CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Quickscan ecologie

Raadscommissie 25 november 2025, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Commissievoorstel inzake Ontwerp-wijziging omgevingsplan Schalm 94.094 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Datum: Onderwerp: Ons projectnummer: Uw kenmerk: Locatie:

30 september 2025 ecologische QuickScan Versie 2 P2500364

Boonzaaijer Minkfarm BV J. J. (Jacob- Jan) Boonzaaijer De Schalm 9 3927 EH Renswoude

Schalm 9 Renswoude

Geachte heer Boonzaaijer, Hierbij ontvangt u de rapportage van het door ons bureau uitgevoerde ecologische QuickScan op de locatie aan Schalm 9 Renswoude. INLEIDING Door Boonzaaijer Minkfarm BV is aan Hopman en Peters opdracht verleend voor het uitvoeren van een ecologische QuickScan aan Schalm 9 Renswoude. Aanleiding In verband met de voorgenomen werkzaamheden dient in het kader van de omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een ecologische QuickScan te worden uitgevoerd. De werkzaamheden betreffen het omvormen van het huidige perceel. Achtergrond Initiatiefnemers zijn wettelijk verplicht om voorgaand aan het uitvoeren van een ingreep onderzoek te laten doen naar de (mogelijke) effecten op beschermde flora en fauna en beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: EHS)). Bovendien is het in sommige gevallen verplicht melding te doen van het kappen van houtopstanden. Daarnaast dient er mogelijk een ontheffing of vergunning aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag via de Omgevingsvergunning of rechtstreeks bij de provincie (bevoegd gezag). Doelstelling Deze briefrapportage geeft een eerste inschatting van (mogelijke) effecten op gebieden en op (potentieel) aanwezige beschermde flora en fauna zijn.

Indien (negatieve) effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten aanwezig zijn en/of de aanwezigheid van beschermde flora en fauna niet afdoende kan worden aangetoond of uitgesloten, is nader onderzoek noodzakelijk. Het doel van de ecologische quickscan is het in kaart brengen van de te verwachten effecten op beschermde gebieden en soorten in en in de directe omgeving van het plangebied. De quickscan betreft geen gerichte inventarisatie naar soorten. De volgende vragen dienen beantwoord te worden: ➢ Welke beschermde natuurwaarden en flora en fauna zijn in het plangebied aanwezig of te verwachten? ➢ Heeft de ingreep mogelijk effecten op de potentieel aanwezige natuurwaarden? Zo ja, welke effecten zijn dit? ➢ Houden deze effecten mogelijk een overtreding van de verbodsbepalingen van de omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) in? ➢ Welke mogelijkheden zijn er om deze negatieve effecten te minimaliseren of te voorkomen? ➢ Is nader onderzoek noodzakelijk? ➢ Is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist?

WERKWIJZE De werkwijze is op te delen in een bureauonderzoek en een veldbezoek. Hierbij is het volgende stappenplan uitgevoerd: ➢ De ligging van het plangebied is opgezocht. ➢ M.b.v. bureauonderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in het plangebied, en in de directe omgeving daarvan, recentelijk zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van diverse verspreidingsatlassen, NDFF en verslagen van Particuliere Gegevens-beherende Organisaties (PGO’s). ➢ Op 21-5-2025 is het plangebied bezocht door R. (Roan) van Hattem. Tijdens het veldbezoek is het plangebied, en de directe omgeving daarvan, geïnventariseerd op de aanwezigheid van ruimtelijk structuren en habitatten. Hierbij is gebruik gemaakt van een verrekijker, camera en zaklamp. ➢ Op basis van het bureauonderzoek en veldbezoek is het plangebied beoordeeld op de (mogelijke) aan- of afwezigheid van beschermde flora en fauna. Op grond van de voorgenomen ingreep is bepaald: ➢ Welke negatieve effecten te verwachten zijn op de (potentieel) aanwezig beschermde natuurwaarden. ➢ Of negatieve effecten op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor nader onderzoek noodzakelijk is. ➢ Of ontheffing en/of vergunning aangevraagd dient te worden.

