CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Totaalversie 26 november 2025

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling TAM-omgevingsplan Kooiweg 1821.600 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

116 alinea's met “omgevingsplan”: 2 7 29 30 32 36 39 40 44 45 50 54 59 66 71 75 77 84 87 88 97 104 107 109 111 116 121 128 130 132 137 139 142 143 150 156 165 170 174 182 …

Gemeente Renswoude

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude Motivering, regels en verbeelding

November 2025

Kenmerk 0339-52-T01 Projectnummer 0339-52

Motivering

Inhoudsopgave 1.

Inleiding 1 1.1. Aanleiding 1 1.2. Ligging plangebied 2 1.3. Toetsing aan omgevingsplan 2 1.3.1. Bestemmingsplan Buitengebied 2010/Herziening Buitengebied Renswoude 2010 2 1.3.2. Inpassingsplan Grebbelinielandschap 4 1.4. Leeswijzer 6

2.

Planbeschrijving 2.1. Geschiedenis 2.2. Huidige situatie 2.3. Toekomstige situatie

7 7 8 9

3.

Beleidskader 3.1. Rijksbeleid 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.2. Provinciaal beleid 3.2.1. Omgevingsvisie provincie Utrecht 3.2.2. Omgevingsverordening 3.3. Regionaal beleid 3.3.1. Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei (2005) 3.3.2. Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 3.4. Gemeentelijk beleid 3.4.1. Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 3.4.2. Welstandsnota

12 12 12 13 13 14 15 15 16 17 17 18

4.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 4.1. Inleiding 4.2. m.e.r.-beoordeling 4.3. Ladder voor duurzame verstedelijking 4.4. Duurzaamheid & gezondheid 4.4.1. Duurzaamheid 4.4.2. Gezondheid 4.4.3. Conclusie 4.5. Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren 4.6. Flora & Fauna 4.6.1. Algemeen 4.6.2. Gebiedsbescherming 4.6.3. Soortenbescherming 4.6.4. Conclusie

19 19 19 19 20 20 20 21 21 22 22 22 24 25

4.7. Luchtkwaliteit 4.8. Geluid 4.9. Geur 4.10. Milieuzonering 4.11. Omgevingsveiligheid 4.12. Trilling 4.13. Welstand 4.14. Archeologie en cultuurhistorie 4.14.1. Algemeen 4.14.2. Archeologie 4.14.3. Cultuurhistorie 4.15. Bodem 4.16. Weging van het waterbelang 4.17. Niet gesprongen explosieven

25 27 27 28 30 32 33 33 33 33 34 34 35 36

5.

Juridische planbeschrijving 5.1. Algemeen 5.2. Regels

38 38 39

6.

Uitvoerbaarheid 6.1. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1.1. Bestuurlijk vooroverleg 6.1.2. Participatie omgeving 6.2. Financiële haalbaarheid

41 41 41 41 41

1

1.

Inleiding

1.1.

Aanleiding De eigenaar van de intensieve veehouderij aan de Kooiweg 18 in Renswoude heeft zijn bedrijf voor de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties met piekbelasting (LBV+) aangemeld. In het kader van die subsidieregeling is het noodzakelijk om het bedrijfsmatig houden van dieren op die locatie te beëindigen en de dierenverblijven te slopen. Naast het ontvangen van subsidie voor deze beëindiging en sloop bestaat de mogelijkheid om door middel van een ruimtelijk traject een andere gebruiksfunctie voor dit perceel in het omgevingsplan op te nemen. De eigenaar heeft daarom een verzoek ingediend om in ruil voor de sloop van 2.161 m² aan bedrijfsbebouwing (exclusief bestaande bedrijfswoning en een kapschuur van 127 m²) een transportbedrijf te vestigen met een bedrijfshal van 864 m². Voor deze ontwikkeling wordt geen gebruik gemaakt van het Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 van de regio Foodvalley, omdat de aanvraag om mee te werken al was ingediend voordat dit beleidskader in werking was getreden. Daarnaast is het de bedoeling dat de bestaande nevenactiviteit, een hondentrimsalon, kan worden voortgezet. In een brief van 4 juni 2025 hebben Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leusden toegezegd onder voorwaarden te willen meewerken aan de planontwikkeling. Afbeelding 1: Ligging plangebied.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

2

Om de functieverandering mogelijk te maken, is dit TAM-omgevingsplan1 vervaardigd. Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat hiervan sprake is, wordt in deze motivering onderbouwd.

1.2.

Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de zuidkant van de gemeente Renswoude ten zuiden van de A12 aan de noordwestzijde van de Kooiweg.

1.3.

Toetsing aan omgevingsplan Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 vormen alle vigerende bestemmingsplannen van rechtswege het tijdelijk omgevingsplan. Voor het plangebied betreft dit het bestemmingsplan Buitengebied 2010 en het bestemmingsplan "Herziening Buitengebied Renswoude 2010". Daarnaast is het Inpassingsplan Grebbelinie van toepassing. Afbeelding 2: Fragment vigerend bestemmingsplan.

1.3.1. Bestemmingsplan Buitengebied 2010/Herziening Buitengebied Renswoude 2010 Het bestemmingsplan Buitengebied 2010 is op 5 oktober 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. Op 12 november 2013 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan "Herziening Buitengebied Renswoude 2010" vastgesteld. Hiermee is het bestemmingsplan uit 2010 op onderdelen aangepast. Voor het voorliggende plangebied is de verbeelding uit 2010 ongewijzigd gebleven. In dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarde - Reliëf". 'De gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven

1

TAM = Tijdelijke Alternatieve Maatregel. Het TAM-omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve manier voor gemeenten om hun omgevingsplan aan te passen via de digitale standaard (IMRO) onder de Wet ruimtelijke ordening, omdat de TPOD/STOP-standaard van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) nog onvoldoende functioneert. Tot 1 januari 2026 is het mogelijk om een ontwerp TAM-omgevingsplan ter visie te leggen.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

3

alsmede voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van het waterhuishoudkundig systeem en voor het behoud, herstel, en ontwikkeling van groot- en kleinschalig reliëf. Omdat de aanduiding 'intensieve veehouderij' op de verbeelding is aangegeven is ter plaatse een intensieve veehouderij toegestaan. Binnen die bestemming is echter geen bedrijfsbebouwing voor een transportbedrijf toegestaan. Het plangebied ligt binnen de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone- verwevingsgebied', als bedoeld in artikel 30 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010". Verwevingsgebieden zijn ruimtelijk begrensde gedeelten van het reconstructiegebied, gericht op de verweving van landbouw, wonen en natuur, waar uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. In artikel 30, lid 30.3.2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om bij een agrarische bedrijfsbeëindiging de bestemming onder voorwaarden te wijzigen inde bestemming "Bedrijf".

