Bijlage 6a Adviezen Omgevingsdienst
Tekst van het document
QUICKSCAN ROM Aan T.a.v. Onderwerp Adviseur ROM Telefoon Datum Kenmerk
Gemeente Renswoude M. Wentzel Quickscan ROM en beoordeling ecologie Oude Holleweg 44 te Renswoude; Sloop opstallen en bouw schuurwoning met bijgebouw J. Schoneveld 088 – 022 5000 26 september 2025 Z-2025-115809 / D2025-00115277
Inleiding De gemeente Renswoude heeft een vooroverlegverzoek ontvangen voor het wijzigen van het omgevingsplan ter plaatse van het perceel Oude Holleweg 44 en 42a in Renswoude. Voor het initiatief wordt een TAM-omgevingsplan voorbereid. Op dit moment zijn op de projectlocatie een varkenshouderij en twee bedrijfswoningen gevestigd. Initiatiefnemer is voornemens om de veehouderij te beëindigen en het gebruik van de gronden te wijzigen van agrarisch naar wonen. De twee bestaande bedrijfswoningen worden daarbij omgezet naar (burger)woningen. Daarnaast is sloop van een groot deel van de agrarische opstallen beoogd. Gebruikmakend van de ruimte-voor-ruimte regeling, is hier een nieuw bouwkavel beoogd voor een extra woning van ca. 800 m3. De gemeente heeft ons gevraagd om voor de beoogde ontwikkeling een quickscan Ruimtelijke Ordening en Milieu (ROM) uit te voeren en het ecologisch onderzoek te beoordelen. Deze quickscan geeft een eerste indicatie van mogelijke belemmeringen en geeft informatie over uit te voeren onderzoeken. Op basis van deze quickscan kan niet worden uitgesloten dat er nog andere onderzoeksverplichtingen of belemmeringen zijn. Hieronder is de quickscan in tabelvorm opgenomen, na de tabel is de beoordeling van ecologie opgenomen. Onlangs is ook een akoestisch onderzoek ter beoordeling aan ons voorgelegd. De beoordeling hiervan wordt op een later moment toegezonden.
Quickscan Thema Bodem
Opmerkingen en/of belemmeringen Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten wordt bovendien aangemerkt als bodemgevoelige locatie. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein (bijv. de tuin of erf) direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Het initiatief voorziet in de realisatie van bodemgevoelige gebouwen en locaties (woningen met tuin/erf). Uit de indicatieve bodemkaarten van de ODRU (zie hiernavolgende figuur) blijkt dat een ondergrondse of bovengrondse tank op het perceel aanwezig is en sprake is van een voormalige boomgaard en slootdempingen. Om uit te wijzen of de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik, moet minimaal een voorafgaand bodemonderzoek worden uitgevoerd, te beginnen met een historisch vooronderzoek NEN5725. Op basis hiervan wordt bepaald of verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) nodig is.
Pagina 1 van 7 Versie 1
Conclusie: ➢ Een vooronderzoek bodem conform NEN5725 is nodig. Afhankelijk van de resultaten kan ook verkennend bodemonderzoek NEN 5740 nodig zijn.
Figuur 1: Ondergrondse of bovengrondse tanks (weergegeven met blauwe driehoek), boomgaarden (groen uitgelicht) en slootdempingen (blauwe lijnen) ter plaatse van de projectlocatie (bron: Geoportaal ODRU) Archeologie
Op de archeologische beleidskaart Renswoude-Woudenberg valt het plangebied hoofdzakelijk in archeologisch waardevol gebied categorie 3, vanwege cultuurhistorische elementen. Voor categorie 3 (rood in onderstaande figuur) geldt dat bouwwerken met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2 en niet dieper dan 30 cm onder maaiveld zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Uit de aangeleverde stukken is niet duidelijk waar graafwerkzaamheden plaatsvinden en tot welke diepte. Als de grenswaarden worden overschreden, is archeologisch onderzoek nodig. Vermoedelijk is dit aan de orde bij de nieuw te realiseren woning met bijgebouw. Voor de te slopen opstallen is het de vraag of de gronden dieper worden geroerd dan in het verleden reeds het geval is geweest. Op basis van aanvullende informatie over het oppervlak en de diepte van beoogde graafwerkzaamheden, kan worden bepaald of archeologisch onderzoek nodig is. Conclusie: ➢ De projectlocatie is aangewezen als archeologisch waardevol gebied categorie 3. ➢ Afhankelijk van de omvang en diepte van de beoogde werkzaamheden, kan archeologisch onderzoek nodig zijn (meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm-mv).
