CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

C. Rapport-evaluatie functieveranderingsbeleid

Gemeenteraad 26 oktober 2021, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen17.445 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

2021 Evaluatie Functieveranderingsbeleid Regio Foodvalley

ctieveranderingsbeleid Regio Foodvalley

ctieveranderingsbeleid Regio Foodvalley

ctieveranderingsbeleid Regio Foodvalley Auteur: Martijn Brands Datum: 17 mei 2021 Opdrachtgever: De coördinatiegroep VAB

e Functieveranderingsbeleid Regio Foodvalley

Evaluatie functieveranderingsbeleid Foodvalley 2016 Verslaglegging door: Martijn Brands In opdracht van: De coördinatiegroep VAB Onder begeleiding van: Alfred Gijlers

2

Voorwoord Voor u ligt de evaluatie van het regionale functieveranderingsbeleid Regio Foodvalley 2016. De evaluatie van het functieveranderingsbeleid is uitgevoerd voor de acht aangesloten gemeenten van regio Foodvalley vanuit de coördinatiegroep VAB. Dit onderzoek is geschreven in het kader van mijn binnenlandstage voor de opleiding Management van de Leefomgeving, richting Staden Streekontwikkeling aan HAS hogeschool ’s-Hertogenbosch. Van oktober 2020 tot en met mei 2021 ben ik bezig geweest met het schrijven van het evaluatierapport. Samen met de coördinatiegroep VAB zijn de onderzoeksvragen voor dit evaluatierapport bedacht. Na uitvoerig kwalitatief onderzoek heb ik de onderzoeksvraag van dit rapport kunnen beantwoorden. Tijdens dit onderzoek waren de leden van de coördinatiegroep VAB altijd bereid tot het beantwoorden van vragen en het ondersteunen van het onderzoek. Bij deze wil ik graag de leden van de coördinatiegroep bedanken voor de hulp bij uitvoering van dit onderzoek. Ook wil ik graag alle gesproken partijen bedanken voor hun tijd en input om mee te werken aan uitvoering van dit onderzoek. Zonder deze medewerking was afronding van het onderzoek niet gelukt. Tevens wil ik mijn stagebegeleider Alfred Gijlers bedanken voor de begeleiding van mijn binnenlandstage tijdens dit traject. Ik wens u veel leesplezier toe. Martijn Brands Soest, 17 mei 2021

3

Samenvatting Wekelijks stoppen er de nodige agrarische bedrijven met hun bedrijfsvoering. Naar verwachting zal tot 2030 in de Regio Foodvalley een groot aantal stallen en schuren leeg komen te staan. Deze leegstand levert allerlei problemen op met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit, economische vitaliteit en leefbaarheid van het buitengebied. Maar biedt ook veel kansen voor nieuwe bedrijven, woningen, recreatie en natuurontwikkeling door middel van functieverandering, dat is omschreven in het regionale Functieveranderingsbeleid Foodvalley 2016. Om de eventuele gevolgen van het nieuwe beleid goed te volgen is door de betreffende gemeenteraden een amendement aangenomen om het beleidsstuk in de eerste twee jaar te monitoren (Regio Foodvalley, 2021). Het doel van dit onderzoek is om het beleid, na vier jaar, te evalueren en te kijken of het beleid goed functioneert of niet. De evaluatie valt samen met het proces om te komen tot een betere beleidssynchronisatie en samenwerking tussen de samenwerkende gemeenten binnen het VABprogramma. Dit moet bijdragen aan een toekomstbestendig en flexibele aanpak van de VABproblematiek binnen de betrokken regio’s. Hiervoor is de volgende hoofdvraag opgesteld: In hoeverre zijn de doelstellingen van het regionale functieveranderingsbeleid binnen de regio Foodvalley behaald gekeken naar de periode van 2016 tot 2020? 1.

Functieverandering moet bijdragen aan goede ruimtelijke kwaliteit en duurzaam economisch perspectief met behoud van een vitale agrarische structuur; 2. De verbetering van ruimtelijke kwaliteit vind naast de sloop van agrarische bebouwing tevens plaats door verbetering van publieke functies zoals landschap; 3. Het hergebruik van bestaande bebouwing voor nieuwe functies wordt gestimuleerd. Nieuwe bebouwing is mogelijk als de bestaande bebouwing van te slechte (beeld)kwaliteit is voor hergebruik. 4. Nieuwe niet aan het buitengebied gebonden functies worden toegestaan voor de versterking van de economische en sociale vitaliteit van het buitengebied. Uitbreiding van deze functies wordt ook mogelijk onder voorwaarden. Om antwoord te geven op de hoofdvraag is onderzoek uitgevoerd naar de onderliggende onderdelen van het functieveranderingsbeleid. Dit is gedaan door het uitvoeren van een deskresearch en het houden van interviews met stakeholders. Uit onderzoek is gebleken dat doelstellingen van het functieveranderingsbeleid grotendeels worden behaald. Functieverandering moet bijdragen aan goede ruimtelijke kwaliteit en duurzaam economisch perspectief met behoud van een vitale agrarische structuur. Functieverandering heeft gezorgd voor de sloop van veel oude agrarische bebouwing en milieuwinst in alle betrokken gemeenten.

Functieverandering heeft geleid dat de verstening in het buitengebied afneemt en heeft bijgedragen aan het voorkomen van ondermijning en verloedering. De nieuwe vervolgfuncties zorgen dat het buitengebied vitaal blijft, maar dragen ook bij aan de versnippering van de agrarische structuur, omdat nieuwe vervolgfuncties terecht komen op de locatie van de functieverandering, in plaats aan de dorpsranden of op het industrieterrein. De verbetering van ruimtelijke kwaliteit vind naast de sloop van agrarische bebouwing tevens plaats door verbetering van publieke functies zoals landschap. Functieverandering zorgt voor verbetering van landschap, door het verplicht stellen van landschappelijke inpassingen bij nieuwe ontwikkelingen. Momenteel zijn sommige initiatieven die een positieve bijdragen kunnen leveren aan publieke functies, vaak financieel niet haalbaar, door de hoge prijs van sloopmeters. Het hergebruik van bestaande bebouwing voor nieuwe functies wordt gestimuleerd. Nieuwe bebouwing is mogelijk, als de bestaande bebouwing van te slechte (beeld)kwaliteit is voor hergebruik. Hergebruik van bestaande bebouwing vindt momenteel niet of nauwelijks plaats bij functieverandering. Enkel bij legalisatiezaken of toevoeging van een bedrijf bij een burgerwoning. 4

Nieuwe niet aan het buitengebied gebonden functies worden toegestaan voor de versterking van de economische en sociale vitaliteit van het buitengebied. Uitbreiding van deze functies wordt ook mogelijk onder voorwaarden. Het functieveranderingsbeleid zorgt voor nieuwe woon- en werkfuncties in het buitengebied. Uitbreiding van deze functies vindt ook plaats door middel van inzet van sloopmeters. Over het algemeen werkt het functieveranderingsbeleid goed door de vele toepassingsmogelijkheden van sloopmeters en door het duidelijke en overzichtelijke proces. De betrokken partijen zijn geïnteresseerd in nieuwe aanpassingsmogelijkheden en Utrechtse gemeenten zijn positief over het aansluiten bij het functieveranderingsbeleid van regio Foodvalley. Het is wel belangrijk dat gekeken wordt om registratie van sloopmeters, het verhogen van het aanbod van sloopmeters en versnellingsmogelijkheden in het proces, beter te regelen binnen het functieveranderingsbeleid. Op basis van opgehaalde resultaten zijn de volgende aanbevelingen opgesteld: •

• • •

Kijk naar de inzet van nieuwe beleidsaanpassingsmogelijkheden: functieverandering door middel van een uitsterf-constructie gewerkt wordt naar bedrijfsbeëindiging (gefaseerde functieverandering), nieuwe gebiedspassende vormen van woningen, dan enkel twee- onder een kap of vrijstaande woningen en kwaliteitsverbeteringen van het landschap in combinatie met het verminderen van het benodigd aantal sloopmeters voor het toevoegen van een woning. Digitalisering van het sloopmetersysteem: de huidige opzet en registratie van het sloopmeterregistratiesysteem is foutgevoelig en geeft geen inzicht in de inzet van sloopmeters binnen andere gemeenten. Kijk naar de inzet van plattelandcoaches in provincie Utrecht: de uitkomsten geven inzicht in de behoefte van agrariërs op het gebied van functieverandering en mogelijkheden. Kijk bij het opstellen van nieuw beleid naar nieuwe brede invalshoeken en de praktische uitvoering van het beleid. Betrek nieuwe stakeholders voor nieuwe perspectieve en zorg dat de praktische kant van het beleid goed functioneert.