De belangrijkste voorwaarden daarbij zijn dat: ▪ de wijziging ten behoeve van de bestemming "Bedrijf" ten hoogste de bestaande bebouwing en het daarbij behorende erf binnen het bouwvlak bevat; ▪ de wijziging slechts wordt toegepast indien ten minste 50% van de aanwezige oppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing, niet zijnde de bedrijfswoning, wordt gesloopt, waarbij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – verwevingsgebied' ten hoogste 1.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte gehandhaafd mag worden; ▪ in vergelijking met het agrarisch gebruik mag geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvinden; ▪ er geen opslag van goederen in de open lucht plaatsvindt; ▪ de wijziging slechts wordt toegepast indien:  uit een beeldkwaliteitplan, inclusief een erfinrichtingsplan, blijkt dat een kwalitatief hoogwaardige invulling wordt gegeven aan de architectuur van het hoofdgebouw en de inrichting van omliggende terreinen in hun ruimtelijke samenhang;  voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing, afgestemd op de kenmerken van de omgeving; alvorens het plan te wijzigen vragen burgemeester en wethouders hierover advies van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige;  zorg wordt gedragen voor ruimtelijke kwaliteitswinst;  een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de

landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst; ▪ wordt voldaan aan de provinciale instructieregels (Omgevingsverordening provincie Utrecht). De planontwikkeling voldoet aan deze eisen. Hierop wordt ingegaan in paragraaf 2.3. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen echter geen wijzigingsplannen meer in procedure worden gebracht. Gelet daarop is ervoor gekozen dit TAM-Omgevingsplan te vervaardigen. De gronden hebben daarnaast de dubbelbestemmingen "Waarde – Archeologie - 2" (uiterste zuidwest punt van het bouwvlak) en "Waarde – Archeologie - 3" en zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden. Bij bodemingrepen

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

4

groter is dan respectievelijk 100 m² en 1.000 m², waarbij de grond dieper dan respectievelijk 0,4 meter en 0,5 meter zal worden geroerd, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor de realisatie van de bedrijfshal van 864 m² is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk omdat die woning wordt gerealiseerd op gronden met de dubbelbestemming "Waarde – Archeologie - 3", waarvoor een ondergrens voor archeologisch onderzoek geldt van 1.000 m³. 1.3.2. Inpassingsplan Grebbelinielandschap Het Inpassingsplan Grebbelinielandschap is op 8 december 2014 vastgesteld. Een inpassingsplan is een bestemmingsplan dat door de provincie wordt vastgesteld. Het doel van dit Inpassingsplan is het borgen van de waarden van de Grebbelinie bij de toepassing van afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden in vigerende bestemmingsplannen. Het inpassingsplan leidt tot de inspanningsverplichting voor gemeenten om bij hun nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de waarden van de Grebbelinie. Bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan moet met de regelingen uit het inpassingsplan rekening worden gehouden. Het inpassingsplan heeft betrekking op het gebied rondom de als rijksmonument aangewezen delen, dat wil zeggen de hoofdverdedigingslijn en de militaire objecten van de Grebbelinie.

Deze gebieden liggen ten westen en oosten van de hoofdverdedigingslijn en worden gezien als het Grebbelinielandschap. Het beleid is gericht op de bescherming van de kwaliteiten van de Grebbelinie, met name de zichtbaarheid en herkenbaarheid van de Grebbelinie. Afbeelding 3: Inpassingsplan Grebbelinielandschap.

Het plangebied ligt in de zogenaamde respectzone bij het Werk aan de Roode Haan. De respectzone, het gebied dat binnen 100 meter van linie-elementen ligt, is een gebied dat direct grenst aan de zichtbare linie-elementen, zoals de liniedijk, werken en keerkades. Deze zone heeft tot doel om de linie-elementen ruimte te geven, waardoor deze zichtbaarder zijn en waar-

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

5

door er vanaf de linie meer zicht is op de omgeving. De respectzone is in essentie dus een open strook, waarin geen opgaande elementen, zoals bebouwingen en beplantingen, voorkomen. In het huidige landschap bevinden zich al beplantingen en bebouwing in deze respectzone. De introductie van de respectzone is niet bedoeld als een dwingend instrumentarium om erven te verplaatsen of beplantingen te verwijderen. Het is primair bedoeld om bewustzijn te creëren bij initiatiefnemers, over de aanwezigheid van de Grebbelinie en dat zij invloed hebben op de algehele kwaliteit van de linie. Bij uitbreidingen en functieveranderingen van erven wordt dan ook gevraagd om afstand te houden ten opzichte van de linie en rekening te houden met zichtlijnen. Het toevoegen van extra beplanting, zoals bospercelen, is tevens ongewenst. Door middel van het Inpassingsplan is aan de gronden rondom de Grebbelinie de dubbelbestemming "Waarde - Grebbelinielandschap" toegekend. Dat wil zeggen dat de gronden tevens zijn aangewezen voor het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie. Deze waarden worden in het Beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage bij de regels van het inpassingsplan is opgenomen, beschreven. Afbeelding 4: BKP Grebbelinielandschap.