Pagina 2 van 7 Versie 1
Figuur 2: Archeologische beleidskaart Renswoude-Woudenberg (bron: Boshoven e.a. 2010) Geluid - verkeer
Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen. Omliggende wegen veroorzaken naar verwachting geluidniveaus boven de standaardwaarde op delen van het plangebied. Dit is gebaseerd op onze indicatieve geluidscontouren kaart, in onderstaande figuur is een uitsnede opgenomen. Op basis hiervan is het dan ook nodig om akoestisch onderzoek uit te voeren om de geluidsbelasting op de gevel van de beoogde woningen te bepalen. Voor verkeersgeluid geldt onder de Omgevingswet dat de geluidbelasting veroorzaakt door gemeentelijke wegen op een geluidgevoelig gebouw moet worden getoetst aan de standaardwaarde van 53 dB. De projectlocatie ligt niet binnen het aandachtsgebied geluid rijkswegen (RWS, 2025). Onlangs is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai ter beoordeling aan ons voorgelegd. De beoordeling hiervan volgt op een later moment. Conclusie: ➢ Akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai is nodig. Dit onderzoek is onlangs aangeleverd en wordt op dit moment door ons beoordeeld.
Figuur 3: Indicatieve geluidbelasting ter plaatse van projectlocatie (bron: Geluidscontouren 2019 Ow, wegverkeer; Geoportaal ODRU)
Pagina 3 van 7 Versie 1
Luchtkwaliteit
Voor woningen is het van belang dat de luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Gemeente Renswoude is niet aangemerkt als aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Luchtkwaliteitsonderzoek is daarom niet nodig. Voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) gelden op dit moment grenswaarden van respectievelijk 40, 25 en 40 μg/m3. Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden. Op basis van de kaarten van ons Geoportaal blijkt dat op de projectlocatie aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Wel moet, bij de motivering van het plan, de luchtkwaliteitssituatie ter plaatse inzichtelijk worden gemaakt (via CIMLK). Ook kan het plan getoetst worden aan de WHO advieswaarden. We adviseren te onderbouwen dat het plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, omdat het valt onder de drempelwaarde (artikel 5.54 Bkl). In de GGD-Richtlijn Luchtkwaliteit en Gezondheid wordt aanbevolen om nieuwe gevoelige functies (zoals woningen) buiten de bebouwde kom te bouwen op ten minste 50 meter afstand van een drukke weg (meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal). Dit is onafhankelijk van de vraag of de grenswaarden worden overschreden of niet. Volgens onze gegevens is de projectlocatie niet gelegen binnen 50 meter van een drukke gemeentelijke weg, waarmee wordt voldaan aan de richtlijn.
Conclusie: ➢ In de motivering moet worden ingegaan op het aspect luchtkwaliteit. ➢ Belemmeringen worden op voorhand niet verwacht.
Omgevingsveiligheid
Op basis van de externe veiligheidskaarten van Atlas Leefomgeving ligt de projectlocatie niet binnen een aandachtsgebied of de plaatsgebonden risicocontour van een risicobron. Bovendien is op basis van onze informatie geen gemeentelijke routering gevaarlijk transport gelegen nabij de locatie. Belemmeringen worden daarom niet verwacht. Wel moet in de motivering een inhoudelijke beoordeling van het aspect externe veiligheid worden opgenomen. Conclusie: ➢ In de motivering moet worden ingegaan op het aspect externe veiligheid. ➢ Belemmeringen worden op voorhand niet verwacht.
Milieuzonering
Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (EFTAL). Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering mag geven aan omliggende bedrijven en dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De bedrijfsactiviteiten van de intensieve veehouderij die ter plaatse van de projectlocatie is toegestaan, worden beëindigd. Het initiatief (realisatie van 3 burgerwoningen) zelf betreft geen milieubelastende activiteit, maar is wel aan te merken als gevoelige functie in het kader van milieuzonering. Bij de motivering van het plan moet daarom worden onderbouwd of sprake is van ETFAL in het kader van milieuzonering. Hierbij moet in eerste instantie worden uitgegaan van de planologische situatie. Voor akker- en/of tuinbouw in combinatie met het houden van dieren (niet intensief) geldt doorgaans een richtafstand van 100 meter. Voor bepaalde typen agrarische bedrijven (zoals pluimvee, varkenshouderijen en nertsenfokkerijen) kan een grotere richtafstand gelden. De projectlocatie wordt hoofdzakelijk omringd door gronden die op basis van het omgevingsplan (tijdelijk deel) zijn bestemd als agrarische gronden, waar grondgebonden agrarische bedrijven zijn toegestaan. Grenzend aan de projectlocatie zijn geen bouwvlakken opgenomen. Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak is op meer dan 100 meter afstand gelegen.