PLANGEBIED Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Renswoude, sectie G, perceel 1255. Zie figuur 1.

Figuur 1 weergave perceel en directe omgeving, met in het rood het (gedeeltelijk) te slopen bebouwing

Beschrijving plangebied Het plangebied bestaat uit een boerderij met een stalgedeelte wat voorheen diende als een nertsenboerderij. Verder staan er nog enkele loodsen en oude schuren op het perceel. Het plangebied zelf wordt vooral omringd door vele weilanden en enkele wegen. BUREAUONDERZOEK Met behulp van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is een inschatting gemaakt van beschermde soorten die (mogelijk) aanwezig kunnen zijn in en rondom het plangebied. Voor zover bekend zijn andere bronnen afwezig. Tijdens de QuickScan dient beoordeeld worden of deze soorten ook daadwerkelijk (in potentie) aanwezig zijn binnen het plangebied. RESULTATEN ECOLOGISCHE QUICKSCAN Beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN)

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied t.o.v. het plangebied is ‘Veluwe’. Dit Natura 2000-gebied ligt op ca. 6,5 km afstand ten oosten van het plangebied.

Figuur 2 weergave beschermd Natura 2000-gebied

Beschermd NNN-gebied ligt op ca. 350 m afstand van het plangebied vandaan.

Figuur 3 weergave beschermd NNN-gebied

Beschermde soorten De resultaten van het bureauonderzoek en veldbezoek worden onderstaand per groep toegelicht. Per soortgroep is aangegeven welke beschermde soorten en functies mogelijk aanwezig kunnen zijn in het plangebied en de directe omgeving daarvan. Bespreking per soortgroep Tijdens het veldbezoek is gelet of het plangebied (potentiële) verblijfs- en/of foerageermogelijkheden kan bieden voor bovengenoemde soorten. Daarnaast is het direct omliggende gebied ook meegenomen in de beoordeling. De resultaten worden kort per soortgroep beschreven.

Vaatplanten Volgens de NDFF worden binnen een straal van 0 tot 1 kilometer van het plangebied enkele beschermde vaatplanten verwacht, waaronder korensla (Vaccaria hispanica), kartuizer anjer (Dianthus carthusianorum) en glad biggenkruid (Hypochaeris glabra). Tijdens het veldbezoek is specifiek gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van deze soorten binnen het plangebied en de mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden. Er zijn tijdens het onderzoek geen beschermde vaatplanten waargenomen, zowel niet bij het oude schuurtje als bij de voormalige nertsenstallen. Het plangebied bestaat voornamelijk uit bebouwing en verharding, met weinig tot geen bloeirijke of geschikte groeiplaatsen voor deze soorten. Gezien het ontbreken van geschikte habitat en waargenomen individuen, worden er geen negatieve effecten op beschermde vaatplanten verwacht als gevolg van de werkzaamheden. Broedvogels Wat betreft gebouwbewonende broedvogels gaat het doorgaans om algemene soorten zoals de huismus (Passer domesticus) en de gierzwaluw (Apus apus). De nestlocaties van deze soorten zijn jaarrond beschermd en bevinden zich meestal onder dakpannen of in openingen en kieren van gebouwen. Tijdens het veldbezoek is specifiek gekeken naar dergelijke potentiële nestlocaties in de aanwezige stallen en schuren binnen het plangebied.

