CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1b. Verschillen versie december 2025 en versie 14 april 2026

Gemeenteraad 16 juni 2026, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling TAM-omgevingsplan Schalm 915.828 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en wordt in Nederland beschermd door middel van de Omgevingswet. Deze wet biedt een beschermingskader voor de aangewezen beschermde gebieden. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen.

2

Hopman en Peters, Ecologische QuickScan Schalm 9 Renswoude, P2500364 versie 2, Renswoude, 30 september 2025

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

27

Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden planologisch vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur(gebieden). Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. De bescherming van het NNN bestaat hieruit (artikel 7.8, lid 2, Bkl): dat geen activiteiten worden mogelijk gemaakt die leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte of samenhang van het NNN. Toetsing gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Binnenveld, op ongeveer 4,4 km ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels zijn uit te sluiten. De ontwikkeling vindt plaats op een reeds bestaand en bebouwd plangebied buiten Natura 2000-gebied.

Ter plaatse zijn geen kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels aanwezig en kunnen zich er ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden zal er tijdelijk sprake zijn van geluid, stof, trillingen en mogelijk bemaling. De werkzaamheden zijn van dien aard dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Om te beoordelen of er sprake is van stikstofemissie boven de toegestane norm is een stikstofonderzoek3 uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat er zowel in de realisatie- als de gebruiksfase geen stikstofdepositie hoger is dan 0,00 mol/hectare/jaar. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of de Groene Contour (GC). Hiervoor geldt geen externe werking. De planontwikkeling heeft daarmee geen negatieve effecten op de natuurwaarden van deze gebieden. Verder onderzoek of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig. Conclusie Uit het oogpunt van de gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling. 4.6.3. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn val-

3

Van Westreenen B.V., Rapportage Beoordeling Stikstofeffecten ten behoeve van de beoogde functieverandering aan de Schalm 9 te Renswoude, LZ//004522 Definitief, versie 1, Lichtenvoorde, 14 juli 202519 maart 2026

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

28

len, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Toetsing soortenbescherming Uit de ecologische quickscan blijkt dat er in en om de bebouwing van de voormalige nertsenhouderij geen beschermde soorten worden verwacht. Daarbij is specifiek gekeken naar de huismus. Daarbij is geconstateerd dat het risico op negatieve effecten op de huismus door de voorgenomen werkzaamheden kan worden uitgesloten. In de nieuwe situatie wordt een deel van het terrein ingericht met zonnepanelen (grondopstelling). Dergelijke installaties kunnen, met name bij laagstaande zon, lichtreflectie veroorzaken in de omgeving. Tijdens de quickscan is gekeken naar de directe omgeving van het erf en de aanwezige natuurwaarden. Het erf wordt grotendeels omringd door agrarisch gebruik (graslanden en akkers), die weinig gevoelig zijn voor verstoring door lichtreflectie. Ook zorgt de aanwezige erfbeplanting (hagen, bomenrijen en struweel) bovendien voor een natuurlijke afscherming richting de omgeving.

Hierdoor is er geen sprake van een open landschap waarin lichtreflectie ver kan uitstralen. In de directe nabijheid van het erf zijn geen gevoelige natuurwaarden aanwezig, zoals bekende kolonies van lichtgevoelige soorten (bijvoorbeeld vleermuizen of weidevogels). Voor vleermuizen zijn geen negatieve effecten te verwachten. Het zonnepark vormt geen permanente lichtbron, maar incidentele reflectie. De aanwezige beplanting zorgt voor beschaduwing en voorkomt dat mogelijke vliegroutes of foerageergebieden verstoord worden. Ook weide- en akkervogels ondervinden geen negatieve effecten: de openheid van het landschap blijft behouden en reflectie van zonnepanelen is volgens de huidige inzichten geen verstorende factor voor deze soortgroep. In het kader van de zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zoveel mogelijk te voorkomen. Voor sommige algemene, veel voorkomende soorten is in de provincie geen omgevingsvergunning vereist en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht. Dit betekent dat er voldoende zorg moet worden gedragen voor eventueel passerende individuen. Bijvoorbeeld door dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied te verplaatsen als ze tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen. 4.6.4.

Conclusie De planontwikkeling heeft geen wezenlijke invloed op de gunstige instandhouding van beschermde soorten en/of gebieden. Het aspect flora en fauna levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

29

4.7.