5

Inhoudsopgave VOORWOORD ............................................................................................................................................ 3 SAMENVATTING ......................................................................................................................................... 4 1. ............................................................................................................................................................. 6 2. INLEIDING ......................................................................................................................................... 7 1.1. AANLEIDING .............................................................................................................................. 7 1.2. DOEL ONDERZOEK..................................................................................................................... 7 1.3. OPBOUW ONDERZOEK ............................................................................................................... 7 1.4. LEESWIJZER ............................................................................................................................. 8 3. ALGEMEEN FUNCTIEVERANDERINGSBELEID.......................................................................................... 9 2.1.

DOELSTELLINGEN FUNCTIEVERANDERINGSBELEID ........................................................................ 9 2.2. CIJFERS FUNCTIEVERANDERING 2012 T/M 2019 .......................................................................... 9 2.3. ALTERRA RAPPORT 2015 ........................................................................................................ 11 2.4. DEELNAMEPERCENTAGE FUNCTIEVERANDERINGSBELEID ............................................................ 12 2.5. WAT ZIJN DE POSITIEVE EN NEGATIEVE GEVOLGEN VAN HET FUNCTIEVERANDERINGSBELEID OP DE AGRARISCHE STRUCTUUR? ................................................................................................................... 13 2.6. WOONBESTEMMINGEN MET AGRARISCHE NEVENACTIVITEITEN..................................................... 14 4. SLOOPMETERS IN HET FUNCTIEVERANDERINGSBELEID ........................................................................ 15 3.1. SLOOPMETERS IN HET FUNCTIEVERANDERINGSBELEID ............................................................... 15 3.2. TOEPASSING SLOOPMETERS .................................................................................................... 15 3.3. FUNCTIONEREN SLOOPMETERMARKT ........................................................................................ 16 3.4.

SLOOPMETERREGISTRATIESYSTEEM GEMEENTEN ...................................................................... 17 5. PROCES FUNCTIEVERANDERING ....................................................................................................... 19 4.1. HOE FUNCTIONEERT HET PROCES VAN FUNCTIEVERANDERING? .................................................. 19 CONCLUSIE PARTIJEN ...................................................................................................................... 19 6. WAT ZIJN MOGELIJKE BIJSTELMOGELIJKHEDEN VOOR HET FUNCTIEVERANDERINGSBELEID? ................... 20 5.1. TOEPASSINGSMOGELIJKHEDEN WONEN ..................................................................................... 20 5.2. MEER MOGELIJKHEDEN MET SLOOPMETERS DOOR KWALITEITSVERBETERINGEN LANDSCHAP ......... 20 5.3. MOGELIJKHEDEN GEFASEERDE FUNCTIEVERANDERING IN HET KADER VAN FISCALITEITSPROBLEMATIEK 21 5.4. MOGELIJKHEDEN GEDEELTELIJKE FUNCTIEVERANDERING ........................................................... 22 5.5. MOGELIJKHEDEN FUNCTIEVERANDERING IN COMBINATIE MET DUURZAME ENERGIEOPWEKKING ...... 22 5.6. MOGELIJKHEDEN KWALITATIEVE BEOORDELING SLOOPLOCATIES ................................................. 23 5.7. REGELING BUITENOPSLAG BIJ BESTAANDE BEDRIJVEN ................................................................ 23 7.

UTRECHTSE GEMEENTEN ................................................................................................................. 25 6.1. PROVINCIE UTRECHT............................................................................................................... 25 6.2. GEMEENTE RENSWOUDE ......................................................................................................... 26 6.3. GEMEENTE VEENENDAAL......................................................................................................... 26 6.4. CONCLUSIE UTRECHTSE GEMEENTEN ....................................................................................... 26 8. CONCLUSIES ................................................................................................................................... 28 7.2 ONDERZOEKSVRAGEN .................................................................................................................. 28 7.2. CONCLUSIE PER DOELSTELLING .................................................................................................... 28 7.3. OVERIGE CONCLUSIES................................................................................................................... 29 9. AANBEVELINGEN ............................................................................................................................. 30 10.

BIBLIOGRAFIE............................................................................................................................. 31 GESPROKEN PERSONEN ....................................................................................................................... 31 BIJLAGEN ............................................................................................................................................. 32 1. POSITIEVE EN NEGATIEVE GEVOLGEN FUNCTIEVERANDERINGSBELEID .............................................. 32 2. POSITIEVE EN NEGATIEVE KANTEN SLOOPMETERMARKT .................................................................. 35 3. POSITIEVE EN NEGATIEVE KANTEN PROCES FUNCTIEVERANDERING ................................................. 37 4. BIJSTELMOGELIJKHEDEN FUNCTIEVERANDERINGSBELEID ................................................................ 39

6

1. Inleiding 1.1.

Aanleiding

Wekelijks stoppen er veel agrarische bedrijven met hun hun bedrijfsvoering. Naar verwachting zal tot 2030 in de Regio Foodvalley meer dan 1,6 miljoen vierkante meter aan stallen en schuren leeg komen te staan. Deze leegstand levert allerlei problemen op met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit, economische vitaliteit en leefbaarheid van het buitengebied. Maar biedt ook veel kansen voor nieuwe bedrijven, woningen, recreatie en natuurontwikkeling door middel van functieverandering, dat is omschreven in het regionale Functieveranderingsbeleid Foodvalley 2016. Het functieveranderingsbeleid heeft sinds 2008 bijgedragen aan een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze van beëindiging van agrarische bedrijven. Bij vaststelling van dit beleidsstuk in 2017 is door de betrokken gemeenteraden besloten dat de gedane aanpassingen de sloopmetermarkt en uitvoering van het beleid niet mogen verstoren. Om de eventuele gevolgen van het nieuwe beleid goed te volgen is door de gemeenteraden een amendement aangenomen om het beleidsstuk in de eerste twee jaar te monitoren. Om deze cijfers te kunnen vergelijken is gebruik gemaakt van het VAB-Alterra rapport uit 2015. Dit rapport biedt inzicht in de omvang van de vrijkomende agrarische bebouwing in regio Foodvalley en kan gebruikt worden voor het ontwikkelen van nieuwe strategieën op het gebied van VAB-problematiek (Regio Foodvalley, 2021).

1.2. Doel onderzoek De coördinatiegroep VAB die zich bezighoudt met het monitoren en aanpassen van het regionale functieveranderingsbeleid wilt het beleid evalueren om inzicht te krijgen in het functioneren van het huidige beleid en te kijken naar eventuele aanpassingsmogelijkheden om het beleid beter te laten functioneren in de toekomst. De evaluatie van het beleid wordt gebruikt als voorbereiding in het traject om te komen tot een betere beleidssynchronisatie (gezamenlijk beleid) en samenwerking met Regio Amersfoort en de Utrechtse gemeenten van regio Foodvalley.

