CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Quickscan milieu ODRU

Raadscommissie 25 november 2025, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Commissievoorstel inzake Ontwerp-wijziging omgevingsplan Dashorsterweg 21.579 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ROM QUICKSCAN Aan T.a.v. Onderwerp Adviseur ROM Telefoon Datum Kenmerk

Gemeente Renswoude M. Wetzel ROM quickscan Dashorsterweg 2 Renswoude Principeverzoek wijzigen bedrijfsvoering van agrarisch naar bedrijf K. van Oldenbeek 088-022 5000 11 september 2025 Z-2025-116041 / D2025-00109705

Inleiding De gemeente Renswoude heeft een principeverzoek ontvangen voor de percelen aan de Dashorsterweg 2 in Renswoude. De percelen (hierna: plangebied) hebben momenteel deels een bedrijfsbestemming met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulpbedrijf’ en deels een agrarische bestemming. Het plangebied is in gebruik als kalvenhouderij en transportbedrijf. De initatiefnemer wil de agrarische activiteiten beëindigen, de agrarische bestemming (bouwvlak) omzetten naar een bedrijfsbestemming en het transportbedrijf uitbreiden met een bedrijfshal. De dierenverblijven worden gesloopt. Een deel van het bestaande bedrijfsgebouw blijft behouden en wordt in gebruik genomen als kantoor. De bedrijfswoning blijft behouden en ongewijzigd. Het plan is strijdig is met het Omgevingsplan gemeente Renswoude en kan mogelijk worden gemaakt met omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). De gemeente heeft ons gevraagd om voor het plan een quickscan Ruimtelijke Ordening en Milieu (ROM) uit te voeren. Deze quickscan geeft een eerste indicatie van aandachtspunten, mogelijke belemmeringen en geeft informatie over uit te voeren onderzoeken. Op basis van deze quickscan kan niet worden uitgesloten dat er nog andere onderzoeksverplichtingen of belemmeringen zijn. Quickscan Thema Bodem

Opmerkingen en/of belemmeringen Als een nieuw bodemgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, dan is ter plaatse daarvan bodemonderzoek nodig. Het gaat dan om nieuwe gebouwen waar meer dan 2 uur per dag mensen verblijven. In de onderbouwing bij het principeverzoek is aangegeven dat er geen nieuwe bodemgevoelige gebouwen worden gerealiseerd. Bodemonderzoek is in dat geval in het kader van de BOPA-aanvraag niet nodig ter plaatse van de nieuwe loods. Bij grondroerende werkzaamheden - bijvoorbeeld in het kader van de omgevingsvergunning activiteit ‘bouwen’, maar ook in geval van sloopwerkzaamheden - kan een (asbest in) bodemonderzoek wel vereist zijn om handelingen in verontreinigde grond uit te sluiten. Binnen het plangebied liggen diverse gedempte sloten (blauwe lijnen in hiernavolgende figuur). De bodem is hier verdacht op het voorkomen van verontreinigingen. In de zuidoostelijke hoek van het plangebied is in 2020 een bodemonderzoek uitgevoerd (zie figuur). Plaatselijk is hier een sterke verontreiniging in de bodem aangetroffen, nader onderzoek is niet nodig. Verder is op het perceel een brandstoftank aanwezig (in de onderstaande figuur aangemerkt als oranje stip binnen het bedrijfspand). Het dak van het te slopen pand is asbestverdacht. Conclusie: Voor de BOPA-aanvraag is geen bodemonderzoek nodig. In de BOPAonderbouwing kan worden volstaan met een beschouwing van het aspect bodem.

