nog op dat op deze locatie geen sprake is van bestaande bebouwingsclusters of -linten (zoals bijvoorbeeld buurtschappen). Het gebied kenmerkt zich zoals aangegeven hoofdza kelijk door agrarische percelen, met daarbinnen (slechts) enkele woningen, en niet andersom. Dat in de nabijheid al enige (burger)woningen staan, maakt de conclusie van de raad niet anders. Bij
geen van die toegestane woonfuncties was sprake van een vergelijkbare situatie als de situatie die zich hier voordoet. Op het adres Schalm 6 was sprake van vrijkomende agrarische bebouwing waar
voor de Ruimte-voor-ruimte-regeling is toegepast. De bestaande bedrijfswoning is bestemd als bur
gerwoning en tegenover de sloop van 2300 m2 zijn twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Kort en goed meent de raad dat aan het besluit een deugdelijke (ruimtelijke) motivering ten grond slag ligt.
Beroepsgrond: onjuiste afweging belangen Appellanten voeren aan dat de raad heeft nagelaten de betrokken belangen af te wegen.
Reactie raad In reactie op deze beroepsgrond merkt de raad het volgende op.
Het belang van de raad (de gemeente) is gelegen in het zoveel mogelijk voorkomen van woon
functies in het buitengebied. Voor een uitzondering op dat uitgangspunt moeten dringende redenen en bijzondere omstandigheden zijn. Bij het maken van een uitzondering is vervolgens, net als bij de
uitzonderingen voor agrariërs, terughoudendheid de norm. Indien de raad aan dit initiatief medewer king verleent, schept dat precedentwerking. De raad heeft er belang bij om dat te voorkomen.
Daarbij komt dat de vraag naar grond met een maatschappelijke bestemming in verband met de toenemende zorgbehoefte zal toenemen; voor de herbestemming van zo'n functie zullen dan ook
goede redenen moeten zijn. Daartegenover staan de belangen van de eigenaar van het perceel. De raad ontkent niet dat
initiatiefnemer een belang heeft bij doorgang van het plan en de ontwikkeling. Niettemin plaatst de raad vraagtekens bij het gewicht van dat belang wanneer dat wordt afgezet tegen het belang van de
raad. Zo is het de raad niet gebleken dat het gebruik van het perceel overeenkomstig de huidige maatschappelijke bestemming - al dan niet met een iets gewijzigde aanduiding - niet tot de
mogelijkheden behoort.
hbr | advocaten OMGEVINGSRECHT | 0 V E R H EI D S P R I V A AT R E C H T
Over de kenbaar gemaakte principemedewerking van het college merkt de raad op dat de bevoegdheid om een bestemmingsplan vast te stellen niet berust bij het college, maar bij de raad.
De ruimtelijke aanvaardbaarheid van drie woningen op deze locatie heeft de raad niet eerder beoordeeld. Niet is gebleken dat de raad zich gebonden heeft aan de in het ontwerpplan voorziene
ontwikkeling. De raad was bij het nemen van het bestreden besluit dan ook niet gebonden aan de
principemedewerking van het college. Daarbij is de gemeenteraad van mening dat de ontwikkeling in
strijd is met haar visie op het buitengebied en leidt tot ongewenste precedentwerking. Een anterieure overeenkomst kan niet leiden tot een verplichting van de raad om aan gronden een bestemming te geven die de raad niet in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening.
In artikel 5 van de overeenkomst wordt ook nadrukkelijk gewezen op het feit dat de gemeente haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het publiekrechtelijke besluitvormingsproces volledig behoudt. Dit houdt in dat van de zijde van de gemeente geen sprake
is van een toerekenbare tekortkoming indien het handelen naar deze verantwoordelijkheid eist dat de gemeente publiekrechtelijke rechtshandelingen verricht die niet in het voordeel zijn van de aard
of de strekking van deze overeenkomst. Ook is de raad bij de totstandkoming van die overeenkomst niet betrokken. De gemeenteraad constateert dat de weigering om het bestemmingsplan vast te stellen nadelige
gevolgen heeft voor appellanten. Gelet op de hiervoor genoemde gevolgen voor het buitengebied,
het uitsluiten van precedentwerking en de afweging van de bij de vaststelling van het plan betrokken belangen is de weigering om het plan vast te stellen naar mening van de gemeenteraad niet
onevenredig. Genoemde belangen zijn anders dan appellanten suggereren wel degelijk aan bod gekomen bij de
behandeling van het raadsvoorstel. Voor zover deze belangen niet in het raadsbesluit zelf en de onderbouwing daarvan naar voren komen, dient dit verweerschrift alsnog ter onderbouwing van de
beslissing van de raad. 4.
Conclusie
Gelet op bovenstaande concludeert de raad tot ongegrondverklaring van het beroep.