1.3. Opbouw onderzoek Martijn Brands is door de coördinatiegroep VAB gevraagd om het regionale functieveranderingsbeleid te evalueren. In het kader van zijn stage bij de gemeente Barneveld. Het onderzoek is tot stand gekomen door het uitvoeren van een deskresearch naar de werkelijke cijfers van functieverandering in vergelijking tot de cijfers van het Alterra Rapport uit 2015 en het houden van interviews met betrokken partijen: adviesbureaus, gemeenten, provincies, LTO en de Omgevingsdienst De Vallei over de onderdelen van het functieveranderingsbeleid. In de hoofdstukken zijn de partijen opgedeeld in drie soorten: adviesbureaus, gemeenten en overige partijen. De volgende hoofd- en deelvragen zijn geformuleerd om een conclusie te geven of de doelstellingen van het functieveranderingsbeleid behaald zijn: Hoofdvraag: In hoeverre zijn de doelstellingen van het regionale functieveranderingsbeleid binnen de regio Foodvalley behaald gekeken naar de periode van 2016 tot 2020? Deelvragen Algemeen functieveranderingsbeleid 1. Wat zijn de doelstellingen van het regionale functieveranderingsbeleid 2016? 2. Hoeveel agrarische bedrijven zijn met toepassing van het functieveranderingsbeleid 2016 beëindigd? 7

3. Wat zijn de positieve en negatieve gevolgen van het functieveranderingsbeleid op de agrarische structuur in regio Foodvalley? Sloopmeters 4. Waarvoor worden sloopmeters gebruikt binnen het regionale functieveranderingsbeleid? 5. Hoe worden sloopmeters toegepast binnen de regio Foodvalley? 6. Wat is de mobiliteit van de sloopmeters? 7. Hoe functioneert de huidige sloopmetermarkt t.o.v. het bedoelde gebruik zoals beschreven in het functieveranderingsbeleid? Proces 8. Hoe functioneert het proces van functieverandering? Bijstelmogelijkheden functieveranderingsbeleid 9. Wat zijn mogelijke bijstelmogelijkheden voor het functieveranderingsbeleid? Utrechtse gemeenten Foodvalley 10. Hoe kijken Utrechtse partijen tegen mogelijke toetreding tot het regionale functieveranderingsbeleid aan?

1.4. Leeswijzer In hoofdstuk 2 Is gekeken naar de doelstellingen van het functieveranderingsbeleid, de cijfers van functieverandering per gemeente van 2012 t/m 2019 in vergelijking met het Alterra-rapport uit 2015 en zijn de positieve en negatieve gevolgen van functieverandering in kaart gebracht. In hoofdstuk 3 is de sloopmeterregeling uit het beleid uitgelicht. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de toepassing en mobiliteit van sloopmeters per gemeente en zijn de positieve en negatieve kanten van de sloopmetermarkt in kaart gebracht. In hoofdstuk 4 zijn de positieve en negatieve kanten van het proces bij functieverandering in kaart gebracht. In hoofdstuk 5 is gekeken naar verschillende beleidsaanpassingsmogelijkheden van het functieveranderingsbeleid. In hoofdstuk 6 is gekeken naar de Utrechtse gemeenten van Foodvalley, die momenteel nog geen onderdeel uitmaken van het functieveranderingsbeleid. In hoofdstuk 7 is de conclusie op hoofdvraag van dit onderzoek geformuleerd op basis van verkregen informatie uit de deskresearch en interviews met betrokken partijen. Tot slot zijn in hoofdstuk 8 aanbevelingen geformuleerd voor aanpassing van het functieveranderingsbeleid.

Figuur 1 Buitengebied Ede (Brands, 2019)

8

2. Algemeen functieveranderingsbeleid In dit hoofdstuk is gekeken naar de doelstellingen van het functieveranderingsbeleid. Hierbij wordt ingegaan op het totaal aantal functieveranderingen per gemeente in de periode 2012 t/m 2019. Deze cijfers zijn vergeleken met de cijfers uit het Alterra VAB rapport uit 2015, dat gebruikt kan worden voor het ontwikkelen van nieuwe strategieën op het gebied van VAB-problematiek. Tot slot zijn de positieve en negatieve gevolgen van het functieveranderingsbeleid in kaart gebracht, hier wordt specifiek ingegaan op wonen met agrarische nevenactiviteit.

2.1. Doelstellingen functieveranderingsbeleid Het functieveranderingsbeleid draagt sinds 2008 bij aan een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze van beëindiging van agrarische bedrijven. De verwachting is dat de komende jaren nog een groot aantal agrarische bedrijven zullen stoppen met hun agrarische bedrijfsvoering binnen regio Foodvalley. Het is daarom belangrijk om de mogelijkheden binnen het regionale functieveranderingsbeleid optimaal te benutten en te komen tot een verantwoorde inzet van vrijkomende sloopmeters in de toekomst. Het beleid heeft verschillende doelen opgesteld die hiervoor van belang zijn: ▪ ▪ ▪

▪

functieverandering moet bijdragen aan goede ruimtelijke kwaliteit en duurzaam economisch perspectief met behoud van een vitale agrarische structuur; de verbetering van ruimtelijke kwaliteit vindt naast de sloop van agrarische bebouwing tevens plaats door verbetering van publieke functies zoals landschap; het hergebruik van bestaande bebouwing voor nieuwe functies wordt gestimuleerd. Nieuwe bebouwing is mogelijk als de bestaande bebouwing van te slechte (beeld)kwaliteit is voor hergebruik; nieuwe, niet aan het buitengebied gebonden functies, worden toegestaan voor de versterking van de economische en sociale vitaliteit van het buitengebied. Uitbreiding van deze functies wordt ook mogelijk onder voorwaarden.

Figuur 2 Leegstaande agrarische bebouwing (Regio Foodvalley, 2021)

2.2. Cijfers functieverandering 2012 t/m 2019 Het functieveranderingsbeleid heeft in de periode van 2012 tot en met 2019 bijgedragen aan de overgang van ongeveer 264 agrarische bedrijven naar een nieuwe woon of niet-agrarische vervolgfunctie. Het gaat hier respectievelijk om 201 nieuwe woningen en 63 nieuwe niet-agrarische

9

bedrijven. Het is in het functieveranderingsbeleid mogelijk om meerdere woningen op locatie terug te bouwen met compenserende sloopmeters. Het aantal agrarische bedrijven dat heeft meegedaan aan functieverandering ligt in werkelijkheid lager dan het totaal aantal nieuwe vervolgfuncties. In totaal is er binnen Foodvalley ongeveer 332.079 m2 aan voormalig agrarische bebouwing gesloopt in de periode van 2012 t/m 2019. Het aantal nieuwe woonfuncties uit functieverandering zijn in Ede en Barneveld in totaal ongeveer gelijk. Het grootste verschil is dat in gemeente Ede deze woningen vooral in de periode van 2012 t/m 2016 zijn gebouwd en in gemeente Barneveld vooral in de periode van 2016 t/m 2019. Voor gemeente Barneveld geldt daarnaast dat een groot gedeelte van de totale VAB-omvang in de periode na 2015 is behaald, dit is in gemeente Ede niet het geval. Gemeente Scherpenzeel heeft in haar cijfers een grote uitschieter in 2014 in vergelijking met de overige jaren. Het is uit de cijfers lastig te bepalen of het beleid na actualisatie in 2017 slechter functioneert dan in de periode van 2012 t/m 2016. Daarnaast geven de cijfers geen inzicht in hoeveel van het totaal aantal stoppende agrariërs hebben meegedaan aan functieverandering. In tabel 1 is het overzicht van functieveranderingen binnen de verschillende gemeenten weergeven.

Disclaimer: niet alle gegevens per gemeente waren beschikbaar of volledig. Een aantal gemeenten kende jaren waarin er geen functieveranderingen waren. Het aantal functieveranderingen en nieuwe functies ligt in werkelijkheid hoger dan de cijfers doen lijken.