De respectzone is in essentie dus een open strook, waarin geen opgaande elementen, zoals bebouwingen en beplantingen, voorkomen. In het huidige landschap bevinden zich al beplantingen en bebouwing in deze respectzone. De introductie van de respectzone is niet bedoeld als een dwingend instrumentarium om erven te verplaatsen of beplantingen te verwijderen. Het is primair bedoeld om bewustzijn te creëren bij initiatiefnemers, over de aanwezigheid van de Grebbelinie en dat zij invloed hebben op de algehele kwaliteit van de linie. Bij uitbreidingen en functieveranderingen van erven wordt dan ook gevraagd om afstand te houden ten opzichte van de linie en rekening te houden met zichtlijnen.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

6

Het plangebied ligt in de 'kleinschalige linie'. In dat Beeldkwaliteitsplan zijn voor de 'kleinschalige linie' de volgende beeldkwaliteitscriteria opgenomen: ▪ algemeen  versterk de openheid aangrenzend aan linie-elementen door bebouwing en beplanting op afstand te houden;  plaats bebouwing met de kopgevel richting het linie-element zodat het stenige beeld aan de linie beperkt blijft en zicht rondom en over het erf mogelijk blijft; ▪ uitbreiding van het erf  probeer zichtlijnen over het erf intact te laten of te versterken door bebouwing met de kopgevel op de linie te oriënteren en voldoende afstand tussen de bebouwing op het erf te bewaren;  onttrek bedrijfsmatige elementen (zoals silo’s en/of sleufplaten)zoveel mogelijk aan het zicht, door een goede positionering tussen gebouwen of door gebruik van een dichte erfbeplanting; ▪ functieverandering van het erf  gebruik vrijkomende grond voor het vergroten van de afstand tussen de linie en het erf;  plaats het nieuwe gebouw(en) rondom een gemeenschappelijk erf, zodat een compacte erfvorm te realiseren is. In dit geval is sprake van een reductie van bebouwing. Omdat de openheid in de respectzone hierdoor wordt versterkt, doet de planontwikkeling geen afbreuk aan de beleefbaarheid van de Grebbelinie.

1.4.

Leeswijzer Deze motivering bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een planbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid, waarna in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en milieu. Hoofdstuk 5 bevat een toelichting op de juridische regeling. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid en is een samenvatting gegeven waaruit blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

7

2.

Planbeschrijving

2.1.

Geschiedenis De Gelderse Vallei kenmerkt zich als een gevarieerd, relatief kleinschalig agrarisch landschap. Er is een grote afwisseling van grasland- en akkerpercelen, bosjes, houtwallen en enkele natte natuurgebiedjes. Het gebied wordt gekenmerkt door dekzandruggen en (van oudsher) kronkelende beken. Het landschap heeft, door zijn grote variatie in landschapstypen, een grote aantrekkingskracht op recreanten. Afbeelding 5: Historische topografie.

Het plangebied ligt aan net ten noorden van het Werk aan de Rode Haan, aan de voet van de Emminkhuizerberg. Op deze plek is een sluis in de Slaperdijk gemaakt, waardoor het gebied ten noorden daarvan onder water gezet kon worden als onderdeel van de Grebbelinie. De Rode Haan moest de Emminkhuizerberg verdedigen, die niet onder water gezet kon worden. Het doodlopende deel van de Kooiweg, dat langs de westgrens van het plangebied loopt, is onder deel van de Slaperdijk. Die Slaperdijk is in 1652 aangelegd tussen de Amerongse Berg en de Emminkhuizerberg, dwars door de Gelderse Vallei. De Slaperdijk werd zo genoemd, omdat ze haar rustende bestaan slechts verloor als de Grebbedijk doorbrak. In de 18de eeuw werd

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

8

tussen Rhenen en Amersfoort een verdedigingsstelsel, de Grebbelinie aangelegd. Dankzij de Slaperdijk kon de lager gelegen Gelderse Vallei ten oosten van de linie eenvoudig onder water worden gezet om de vijand tegen te houden. De Slaperdijk is ook nu nog steeds in gebruik als waterkering. De Kooiweg langs de westgrens van het plangebied loopt licht omhoog richting de A12. Door de aanleg van de A12, waarvan dit tracégedeelte in 1957 werd opengesteld, is de ligging aan de voet van de Emminkhuizerberg minder goed beleefbaar. Het plangebied ligt wel ongeveer 3 meter lager dan de Kooiweg. Op de topografische kaart uit 1931 is voor het eerst bebouwing zichtbaar in het plangebied. De huidige boerderij dateert echter uit 1965. De agrarische bedrijfsbebouwing, die inmiddels is gesloopt, is daarna gefaseerd achter de boerderij gebouwd.

2.2.

Huidige situatie Het plangebied ligt ten zuiden van Renswoude op ongeveer 150 meter ten zuiden van de A12. De Kooiweg omsluit het plangebied aan de west en aan de zuidoostzijde. Langs de zuid- en de oostgrens van het plangebied ligt de Zijdewetering, een aftakking van het Valleikanaal. Het perceel is toegankelijk via een brug over die Zijdewetering. Op het perceel was een intensieve veehouderij gevestigd. Het agrarisch bouwvlak heeft een oppervlakte van ongeveer 5.900 m². Afbeelding 6: Huidige situatie plangebied.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

9

Op het perceel was 2.288 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig. Daarvan is in september 2025 2.161 m² gesloopt. Als nevenactiviteiten zijn een hondentrimsalon en een vergaderaccommodatie aanwezig. Eén gebouw wordt begin volgend jaar gesloopt, omdat hiervoor nog gebruik wordt gemaakt door de hondentrimsalon. Alleen de kapschuur aan de oostkant van de boerderij met een oppervlakte van 127 m² worden gehandhaafd.

2.3.

Toekomstige situatie De vergunning voor de intensieve veehouderij is inmiddels ingetrokken. De initiatiefnemer heeft daarvoor gebruik gemaakt van de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties met piekbelasting (LBV+). In het kader van die subsidieregeling is het verplicht om het bedrijfsmatig houden van dieren op die locatie te beëindigen en de dierenverblijven te slopen. Naast het ontvangen van subsidie voor deze beëindiging en sloop wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om door middel van een ruimtelijk traject een andere gebruiksfunctie voor het perceel in het omgevingsplan op te nemen. Afbeelding 7: Toekomstige situatie.

