Bijlage 1 Ontwerp-wijziging omgevingsplan (totaalversie 15 oktober 2025)
Tekst van het document
Gemeente Renswoude
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude Motivering, regels en verbeelding
Oktober 2025
Kenmerk 0339-48-T01 Projectnummer 0339-48
Motivering
Inhoudsopgave 1.
Inleiding 1 1.1. Aanleiding 1 1.2. Ligging plangebied 2 1.3. Toetsing aan omgevingsplan 2 1.3.1. Bestemmingsplan Buitengebied 2010/Herziening Buitengebied Renswoude 2010 2 1.3.2. Bestemmingsplan parapluherziening parkeren & woningsplitsing en kamerverhuur 3 1.3.3. Inpassingsplan Grebbelinielandschap 3 1.4. Leeswijzer 5
2.
Planbeschrijving 2.1. Geschiedenis 2.2. Huidige situatie 2.3. Toekomstige situatie
7 7 8 8
3.
Beleidskader 3.1. Rijksbeleid 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.2. Provinciaal beleid 3.2.1. Omgevingsvisie provincie Utrecht 3.2.2. Omgevingsverordening 3.3. Regionaal beleid 3.3.1. Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei (2005) 3.3.2. Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 3.4. Gemeentelijk beleid 3.4.1. Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 3.4.2. Welstandsnota
11 11 11 12 12 13 14 14 15 16 16 17
4.
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 4.1. Inleiding 4.2. m.e.r.-beoordeling 4.3. Ladder voor duurzame verstedelijking 4.4. Duurzaamheid & gezondheid 4.4.1. Duurzaamheid 4.4.2. Gezondheid 4.4.3. Conclusie 4.5. Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren 4.6. Flora & Fauna 4.6.1. Algemeen 4.6.2. Gebiedsbescherming
19 19 19 19 20 20 21 21 21 22 22 22
4.6.3. Soortenbescherming 4.6.4. Conclusie 4.7. Luchtkwaliteit 4.8. Geluid 4.9. Geur 4.10. Milieuzonering 4.11. Omgevingsveiligheid 4.12. Trilling 4.13. Welstand 4.14. Archeologie en cultuurhistorie 4.14.1. Algemeen 4.14.2. Archeologie 4.14.3. Cultuurhistorie 4.15. Bodem 4.16. Weging van het waterbelang 4.17. Niet gesprongen explosieven
23 24 24 25 26 27 29 31 31 31 31 32 33 33 33 34
5.
Juridische planbeschrijving 5.1. Algemeen 5.2. Regels
36 36 37
6.
Uitvoerbaarheid 6.1. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1.1. Bestuurlijk vooroverleg 6.1.2. Participatie omgeving 6.2. Financiële haalbaarheid
39 39 39 39 39
1
1.
Inleiding
1.1.
Aanleiding De eigenaar van de vleesvarkenshouderij aan de Oude Holleweg 44 in Renswoude heeft zijn bedrijf voor de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties met piekbelasting (LBV+) aangemeld. In het kader van die subsidieregeling is het noodzakelijk om het bedrijfsmatig houden van dieren op die locatie te beëindigen en de dierenverblijven te slopen. Naast het ontvangen van subsidie voor deze beëindiging en sloop bestaat de mogelijkheid om door middel van een ruimtelijk traject een andere gebruiksfunctie voor dit perceel in het omgevingsplan op te nemen. De eigenaar heeft daarom een verzoek ingediend om in ruil voor de sloop van 2.478 m² aan bedrijfsbebouwing (exclusief bestaande bedrijfswoningen met bijgebouwen) een extra (burger)woning te bouwen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het Afwegingskader functieverandering regio Foodvalley. Afbeelding 1: Ligging plangebied.
Om de functieverandering mogelijk te maken, is dit TAM-omgevingsplan1 vervaardigd. Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat hiervan sprake is, wordt in deze motivering onderbouwd.
1
TAM = Tijdelijke Alternatieve Maatregel. Het TAM-omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve manier voor gemeenten om hun omgevingsplan aan te passen via de digitale standaard (IMRO) onder de Wet ruimtelijke ordening, omdat de TPOD/STOP-standaard van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) nog onvoldoende functioneert. Tot 1 januari 2026 is het mogelijk om een ontwerp TAM-omgevingsplan ter visie te leggen.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
2
1.2.
Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de zuidwestkant van Renswoude aan de noordzijde van de Oude Holleweg.
1.3.
Toetsing aan omgevingsplan Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 vormen alle vigerende bestemmingsplannen van rechtswege het tijdelijk omgevingsplan. Voor het plangebied betreft dit het bestemmingsplan Buitengebied 2010 en het bestemmingsplan "Herziening Buitengebied Renswoude 2010". Daarnaast is het Inpassingsplan Grebbelinie van toepassing.
1.3.1. Bestemmingsplan Buitengebied 2010/Herziening Buitengebied Renswoude 2010 Het bestemmingsplan Buitengebied 2010 is op 5 oktober 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. Op 12 november 2013 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan "Herziening Buitengebied Renswoude 2010" vastgesteld. Hiermee is het bestemmingsplan uit 2010 op onderdelen aangepast. Voor het voorliggende plangebied is de verbeelding uit 2010 ongewijzigd gebleven. In dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming "Agrarisch" en is een bouwblok aangegeven. Daarnaast is door middel van een aanduiding intensieve veehouderij toegestaan. Er staat verder een bouwaanduiding op de verbeelding waardoor 2 bedrijfswoningen zijn toegelaten. Binnen de agrarische bestemming is wonen in deze woningen uitsluitend toegestaan ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Wanneer het agrarisch bedrijf is beëindigd mogen er geen 'anderen' wonen. Afbeelding 2: Fragment vigerend bestemmingsplan.
Het plangebied ligt voor het grootste deel binnen de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzoneverwevingsgebied', als bedoeld in artikel 30 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010". Verwevingsgebieden zijn ruimtelijk begrensde gedeelten van het reconstructiegebied, gericht op
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
3
de verweving van landbouw, wonen en natuur, waar uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. Het plan bevat een aantal wijzigingsbevoegdheden voor functieveranderingen in verwevingsgebieden, die niet van toepassing zijn voor de onderhavige ontwikkeling. Aan de zuidwestzijde ligt een klein deel van het plangebied binnen de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone- landbouwontwikkelingsgebied', als bedoeld in artikel 30 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010". In het landbouwontwikkelingsgebied heeft de landbouw in principe het primaat. Op grond hiervan worden nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven in principe beperkt toegelaten. Hier moet voorkomen worden dat nevenactiviteiten een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven. Gelet op deze aanduiding is vanuit het gemeentelijk beleid de omzetting naar wonen weliswaar niet wenselijk. Het Rijksbeleid dat er echter op gericht is om de stikstofdepositie aanzienlijk te verlagen, prevaleert in dit geval boven het gemeentelijk beleid. Het noordelijk deel van het plangebied heeft de gebiedsaanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied'. Hier is een wijzigingsbevoegdheid van toepassing die het mogelijk maakt om onder voorwaarden de bestemming te wijzigen in de bestemming "Natuur".
De gronden hebben daarnaast de dubbelbestemming "Waarde – Archeologie - 2" en zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden. Bij bodemingrepen groter is dan 100 m², waarbij de grond dieper dan 0,4 meter zal worden geroerd, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. 1.3.2. Bestemmingsplan parapluherziening parkeren & woningsplitsing en kamerverhuur De gemeenteraad van Renswoude heeft op 13 juli 2021 het bestemmingsplan parapluherziening parkeren & woningsplitsing en kamerverhuur vastgesteld. Zoals de naam van deze parapluherziening aangeeft, zijn hierin uniforme regels opgenomen met betrekking tot parkeren, woningsplitsing en kamerverhuur. Deze parapluherziening is van toepassing op alle op die datum vigerende bestemmingsplannen. 1.3.3. Inpassingsplan Grebbelinielandschap Het Inpassingsplan Grebbelinielandschap is op 8 december 2014 vastgesteld. Een inpassingsplan is een bestemmingsplan dat door de provincie wordt vastgesteld. Het doel van dit Inpassingsplan is het borgen van de waarden van de Grebbelinie bij de toepassing van afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden in vigerende bestemmingsplannen. Het inpassingsplan leidt tot de inspanningsverplichting voor gemeenten om bij hun nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de waarden van de Grebbelinie.