Tabel 1: Overzicht functieverandering per gemeente 2012 t/m 2019

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

OVERZIC HT PER GEMEEN TE TOTAAL FOODVA LLEY

Barneveld

Ede

Nijkerk

Putten

Scherpenze el

Gesloopt: 8.725 m² Woningen: 6 Niet-agrarische functies: 2 Gesloopt: 12.435 m² Woningen: 6 Niet-agrarische functies: 3 Gesloopt: 11.373 m² Woningen: 5 Niet-agrarische functies: 4

Gesloopt: 8.725m² Woningen: 5 Niet-agrarische functies: 2 Gesloopt: 16.005 m² Woningen: 11 Niet-agrarische functies: 1 Gesloopt:21.283 m² Woningen: 12 Niet-agrarische functies: 2

Gesloopt: 18.997 m² Woningen: 6 Niet-agrarische functies: 2 Gesloopt: 23.748 m² Woningen: 15 Niet-agrarische functies: 2 Gesloopt: 21.217 m² Woningen: 9 Niet-agrarische functies: 6

Gesloopt: 23.369 m² Woningen: 29 Niet-agrarische functies: 4 Gesloopt: 16.186 m² Woningen: 11 Niet-agrarische functies: 7 Gesloopt: 18.211 m² Woningen: 10 Niet-agrarische functies: 7

Gesloopt: 22.890 m² Woningen: 18 Niet-agrarische functies: 3 Gesloopt: 29.925 m² Woningen: 19 Niet-agrarische functies: 2

Gesloopt: 8.078 m² Woningen: 5 Niet-agrarische functies: 2 Gesloopt: 13.787 m² Woningen: 6 Niet-agrarische functies: 2

Gesloopt:5.606 m² Woningen: 3

Gesloopt: 18.240 m2 Woningen: 11

Gesloopt:1.034 m² Woningen: 1

Gesloopt: 5.081 m² Woningen: 3

Gesloopt:1.073 m² Niet-agrarische functies: 1

149.310 m² 84 woningen 25 Niet-agrarische functies

125.644 m² 89 woningen 27 Niet-agrarische functies

10.687 m² 6 woningen

Gesloopt: 14.168 m2 Woningen: 3 Niet-agrarische functies: 1 39.806 m2 17 woningen 1 Nietagrarische functie

Wagen ingen

Gesloopt:2.673 m2 Woningen: 2 Niet-agrarische functies: 1

Gesloopt:1.852 m² Woningen: 2 Gesloopt: 7.398 m2 Woningen: 3

6.632 m² 5 woning 2 Nietagrarische functies

332.079 m2 gesloopt 201 woningen, 63 n-a functies

10

2.3. Alterra Rapport 2015 In 2015 heeft Alterra onderzoek gedaan om meer inzicht te krijgen in de problematiek van vrijkomende agrarische bebouwing in Gelderland. De opgedane kennis uit dit onderzoek kan gebruikt worden voor het verkennen en ontwikkelen van strategieën voor hergebruik en sloop van agrarische bebouwing. De gegevens uit het Alterra rapport uit 2015 zijn gebruikt als vergelijkingsmateriaal met de cijfers die bekend zijn uit de monitoringsrapportages van functieverandering (tabel 2). De totale sloopopgave uit het Alterra rapport is berekent aan de hand van een globale rekensom. Hierbij zijn woonhuizen niet meegeteld, omdat het grootste gedeelte van vrijkomende woonhuizen bewoond zal blijven. Daarnaast is het rapport uitgegaan dat een gedeelte van de bebouwing jonger dan 2000 hergebruikt gaat worden en dat ongeveer 20% van de bebouwing hergebruikt zal worden voor niet-agrarische bedrijvigheid. Op basis van de cijfers van functieverandering kan gesteld worden dat het gemiddelde aantal m2 vrijkomende agrarische bebouwing per jaar op basis van de cijfers van functieverandering van 2012 t/m 2019 lager ligt dan het gemiddelde aantal m2 vrijkomende agrarische bebouwing per jaar op basis van het Alterra rapport.

Opvallend is dat het gemiddelde van gemeente Ede ver onder het gemiddelde op basis van het Alterra rapport zit (zie tabel 2 en 3), een reden hiervoor kan zijn dat in de periode na 2005 tot 2012 al een groot gedeelte van de stoppende agrarische bedrijven zijn overgegaan naar een nieuwe vervolgfunctie. Dit kan betekenen dat de totale omvang van de VAB lager zal uitkomen in 2030 of dat in de komende jaren door nieuwe regelingen en trends het aantal bedrijven dat meedoet aan functieverandering per jaar zal toenemen in sommige gemeenten. Gemeente Putten heeft een hoger gemiddelde op basis van de cijfers van functieverandering, dan het gemiddelde uit het Alterra rapport. Putten is dus erg goed op weg om de geschatte omvang-VAB in 2030 uit het Alterra rapport te bereiken. Voor gemeente Nijkerk is het lastig te bepalen of de geschatte omvang van de VAB uit het Alterra rapport bereikt zal worden. Dit is lastig te bepalen, omdat er weinig inzicht is in de cijfers van 2012 t/m 2019. Tabel 2: Vergelijking gemiddelde VAB (m2) Alterra rapport met werkelijk gemiddelde (m2) op basis cijfers functieverandering Gemeente Geschatte omvang Gemiddelde m2 VAB Gemiddelde m2 VAB 2 VAB (m ) 2012 t/m per jaar op basis van per jaar op basis 2030 Alterra rapport cijfers functieverandering Barneveld 402.482 m2 22.360 m2 18.662 m2 Ede

637.125 m2

35.395 m2

15.705 m2

Nijkerk

109.807 m2

6.100 m2

4.367 m2

Putten

137.364 m2

7.631 m2

13.268 m2

Scherpenzeel

14.857 m2

825 m2

1.658 m2

Wageningen

15.357 m2

853 m2

-

Totaal Gemeenten

1.164.271 m2

64.680 m2

40.392 m2

11

2.4. Deelnamepercentage functieveranderingsbeleid Op basis van de cijfers van functieverandering is een schatting gemaakt voor de totale omvang van bedrijven die hebben deelgenomen aan functieverandering in de periode van 2012 t/m 2019 (tabel 3). Deze schatting is niet gemaakt voor gemeente Barneveld en Ede, omdat deze gemeenten een volledig cijferbestand hadden voor de periode van 2012 t/m 2019. De geschatte totale omvang van bedrijven die hebben deelgenomen aan functieverandering in de periode 2012 t/m 2030 en de totale agrarische bebouwing 2012 uit het Alterra rapport 2015 zijn gebruikt om te komen tot een deelnamepercentage van functieverandering. Het deelnamepercentage geeft inzicht in hoever de verschillende gemeenten gevorderd zijn in het bereiken van de totale VAB-opgave in 2030. Een hoog deelnamepercentage betekent dat het aantrekkelijk is voor stoppende agrariërs om mee te doen aan het functieveranderingsbeleid. Uit de cijfers blijkt dat gemeenten Barneveld, Scherpenzeel en Nijkerk goed op weg zijn om te verwachtte omvang VAB in 2030 te behalen. Het deelnamepercentage van gemeente Ede ligt momenteel nog erg laag. De komende jaren zal een grote toename in deelname van functieverandering moeten plaatsvinden om de geschatte omvang VAB in 2030 te kunnen halen.

Gemeente Scherpenzeel heeft met een huidig deelnamepercentage van meer dan 44,6% al een groot gedeelte van haar geschatte VAB-omvang behaald. Het zal de komende jaren duidelijk worden of deze cijfers zullen stagneren of dat de VAB-omvang tot en met 2030 zal toenemen boven de geschatte omvang uit het Alterra rapport. Gemeente Putten heeft een zeer hoog deelnamepercentage van 77,2%, ook in vergelijking met andere gemeenten en lijkt de geschatte omvang van VAB uit het Alterra rapport al ver voor 2030 te bereiken. Een reden voor dit hoge deelnamepercentage kan komen door het hoge gemiddelde van drie jaar, dat is berekent uit de aangeleverde cijfers van functieverandering uit 2017 t/m 2019. Tabel 3: Deelname percentage functieveranderingsbeleid t.o.v. omvang VAB per gemeente 2012 t/m 2019 Gemeente

Totaal agrarische bebouwing 2012

Geschatte omvang VAB 2012 t/m 2030

Geschatte omvang bedrijven deelgenomen aan functieverand ering 2012 t/m 2019 (m2)

Resterende opgave VAB t/m 2030

Deelgen omen percent age functiev eranderi ng t.o.v. totaal agrarisc he bebouw ing 2012

Deelgenome n percentage functieveran dering op basis geschatte omvang VAB

Barneveld

1.381.320 m2

402.482 m2

149.296 m2

253.186 m2

10,8 %

37,0 %

Ede

1.676.310 m2

637.125 m2

125.624 m2

511.501 m2

7,5 %

19,7 %

Putten

504.477 m2

137.364 m2

106.149 m2

31.215 m2

21,0 %

77,2 %

Nijkerk

332.885 m2

109.807 m2

34.936 m2

67.059 m2

10,5 %

31,8 %

Scherpenzeel

103.308 m2

14.857 m2

6.632 m2

8.225 m2

6,4 %

44,6 %

Wageningen

44.886 m2

15.357 m2

-

-

-

-

Totaal Gemeenten

3.493.823 m2

1.164.271 m2

316.488 m2

839.971 m2

9,1%

27,2%

(voor gemeente Scherpenzeel is een schatting gemaakt voor 2012 t/m 2019 op basis van de aangeleverde cijfers)