De eigenaar van het perceel heeft het voornemen om een niet-agrarisch bedrijf te starten en in dat kader een kleinschalig transportbedrijf te gaan exploiteren. Het transportbedrijf zal als een éénmans-onderneming worden geëxploiteerd. Ten behoeve van de stalling van de vrachtauto, de trailers voor verschillende vormen van transport en enige op-/overslag bestaat de behoefte

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

10

aan een nieuwe loods. In deze loods, die een oppervlakte krijgt van 864 m², zal ook de bestaande nevenactiviteit (hondentrimsalon) worden ondergebracht. De vergaderaccommodatie wordt opgeheven. Per saldo neemt het bebouwingsareaal hierdoor met 1.297 m² af. De sloop van de stallen biedt kansen om de gebiedskarakteristiek te herstellen. Het plangebied ligt binnen de respectzone van de Grebbelinie, het gebied dat binnen 100 meter van linie-elementen ligt. Deze respectzone is in essentie dus een open strook, waarin geen opgaande elementen, zoals bebouwingen en beplantingen, voorkomen. Door de reductie van de bebouwing wordt de openheid vergroot. Daarnaast vindt er door het beëindigen van het agrarisch bedrijf een aanzienlijke reductie plaats van ammoniak, geur en fijnstof. Door deze ontwikkeling wordt het huidige agrarisch bouwblok aanzienlijk in oppervlak gereduceerd van 5.978 m² naar een bedrijfsbestemming met een oppervlakte van 3.047 m². Wanneer nog gebruik had kunnen worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 30, lid 30.3.2 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 diende minimaal 50% van het areaal bestaande bedrijfsbebouwing te worden gesloopt tot een maximum van 1.000 m². In dit geval is op het perceel 2.288 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig. Hiervan is 127 m² in gebruik als bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning.

Derhalve resteren 2.161 m² sloopmeters. De nieuwe bedrijfshal (864 m²) en de te behouden kapschuur (127 m²) hebben een oppervlakte van 991 m². Derhalve wordt aan de maatvoeringseisen uit de wijzigingsregels voldaan. Er is een landschappelijk inpassingsplan2 vervaardigd. Op basis van een landschappelijke analyse wordt daarin geconstateerd dat het plangebied aan de zuidzijde van de Emminkhuizerberg ligt, een stuwwal die begin 20e eeuw grotendeels in gebruik was als es. Deze es werd omgeven door een veenontginningslandschap, overgaand in een kampenlandschap rondom Renswoude. Het gebied rond het perceel valt daardoor niet te classificeren binnen een bepaald landschapstype. Kenmerkende beplanting in de drogere delen van het landschap bestaat uit ruwe berk, lijsterbes en zomereik, terwijl in de nattere delen (veenontginningslandschap) gekenmerkt worden door wilgen, essen en zwarte elzen. Als gevolg van de verregaande ontwatering, zijn de oorspronkelijke verschillen in beplanting, vervaagd. Daarom is de huidige situatie als uitgangspunt gehanteerd. Het erf ligt op enige afstand van de meest nabij gelegen doorgaande weg. De nieuwe schuur is vanaf de dijkweg, ten westen van het erf, nadrukkelijk zichtbaar. Om de schuur enigszins aan het zicht te onttrekken worden 12 hoogstam fruitbomen aangeplant.

Ook hebben veel soorten baat bij hoogstam fruitbomen, waaronder steenuil en verschillende soorten insecten en planten in de omgeving. Langs de watergang en aan de noordkant van het erf is ruimte voor de aanplant van knotbomen. Knotbomen

2

Natuurbank Overijssel, Erfinpassingsplan Kooiweg 18 Renswoude, 6411 versie 1.2, Lichtenvoorde, 17 november 2025

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

11

van onder andere schietwilg zijn vaak kenmerkende bomen in het Nederlandse cultuurlandschap. Ook bieden (oude) knotbomen veel voor soorten als onder andere steenuil en verschillende soorten planten en mossen. Langs de dijkweg aan de noordwest kant van het erf wordt de bomenrij aangeheeld met een zomereik. Afbeelding 8: Inpassingsplan.

Omdat sprake is van een kleinschalig transportbedrijf zal het aantal verkeersbewegingen niet substantieel veranderen. Uit een verkeerskundige analyse blijkt dat een transportbedrijf, dat als een éénmans-onderneming wordt geëxploiteerd een vergelijkbare verkeersaantrekkende werking heeft met het beëindigde agrarisch bedrijf. Gelet op de ontsluiting van het perceel en het feit dat de percelen aan de overzijde van de Kooiweg een woonfunctie hebben, is het niet wenselijk dat het aantal verkeersbewegingen en de daarmee gepaarde hinder substantieel toeneemt. In de regels van dit TAM-Omgevingsplan is daarom het aantal vrachtwagencombinaties beperkt tot twee. Op de inpasbaarheid binnen de Provinciale Omgevingsverordening is ingegaan in paragraaf 3.2.2. De planontwikkeling voldoet ook aan de andere voorwaarden die het college heeft geformuleerd.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

12

3.

Beleidskader

3.1.

Rijksbeleid

3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten de Rijksoverheid stelt bij de inrichting van Nederland en hoe het Rijk keuzes maakt in de uitvoering daarvan. Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven. Steeds duidelijker wordt dat de opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dat in samenhang gebeurt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en gezorgd wordt voor een duurzame verbinding van alle delen van Nederland en met de landen om ons heen. Het beleid in de leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden.

De NOVI geeft aan waar het Rijk zich op nationale schaal aan bindt, waar het regie voert richting medeoverheden of waar het juist aan de medeoverheden is om keuzes te maken. Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun omgevingsvisies uiting geven aan hun eigen verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving. Met de NOVI wordt in beeld gebracht waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. Kansen om sociale samenhang, gezondheid en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een circulaire samenleving – stevig te verankeren in onze manier van leven en werken. Daartoe zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen.

Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Ten behoeve van die afweging gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

13

▪ combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; ▪ kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; ▪ afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Planspecifiek Van de 21 nationale belangen is de opgave om de gebouwde omgeving in 2050 CO2-arm, klimaatbestendig en natuurinclusief te maken. Doordat er de intensieveehouderij wordt beëindigd, vindt er een aanzienlijke reductie plaats van ammoniak, geur en fijnstof. De planontwikkeling is verder niet in strijd met de uitgangspunten van de NOVI.