Luchtkwaliteit Algemeen Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ▪ er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Toetsing Met behulp van de NIBM-tool is bepaald of het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Daarbij zijn is de toename van de verkeersintensiteit uit paragraaf 4.5 gebruikt (gemiddeld 5 verkeersbewegingen per dag). In de berekening is vervolgens uitgegaan van 50% vrachtverkeer (grote campers).

Uit deze berekening met de NIBM-tool van 14 april 2025 (zie afbeelding 10) blijkt dat de extra bijdrage van het verkeer 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving. Uit de atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2023, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (10,4 microgram per m³) en fijn stof (16,3 microgram per m³) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m³ bevinden. De concentratie zeer fijn stof (8,7 microgram per m³) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 20 microgram per m³. In het plangebied worden de grenswaarden derhalve niet overschreden.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

30

Afbeelding 10: Berekening NIBM-tool.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8.

Geluid Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Een gemeente legt in het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vast. In afdeling 3.5 van het Bkl zijn regels voor belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen opgenomen. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen (voor functies zoals wonen, onderwijs of zorg) en locaties nabij een geluidsbron. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) (lokale spoorwegen die zijn aangewezen bij omgevingsverordening, rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor lokale wegen (een verharde gemeente- of waterschapsweg met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal) en lokale spoorwegen (een spoorweg die niet is aangewezen bij omgevingsverordening). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid.

Binnen het geluidaandachtsgebied is akoestisch onderzoek nodig om een geluidgevoelig gebouw toe te laten.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

31

Afbeelding 11: Standaardwaarden en grenswaarden. Geluidbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschapswegen Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen Industrieterreinen

Standaardwaarde

Grenswaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden 40 Lnight

60 Lden 70 Lden 65 Lden 55 Lden 45 Lnight

Toetsing Omdat een bedrijfshal geen geluidgevoelige functie is, is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Het aspect verkeerslawaai vormt geen belemmering voor realisatie van de aanvraag.

4.9.

Geur Algemeen Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Conform de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat (BS) bevat regels over: ▪ geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); ▪ geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); ▪ geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); ▪ geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).

In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De geurverordening maakt geen onderdeel meer uit van de regelgeving in de Omgevingswet. Regels voor geur dienen te worden opgenomen in het Omgevingsplan. Bestaande gemeentelijke geurverordeningen zijn onderdeel van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Renswoude ligt in een concentratiegebied geurhinder en veehouderij. In artikel 22.98 BS is bepaald dat de geurnorm voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom in dat geval 14,0 OU E/m³ bedraagt. Toetsing

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

32

Opslag is geen geurgevoelige functie. Derhalve is naar dit aspect geen onderzoek noodzakelijk. Conclusie Het aspect geur levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10. Milieuzonering In planologische procedures waarin de vestiging van woningen in de nabijheid van bedrijven (of andersom) mogelijk wordt gemaakt, moet rekening worden gehouden met ruimtelijk relevante milieuhygiënische aspecten van die bedrijven. Het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer; deze is vervangen door regels voor milieubelastende activiteiten. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen niet onder de definitie van een 'milieubelastende activiteit'. Inhoudelijk zijn er weinig veranderingen, wel is de systematiek gewijzigd. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor activiteiten die niet in H3 van het Bal zijn aangewezen, kan een gemeente regels opnemen in het Omgevingsplan. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De gemeente Renswoude heeft in H22, afdeling 22.3 regels opgenomen met betrekking tot milieubelastende activiteiten in relatie tot geluid en geur. Om hinder tussen bedrijven en woningen te voorkomen, is ook onder de Omgevingswet een goede afstemming noodzakelijk.

Milieuzonering zorgt ervoor dat bij de bouw van nieuwe woningen voldoende afstand in acht wordt genomen tot milieubelastende activiteiten (tussen bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen). Zo worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft in de brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) een handreiking4 gedaan ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende richtafstanden tot gevoelige functies, zoals woningen. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de grond die is aangewezen voor de functie bedrijf en anderzijds de gevel van een woning.