12

2.5. Wat zijn de positieve en negatieve gevolgen van het functieveranderingsbeleid op de agrarische structuur? In deze paragraaf zijn de positieve en negatieve kant van het functieveranderingsbeleid weergegeven. Dit is gedaan op basis van de gesprekken die zijn gehouden met de betrokken partijen. Voor het overzicht zijn de verschillende partijen opgedeeld in drieën: adviesbureaus, gemeenten en overige partijen. In de bronnenlijst is een volledige lijst opgenomen van gesproken personen. In bijlage 1 is de volledige tabel van interviewuitwerkingen weergegeven. Adviesbureaus: Positief over het gebruik en uitkomst van het beleid. Negatief over de uitvoering van het beleid, zonering van vervolgfuncties en functieverandering voor woonbestemmingen met agrarische nevenactiviteit. Overige organisaties: Positief over de vele mogelijkheden en uitkomst van het beleid. Negatief over de zonering van vervolgfuncties en uitgesloten groepen bij functieverandering. Gemeenten: Positief over de uitkomst en vele mogelijkheden van het beleid. Negatief over zonering van vervolgfuncties, mogelijkheden voor kleine agrarische bedrijven en communicatie richting inwoners. Conclusie partijen

Over het algemeen zijn de gesproken partijen positief over het functieveranderingsbeleid. Het functieveranderingsbeleid biedt agrariërs de mogelijkheid om over te gaan tot een nieuw verdienmodel en/of biedt een beëindiging van hun agrarisch bedrijf. Deze nieuwe functies leiden tot het tegengaan van verloedering van het landelijk gebied en gaan daarnaast ondermijning tegen. Nieuwe vervolgfuncties zorgen dat het landelijk gebied vitaal blijft met nieuwe bedrijfsvormen. Partijen zien echter ook negatieve gevolgen. Nieuwe woonfuncties zorgen voor het ontstaan van wooneilandjes in het buitengebied, wat men niet altijd ten goede vindt komen aan de kwaliteit en leefbaarheid van een buurt. Doordat het momenteel onvoldoende aantrekkelijk is om woningen aan de dorpsranden of buurtschappen terug te bouwen bij functieverandering wordt vaak gekozen voor ontwikkelingen op de oorspronkelijke locatie van functieverandering. Daarnaast zorgen niet-agrarische vervolgfuncties voor problemen. Niet-agrarische bedrijven kunnen uitgroeien tot grote bedrijven met het functieveranderingsbeleid. Dit maakt het lastig om deze bedrijven naar een bedrijventerrein te verplaatsen als deze te groot worden. Deze bedrijven voegen vaak geen ruimtelijke kwaliteit toe aan een gebied. Zonering van functies is belangrijk en wordt nog onvoldoende gedaan binnen de betrokken gemeenten vinden de partijen.

Er zou meer onderscheid moeten komen tussen bestaande agrarische bedrijven en nieuwe niet-agrarische functies. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de bestaande kernen in het buitengebied worden versterkt en zich richten om de agrarische gebieden zoveel mogelijk intact te houden. Dit levert positieve effecten op het gebied van leefbaarheid in de kernen en/of buurtschappen. Tot slot wordt het functieveranderingsbeleid soms als onduidelijk ervaren, omdat er binnen de verschillende gemeenten van Foodvalley gekozen wordt voor een eigen invulling van de bestaande regels.

13

2.6. Woonbestemmingen met agrarische nevenactiviteiten In gesprekken met de gesproken partijen wordt vaak aangegeven dat het huidige functieveranderingsbeleid momenteel te weinig biedt voor kleine agrarische bedrijven om over te gaan op een woonfunctie en/of bedrijfsfunctie. Omdat dit onderwerp vaak terugkwam in de gesprekken met de gesproken partijen, is besloten om dit in een apart hoofdstuk te behandelen. De werkelijke situatie op deze bedrijven is vaak dat er nauwelijks meer dieren op dit soort bedrijven aanwezig zijn, maar dit wel op de vergunning staan. Het zou wenselijk zijn om kleine agrarische bedrijven over te laten gaan op functieverandering, zodat er extra milieutechnische en ruimtelijke winst behaald kan worden in het buitengebied. Er wordt aangegeven door partijen dat functieverandering momenteel niet aantrekkelijk is voor kleinere agrarische bedrijven die onder het benodigd aantal meters zitten voor toevoeging van een woning. De reden hiervoor is dat de kosten van functieverandering hoog zijn (o.a. onderzoeken en sloopkosten) en de doorlooptijd van het proces lang duurt. Daarnaast is het voor dit niet wenselijk om een groot gedeelte van hun bedrijfsbebouwing te laten slopen om te komen tot de maximale omvang van bijgebouwen zoals beschreven in het functieveranderingsbeleid. De opbrengst staat niet in verhouding tot te maken kosten en tijd.

Ook is aangegeven dat dit soort bedrijven misschien geen financiële noodzaak hebben om over te gaan op functieverandering met hun bedrijf. Gemeente Ede is bezig met het verkennen van de mogelijkheden voor een project om kleinschalige agrarische bedrijven om te zetten naar een woonbestemming. Uitgangspunt is dat de aanwezige bebouwing onder overgangsrecht wordt gebracht en hierdoor over een tijd wordt opgeruimd.

14

3. Sloopmeters functieveranderingsbeleid In dit hoofdstuk is gekeken naar sloopmeters en de sloopmetermarkt. Hierbij wordt ingegaan op de rol van sloopmeters in het functieveranderingsbeleid en is gekeken naar de inzet van sloopmeters per gemeente voor de jaren 2018 en 2019. Daarnaast zijn de positieve en negatieve kanten van de sloopmetermarkt in kaart gebracht. Tot slot wordt ingegaan op de sloopmeterregistratie van de deelnemende gemeenten. Het totale overzicht van de inzet van sloopmeters is in tabel 4 weergegeven.

3.1. Sloopmeters in het functieveranderingsbeleid Sloopmeters vormen een belangrijk onderdeel van het regionale functieveranderingsbeleid. Bij een stoppend agrarisch bedrijf is het mogelijk om gesloopte bedrijfsmeters te verkopen of in te zetten voor nieuwe vervolgfuncties op eigen of andere locaties. De sloopmeters worden eerst door middel van afroming omgezet naar inzetbare sloopmeters, waarna de sloopmeters vrij inzetbaar zijn binnen de gemeentegrenzen van deelnemende gemeenten. Om te zorgen dat sloopmeters niet meerdere keren kunnen worden ingezet voor ontwikkelingen moeten de deelnemende gemeenten een helder overzicht houden (sloopmeterregistratiesysteem). Het sloopmeterregistratiesysteem geeft overzicht op welke locaties gesloopt is en op welke locaties sloopmeters zijn ingezet.

3.2. Toepassing sloopmeters Inzet sloopmeters voor vervolgfuncties wonen en niet-agarisch Op basis van de cijfers in de monitoringsrapportage van 2018 en 2019 is de totale inzet van sloopmeters per gemeente berekend. Op basis van de gegevens is de verdeling van inzet sloopmeters voor de vervolgfuncties van wonen en niet-agrarische bedrijven berekend. In alle gemeentes wordt het grootste gedeelte van sloopmeters ingezet voor woonfuncties t.o.v. de nietagrarische mogelijkheden. Uitzondering hierop is gemeente Scherpenzeel waarin in de jaren 2018 en 2019 sprake is van evenwicht tussen beide functies. Meest gebruikte mogelijkheden van sloopmeters De sloopmeters voor wonen worden voornamelijk ingezet voor het toevoegen van een woning, grotere inhoud van woningen en het vergroten van bijgebouwen. Bij de niet-agrarische mogelijkheden is dit vooral het toevoegen van een bedrijfsbestemming en het vergroten van bestaande bedrijven. Hergebruik van bestaande bebouwing bij functieverandering naar niet-agrarische functies Bij functieverandering naar niet-agrarische bedrijven is gekeken in hoeveel gevallen gebruik is gemaakt van bestaande bedrijfsbebouwing. Enkel bij gemeente Barneveld is bij functieverandering gebruik gemaakt van bestaande bedrijfsbebouwing in de jaren 2018 en 2019. Dit komt vooral voor bij legalisatiezaken en bij toevoeging van een bedrijf bij een burgerwoning.