Ook is gelet op de aanwezigheid van actieve of oude nesten in de te slopen bebouwing. De voormalige nertsenstallen zijn aan de zijkanten en bovenkanten open, maar tijdens het veldbezoek zijn er geen vogels waargenomen die zich in deze stallen of andere gebouwen ophielden. Er zijn in zowel de stallen als de te slopen schuur geen actieve of oude nesten aangetroffen. Daarnaast zijn er geen sporen gevonden die wijzen op broedgebruik, zoals uitwerpselen, veren of nestmateriaal. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de geplande werkzaamheden geen negatieve effecten zullen hebben op gebouwbewonende broedvogels. Rondom de bebouwing aan Schalm 9 te Renswoude is tijdens de terreinopname erfbeplanting waargenomen, bestaande uit enkele bomen, hagen en struiken. Deze elementen zouden in theorie enige dekking of foerageergelegenheid voor huismussen kunnen bieden. De inrichting van het erf wordt echter gekenmerkt door een overwegend verharde ondergrond en beperkte aaneengesloten schuil- en foerageerstructuren. Het aanwezige groen is kleinschalig en verspreid en vormt daardoor geen geschikt leefgebied voor een duurzame huismussenpopulatie. Binnen het plangebied is tijdens de quickscan specifiek gekeken naar de aanwezigheid van schuilvegetatie en zandbadplekken die van belang kunnen zijn voor soorten als de huismus.

Het terrein is in het verleden intensief gebruikt als nertsenhouderij en werd grotendeels gekenmerkt door verharding en opstallen. Schuilvegetatie en zandige open plekken die functioneel gebruikt konden worden door huismussen of andere soorten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. In de toekomstige situatie blijft de aanwezige erfbeplanting langs de perceelsranden behouden. Deze beplanting bestaat uit hagen, bomen en struweel en blijft ook na de herontwikkeling aanwezig, zodat de huidige groenstructuur niet wordt aangetast. Omdat het terrein grotendeels verhard blijft en er geen schuilvegetatie of zandbadplekken verloren gaan, worden negatieve effecten op de functionele leefomgeving van de huismus uitgesloten.

Tijdens de quickscan zijn bovendien geen sporen van huismussen vastgesteld, zoals invliegopeningen, nestmateriaal of zandbadplekken. Dit ondersteunt de conclusie dat er in en rondom de bebouwing geen jaarrond beschermde huismusnesten aanwezig zijn en dat ook de noodzakelijke functionele leefomgeving ontbreekt. Het risico op negatieve effecten op de huismus door de voorgenomen werkzaamheden wordt daarmee uitgesloten. Vleermuizen Volgens de NDFF kunnen binnen een straal van 0 tot 5 kilometer van het plangebied verschillende gebouwbewonende vleermuissoorten voorkomen, waaronder de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), laatvlieger (Eptesicus serotinus) en gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus). Deze soorten maken vaak gebruik van kleine openingen in gebouwen, zoals stootvoegen, om toegang te krijgen tot spouwmuren. Ook kunnen ze via kantpannen of andere openingen verblijven in de ruimte tussen het dakbeschot en de dakpannen. Tijdens het veldbezoek is specifiek gekeken naar dit soort potentiële invliegopeningen in de te slopen bebouwing. De voormalige nertsenstallen zijn echter aan de zijkanten open en bieden door het ontbreken van beschutting geen geschikte verblijfplaatsen. Ook in de aanwezige schuur zijn geen geschikte structuren of voldoende beschutte ruimtes aangetroffen die voor vleermuizen als verblijfplaats zouden kunnen dienen.

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de geplande werkzaamheden geen negatieve effecten zullen hebben op gebouwbewonende vleermuizen. Overige zoogdieren Binnen een straal van 0 tot 5 kilometer van het plangebied worden volgens de NDFF verschillende algemene zoogdiersoorten verwacht, waaronder de haas, ree, egel, eekhoorn, konijn, steenmarter en das. De haas geeft de voorkeur aan open graslanden en ruigte, maar het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit bebouwing en verharding en biedt onvoldoende dekking of voedsel. Reeën hebben behoefte aan rustige, halfopen landschappen met dekking, wat in het plangebied ontbreekt. Egels gebruiken graag struiken of houtstapels als schuilplaats, maar ook deze elementen zijn in het plangebied niet aanwezig. Voor de eekhoorn ontbreken bomen met dichte kruinen of holtes, waardoor deze soort hier niet verwacht wordt. Konijnen zoeken zandige gronden voor het graven van holen, maar de bodem en inrichting van het terrein zijn daarvoor ongeschikt. De steenmarter kan zich weliswaar vestigen in en rond menselijke bebouwing, maar er zijn geen geschikte schuilplaatsen of sporen van aanwezigheid aangetroffen. De das leeft vooral in rustige, bosrijke omgevingen met zandige bodems, en het plangebied voldoet niet aan deze voorwaarden.