4

In oktober 2024 is de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering gepubliceerd. Deze handreiking is in hoofdzaak is bedoeld voor de inrichting van het nieuwe omgevingsplan en niet om te onderzoeken of er bij milieugevoelige functies (zoals woningen) nabij milieubelastende functies een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd kunnen worden. De handreiking ziet vooral op het inrichten van een omgevingsplan met milieubelastende functies. Om aan te tonen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij ruimtelijke ontwikkelingen, is de handreiking uit 2009 nog steeds bruikbaar.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

33

De richtafstanden hangen samen met de gebiedskenmerken. De VNG-publicatie hanteert twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied, waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Afbeelding 12: Omgevingstype. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonRichtafstand tot omgevingstype gemengd wijk en rustig buitengebied gebied 10 meter 0 meter 30 meter 10 meter 50 meter 30 meter 100 meter 50 meter 200 meter 100 meter 300 meter 200 meter

Het uitgangspunt van de VNG-handreiking is dat de gemeente deze gemotiveerd toepast. Het is een hulpmiddel, maar het legt niet vast wat wel en wat niet is toegestaan. Een gemeente dient zelf zorgvuldig af te wegen, te bepalen en te motiveren welke functies en activiteiten zij in een bepaald gebied toelaatbaar acht en welke Staat van Bedrijfsactiviteiten zal worden toegepast, zodat maatwerk en flexibiliteit voor een plangebied ontstaat. Er wordt een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk/buitengebied' en 'gemengd gebied'. Toetsing Het gebruik van bedrijfsbebouwing ten behoeve van de stalling van kampeermiddelen en/of statische opslag heeft een aanzienlijk lagere milieubelasting heeft op gevoelige functies dan een nertsenhouderij. Stalling van kampeermiddelen of statische opslag behoort maximaal tot milieucategorie 2. Het zonnepark, bestaande uit zonnepanelen, deeen transformator, accu's en omvormers, heeft een piekvermogen van 1.750 kVA met zich. In de VNG-handreiking behoren ook 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 mVA' tot milieucategorie 2. Voor milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter. Binnen die richtafstand zijn geen woningen van derden aanwezig. Daarom is naar dit aspect geen onderzoek noodzakelijk. Binnen die afstand zijn geen woningen van derden aanwezig.

Daarom is naar dit aspect geen onderzoek noodzakelijk.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

34

Door de uitvoering van de maatregelen in het kader van de landschappelijke inpassing, zal er ook op grotere afstand geen lichtreflectie optreden. In zijn advies over de planontwikkeling heeft de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) opgemerkt dat batterijopslagsystemen (EOS), op grond van de zorgplicht moeten voldoen aan de voorwaarden in de PGS37-1. PGS37-1 is een richtlijn voor de veilige opslag van elektriciteit in energieopslagsystemen. PGS37-1 richt zich specifiek op de veiligheid van lithiumhoudende energiedragers en de juiste toepassing ervan in een Energie Opslag Systeem (EOS). PGS37-1 zorgt voor uniforme maatregelen, wat essentieel is gezien de snelle opkomst van EOS'en in zowel de industrie als de woonomgeving. Om te beoordelen of aan de richtlijn wordt voldaan is in de planregels een adviesplicht opgenomen, zodat de Omgevingsdienst Utrecht (ODU) en de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) kunnen adviseren over de naleving van de zorgplicht bij de plaatsing van de EOS. Conclusie Vanuit oogpunt van milieuzonering is het plan uitvoerbaar.

4.11. Omgevingsveiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. ▪ het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). ▪ buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. ▪ windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare ge-

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

35

bouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Een aandachtsgebied geldt van rechtswege, en is een gebied rond activiteiten met gevaarlijke stoffen dat zichtbaar maakt waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied.

Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Toetsing Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied grotendeels in het brandaandachtsgebied van een hogedrukgasleiding met kenmerk W-523-05 (324 mm met 40 bar) ligt. Derhalve is de Veiligheidsregio Utrecht geconsulteerd5.