Inzet van sloopmeters op eigen locatie t.o.v. andere locaties Een groot gedeelte van de sloopmeters wordt ingezet voor mogelijkheden binnen het functieveranderingsbeleid op eigen locatie. Wel ligt het aantal gevallen waar geen sloopmeters worden gebruikt van eigen locaties even hoog. In gemeente Ede ligt het aantal gevallen waar sloopmeters op eigen locatie worden ingezet hoger dan de inzet van sloopmeters die uitsluitend van andere locaties komen. In gemeente Nijkerk is dit andersom en worden meer sloopmeters ingezet uitsluitend van andere locaties t.o.v. sloopmeters die afkomstig zijn van eigen locaties. Inzet sloopmeters eigen gemeente t.o.v. andere gemeente en grootste leverancier sloopmeters Per gemeente is gekeken naar de inzet van sloopmeters die afkomstig zijn uit eigen gemeente tegenover sloopmeters die afkomstig zijn van andere gemeente. In gemeente Scherpenzeel worden in verhouding meer sloopmeters ingezet afkomstig uit andere gemeente. Voor de sloopmeters die afkomstig zijn uit andere gemeenten is per gemeente bepaald welke gemeente de grootste leverancier is van sloopmeters. Dit zijn voornamelijk gemeente Ede en gemeente 15

Barneveld. Echter is in gemeente Barneveld een groot gedeelte van de sloopmeters afkomstig vanuit gemeente Nijkerk. Tabel 4: overzicht inzet sloopmeters per gemeente (2018/2019) Gemeente

Ingezette sloopmeters (m2)

Inzet sloopmeters vervolgfuncties wonen/nietagrarisch

Gevallen gebruik bestaande bedrijfsbebouwing bij functieverandering naar niet-agrarisch (m.u.v. bedrijfswoning) 5 gevallen

Inzet sloopmeters eigen locatie t.o.v. andere locatie

Inzet sloopmeters eigen gemeente t.o.v. andere gemeente

Grootste leverancier sloopmeters andere gemeente

Barneveld

52.815 m2 ingezet

Wonen: 41.862 m2 Niet-Agrarisch 10.813 m2 Overig: 140 m2

Eigen locatie: 32 gevallen Andere locatie: 34 gevallen

Eigen gemeente: 42.137 m2 Andere gemeente: 10.574 m2

Gemeente Ede/Nijkerk

Ede

21.865 m2 ingezet

Wonen: 19.125 m2 Niet-Agrarisch 1.740 m2 Overig: 1.000 m2

0 gevallen

Eigen locatie: 19 gevallen Andere locatie: 11 gevallen

Gemeente Barneveld

10.687 m2 ingezet

Wonen: 8.404 m2 Niet-Agrarisch 330 m2

0 gevallen

Eigen locatie: 9 gevallen Andere locatie: 14 gevallen

Putten

32.408 m2 ingezet

Wonen: 31.701 m2 Niet-Agrarisch 707m2

1 geval

Eigen locatie: 16 gevallen Andere locatie: 14 gevallen

Scherpenzeel

2.107 m2 ingezet

Wonen: 1.034 m2 Niet-Agrarisch 1.073 m2

0 gevallen

Eigen locatie: 2 gevallen Andere locatie: 0 gevallen

Wageningen

-

-

-

-

Eigen gemeente: 20.989 m2 Andere gemeente: 876 m2 Eigen gemeente: 8.046 m2 Andere gemeente: 2.688 m2 Eigen gemeente: 25.552 m2 Andere gemeente: 6.856 m2 Eigen gemeente: 1.483 m2 Andere gemeente: 624 m2 -

Nijkerk

Gemeente Barneveld

Gemeente Barneveld

Gemeente Ede

-

3.3. Functioneren sloopmetermarkt In deze paragraaf zijn de positieve en negatieve kanten van de sloopmetermarkt weergegeven. Dit is gedaan op basis van de gesprekken die zijn gehouden met de betrokken partijen. In bijlage 2 is de volledige tabel van interviewuitwerkingen weergegeven. Adviesbureaus: Positief over de grootte regio van de sloopmetermarkt, de mogelijkheden en vraag naar sloopmeters en het sloopmeterregistratiesysteem. Negatief over de locatie van inzet. Overige organisaties: Positief over de hoge prijs en vraag naar sloopmeters. Negatief over de prijs en huidige krapte van sloopmeters. Gemeenten: Positief over de vrije marktwerking en afstemming tussen partijen. Negatief over het kleine aantal handelaren en communicatie over sloopmeters. Conclusie partijen

De sloopmetermarkt wordt als positief ervaren door de gesproken partijen. De regionale aanpak, transparantie en de flexibiliteit van uitwisseling van sloopmeters tussen betrokken gemeenten worden als sterke punten van de sloopmetermarkt aangedragen. Het contact tussen gemeenten en adviesbureaus verloopt goed. Dit geldt ook voor de vele mogelijkheden waarvoor sloopmeters kunnen worden ingezet. De sloopmeterprijs ligt momenteel hoog. Dit maakt het aantrekkelijker 16

om voor agrariërs om mee te doen aan functieverandering. Tevens is er veel behoefte aan sloopmeters in de particuliere bouw van het buitengebied, de vraag naar sloopmeters is groot. Als negatief wordt het kleine aantal handelaren van sloopmeters aangegeven. Het kleine aantal handelaren wordt als mogelijk risico gezien voor de prijs van sloopmeters en transparante werking van de markt. Een hoge prijs maakt het lastig voor nieuwe initiatieven die een positieve bijdrage kunnen leveren aan het buitengebied om financieel haalbaar te worden. Enkele partijen geven aan dat sloopmeters vaak niet worden ingezet op locaties die hiervoor het meest geschikt zijn, zoals locaties aan dorpsranden en buurtschappen. Locaties die worden aangedragen vanuit initiatiefnemers worden vaak afgekeurd door gemeenten, omdat de functieverandering niet persé zorgt voor een kwaliteitsverbetering op de nieuwe locatie. Hierdoor kan niet de meest optimale kwaliteitsverbetering worden behaald met functieverandering, terwijl het beleid dit wel wilt stimuleren. In de toekomst is het mogelijk dat regelingen vanuit de overheid het aanbod van sloopmeters doen stijgen. Deze regelingen kunnen een impact hebben op het aanbod van sloopmeters in de betrokken gemeenten, waardoor de prijs van sloopmeters mogelijk zal dalen.

Het zal in de toekomst duidelijker worden wat deze regelingen voor impact gaan hebben op de sloopmetermarkt. Als bedreiging voor de sloopmetermarkt wordt door een deel van de geïnterviewden gezien dat het aanbod van sloopmeters mogelijk kunstmatig laag wordt gehouden, zodat de prijs van sloopmeters hoog blijft. Dit heeft een nadelig effect voor de vrije marktwerking en transparantie van de sloopmetermarkt.

3.4. Sloopmeterregistratiesysteem gemeenten In de gesprekken met deelnemende gemeenten is gevraagd naar de ervaringen van het huidige sloopmeterregistratiesysteem en de mogelijkheid tot digitalisering in de toekomst. Het sloopmetersysteem vormt een cruciaal onderdeel in de werking van het functieveranderingsbeleid en geeft duidelijkheid over inzet van sloopmeters over de betrokken gemeenten. ▪

Gemeente Barneveld Het sloopmeterregistratiesysteem wordt goed bijgehouden en biedt enerzijds inzicht in de ontwikkellocaties met de betreffende ontwikkeling en de benodigde sloopcompensatie. Anderzijds biedt het inzicht in de slooplocaties met de aantallen in te zetten sloopmeters. Ook worden de sloopmeterovereenkomsten geregistreerd voor het inzicht over het aantal verhandelde sloopmeters en de prijs per meter. De afstemming met andere gemeenten gaat goed. Voor een goed functionerend systeem is het van belang dat alle gemeenten op dezelfde manier en consequent de gegevens verwerken en bijhouden. Dit komt het overzicht van functieverandering in de regio ten goede. Wanneer het op deze manier wordt gedaan is een centraal sloopmeterregistratiesysteem bij een externe organisatie niet nodig.