Voor geen van deze soorten is het plangebied geschikt als leefgebied, en er zijn tijdens het veldbezoek ook geen waarnemingen of sporen van gebruik vastgesteld. De voorgenomen werkzaamheden zullen daarom geen negatieve effecten hebben op deze zoogdiersoorten. Binnen de omgeving van het plangebied zijn in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) enkele waarnemingen van de bunzing (Mustela putorius) geregistreerd. Deze waarnemingen betreffen onder meer dode exemplaren, wat aangeeft dat de soort in de bredere omgeving voorkomt. Het plangebied zelf bestaat grotendeels uit bebouwing en verhard terrein en biedt nauwelijks geschikt habitat voor

kleine marterachtigen zoals bunzing, hermelijn of wezel. Mogelijke incidentele aanwezigheid of doortrek van individuen uit de omgeving kan niet geheel worden uitgesloten, maar gezien het ontbreken van functioneel leefgebied of vaste rust- en verblijfplaatsen wordt structureel gebruik uitgesloten. Negatieve effecten op deze soorten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden zijn daarom niet te verwachten. Vissen De werkzaamheden zullen geen invloed hebben op watergebieden. Er zullen daarom ook geen negatieve effecten ontstaan voor de vissen. Amfibieën en reptielen Volgens de NDFF kunnen binnen een straal van 0 tot 1 kilometer van het plangebied verschillende amfibieën en reptielen voorkomen, zoals de groene kikker, gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander, bastaardkikker, poelkikker, hazelworm en de levendbarende hagedis. Deze soorten zijn sterk afhankelijk van bepaalde omstandigheden, zoals stilstaand water om in te kunnen voortplanten en vochtige, beschutte plekken om te schuilen of te overwinteren. Binnen het plangebied ontbreken zulke waterpartijen en ook geschikte schuilplekken zoals ruige vegetatie, houtstapels of begroeiing zijn niet aanwezig. Ook voor reptielen, zoals de hazelworm en levendbarende hagedis, is het gebied niet aantrekkelijk.

Zij hebben behoefte aan zonnige, droge plekken met afwisseling tussen open ruimte en beschutting, en dat is in dit plangebied – dat vooral bestaat uit verharding, bebouwing en kort gras – niet te vinden. Tijdens het veldbezoek zijn er bovendien geen dieren of sporen aangetroffen. Gezien het gebrek aan geschikt leefgebied en het uitblijven van waarnemingen, worden er geen negatieve effecten verwacht op deze soorten door de werkzaamheden. Ongewervelden Binnen het plangebied zijn geen waardplanten aanwezig voor beschermde soorten ongewervelden. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen individuen van bijzondere of beschermde soorten waargenomen. De werkzaamheden zullen daarom geen negatieve effecten hebben op deze soortgroep. Effectbeschrijving lichtverstoring In de nieuwe situatie wordt een deel van het terrein ingericht met zonnepanelen (grondopstelling). Dergelijke installaties kunnen, met name bij laagstaande zon, lichtreflectie veroorzaken in de omgeving. Tijdens de quickscan is gekeken naar de directe omgeving van het erf en de aanwezige natuurwaarden. Het erf wordt grotendeels omringd door agrarisch gebruik (graslanden en akkers), die weinig gevoelig zijn voor verstoring door lichtreflectie. Ook zorgt de aanwezige erfbeplanting (hagen, bomenrijen en struweel) bovendien voor een natuurlijke afscherming richting de omgeving.