5

Veiligheidsregio Utrecht, Advies omgevingsplan Schalm 9, Renswoude, VRU2025-00011350, Utrecht, 28 augustus 2025

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

36

Afbeelding 13: Fragment risicokaart

Het risico bij een gasleiding is het ontstaan van een fakkelbrand. Een fakkelbrand wordt veroorzaakt doordat na een beschadiging, door bijvoorbeeld graafwerkzaamheden, de buis openscheurt. Hierdoor stroomt het brandbare gas uit en ontsteekt direct. Er ontstaat een fakkel die blijft branden tot de buis wordt afgesloten. Het effect van een fakkelbrand is warmtestraling. Dit effect kan slachtoffers, schade en brand tot 130 meter van de buis veroorzaken. De nieuw te bouwen loodsen worden gebruikt voor langdurige opslag en daarom zullen er zeer weinig en kortdurend mensen in aanwezig zijn en wordt als beperkt kwetsbaar gebouw beschouwd. Voor zonnevelden gelden vanuit de brandweer voorwaarden om bij branden veilig op te kunnen treden. Uit de memo 'Uitgangspunten ter voorkoming van beïnvloeding van gasleidingen door nabijgelegen zonneparken (01/12/2022 versie 5)' van de Gasunie blijkt dat zonneparken van invloed kunnen zijn op de kathodische bescherming van aardgastransportleidingen. In die memo is een aantal voorwaarden geformuleerd.

Deze voorwaarden zijn van toepassing op zonneparken die binnen een afstand van 200 meter ten opzichte van aardgastransportleidingen, maar buiten de belemmeringenstrook (= strook grond met een breedte van 5 meter aan weerszijden van de gastransportleiding(en) gemeten vanuit het hart ten behoeve van beheer en onderhoud en/of eventuele calamiteitenbeheersing, die veiligheidshalve moet worden vrijgehouden van obstakels) zijn geprojecteerd. In de memo wordt onderscheid gemaakt tussen zonneparken op minder dan 50 meter afstand van de gasleiding en op zonneparken die op een grotere afstand worden gerealiseerd. De afstand tussen de gasleiding en de zonnepanelen bedraagt in dit geval minimaal 62,5 meter. Daarom dient de initiatiefnemer tijdens de ontwerpfase van het zonnepark het ontwerp met Gasunie af te stemmen. De initiatiefnemer heeft in het najaar van 2025 de eerste contacten met

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

37

de Gasunie gelegd over de aanleg van het zonnepark. In het kader van de definitieve vergunningaanvraag is een schriftelijk akkoord op het ontwerp noodzakelijk, voordat er met de bouw van het park gestart mag worden. In de planregels is deze voorwaarde door middel van een adviesverplichting geborgd. Conclusie In de planregels is een adviesverplichting opgenomen, die de initiatiefnemer verplicht tijdens de ontwerpfase van het zonnepark het ontwerp met Gasunie af te stemmen. Het aspect omgevingsveiligheid levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12. Trilling Algemeen Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing In de omgeving van het plangebied zijn er geen activiteiten die trillingshinder veroorzaken.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

38

Conclusie Het aspect trilling levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.13. Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot: ▪ repressief welstand (artikel 22.7), oftewel de excessenregeling, en ▪ beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29). Als een gemeente geen welstandsnota en ook een beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken heeft, dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De bruidsschat geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. Toetsing De planontwikkeling is voorgelegd aan de MooiSticht, die de gemeente Renswoude heeft geadviseerd met betrekking tot landschap en ruimtelijke kwaliteit realiseren van het opslaggebouw en het zonneveld. Aanvankelijk is ook gekeken naar de mogelijkheden om een meer compacte erf-opzet te bereiken. De grote hal blijkt echter lastig in te passen binnen het bestaande ensemble van boerderij en bijgebouwen, dat uit kleinschaliger elementen bestaat. Ook zou het verder naar voren bouwen (westwaarts opschuiven) ten koste gaan van bestaande beplanting.

Gegeven de opgave (onder andere situering zonnepanelen), de landschaps- en bebouwingsstructuur is nu gekozen voor een meer langwerpig gebouw op de oude locatie, met één kap aan de noordkant van het perceel in plaats van de min of meer vierkante opzet met twee kappen uit het vorige plan. Het karakter van het gebouw worden daarmee meer landelijk, 'liggend' Dit sluit vanuit noord en zuid gezien beter aan bij het bebouwingsbeeld. Ook speelt deze vorm beter in op de relevante zichtlijnen en op de structuur van landschap en gebouwen. Deze is oost-west gericht; het landschap blijft met een smaller gebouw in oost-westrichting meer open / transparant. Deze opzet volgt de inrichtingsprincipes die worden beschreven in het beeldkwaliteitsplan Grebbelinie voor het deelgebied met een half-open landschap. In de richting noord-zuid zal de openheid wel afnemen, maar hier kan de massa worden ingepast door een strook beplanting tussen de loods en het zonneveld met hogere bomen, die de lengte van de stal breken en zorgt voor een afwisselend silhouet. Uit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit en landschap heeft MooiSticht op 18 november 2025 op hoofdlijnen een positief advies over de uitgangspunten van het planTAM-omgevingsplan gegeven en.