▪

Gemeente Ede Het Sloopmeterregistratiesysteem wordt goed bijgehouden. Het systeem is foutgevoelig, voornamelijk voor de kleinere gemeenten die hier minder mee te maken hebben of als deze werkzaamheden worden overgedragen aan nieuwe collega’s.

▪

Gemeente Nijkerk De registratie van sloopmeters is binnen gemeente Nijkerk goed geregeld. De registratie van de wijze waarop sloopmeters worden ingezet is momenteel onvoldoende inzichtelijk. Dit kan worden verbeterd door de registratie van de inzet als vast onderdeel te verankeren in de werkprocessen. Dit is belangrijk voor het functieveranderingsbeleid, om een duidelijk beeld te krijgen welke onderdelen van het beleid vaak worden gebruikt en welke onderdelen aangepast moeten worden in de toekomst. 17

▪

Gemeente Putten Het sloopmeterregistratiesysteem is erg uitgebreid, er moeten veel zaken worden ingevuld. In de praktijk wordt het systeem niet altijd goed ingevuld. Binnen gemeente Putten is een enorme verbetering mogelijk om het sloopmeterregisratiesysteem beter te kunnen benutten. Dit is momenteel niet goed geborgd binnen de organisatie van gemeente Putten. Het digitaliseren van het sloopmeterregisratiesysteem kan hiervoor een oplossing zijn. Dit maakt de situatie van andere gemeenten inzichtelijker en is minder foutgevoelig

▪

Gemeente Scherpenzeel Het sloopmeterregistratie systeem is duidelijk te gebruiken, ook omdat er weinig functieveranderingen zijn binnen gemeente Scherpenzeel. Het ontbreekt aan het inzicht in de sloopmeterregistratie van andere gemeenten. Voor verdere professionalisering zou digitalisering van het sloopmeterregistratiesysteem een mogelijkheid kunnen zijn om meer data van functieverandering te verkrijgen. Het is wel belangrijk om te kijken of de opbrengsten van een digitaal systeem opwegen tegen de kosten van een digitaal systeem.

▪

Gemeente Wageningen Wageningen houdt momenteel geen sloopmeterregistratiesysteem bij, vanwege het zeer lage aantal functieveranderingen per jaar.

18

4. Proces functieverandering 4.1. Hoe functioneert het proces van functieverandering? In dit hoofdstuk zijn de positieve en negatieve kanten van het functieveranderingsproces weergegeven. Dit is gedaan op basis van de gesprekken die zijn gehouden met de betrokken partijen. In bijlage 3 is de volledige tabel van interviewuitwerkingen per partij over het proces van functieverandering weergegeven. Adviesbureaus: Positief over de afstemming tussen de betrokken partijen. Negatief over de doorlooptijd van processen en vooroverleggen. Overige organisaties: Positief over plattelandcoaches om agrariërs eerder over te laten gaan op functieverandering. Negatief tegenover uitvoering en afstemming tussen beleidsmakers en handhaving. Gemeenten: Positief over de afstemming tussen de betrokken partijen. Negatief over de doorlooptijd van processen en consequente behandeling van initiatieven. Conclusie Partijen

Als positief wordt de afstemming, communicatie en samenwerking tussen de betrokken partijen gezien. Doordat het beleid over de jaren grotendeels hetzelfde is gebleven weet iedereen waar hij aan toe is binnen het proces. Het beleid en proces zitten helder in elkaar en de stappen volgen elkaar logisch op. Als negatief wordt de lange procesduur aangegeven. Een proces van functieverandering neemt veel tijd in beslag en de advisering van disciplines is vaak erg uitgebreid. Doordat het proces lang duurt komt het voor dat initiatiefnemers lang moeten wachten om duidelijkheid te krijgen in de haalbaarheid van hun ontwikkeling. Dit wordt als erg negatief ervaren. Tevens wordt aangegeven dat de tijd tussen de verschillende stappen van functieverandering te lang duurt (stroperig proces). Bij dit punt is aangeven dat het belangrijk is om juristen meer verantwoordelijkheid te geven in het proces om verrommeling in het proces te voorkomen. Tot slot is het belangrijk dat er goede afstemming is tussen beleidsmakers en handhaving om mogelijke problemen met ontwikkelingen vroegtijdig in kaart te brengen en elkaar vroegtijdig te voorzien van input.

Figuur 3 Agrarische bebouwing in Voorthuizen (Funda, 2021)

19

5. Wat zijn mogelijke bijstelmogelijkheden voor het functieveranderingsbeleid? In het kader van vernieuwing is in de evaluatie van het functieveranderingsbeleid ook gekeken naar aanpassingsmogelijkheden voor het huidige beleid die momenteel niet mogelijk zijn. Per aangedragen bijstelmogelijkheid is de mening van de gesproken partijen weergeven per onderwerp. In bijlage 4 zijn de meningen van de gesproken partijen op de mogelijke bijstelmogelijkheden van het functieveranderingsbeleid weergegeven.

5.1. Toepassingsmogelijkheden wonen Het huidige functieveranderingsbeleid stuurt op de bouw van grote vrijstaande of twee- onder een kap woningen bij functieverandering. Een mogelijke beleidsaanpassing is het toestaan van andere soorten woningen zoals rijwoningen of andere gebiedspassende vorm. Hieronder zijn de meningen van de gesproken partijen over deze bijstelmogelijkheid weergegeven. Adviesbureaus: Positief over het toestaan van meer mogelijkheden voor de lokale woningmarkt en de bouw van kleinere woningen. De locatie en vermindering van het woonrecht is belangrijk bij het toevoegen van deze beleidsmogelijkheid. Overige organisaties: Positief over het toestaan van meer mogelijkheden voor wonen. Locatie is belangrijk. In het verleden is een soortgelijke regeling onvoldoende gebruikt. Daarnaast is het een risico dat woningen worden uitgebouwd van goedkoop tot duursegment. Gemeenten: Positief over het toestaan van meer soorten woningen, vooral van het goedkopere segment. Locatie en uitstraling zijn bepalend in het toestaan van deze regeling. Conclusie Partijen

De gesproken partijen kijken positief tegen het toevoegen van meer mogelijkheden voor wonen aan. Het is belangrijk dat bij deze regeling naar de lokale woningmarkt wordt gekeken, zodat het juiste soort woningen kan worden toegevoegd aan het buitengebied. Het toevoegen van woningen is niet op elke locatie wenselijk en zou daarom bij uitstek enkel mogelijk moeten zijn als versterking van de buurtschappen en/of aan de dorpsranden in combinatie met correcte vormgeving. Deze mogelijkheid zal alleen financieel aantrekkelijk zijn als het woningrecht voor kleinere specifieke woningen wordt verlaagd van bijvoorbeeld 300 m2 naar 200 m2. Tot slot is het belangrijk om te controleren dat deze beleidsmogelijkheid ruimtelijk wenselijk is en niet een negatief effect heeft op lokale woningmarkt. Een mogelijke koppelkans voor deze beleidsmogelijkheid zijn particuliere collectieven, waarbij meerdere woningen kunnen worden geplaatst door particulieren die betrokken zijn bij de planontwikkeling.