Een bodemonderzoek kan wel nodig zijn in het kader van sloop- en bouwwerkzaamheden. Pagina 1 van 6 Versie 1

Figuur links: Slootdempingen in blauw en historische bodemactiviteiten in oranje (bron: Geoportaal); figuur rechts: Locatie uitgevoerd bodemonderzoek (bron Geoportaal) Archeologie

Op de archeologische beleidskaart Renswoude-Woudenberg valt het plangebied deels binnen categorie 3 met een cultuurhistorische elementen (rood in onderstaande figuur) en deels binnen categorie 6 met een lage archeologische waarde (geel in onderstaande figuur). Voor categorie 6 geldt dat behoud in huidige staat niet vereist is. Als ondergrens voor archeologisch onderzoek geldt een oppervlakte van 10.000 m². Voor categorie 3 geldt dat bouwwerken met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2 en niet dieper dan 40 cm zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Uit de aangeleverde stukken is niet duidelijk waar graafwerkzaamheden plaatsvinden en tot welke diepte. Als de grenswaarden worden overschreden, is archeologisch onderzoek nodig. Conclusie: Afhankelijk van de uitvoering van het project, kan archeologisch onderzoek nodig zijn. Er moet informatie worden aangeleverd over de locatie, het oppervlak en de diepte van graafwerkzaamheden. Op basis daarvan kan worden bepaald of archeologisch onderzoek nodig is.

Pagina 2 van 6 Versie 1

Figuur: Uitsnede beleidskaart archeologie Renswoude-Woudenberg (bron: Geoportaal) Luchtkwaliteit

Het initiatief zelf betreft geen gevoelige bestemming in het kader van luchtkwaliteit. Een transportbedrijf kan wel zorgen voor een toename Gemeente Renswoude is niet gelegen in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden is bovendien niet noodzakelijk als een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. We adviseren dit in de BOPA-onderbouwing te motiveren. Conclusie: We adviseren om in het kader van de BOPA te motiveren of de activiteiten NIBM bijdragen. Belemmeringen worden op voorhand niet verwacht.

Trillingen

Het plangebied ligt niet op korte afstand van een spoorweg of een industriële activiteit met trillingshinder. Het transportbedrijf zorgt zelf ook niet voor relevante trillingshinder. Conclusie: Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Geluid

Een transportbedrijf is geen geluidgevoelig gebouw. Onderzoek naar wegverkeerslawaai is daarom niet nodig. In het kader van industrielawaai (bedrijfslawaai) geldt dat een transportbedrijf zorgt voor verkeersbewegingen en daarmee ook verkeersgeluid. Dit kan leiden tot een toename van de geluidsbelasting op omliggende woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen. In en rondom het plangebied is momenteel sprake van een lage geluidsbelasting door verkeer (<50 dB), zie hiernavolgende figuur. In de aangeleverde onderbouwing bij het principeverzoek wordt gesteld dat het aantal vervoersbewegingen gelijk blijft ten opzichte van de bestaande situatie. Indien ook het type vervoer (licht/zwaar verkeer) en tijdstippen gelijk blijven, is geen aanleiding tot akoestisch onderzoek naar industrielawaai.

Pagina 3 van 6 Versie 1

Wij gaan ervan uit dat de bestaande bedrijfswoning een functionele binding met het bedrijf in het plangebied houdt. Een bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen het eigen geluid van het bedrijf. Wel moet worden aangetoond dat na wijziging van de bedrijfsactiviteiten nog steeds sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning. Conclusie: Akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai en industrielawaai kan mogelijk achterwege blijven. In de BOPA-onderbouwing moet het aspect geluid wel worden gemotiveerd.