Op voorhand worden vanuit Pagina 4 van 7 Versie 1
milieuzonering daarom geen wettelijke belemmeringen verwacht. We adviseren om wel te onderbouwen hoe wordt omgegaan met het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (spuitzones) op de gronden grenzend aan de projectlocatie. Daarnaast geldt dat de GGD adviseert om woningen te realiseren op minstens 250 meter afstand van een groot veebedrijf en 2 kilometer van geitenbedrijven. We adviseren hier ook op in te gaan in de motivering van het TAM-omgevingsplan. Conclusie: ➢ Voor de realisatie van de nieuwe woningen moet worden aangetoond dat sprake is van ETFAL. ➢ Aandacht is nodig voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. ➢ We adviseren in het TAM-omgevingsplan ook in te gaan op gezondheidskundige adviezen vanuit de GGD. Ecologie
De bestaande (te slopen) bebouwing en nieuwbouwgronden kunnen mogelijk gebruikt worden door beschermde soorten. Om te bepalen in hoeverre hier sprake van is, moet ecologische onderzoek in de vorm van een quickscan flora en fauna uitgevoerd worden, eventueel gevolgd door nader onderzoek. Een quickscan flora en fauna is ter beoordeling aan ons voorgelegd. Hieruit volgt dat nader onderzoek naar vleermuizen en huismus noodzakelijk is. De volledige beoordeling is opgenomen na deze tabel. De locatie ligt op ongeveer 6,4 km afstand van het stikstofgevoelige Natura 2000gebied Binnenveld. Met het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten van de huidige veehouderij op de projectlocatie, wordt stikstofuitstoot verminderd. Intern salderen is niet vergunningvrij. Om definitief uit te wijzen of sprake is van belangrijke negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, is een stikstofdepositieberekening nodig (met behulp van de AERIUS-calculator voor zowel de bouw- als gebruiksfase). Conclusie: ➢ Nader ecologisch onderzoek naar vleermuizen en huismus is nodig. ➢ Een stikstofdepositieonderzoek is nodig. ➢ In de motivering moet worden ingegaan op het aspect natuur.
Ontplofbare oorlogsresten
Het plangebied is op basis van de CE bodembelastingkaart van gemeente Renswoude gelegen verdacht op conventionele explosieven. Nabij de projectlocatie zijn artillerie archieven weergegeven. Mede afhankelijk van of de gronden in het plangebied al zijn geroerd, kan een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten noodzakelijk zijn. Mogelijk is bij de bouw van de opstallen reeds een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd voor de projectlocatie. Conclusie: ➢ Het plangebied is verdacht op ontplofbare oorlogsresten. ➢ Mogelijk is nader onderzoek nodig. ➢ In de motivering moet worden ingegaan op ontplofbare oorlogsresten.
Pagina 5 van 7 Versie 1
Figuur 4: Uitsnede CE bodembelastingkaart, plangebied bij benadering met stippellijn aangeduid Mer
Gelet op de aard en omvang van het initiatief, is vermoedelijk geen sprake van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld bijlage V van het Omgevingsbesluit (categorie J11). In de motivering moet hierop worden ingegaan. Mogelijk hoeft er geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden doorlopen, maar dit moet dan wel voldoende worden gemotiveerd. Conclusie: ➢ Initiatiefnemer moet aantonen of sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ of een van de andere categorieën als bedoeld in bijlage V van het Omgevingsbesluit. ➢ Zo nodig moet een mer-beoordelingsprocedure doorlopen worden.
Ecologie Conclusies: 1. Nader onderzoek naar vleermuizen en huismus is noodzakelijk. 2. Een nadere stikstofonderbouwing is noodzakelijk. 3. Er is nog geen ETFAL onderbouwing opgesteld in het kader van het TAM-omgevingsplan. Inhoudelijke onderbouwing 1.1 De quickscan flora en fauna beveelt nader onderzoek aan naar vleermuizen en huismus. In de quickscan flora en fauna is soortenbescherming op de juiste manier onderzocht. Wij onderschrijven de conclusie dat aanvullend onderzoek nodig is. De aanvullende onderzoeken moeten duidelijk maken of bij deze ontwikkeling extra procedures bij de provincie voor natuurbescherming nodig zijn. 2.1 De resultaten uit de quickscan flora en fauna geven aanleiding tot stikstofdepositieonderzoek. In de quickscan flora en fauna is gebiedsbescherming op de juiste manier beschreven. De projectgrootte is aanleiding om nader te onderzoeken of sprake is van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofuitstoot bij de sloop/nieuwbouwwerkzaamheden en gebruiksfase.
Pagina 6 van 7 Versie 1
3.1 Bij de aanvraag is nog geen motivering aangeleverd. Een motivering bij het TAM-omgevingsplan ontbreekt nog bij de aanvraag. Op deze manier is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) nog niet volledig aangetoond. Wanneer de motivering van het TAM-omgevingsplan beschikbaar komt, raden we aan om de paragraaf natuur aan ons voor te leggen ter beoordeling. Samen met de resultaten van het aanvullend onderzoek, kan de ETFALtoets volledig worden uitgevoerd. Kanttekeningen Initiatiefnemer wil gebruik maken van de ruimte-voor-ruimte regeling. In sommige gevallen wordt dit gecombineerd met de LBV+ regeling. Mogelijke bedrijfsactiviteiten die nog tot stikstofuitstoot kunnen leiden, zijn gebonden aan een maximum volgens de subsidievoorwaarden. Het Rijk kan in verband hiermee nog een onderbouwing voor stikstof verlangen. Wat is getoetst? • Verkennend onderzoek naar beschermde flora en fauna, Oude holleweg 44 te Renswoude, kenmerk 25FF050, versie 1.0, florafaunacontrole.nl d.d. 15 mei 2025. Waaraan is getoetst? • Omgevingswet onderdeel natuur; • Omgevingsverordening Provincie Utrecht 2024; • Nadere jurisprudentie stikstofregels.
Pagina 7 van 7 Versie 1