Bij het opstellen het van voorliggende TAMomgevingsplan moet met de regelingen uit het inpassingsplan rekening worden gehouden. Het inpassingsplan heeft betrekking op het gebied rondom de als rijksmonument aangewezen delen, dat wil zeggen de hoofdverdedigingslijn en de militaire objecten van de Grebbelinie. Deze gebieden liggen ten westen en oosten van de hoofdverdedigingslijn en worden gezien als
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
4
het Grebbelinielandschap. Het beleid is gericht op de bescherming van de kwaliteiten van de Grebbelinie, met name de zichtbaarheid en herkenbaarheid van de Grebbelinie. Door middel van het Inpassingsplan is aan de gronden rondom de Grebbelinie de dubbelbestemming "Waarde - Grebbelinielandschap" toegekend. Dat wil zeggen dat de gronden tevens zijn aangewezen voor het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en de beleef-baarheid van de cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie. Deze waarden worden in het Beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage bij de regels van het inpassingsplan is opgenomen, beschreven. Het plangebied behoort tot het deelgebied 'half-open linie'. In de half-open linie staan de openheid en zicht van en naar de linie-elementen centraal. Het gebied wordt gekenmerkt door een verspreide ligging van erven en beplantingen. De ligging van de erven beperkt zich niet alleen tot de kop van het perceel maar zijn vaak ook dieper op het perceel te vinden. Duidelijke structuren die zichtlijnen markeren, zoals houtsingels of bomenrijen, zijn over het algemeen afwezig. Hierdoor is het zicht op de linie-elementen zeer wisselend. Het doel is dan ook het erf een compacte indeling te geven waardoor deze het verlies aan openheid en zicht beperkt. Afbeelding 3: Inpassingsplan Grebbelinielandschap.
In het Beeldkwaliteitsplan zijn voor de 'halfopen linie' de volgende beeldkwaliteitscriteria opgenomen: ▪ algemeen houd rekening met zichtlijnen richting het linie-element; behoud de openheid rondom de Grebbelinie en het erf door een compacte erfindeling, ▪ uitbreiding van het erf plaats het nieuwe gebouw op een wijze zodat het erf een blokvormige, compacte vorm heeft;
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
5
plaats het nieuwe gebouw met de kopgevel haaks op het linie-element, indien hiermee een compacte erfvorm te realiseren is; onttrek bedrijfsmatige elementen (zoals silo’s en/of sleufplaten) zoveel mogelijk uit het zicht, door een goede positionering tussen gebouwen of door gebruik van transparante tot dichte erfbeplanting, ▪ functieverandering van het erf plaats het nieuwe gebouw(en) rondom een gemeenschappelijk erf, zodat een compacte erfvorm te realiseren is; versterk openheid rondom het linie-element door op vrijkomende grond weinig hoog opgaande elementen te plaatsen (zoals bebouwing en beplanting) en nieuwe bebouwing op afstand van de linie te leggen
Afbeelding 4: BKP Grebbelinielandschap.
In dit geval is sprake van een reductie van bebouwing. Omdat de openheid in de half-open linie hierdoor wordt versterkt, doet de planontwikkeling geen afbreuk aan de beleefbaarheid van de Grebbelinie.
1.4.
Leeswijzer Deze motivering bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een planbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid, waarna in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en milieu. Hoofdstuk 5 bevat een toelichting op de juridische regeling. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid en is een samenvatting gegeven waaruit blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
6
Afbeelding 5: Historische topografie.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
7
2.
Planbeschrijving
2.1.
Geschiedenis De Gelderse Vallei kenmerkt zich als een gevarieerd, relatief kleinschalig agrarisch landschap. Er is een grote afwisseling van grasland- en akkerpercelen, bosjes, houtwallen en enkele natte natuurgebiedjes. Het gebied wordt gekenmerkt door dekzandruggen en (van oudsher) kronkelende beken. Het landschap heeft, door zijn grote variatie in landschapstypen, een grote aantrekkingskracht op recreanten. Het landschapstype rondom Renswoude staat bekend als kampen- of coulissenlandschap. Het ligt op lange smalle dekzandruggen langs de oost – west gerichte beeklopen. Het is een kleinschalig landschap van individuele ontginningen. Kenmerkend voor dit landschapstype zijn de kleinschaligheid en de aanwezige houtwallen. Op de zandrug liggen de bouwlanden die door houtwallen en kleine bossen worden omgeven. Tussen de zandruggen liggen beekdalen (Lunterse Beek), die als weiden en hooiland dienst deden. De bebouwing staat verspreid in kleine clusters en is soms gegroepeerd in kleine buurtschappen. Afbeelding 6: Huidige situatie plangebied.