3.2.

Provinciaal beleid

3.2.1. Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Provincie Utrecht vastgesteld. De Omgevingsvisie is op 1 april 2021 in werking getreden. Met vaststelling van de Omgevingsvisie en de (Interim) Omgevingsverordening provincie Utrecht leggen Provinciale Staten de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast (Omgevingsvisie) en de juridische doorwerking hiervan (Omgevingsverordening). De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht bevat een uitwerking in thema's en in gebieden. De uitwerking is in 7 thema's gevat: ▪ stad en land gezond; ▪ klimaatbestendig en waterrobuust; ▪ duurzame energie; ▪ vitale steden en dorpen; ▪ duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; ▪ levend landschap, erfgoed en cultuur; ▪ toekomstbestendige natuur en landbouw. In de Omgevingsvisie staan zowel de ambities, als de wijze waarop de provincie daar uitvoering aan wil geven. De uitwerking in gebieden valt uiteen in drie regio's: U16, Amersfoort en Foodvalley. Renswoude behoort tot de regio Foodvalley. In de uitwerking van het beleid brengt de provincie gebiedsgericht samenhang aan tussen de thematische ambities. Het bouwplan wordt gerealiseerd door middel van functieverandering.

Door de sloop van vrijkomende voormalige agrarische bedrijfsbebouwing vindt een ontstening in het buitengebied van de Regio Food Valley plaats. Het bebouwingsareaal neemt per saldo af door de sloop van de

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

14

voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw van de bedrijfshal. Daarmee wordt de landschappelijke waarde van de Regio Food Valley versterkt en wordt een bijdrage aan de vitaliteit van het platteland gegeven. De onderhavige planontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Provincie Utrecht. 3.2.2. Omgevingsverordening Om de Omgevingsvisie in de praktijk goed te laten werken, zijn op onderdelen regels nodig. Deze regels zijn vastgelegd in één Omgevingsverordening. Deze verordening is op 1 januari 2024 samen met de Omgevingswet in werking getreden. Om de Omgevingsverordening actueel te houden, wordt de verordening regelmatig op onderdelen gewijzigd. Doel van de verordening is om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. Hierbij kan worden gedacht aan het NatuurNetwerk Nederland (NNN) en bebouwingsmogelijkheden in het stedelijk en het landelijk gebied. Planspecifiek Het plangebied ligt in het 'landelijk gebied'. Verstedelijking is in principe alleen mogelijk in het stedelijk gebied. Op grond van artikel 9.3 van de Omgevingsverordening staat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen landelijk gebied geen verstedelijking toe, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

Verstedelijking wordt daarbij gedefinieerd als: 'de vestiging of uitbreiding van al bestaande stedelijke functies. Denk daarbij aan nieuwvestiging of de vergroting van de gebruiksoppervlakte of bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. De LBV+-regeling is nog niet in de Omgevingsverordening verwerkt. Artikel 9.11 van de Omgevingsverordening bepaalt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied regels kan bevatten die toestaan dat op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bedrijfswoning en overige bedrijfsgebouwen een stedelijke functie, niet zijnde wonen, krijgen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: ▪ het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in het geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een Concentratiegebied glastuinbouw; ▪ door sloop wordt de oppervlakte van de fysiek aanwezige bebouwing met 50% gereduceerd, waarbij te behouden historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing niet in de berekening wordt betrokken, tenzij: ▪ het gaat om een nieuwe functie die voorziet in een kleinschalige woonzorgvoorziening; of ▪ het gaat om een nieuwe functie die bijdraagt aan recreatieve beleving of recreatief gebruik waaraan in het gebied nadrukkelijk behoefte bestaat; ▪ het gaat om de hervestiging van één of

enkele bedrijven die op hun oorspronkelijke locatie een ruimtelijk obstakel vormden of de kwaliteit van de leefomgeving ernstig aantasten en die op de nieuwe locatie, nabij de kern, goed inpasbaar zijn; ▪ het gaat om vestiging van bedrijven die vanwege hun werkzaamheden met zwaar rijdend materieel zich voornamelijk richten op het landelijk gebied;

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

15

▪ er is sprake van twee of meer bouwpercelen waar de agrarische functie is beëindigd en op de betrokken bouwpercelen gezamenlijk wordt het vereiste slooppercentage van 50% wel gehaald; of ▪ de ruimtelijke kwaliteit wordt op een andere wijze verhoogd dan alleen door sloop van bebouwing, in een mate die een lager slooppercentage dan 50% rechtvaardigt; ▪ te handhaven en nieuw op te richten bedrijfsgebouwen worden zo compact mogelijk gesitueerd binnen het voormalige bouwperceel en het bouwperceel wordt evenredig met de oppervlakte gesloopte gebouwen verkleind; ▪ de bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden worden behouden; en ▪ de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. De LBV+-regeling is er echter op gericht dat het bedrijfsmatig houden van dieren op die locatie wordt beëindigd. In plaats daarvan wordt er een kleinschalig transportbedrijf gehuisvest. Het bebouwingsareaal wordt met meer 57% gereduceerd. De nieuwe loods staat nabij en de bestaande woning, zodat een compacte erfindeling ontstaat. Het perceel is te klein voor een (nieuwe) grondgebonden veehouderij. In dit geval wordt de ruimtelijke kwaliteit verhoogd doordat het bebouwingsareaal in de nabijheid van de Grebbelinie aanzienlijk gereduceerd.

Het verkleinde bouwperceel wordt met gebiedseigen beplanting ingepast, waardoor de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden worden behouden en versterkt. De belangen van bestaande omringende functies worden door het bouwplan niet onevenredig aangetast. Het plangebied ligt niet in de NNN. Uit de Omgevingsverordening vloeien verder geen specifieke aandachtspunten voor de bouw van de loods. De Omgevingsverordening heeft daarom geen gevolgen voor de planontwikkeling.

3.3.