Hierdoor is er geen sprake van een open landschap waarin lichtreflectie ver kan uitstralen. In de directe nabijheid van het erf zijn geen gevoelige natuurwaarden aanwezig, zoals Natura 2000gebieden of bekende kolonies van lichtgevoelige soorten (bijvoorbeeld vleermuizen of weidevogels). Voor vleermuizen zijn geen negatieve effecten te verwachten. Het zonnepark vormt geen permanente lichtbron, maar incidentele reflectie. De aanwezige beplanting zorgt voor beschaduwing en voorkomt dat mogelijke vliegroutes of foerageergebieden verstoord worden. Ook weide- en akkervogels ondervinden geen negatieve effecten: de openheid van het landschap blijft behouden en reflectie van zonnepanelen is volgens de huidige inzichten geen verstorende factor voor deze soortgroep.

Voor erfvogels, zoals huismus en spreeuw, blijft geschikt leefgebied aanwezig doordat de bestaande erfbeplanting grotendeels behouden blijft. Op basis van deze overwegingen wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten zal hebben op natuurwaarden in de omgeving door lichtverstoring. Zorgplicht Op grond van artikel 1.6 van de Omgevingswet geldt een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren. Dit houdt in dat, ook al zijn in de quickscan geen negatieve effecten op beschermde soorten vastgesteld, bij de uitvoering van de werkzaamheden altijd zorgvuldig moet worden gehandeld. Indien tijdens de uitvoering toch onverhoopt beschermde soorten worden aangetroffen (bijvoorbeeld broedende vogels, kleine zoogdieren of vleermuizen), dienen passende maatregelen te worden genomen om schade of verstoring te voorkomen. Dit kan inhouden dat werkzaamheden tijdelijk worden stilgelegd of aangepast totdat de soort zich heeft verplaatst of het broedsel is afgerond. TOETSING EN EFFECTBEOORDELING Beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) Het beschermde gebied dat het dichtst bij het plangebied ligt is: ‘Veluwe’. Er zijn menselijke invloeden aanwezig in de vorm van woonwijken, agrarisch gebied en wegen tussen het plangebied en de beschermde gebieden.

Hierdoor zijn negatieve effecten op de beschermde gebieden zoals geluids- en visuele verstoringen t.g.v. de werkzaamheden uit te sluiten. Overtreding van de Omgevingswet t.a.v. Natura 2000 en NNN is niet aan de orde. Beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten Binnen het plangebied zijn geen beschermde vogelsoorten waargenomen of te verwachten. Werkzaamheden zullen daarom niet in overtreding zijn met het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) art. 11.37 (1,2,3,4)*. *

1=opzettelijk vogels doden of vangen 2=opzettelijk nesten, rustplaatsen, eieren vernielen/beschadigen/wegnemen 3=eieren rapen 4=opzettelijk storen

Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten Binnen het plangebied zijn geen beschermde soortgroepen binnen habitatrichtlijnen waargenomen of te verwachten. Werkzaamheden zullen daarom niet in overtreding zijn met het Bal art. 11.46 (1,2,3,4,5)* *

1=opzettelijk doden of vangen 2=opzettelijk verstoren 3=eieren vernielen of rapen 4=voortplantings-/rustplaatsen beschadigen of vernielen 5=planten plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen

Beschermingsregime Andere Soorten Binnen het plangebied zijn geen beschermde ‘andere soorten’ waargenomen of te verwachten. Werkzaamheden zullen daarom niet in overtreding zijn met het Bal art. 11.54 (1,2,3)* *

1=opzettelijk dieren doden of vangen 2=voortplantings/rustplaatsen beschadigen of vernielen 3= planten plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen

CONCLUSIES EN ADVIES Conclusies ➢ Er worden geen beschermde soorten verwacht binnen het plangebied. ➢ Er is geen naderonderzoek vereist. ➢ De werkzaamheden zullen geen negatieve effecten hebben op de beschermde gebieden. Advies ➢ Tijdens de werkzaamheden dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen. (aanwezige natuurwaarden zo min mogelijk verstoren)/ art. 11.27 (Bal) ➢ Bij broedgevallen: buiten broedseizoen OF door deskundige laten vaststellen dat deze niet verstoord kunnen worden → ecologisch werkprotocol ➢ Verstorende werkzaamheden zo beperkt mogelijk houden Indien u naar aanleiding van dit rapport vragen heeft kunt u contact opnemen met ondergetekende.