5.2. Meer mogelijkheden met sloopmeters door kwaliteitsverbeteringen landschap Het huidige functieveranderingsbeleid kent momenteel geen standaard regeling voor het verlagen van het benodigd aantal sloopmeters bij ontwikkelingen in combinatie met het vragen van een kwaliteitsverbetering aan het landschap. Hieronder zijn de meningen van de gesproken partijen over deze bijstelmogelijkheid weergegeven. Adviesbureaus: Positief over deze beleidsmogelijkheid in combinatie met participatie. Belangrijk te kijken naar toekomstbestendig van deze regeling, zonder te doen aan kapitaalvernietiging door agrarische bestemmingen op te heffen naar een natuurbestemming. Ook moet een dusdanige regeling de agrarische sector niet belemmeren. Overige organisaties: Positief over het toestaan van meer mogelijkheden voor toevoeging van landschappelijke kwaliteit. Het is wel belangrijk om te kijken of deze mogelijkheid wel voor een verbetering van landschappelijke kwaliteit zorgt. Daarnaast is uitvoering en handhaving een 20

belangrijk aspect. Gemeenten: Positief over deze beleidsmogelijkheid in het kader van flexibiliteit en kwaliteitsverbeteringen. Belangrijk is dat sloopmeters het uitgangspunt blijven. Uitvoering en beoordeling zijn een groot risico voor het toevoegen van deze mogelijkheid. Conclusie partijen

De gesproken partijen kijken positief aan tegen deze regeling, maar zien ook veel potentiële problemen ontstaan op het gebied van uitvoerbaarheid en beoordeling. Deze beleidsmogelijkheid biedt kansen op het toevoegen van extra kwaliteitswinst naast de kwaliteitswinst die wordt behaald met functieverandering en landschappelijke inpassingen. Met een soortgelijke regeling wordt al geëxperimenteerd, dit project kan als pilot worden gebruikt om te evalueren of dit een positieve bijdrage kan leveren aan kwaliteitsverbetering en niet ten koste gaat van de uitgangspunten van functieverandering. Een belangrijk aspect is dat goed moet worden gekeken naar de toekomstbestendigheid en uitvoerbaarheid van een zodanige regeling. Hier kan buurtparticipatie een belangrijke rol in spelen. Ook speelt de beoordeling van het initiatief een belangrijk rol; wanneer is een kwaliteitsverbetering groot/goed genoeg om te compenseren voor het aantal ontbrekende sloopmeters? Dit maakt het lastig, zo schatten partijen in, om een duidelijke, concrete regeling op te kunnen nemen in het functieveranderingsbeleid zonder de toepassing van maatwerk.

5.3. Mogelijkheden gefaseerde functieverandering in het kader van fiscaliteitsproblematiek Het huidige functieveranderingsbeleid gaat uit van complete bedrijfsbeëindiging bij functieverandering. Het zou wenselijk zijn om in de toekomst een beleidsmogelijkheid toe te voegen, waarbij agrarische ondernemers stapsgewijs(afsterfconstructie) hun agrarische bedrijfsvoering kunnen beëindigen. Hieronder zijn de meningen van de gesproken partijen over deze bijstelmogelijkheid weergegeven. Adviesbureaus: Negatief over het toevoegen van deze beleidsmogelijkheid. Vooral juridische borging en financierbaarheid van deze mogelijkheid zijn belangrijk. Gezien de behoefte vanuit de markt voor deze mogelijkheid zou het wenselijk zijn om een pilot te houden. Overige organisaties: Positief over het toevoegen van deze beleidsmogelijkheid. Het is een goede eerste stap richting complete bedrijfsbeëindiging en zorgt dat agrariërs op tijd worden gestimuleerd om te stoppen met hun bedrijf. Gemeenten: Positief tegenover deze beleidsmogelijkheid om milieutechnische en ruimtelijke winst te behalen. Wel hebben gemeenten zorgen over de mogelijkheden van sloopmeters en optie tot terugbouw. Conclusie partijen

De gesproken partijen kijken verdeeld aan tegen het toevoegen van deze beleidsmogelijkheid aan. Als belangrijke reden om gefaseerde functieverandering toe te voegen aan het functieveranderingsbeleid wordt de behoefte vanuit de markt aangevoerd. Deze beleidsmogelijkheid biedt kansen om meer ruimtelijke en milieutechnische winst te krijgen met functieverandering en biedt een soepelere overgang naar complete bedrijfsbeëindiging. Een belangrijk aspect in deze mogelijkheid is de omgang met agrarische ondernemers die te lang zijn doorgegaan met hun bedrijf en niet de financiële mogelijkheden meer hebben om gebruik te maken van een zodanige regeling. Daarnaast moet juridisch goed worden geborgd dat terugbouw niet mogelijk wordt op de slooplocatie, zodat de kwaliteitswinst van functieverandering behouden kan worden. Het zou niet mogelijk moeten zijn als één diertak wordt afgestoten, de agrarisch ondernemer vervolgens de andere diertak uitbreid. Misbruik van een zodanige regeling moet worden voorkomen. 21

Aangegeven wordt dat het een oplossing kan zijn de sloopmeters te bevriezen tot na de complete bedrijfsbeëindiging om misbruik van deze regeling te voorkomen. Een experiment kan een middel zijn om te evalueren of het toevoegen van deze regeling werkt in de praktijk. Tot slot is het belangrijk om ook de mogelijkheid tot afzien van deze mogelijkheid in te bouwen in deze regeling. Functieverandering is een langdurig emotioneel proces.

5.4. Mogelijkheden gedeeltelijke functieverandering Het huidige functieveranderingsbeleid gaat uit van complete bedrijfsbeëindiging bij functieverandering. Het zou wenselijk zijn om in de toekomst een regeling toe te voegen waarbij agrarische bedrijven een gedeelte van hun bedrijfsvoering kunnen beëindigen (afstoten diertak) en verder kunnen gaan met de overige diertak van hun bedrijf zonder volledig te stoppen met de agrarische bedrijfsvoering. Hieronder zijn de meningen van de gesproken partijen over deze bijstelmogelijkheid weergegeven. Adviesbureaus: Positief over deze beleidsmogelijkheid, vanwege de behoefte vanuit de markt. Juridische borging dat er niet kan worden teruggebouwd of kan worden uitgebreid met de resterende activiteiten is belangrijk bij het toevoegen van een dusdanige regeling. Overige organisaties: Positief over deze beleidsmogelijkheid, vanwege de behoefte vanuit de markt. Ook draagt deze mogelijkheid bij om verrommeling van het landschap tegen te gaan. Gemeenten: Positief over deze beleidsmogelijkheid voor sommige situaties en percelen met meerdere eigenaren. Juridische borging voor terugbouw en de omgang met sloopmeters is belangrijk bij deze beleidsmogelijkheid. Conclusie partijen

De gesproken partijen kijken positief tegen het toevoegen van deze beleidsmogelijkheid aan. Twijfel zit bij de toekomstbestendige borging dat niet kan worden teruggebouwd op de slooplocatie. Een belangrijke reden om voor gedeeltelijke functieverandering te kiezen is de behoefte vanuit de markt voor het toevoegen van deze mogelijkheid. Net zoals gefaseerde functieverandering heeft gedeeltelijke functieverandering milieutechnische en ruimtelijke kwaliteitswinst. Juridisch moet goed geborgd worden dat terugbouw niet mogelijk wordt op de slooplocatie, zodat de kwaliteitswinst van functieverandering behouden kan worden. Tot slot moet bekeken worden wat de mogelijkheden worden voor de sloopmeters die ontstaan bij sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing.

5.5. Mogelijkheden functieverandering in combinatie met duurzame energieopwekking Het huidige functieveranderingsbeleid heeft geen mogelijkheid van functieverandering naar een duurzame energie functie. Dan wel in combinatie met een andere functie. Gevraagd is naar de mogelijkheden om duurzame energie te koppelen aan het functieveranderingsbeleid. Hieronder zijn de meningen van de gesproken partijen over deze bijstelmogelijkheid weergegeven. Adviesbureaus: Negatief over het toevoegen van deze beleidsmogelijkheid. Huidige regelingen vanuit de overheid bieden genoeg mogelijkheden en de inzet van landbouwgrond voor zonnevelden is onwenselijk. Overige organisaties: Negatief over het toevoegen van deze beleidsmogelijkheid. De agrarische sector is meer gebaat voor meer mogelijkheden van kleine windmolens. Gemeenten: Negatief over het toevoegen van deze beleidsmogelijkheid. Duurzaamheid is een politiek gevoelig onderwerp en zou niet aan functieverandering gekoppeld moeten worden.

22

Conclusie partijen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10671126/2