Regionaal beleid

3.3.1. Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei (2005) In het Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei (LOP) stellen de gemeenten Amerongen, Barneveld, Leersum, Leusden, Maarn, Renswoude, Scherpenzeel en Woudenberg het landschapsbeleid op elkaar af. Het LOP is een uitwerking van het voormalige reconstructieplan en het (oude) streekplan. Voor de Gelderse Vallei zet het LOP in op het versterken van het landschappelijke raamwerk. Hiervoor worden beplantingen langs wegen aangevuld, bosgebieden versterkt en het bekensysteem verder ontwikkeld. Een verbetering van het recreatief netwerk is een kans die verder uitgewerkt wordt in het LOP. Naast de ruimte voor landgoederen en landelijk wonen wordt bijzondere aandacht besteed aan het behoud van het agrarische karakter en de versterking van

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

16

streekeigen landschapselementen, zoals waterlopen en de EVZ en inpassingen van agrarische erven en ook kleinschalige natuurontwikkeling. Afbeelding 9: Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei.

Op de visiekaart van het LOP ligt het plangebied aan de Kooiweg net buiten het gebied 'behouden en versterken van het brink- en esdorpenlandschap' in het gebied dat is aangeduid als 'behouden en versterken van het broek- en heideontginningenlandschap'. Het broek- en heideontginningenlandschap kent grootschalige intensieve (grondgebonden) bedrijven met de daarbij behorende functionele architectuur. De erven zijn ruimer en moderner dan in de oude kampenlandschappen en liggen vooral langs de wegen verspreid. Boerderijen, voormalige boerderijen, woningen en overige bebouwing staan individueel naast elkaar. Het meest voorkomende historische type boerderij is de langhuisboerderij of hallehuis, voorgevels zijn vaak op de weg gericht, de bijgebouwen staan achter het woongedeelte van de boerderij of de woning (ten opzichte van de weg) soms haaks op elkaar. Bij uitbreiding van het erf dient er naar te worden gestreefd bebouwing compact te clusteren en de typische orthogonale erfopbouw behouden. In het heideontginningslandschap zijn de erven weinig voorzien van erfbeplanting. Nadruk ligt vooral op functionaliteit. 3.3.2. Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 Op 17 september 2024 heeft de gemeenteraad van Renswoude het regionaal afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 vastgesteld.

In dit afwegingskader functieveranderingsbeleid is vastgelegd hoe de deelnemende gemeenten om willen gaan met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Het beleid stelt agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze (gedeeltelijk) te beëindigen. Het wijzigen van de agrarische functie in een andere functie, zoals een woon- of werkfunctie, is de daadwerkelijke functieverandering. Dit leidt op verschillende manieren tot kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Door de sloopverplichting van overtollige bebouwing, landschappelijke inpassing bij hergebruik/nieuwbouw voor nieuwe woon- of werkfuncties, en natuurontwikkeling of land-

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

17

schapsverbetering in de wijdere omgeving. Op de slooplocatie kent de overtollige agrarische bebouwing een waarde. Deze waarde wordt sloopmeters genoemd. Nieuwe functies, zoals wonen, werken, het vergroten van de woninginhoud of oppervlakte aan bijgebouwen worden door de inzet van sloopmeters mogelijk gemaakt. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen werken we met een omrekening van de sloopmeters. Dit betekent dat de vrijkomende sloopmeters niet één op één ingezet kunnen worden voor een nieuwe functie. De sloopmeters zijn door de reikwijdte van het functieveranderingsbeleid tussen de deelnemende gemeenten uitwisselbaar. Omdat de aanvraag om functieverandering is ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024, is op grond van het overgangsrecht in artikel 3.7.3 het voorgaande functieveranderingsbeleid van toepassing.

3.4.

Gemeentelijk beleid

3.4.1. Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 De Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 die op 3 juli 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Renswoude loopt vooruit op de totstandkoming van de Omgevingswet. Het doel van de Omgevingsvisie is het creëren van een strategische visie voor de langere termijn voor de hele fysieke leefomgeving van Renswoude, die antwoord geeft op de vraag: Hoe ziet Renswoude er in 2030 uit? In de Omgevingsvisie wordt een aantal belangrijke thema's behandeld. Voor dit bestemmingsplan zijn met name de thema's buitengebied en voorzieningen van belang. Voor het buitengebied wordt geconstateerd dat het prachtige natuurlijke maar ook agrarische buitengebied een van de trekpleisters van de gemeente is. Het is belangrijk dat het buitengebied in balans blijft en dat kansen op het gebied van natuurontwikkeling en vrijkomende agrarische bebouwing worden benut. Daarnaast is het belangrijk dat ook agrariërs de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen. Alle ontwikkelingen in het buitengebied gaan altijd gepaard met het nodige onderzoek vooraf, het blijft immers maatwerk, waarbij nadrukkelijk aandacht geschonken wordt aan de belangen van agrariërs, landschaps- en natuurwaarden en een gezonde leefomgeving. Het doel is om hiertussen te allen tijde de juiste balans te vinden. Verrommeling van het buitengebied dient te allen tijde voorkomen te worden.

Als er agrarische bebouwing vrijkomt, kunnen hieraan uiteraard nieuwe functies worden toegekend zoals wonen of werken, maar er kan ook worden gekozen om bebouwing te slopen en de gronden te gebruiken voor naburige agrariërs die op zoek zijn naar extra gronden of voor natuurontwikkeling. De inpassing in het landschap en bescherming van aanwezige natuurwaarden is daarbij van groot belang, alsmede dat bij vrijkomende agrarische bebouwing alleen bedrijfsactiviteiten mogen worden ontwikkeld die niet hinderlijk, gevaarlijk en/of schadelijk zijn voor de omgeving of het leefmilieu.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

18

In dit geval krijgt het perceel Kooiweg 18 een nieuwe functie: werken. Door de verkleining van het voormalige bouwblok, de herinrichting van het erf en de landschappelijke inpassing, past de planontwikkeling binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 3.4.2. Welstandsnota In artikel 4.19 van de Omgevingswet is aangegeven dat 'als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, (…) de gemeenteraad beleidsregels vast[stelt] voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zo veel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.' Via dit artikel is vastgelegd dat het welstandstoezicht onder de Omgevingswet loopt via het omgevingsplan. In artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet is overgangsrecht opgenomen waarin een welstandsnota na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelijkgesteld wordt aan een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet. De gemeenteraad van Renswoude heeft op 22 juni 2004 de Welstandsnota vastgesteld. Het doel van de Welstandsnota is het behouden en waar mogelijk versterken van de ruimtelijke kwaliteit. In de Welstandsnota van de gemeente Renswoude zijn gebiedsgerichte criteria opgenomen.