Met vriendelijke groet, Hopman en Peters R. (Roan) van Hattem Gecontroleerd door: B. (Barbara) Achterberg Contactpersoon/ projectleider: B. (Barbara) Achterberg

BIJLAGEN 1 2 3 4

FOTO’S VOGELSOORTEN MET JAARRROND BESCHERMDE NESTEN VRIJSTELLING PER PROVINCIE WET- EN REGELGEVING

BIJLAGE 1 FOTO’S

BIJLAGE 2 VOGELSOORTEN MET JAARROND BESCHERMDE NESTEN Soort Steenuil Athene noctua Gierzwaluw Apus apus Huismus Passer domesticus Roek Corvus frugilegus Grote gele kwikstaart Motacilla cinerea Kerkuil Tyto alba Oehoe Bubo bubo Ooievaar Ciconia ciconia Slechtvalk Falco peregrinus

Categorie 1 2 2 2 3 3 3 3 3

Uitleg categorie Nesten die buiten het broedseizoen ook als vaste rust- en verblijfplaats dienen Nesten van koloniebroeders die op dezelfde plaats broeden en daarin honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing Nesten van vogels die ieder jaar op dezelfde plaats broeden en daarin honkvast zijn of afhankelijk zijn bebouwing

Soort Boomvalk Falco subbuteo Buizerd Buteo buteo Havik Accipiter gentilis Ransuil Asio otus Sperwer Accipiter nisus Wespendief Pernis apivorus Zwarte wouw Milvus migrans Blauwe reiger Ardea cinerea Boerenzwaluw Hirundo rustica Bonte vliegenvanger Ficedula hypoleuca Boomklever Sitta europaea Boomkruiper Certhia brachydactyla Bosuil Strix aluco Brilduiker Bucephala clangula Draaihals Jynx torquilla Eidereend Somateria mollissima Ekster Pica pica Gekraagde roodstaart Phoenicurus phoenicurus Glanskop Parus palustris Grauwe vliegenvanger Muscicapa striata Groene specht Picus viridis Grote bonte specht Dendrocopos major Hop Upupa epops Huiszwaluw Delichon urbicum IJsvogel Alcedo atthis Kleine bonte specht Dendrocopos minor Kleine vliegenvanger Ficedula parva Koolmees Parus major Kortsnavelboomkruiper Certhia familiaris macrodactyla Oeverzwaluw Riparia riparia Pimpelmees Parus caeruleus Raaf Corvus corax Ruigpootuil Aegolius funereus Spreeuw Sturnus vulgaris Tapuit Oenanthe oenanthe Torenvalk Falco tinnunculus Zeearend Haliaeetus albicilla Zwarte kraai Corvus corone Zwarte mees Periparus ater Zwarte roodstaart Phoenicurus ochruros Zwarte specht Dryocopus martius

Categorie 4 4 4 4 4 4 4 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5

Uitleg categorie

Vogels die ieder jaar gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een nest te bouwen

Nesten zijn alleen beschermd in het broedseizoen, wel is een inventarisatie gewenst

BIJLAGE 3 VRIJSTELLING PER PROVINCIE

BIJLAGE 4 WET- EN REGELGEVING Omgevingswet Sinds 1 januari 2024 geldt de omgevingswet en omvat zowel soort- als gebiedsbescherming. Deze wet vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb). Gebiedsbescherming Vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn lidstaten verplicht speciale beschermingszones (Natura 2000-gebieden) aan te wijzen. Elk Natura 2000-gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen t.a.v.: ➢ Leefgebieden voor vogelsoorten (Vogelrichtlijn) ➢ Natuurlijke habitatten en de habitatten van soorten (Habitatrichtlijn) Gebiedsbescherming Artikel 5.1, lid 1,2 en 3 Omgevingswet: Het is verboden om activiteiten binnen en buiten een Natura 2000-gebied uit te voeren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: 1.