Figuur: Geaccumuleerde geluidsbelasting wegverkeer (Geoportaal)

Pagina 4 van 6 Versie 1

Externe veiligheid

Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied voor externe veiligheid of in de nabijheid van de gemeentelijke routering voor gevaarlijke stoffen. Wel bevinden zich binnen het plangebied risicocontouren van een propaantank. Als deze tank aanwezig blijft, moet het stappenplan uit de gezamenlijke beleidsnota externe veiligheid worden doorlopen. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met eventuele nieuwe gevaarbronnen van het transportbedrijf, zoals brandstofopslag, en de bijbehorende veiligheidsafstanden. Afhankelijk van het exacte gebruik van het plangebied - waaronder het aantal aanwezige personen, verblijftijden, locaties van verblijf en de inrichting van het terrein - kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de veiligheidsnormen. Uiteraard is dit niet nodig als de tank verwijderd wordt vanwege het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten. Conclusie: Het stappenplan externe veiligheid uit de beleidsnotitie moet doorlopen worden, als de bestaande opslagtank aanwezig blijft en/of nieuwe gevaarbronnen in het plangebied worden toegevoegd.

Figuur: Risicocontouren propaan opslagtank (Atlas leefomgeving) Milieuzonering

Voor het initiatief moet worden onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit betekent enerzijds dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omliggende gevoelige functies (zoals woningen) en anderzijds dat omliggende bedrijven niet onevenredig worden beperkt in de bedrijfsvoering als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Bij de BOPA-aanvraag moet een onderbouwing worden aangeleverd voor milieuzonering (geur, fijn stof, gevaar en geluid). Er is nu een beknopte onderbouwing voor milieuzonering aangeleverd. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op meer dan 100 meter afstand. In de onderbouwing bij het principeverzoek wordt gesteld dat het transportbedrijf wordt gekwalificeerd als categorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter. Aan die richtafstand zou worden voldaan. Hierbij wordt opgemerkt dat niet geheel duidelijk is waar de activiteiten binnen het plangebied plaatsvinden en waar de bedrijfsbestemming precies komt. Bij de BOPA-aanvraag moet dit nader onderbouwd worden. Hierbij moet duidelijk gemaakt worden of de afstand vanaf de rand van het terrein waar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden tot aan de gevel van de dichtstbijzijnde woning meer dan 100 meter bedraagt. Conclusie: In het kader van de BOPA moet worden aangetoond dat sprake is van ETFAL.

Pagina 5 van 6 Versie 1

Ecologie

De bestaande (te slopen) bebouwing kan mogelijk gebruikt worden door beschermde soorten. Om te bepalen in hoeverre hier sprake van is, moet een quickscan flora en fauna uitgevoerd worden, eventueel gevolgd door nader onderzoek. De doorlooptijd van dergelijke onderzoeken kan lang zijn en kosten met zich meebrengen. Het is goed om hier rekening mee te houden en de quickscan snel uit te laten voeren. De locatie ligt op ongeveer 6,5 km van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Binnenveld. De ondernemer neemt deel aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (LBV), waardoor de bestaande stikstofruimte van de kalvenhouderij wordt ingeleverd en niet zonder meer mag worden hergebruikt. Om uit te wijzen of sprake is van belangrijke negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, is een stikstofdepositieberekening nodig (met behulp van de AERIUS-calculator voor zowel de bouw- als gebruiksfase). Conclusie: Een quickscan flora en fauna en stikstofdepositieonderzoek zijn nodig.

Ontplofbare oorlogsresten

De gronden ter plaatse van het plangebied zijn op basis van de CE bodembelastingkaart van gemeente Renswoude niet verdacht op conventionele explosieven. Conclusie: Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering.

Figuur: Uitsnede CE bodembelastingkaart, ligging plangebied bij benadering rood omlijnd Mer

Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, is vermoedelijk geen sprake van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' of een van de andere categorieën als bedoeld bijlage V van het Omgevingsbesluit (categorie J11). In de onderbouwing moet hierop worden ingegaan. Mogelijk hoeft er geen mer-beoordelingsprocedure te worden doorlopen, maar dit moet dan wel voldoende worden gemotiveerd. Conclusie: Initiatiefnemer moet aantonen of sprake is van een van de aangewezen categorieën als bedoeld in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Zo nodig moet een merbeoordelingsprocedure worden doorlopen.

Pagina 6 van 6 Versie 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16186734/1