MooiSticht heeft op een aantal punten nog suggesties gedaan voor een nadere uitwerking en voor de aanvraag omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit. Conclusie De planontwikkeling is voor wat betreft ruimtelijke kwaliteit en landschap akkoord.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

39

4.14. Archeologie en cultuurhistorie 4.14.1. Algemeen In de Omgevingswet wordt onder cultuur erfgoed verstaan monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. In artikel 5.130 Bkl zijn bepalingen opgenomen om in het omgevingsplan cultureel erfgoed te beschermen. Daarnaast staan in afdeling 8.8 van het Bkl regels voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.14.2. Archeologie Het Verdrag van Malta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland ondertekende dit verdrag van de Raad voor Europa in 1992. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Artikel 5.130, lid 3 Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over de uitvoering van onderzoek bij activiteiten die een te verwachten archeologisch monument kunnen verstoren. Voor projecten kleiner dan 100 m² mag geen archeologisch onderzoek gevraagd worden, tenzij in het omgevingsplan anders is bepaald. Toetsing Uit het vigerende bestemmingsplan (zie paragraaf 1.3) blijkt dat ter plaatse van de nieuwe opslaghallen archeologisch onderzoek nodig is indien bodemingrepen plaatsvinden die respectievelijk groter zijn dan 1.000 m² en dieper dan 50 centimeter. Die ondergrens wordt door de bouwplannen overschreden. De hallen worden echter op een locatie gebouwd waar de nertsensheds stonden en waar daarvoor nog andere -sheds hebben gestaan. Op basis hiervan mag worden geconcludeerd dat de bodem ter plaatse diverse malen is geroerd en dat de kans op archeologische waarden gering is. Indien tijdens de werkzaamheden resten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze resten van cultuurhistorische waarde zijn, geldt een wettelijke meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Conclusie

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

40

Het aspect archeologie levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. De gronden zijn in dit TAM-omgevingsplan overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan aangewezen voor een functie voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. 4.14.3. Cultuurhistorie De boerderij is een gemeentelijk monument. Hieraan vinden echter geen ingrepen plaats. Conclusie Het aspect cultuurhistorie levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.15. Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor het aspect bodem instructieregels in het opgenomen. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. Het wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: ▪ het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); ▪ het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); ▪ het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen). De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Toetsing Artikel 5.89g, lid 1 Bkl maakt een uitzondering voor gebouwen waarvoor aannemelijk is dat personen er minder dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn.

Gelet op de stallingsfunctie van de bedrijfshal is het aannemelijk dat personen minder dan twee uur per dag zich in de bedrijfshal zullen bevinden en is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Conclusie De milieukundige bodemgesteldheid is geschikt voor het beoogde gebruik.

4.16. Weging van het waterbelang Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op grond van artikel 5.37 Bkl rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Het is aan het bevoegd gezag om te be-

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

41

palen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken. Dit betekent dat een zogenaamde 'weging van het waterbelang' (voorheen: watertoets) dient plaats te vinden. Toetsing Het plangebied ligt in het beheergebied van het Waterschap Vallei en Veluwe. Ten behoeve van de planontwikkeling is op 20 oktober 2025 de digitale watertoets6 uitgevoerd. Omdat langs de west- en noordgrens van het perceel en over het perceel C-watergangen liggen, is de normale procedure van toepassing. De watergang over het perceel is in het verleden al gedempt. Aan de overige watergangen vinden echter geen ingrepen plaats. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat zo veel mogelijk hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet of niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) worden voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen.

Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. De gemeente hanteert voor nieuwbouw een ontwateringsnorm van 90 cm (gemeten tussen de GHG en de onderkant van de vloer). Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak van het waterschap toe te passen. Conclusie Indien het waterschap naar aanleiding van de digitale watertoets opmerkingen heeft, wordt deze paragraaf te zijner tijd aangevuld. Omdat geen ingrepen aan de C-watergang langs de per-

6

buRO – bureau voor ruimtelijke ordening, Digitale watertoets Schalm 9, Amersfoort, 20 oktober 2025

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

42

ceelsgrenzen worden uitgevoerd, levert het aspect weging van het waterbelang geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

43

5.