de kwaliteit van de natuurlijke habitatten of de habitatten van soorten in dat gebied kan verslechteren, of

2.

een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

De activiteit kan alleen uitgevoerd worden als de provincie (Bevoegd Gezag) waarin de activiteit plaatsvindt een vergunning verleend. Voor werkzaamheden die uitgevoerd worden in nationaal belang is de minister van Economische Zaken bevoegd gezag. Soortbescherming In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen drie beschermingsregimes: ➢ Vogelrichtlijnsoorten, ➢ Habitatrichtlijnsoorten, ➢ Andere soorten (nationale soorten). Per beschermingsregime zijn aparte verbodsbepalingen opgesteld, zie onderstaande tekstvak. Deze verbodsbepalingen gelden overal in Nederland en kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen en/of het herzien/opstellen van bestemmingsplannen. Deze activiteiten dienen getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. De toetsing omvat: ➢ Inventarisatie van het (mogelijk) voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en de directe omgeving daarvan,

➢ Inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten t.g.v. de activiteit op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of de directe omgeving daarvan aanwezig zijn, ➢ Indien nodig, een opname van maatregelen die de (significant) negatieve effecten op de beschermde soorten en diens habitatten mitigeren en/of compenseren.

Soortbescherming Vogelrichtlijnsoorten: Hieronder vallen alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels. 1. 2. 3. 4.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

Habitatrichtlijnsoorten: Hieronder vallen alle dieren uit de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel a, het Verdrag van Bern, bijlage II en het Verdrag van Bonn, bijlage I, en alle planten uit de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel b en het Verdrag van Bern, bijlage I. 1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Andere soorten: Hieronder vallen nationaal beschermde soorten. a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ontheffing en vrijstellingen

Wanneer ten minste 1 verbodsbepaling uit bovenstaande artikelen overtreden wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie (Bevoegd gezag) waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffing geeft de initiatiefnemer de mogelijkheid om onder voorwaarden de wet te overtreden. Vrijstellingen beschrijven handelingen en situaties waarin de wet niet van toepassing is. Deze kunnen verkregen worden wanneer er: ➢ Geen andere bevredigende oplossing bestaat, ➢ Geen negatief effect is op de staat van intandhouding van de soort, ➢ Er voldaan is aan de in de wet genoemde belangen Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang “Dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven. Bij de aanvraag van een ontheffing zijn een activiteitenplan en/of een compensatieplan noodzakelijk.

Hierin staan de bevindingen uit de ecologische quickscan vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd dienen te worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel te beperken. Voor de soorten uit beschermingsregime “Andere soorten” geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen, mits een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen vergunning aangevraagd te worden voor overtreding van één of meerdere verbodsbepalingen. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een vergunning aangevraagd te worden. Zorgplicht (artikel 1.6 Omgevingswet) Voor alle plant- en diersoorten (inclusief onbeschermde soorten) geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat (mogelijke) nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover mogelijk, zoveel mogelijk vermeden dienen te worden. De Zorgplicht dient hiermee als vangnet voor de onbeschermde soorten in Nederland.

NATUURNETWERK NEDERLAND Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS), omvat beschermde gebieden die zijn aangewezen t.b.v. ecologische verbindingen tussen natuurgebieden. Deze gebieden vormen hiermee een ecologisch netwerk waarvan de natuurwaarden niet mogen worden aangetast. De (mogelijke) effecten dienen daarom ook

getoetst te worden op deze natuurwaarden. De provincie waarbinnen het plangebied valt is tevens Bevoegd Gezag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16188127/1