Met de gebiedsgerichte benaderingswijze zijn de karakteristieken van wijken en samenhangende gebieden in heel de gemeente vastgelegd en gewaardeerd. Hiermee moeten de ontwerpers van nieuwe bouwplannen rekening houden en het biedt de welstandscommissie handvatten voor het formuleren van een welstandsadvisering. De gemeente Renswoude heeft de welstandscriteria gedifferentieerd naar gebieden. Per gebied zijn specifieke criteria opgesteld. Voor het buitengebied, waartoe het plangebied behoort, zijn aanvullende criteria voor massa en vorm bebouwing en voor detaillering, kleur- en materiaalgebruik geformuleerd. ▪ Algemeen  de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en gerelateerd aan de landschappelijke inrichting. ▪ Massa en vorm bebouwing  de bebouwing wordt terughoudend vormgegeven;  de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw. ▪ Detaillering, kleur en materiaalgebruik  de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren. De nieuwe loods krijgt een eenvoudige hoofdvorm. Kleur- en materiaal gebruik zal overeenkomstig de Welstandsnota passen in het landelijk gebied.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

19

4.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1.

Inleiding In het kader van de totstandkoming van dit TAM-omgevingsplan is onderzoek uitgevoerd naar verschillende milieu- en omgevingsaspecten om de uitvoerbaarheid van de planontwikkeling aan te tonen en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de directe omgeving en de beoogde ontwikkeling zelf. In dit hoofdstuk wordt voor de beoogde ontwikkeling nader ingegaan op de verschillende aspecten; indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De betreffende rapportages maken als bijlage deel uit van deze motivering.

4.2.

m.e.r.-beoordeling Algemeen De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de Strategische milieubeoordeling-richtlijn. Onder een plan of programma wordt in ieder geval verstaan: een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er hoeft niet (meer) getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid (meer) gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Toetsing Door de planontwikkeling neemt het ruimtebeslag af. Niet alleen het bebouwingsareaal wordt aanzienlijk gereduceerd, ook de bebouwingsmogelijkheden worden aanzienlijk ingeperkt doordat het agrarisch bouwvlak in dit TAM-omgevingsplan wordt verwijderd. Door de planontwikkeling nemen verder de geur- en stikstofemissie aanzienlijk af. Wellicht ten overvloede kan worden opgemerkt dat uit de samenvatting van de onderzoeken in dit hoofdstuk, volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten.

Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3.

Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen Om de ruimte zorgvuldig te benutten en overprogrammering te voorkomen is de "Ladder voor duurzame verstedelijking" geïntroduceerd. De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

20

Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de behoefte aan die ontwikkeling (trede 1) worden aangetoond. Indien die stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien (trede 2). Het begrip stedelijke ontwikkeling wordt daarbij als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Toetsing In de overzichtsuitspraak over de ladder (ABRvS 201608869/1/R3) is destijds bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. De bebouwing op het perceel wordt met 1.297 m² gereduceerd. Door de planontwikkeling neemt het bebouwingsareaal derhalve aanzienlijk af. De initiatiefnemer is de voormalige agrariër die al jaren op het perceel woont en werkt. Gelet daarop is het gebruikmaken van beschikbare gronden, herontwikkeling of transformaties van bestaande locaties elders niet van toepassing. De ladder hoeft daarom niet te worden doorlopen.

Conclusie De planontwikkeling hoeft niet te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

4.4.

Duurzaamheid & gezondheid

4.4.1. Duurzaamheid De eisen met betrekking tot de milieuprestatie en energiezuinigheid van gebouwen zijn opgenomen in artikel 4.148-4.160 (Duurzaamheid) van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierin is onder meer aangegeven dat een bouwwerk bijna energie neutraal (BENG) dient te zijn. Er gelden echter geen eisen voor de gebruiksfuncties 'industriefunctie', 'overige gebruiksfuncties' en 'bouwwerken geen gebouw zijnde'. Toetsing duurzaamheid Ten aanzien van de duurzaamheid gelden er geen eisen op grond van het Bbl. 4.4.2. Gezondheid Ook de bevordering van gezondheid is een afwegingscriterium bij ruimtelijke ontwikkelingen. In dit hoofdstuk komt een aantal (milieu)aspecten, zoals geluidsoverlast, bodemverontreiniging, externe veiligheid, enzovoort, aan de orde waarbij de gezondheid van de toekomstige bewoners een rol speelt. Uit de uitgevoerde onderzoeken zijn geen belemmeringen naar voren gekomen ten aanzien van gezondheid. Daarnaast kan bij grotere planontwikkelingen ook gezondheidsbevordering gestimuleerd worden. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

21

Toetsing Door de beëindiging van deze intensieve veehouderij aan de rand van de bebouwde kom van Veenendaal, verbetert het woon- en leefklimaat aanzienlijk. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er vanuit het oogpunt van gezondheid geen belemmeringen zijn voor de instandhouding van een goed woon- en leefklimaat. Voor het overige is het onderdeel van het bevorderen van de gezondheid minder relevant, omdat er geen leefomgeving op een groter schaalniveau wordt ingericht. 4.4.3. Conclusie Het aspect duurzaamheid en gezondheid levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5.

Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met verkeersgeneratie en -afwikkeling en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Toetsing In de ASVV2021 wordt voor arbeidsextensieve en bezoekersextensieve bedrijvigheid in het buitengebied uitgegaan van een verkeersaantrekkende werking van 3,9-5,7 autobewegingen per etmaal per 100 m² BVO. Bij een bedrijfsloods van 864 m² zou dit betekenen dat er 33,749,2 autobewegingen per etmaal worden gegenereerd. Het kleinschalige transportbedrijf zal echter als een éénmans-onderneming worden geëxploiteerd. De verkeersintensiteit zal daardoor vergelijkbaar zijn met de verkeersintensiteit van het beëindigde agrarisch bedrijf. Het verkeer dat gepaard ging met de exploitatie van dit agrarisch bedrijf bedroeg op jaarbasis: ▪ zwaar vrachtverkeer (inclusief trekker) 800 bewegingen; ▪ lichte voertuigen 3.603 bewegingen. Deze verkeersbewegingen bestonden uit de aan- en afvoer van grondstoffen, voer, dieren en meststoffen. Het aantal verkeersbewegingen met zwaar verkeer neemt in de nieuwe situatie toe naar 1.124 per jaar. Dit betekent een toename van 324 bewegingen op jaarbasis. Dat zijn 3 extra transportbewegingen per week. De verkeersbewegingen met licht verkeer blijven gelijk. Het omliggende wegennet kan deze toename zonder meer verwerken.

Het aantal verkeersbewegingen van en naar de bedrijfswoning en de hondentrimsalon verandert niet door de functieverandering van agrarisch bedrijf naar kleinschalig transportbedrijf. Burgemeester en wethouders van Renswoude hebben op 30 mei 2016 de "Nota parkeernormen gemeente Renswoude" vastgesteld. Op basis van deze nota kan een prognose worden gemaakt van de te verwachten parkeerbehoefte bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor opslag bedraagt de parkeernorm 0,9 parkeerplaatsen per 100 m² BVO. Derhalve zijn voor 864 m² BVO 8

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

22

parkeerplaatsen noodzakelijk. Ook hiervoor geldt dat dit aantal voor een éénmans-onderneming te hoog is. De nieuwe schuur wordt gebruikt voor het binnen parkeren van de vrachtauto en een aantal trailers voor verschillende vormen van transport. Op eigen terrein is overigens voldoende ruimte om die parkeerbehoefte te realiseren. Conclusie Het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6.

Flora & Fauna

4.6.1. Algemeen De natuur in Nederland wordt beschermd vanuit twee invalshoeken: bescherming van gebieden en bescherming van soorten. Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn(92/43/EEG). Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het Natuurbeschermingsrecht is ongewijzigd ten opzichte van de Wnb. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het 'beschermingsregime andere soorten' vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In verband met de planontwikkeling is daarom een quickscan ecologie3 uitgevoerd. 4.6.2.

Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en wordt in Nederland beschermd door middel van de Omgevingswet. Deze wet biedt een beschermingskader voor de aangewezen beschermde gebieden. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen.

3

Natuurbank Overijssel, QuickScan natuurwaardenonderzoek Kooiweg 18 – Renswoude, Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000, 6411 versie 1.0, Lichtenvoorde, 18 april 2024

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

23

Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden planologisch vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur(gebieden). Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. De bescherming van het NNN bestaat hieruit (artikel 7.8, lid 2, Bkl): dat geen activiteiten worden mogelijk gemaakt die leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte of samenhang van het NNN. Toetsing gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Binnenveld, op ongeveer 4 km ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels zijn uit te sluiten. De ontwikkeling vindt plaats op een reeds bestaand en bebouwd plangebied buiten Natura 2000-gebied.

Ter plaatse zijn geen kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels aanwezig en kunnen zich er ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden zal er tijdelijk sprake zijn van geluid, stof, trillingen en mogelijk bemaling. De werkzaamheden zijn van dien aard dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er vindt een beëindiging van de intensieve veehouderij plaats, hetgeen zal leiden tot een vermindering van stikstofdepositie in de omgeving. De voormalige agrarische bedrijfsopstallen zijn inmiddels op één na gesloopt. Werkzaamheden voor wat betreft het slopen van de stallen en het vergroten van de opslag zijn minimaal. De initiatiefnemer heeft inmiddels een aanvraag voor het intrekken van de geldende natuurvergunning voor de varkens- en vleeskalverhouderij bij de Provincie Utrecht ingediend in verband met de deelname aan de Lbv+. Voor het slopen van de stallen geldt geen vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit omdat deze activiteit geen significante gevolgen heeft voor de omliggende Natura 2000-gebieden. Ook voor de nieuwe activiteiten na beëindiging van de veehouderijactiviteiten, inclusief de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw, geldt geen vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit. Dit omdat de depositie lager is dan 0,05 mol.

In verband met deelname aan de LBV+-regeling is het toegestaan dat ten hoogste 15% van de stikstofemissie, die nu is toegestaan vanuit de natuurvergunning, wordt gebruikt voor nieuwe activiteiten Uit een berekening met de Aeriuscalculator blijkt dat er in de aanleg- en de gebruiksfase geen sprake is van stikstofemissies groter dan 0,00 mol/hectare/jaar. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of de Groene Contour (GC). Hiervoor geldt geen externe werking. De planontwikkeling heeft daarmee geen negatieve effec-

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

24

ten op de natuurwaarden van deze gebieden. Verder onderzoek of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig. Conclusie Uit het oogpunt van de gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling. 4.6.3. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Toetsing soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk en bezetten grondgebonden zoogdieren en vleermuizen er een vaste rust- of voortplantingsplaats.

Het plangebied wordt door vogels uitsluitend benut als foerageergebied en wordt niet als functioneel leefgebied van amfibieën beschouwd. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen of vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van de schuren op het erf wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust-

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kooiweg 18 Renswoude

25

en voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Er is daarom nader onderzoek4 conform het vleermuisprotocol uitgevoerd om de functie van de bebouwing vast te kunnen stellen. In de periode van juni tot september 2024 is de bebouwing in het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld in het onderzoeksgebied. Het uitvoeren van de voorgenomen sloopwerkzaamheden heeft geen effect op verblijfplaatsen van beschermde dieren. Daarom was voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. In het kader van de zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zoveel mogelijk te voorkomen. Voor sommige algemene, veel voorkomende soorten is in de provincie geen omgevingsvergunning vereist en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht. Dit betekent dat er voldoende zorg moet worden gedragen voor eventueel passerende individuen. Bijvoorbeeld door dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied te verplaatsen als ze tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16785215/1