Juridische planbeschrijving

5.1.

Algemeen Dit TAM-Omgevingsplan besluit vormt een alternatieve mogelijkheid om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer dit nog niet via de nieuwe standaard kan worden gedaan. Het doel van dit TAM-Omgevingsplan besluit is om te voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt onder de Omgevingswet. Het TAM-Omgevingsplan is met de techniek van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld, maar wel conform de inhoudelijke eisen van de Omgevingswet. Daardoor zijn de IMROstandaarden gebruikt. Met dit TAM-Omgevingsplan besluit worden zoveel mogelijk de regels uit het bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing verklaard in het omgevingsplan (via dit TAM-Omgevingsplan besluit). Wel zijn aanvullende regels nodig om te zorgen dat wordt voldaan aan de Omgevingswet. Het bestemmingsplan voldoet immers niet geheel aan de Omgevingswet. Het juridische deel van dit TAM-omgevingsplan bestaat uit regels en een verbeelding waarop de toegelaten functies zijn aangegeven. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden: Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Schalm 9 in Renswoude en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22d) van het omgevingsplan van de gemeente Renswoude. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

44

van het omgevingsplan van de gemeente Renswoude. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22d' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22d' gelezen worden.

5.2.

Regels Het TAM-omgevingsplan bestaat uit 4 hoofdstukken. In de benaming is daarbij zo dicht mogelijk bij de IMRO-standaarden gebleven: ▪ Hoofdstuk 1 Inleidende regels ▪ Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten (voorheen: bestemmingsregels) ▪ Hoofdstuk 3 Algemene regels ▪ Hoofdstuk 4 Overgangsregels (voorheen: overgangs- en slotregels). Hoofdstuk 1 Inleidende regels In artikel 1 is het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan aangegeven. Hiermee wordt voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden. De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet c.a. zijn van rechtswege van toepassing op regelingen op grond van de Omgevingswet (artikel 1.1 Omgevingswet) en dus ook op TAM-omgevingsplannen. Voor zover de begripsbepalingen (artikel 2) en de wijze van meten (artikel 4) van het Omgevingsplan van de gemeente Renswoude en van de Omgevingswet en de bijbehorende besluiten (Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling) afwijken van de bepalingen uit hoofdstuk 1 van dit TAM-omgevingsplan, dan gaat dit hoofdstuk voor. In artikel 3 zijn aanvullende begripsbepalingen opgenomen. Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten In het plangebied komen aantal functies (voorheen: bestemmingen) voor: "Agrarisch" en "Bedrijf".

Deze bevatten beoordelingsregels voor bouwen en specifieke functieregels. Inhoudelijk zijn deze beoordelingsregels zoveel als mogelijk overgenomen uit het vigerende Bestemmingsplan Buitengebied 2010/Herziening Buitengebied Renswoude 2010. Daarnaast hebben de gronden de functies "Waarde – Archeologie - 2" en "Waarde – Archeologie - 3" overeenkomstig dat bestemmingsplan. Deze gronden hebben hierdoor okook een functie voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. De gronden buiten het perceelsgedeelte dat voor de functie "Bedrijf" is aangegeven behouden de functie "Agrarisch". Ten opzichte van het tijdelijk deel van het omgevingsplan is het bouwvlak niet meer op de verbeelding opgenomen en is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch zonneveld'. Ten aanzien van de plaatsing van de zonnepanelen is een aantal regels opgenomen. Zo dienen de zonnepanelen in één oriëntatierichting te worden geplaatst. Daarnaast die-

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

45

nen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in te winnen bij de beheerder van de gastransportleiding (= Gasunie) met het oog op beïnvloeding van de gastransportleiding W-523-05 door het zonneveld en bij de Omgevingsdienst Utrecht (ODU) en bij de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) met het oog op de veiligheid van de energie-opslag, alvorens over het verlenen van de omgevingsvergunning te beslissen. Omdat ter plaatse na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan geen agrarisch bedrijf meer aanwezig is, is daarnaast de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - mestkelder' op de verbeelding aangegeven. Mestkelders waren in het bestemmingsplan Buitengebied 2010 weliswaar buiten het bouwvlak toegestaan, maar uitsluitend ten behoeve van een agrarisch bedrijf. In de functie "Bedrijf" is de aanduiding 'opslag' aangegeven. Gelet op de situering van het transformatorstation, de accu-opslag en de omvormer voor de zonne-energie op dit perceelsgedeelte is hiervoor tevens een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Ten slotte is de landschappelijke inpassing door middel van een voorwaardelijke verplichting in zowel de bestemming "Agrarisch" als in de bestemming "Bedrijf" geborgd. Hoofdstuk 3 Algemene regels In artikel 9 zijn de zogenaamde aanvraagvereisten opgenomen.

In paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (onder andere binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAMomgevingsplan worden opgenomen. Het TAM-omgevingsplan is immers onderdeel van het nieuwe deel van het omgevingsplan van de gemeente Renswoude. De anti-dubbeltelregel in artikel 10 is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De algemene bouwregels (artikel 11), algemene gebruiksregels (artikel 12) en de algemene afwijkingsregels (artikel 13) zijn voor zover relevant overgenomen uit het vigerende Bestemmingsplan Buitengebied 2010/Herziening Buitengebied Renswoude 2010. Op de verbeelding is de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone- landbouwontwikkelingsgebied' niet opgenomen. De regelgeving die hieraan is gekoppeld heeft uitsluitend betrekking op agrarische bouwvlakken. Het onderhavige plangebied omvat geen agrarische bouwvlakken.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels Hoofdstuk 4 bevat alleen nog overgangsregel in artikel 14. De overgangsregels regelen het overgangsrecht voor de bebouwing en het gebruik van de bebouwing in het plangebied. Deze worden opgenomen conform het voormalige Besluit ruimtelijke ordening. Hoofdstuk 23 van het

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

46

omgevingsplan van de gemeente Renswoude bevat slotbepalingen met een artikel genaamd citeertitel: Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Renswoude. Aangezien het TAM-omgevingsplan juridisch onderdeel wordt van dit, voor heel Renswoude geldende, omgevingsplan wordt geen slotbepaling opgenomen.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

47

6.

Uitvoerbaarheid

6.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1. Bestuurlijk vooroverleg P.M. Het initiatief is voorgelegd aan de provincie Utrecht. Door de provincie is geconcludeerd dat er sprake is van een aanzienlijke reductie van bebouwing en dat het plan past binnen de provinciale Omgevingsverordening. 6.1.2. Participatie omgeving De initiatiefnemer heeft omwonenden persoonlijk geïnformeerd over de beoogde planontwikkeling en heeft op 14 adressen de toekomstige situatie uitgelegd. Er is één omwonende die heeft opgemerkt dat hij geen bezwaar heeft tegen de planontwikkeling, tenzij de verkeersintensiteit toeneemt ten opzichte van de nertsenhouderij. Voor het overige zijn hieruit geen bezwaren naar voren gekomen. In het kader van de tervisielegging van het ontwerp van het TAM-Omgevingsplan zal deze versie weer aan omwonenden worden voorgelegd.

6.2.

Financiële haalbaarheid Het plan wordt op eigen grond door en voor rekening en risico ontwikkeld door de initiatiefnemer. Deze initiatiefnemer is ook de eigenaar van de gronden. De financiering van alle kosten die samenhangen met de ontwikkeling van de bebouwing komt voor rekening van de initiatiefnemer. Er zijn derhalve geen kosten voor de gemeente aan het bouwplan verbonden. Dit is tussen de gemeente en initiatiefnemer met een nadeelcompensatieovereenkomst/anterieure overeenkomst vastgelegd.

6.3.

Ontwerp TAM-Omgevingsplan Het ontwerp TAM-Omgevingsplan is gepubliceerd in het Gemeenteblad en in de Heraut en is vanaf 11 december 2025 gedurende 6 weken ter visie gelegd. In die periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Er is tijdens die periode één zienswijze ingediend door de Gasunie. Deze zienswijze is samengevat en beantwoord in de Zienswijzennota TAM-omgevingsplan Schalm 9. Naar aanleiding van die zienswijze is dit TAM-omgevingsplan gewijzigd vastgesteld. In de toelichting van het plan is de afstand van 200 meter opgenomen waar het gaat om de beïnvloedingssfeer van gasleidingen op zonneparken. Daarnaast is in de planregels de adviesplicht toegevoegd bij de beheerder van de gastransportleiding.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Schalm 9 Renswoude

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16946058/1