In 1678 (bron: BAG-viewer) is op het perceel de boerderij Achterste Klein Ravenhorst gebouwd. Op de topografische kaart uit 1873 is te zien dat de Oude Holleweg destijds ter hoogte van de boerderij afboog richting de Groeperweg (tegenwoordig Biesbosserweg). De boerderij staat op die kaart nog evenwijdig aan de weg. Pas in sinds 1930 staat de boerderij onder een hoek van ongeveer met de Holleweg. In 1953 was de Holleweg nog niet verhard. Pas in 1962 is te zien
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
8
dat het wegenpatroon is aangepast en de T-kruising met de Biesbosserweg meer naar het oosten is gesitueerd. De Lunterse Beek is dan ook gekanaliseerd. Vanaf die tijd zijn er gefaseerd agrarische bijgebouwen bij dit agrarisch bedrijf gebouwd. De tweede woning dateert uit 1980.
2.2.
Huidige situatie Het plangebied ligt ten zuidwesten van Renswoude aan de noordzijde van de Oude Holleweg. Op het perceel staan Op het perceel is thans een vleesvarkenshouderij gevestigd met een vergunning voor 1.230 varkens. Het agrarisch bouwvlak heeft een oppervlakte van 8.175 m². Op het perceel staat 2.638 m² aan legale (agrarische) bebouwing en privé-bijgebouwen (exclusief de twee agrarische bedrijfswoningen). Afbeelding 7: Toekomstige situatie.
2.3.
Toekomstige situatie De vleesvarkenshouderij zal worden beëindigd. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties met piekbelasting (LBV+). In het kader van die subsidieregeling is het verplicht om het bedrijfsmatig houden van dieren op die locatie te beëindigen en de dierenverblijven te slopen. Naast het ontvangen van subsidie voor deze beeindiging en sloop wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om door middel van een ruimtelijk traject een andere gebruiksfunctie voor het perceel in het omgevingsplan op te nemen. De eigenaar van het perceel heeft het voornemen om een derde (burger)woning op het perceel te realiseren. Daarnaast heeft hij verzocht om twee bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 288 m² te handhaven.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
9
Bij het bepalen van het noodzakelijke areaal sloopmeters is het afwegingskader functieveranderingsbeleid toegepast. Op het perceel is 2.638 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig. Bijgebouwen bij een bedrijfswoning (standaard 80 m² per woning in het buitengebied) moeten daarvan worden afgetrokken, omdat deze behouden mogen worden. In dit geval gaat het om twee bestaande bedrijfswoningen, dus aftrek van 160 m². Dit betekent dat 2.478 m² aan legale bebouwing meetelt voor de berekening van de inzetbare sloopmeters. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen wordt een afroming toegepast bij het omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing naar inzetbare sloopmeters. De afroming is afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Afbeelding 8: Afroming. Vrijkomende agrarische Afromingspercentage Te slopen Afroming Inzetbare sloopmeters bedrijfsbebouwing 0 - 1.000 m² Geen afroming 1.000 m² 0 m² 1.000 m² 1.000 - 2.000 m² 25% 1.000 m² 250 m² 750 m² > 2.000 m² 50% 478 m² 239 m² 239 m² Totaal 2.478 m² 489 m² 1.989 m²
In dit geval is er sprake van een afroming van 489 m² en resteren er 1.989 m² inzetbare sloopmeters. Voor de bouw van een extra woning van 800 m³ zijn volgens het afwegingskader 300 m² inzetbare sloopmeters nodig voor het woonrecht. Per m³ inhoud van de woning zijn in aanvulling hierop 1,5 m² inzetbare sloopmeters noodzakelijk. Dat betekent dat er voor de bouw van de extra woning van 800 m³, 1.500 m² (300 +1,5x800) inzetbare sloopmeters noodzakelijk zijn. Voor het handhaven van de beide bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 288 m² zijn ook inzetbare sloopmeters vereist. Per 1 m² te handhaven bijgebouw zijn 2 m² inzetbare sloopmeters noodzakelijk. Omdat standaard bij een woning in het buitengebied 80 m² bij recht is toegestaan, zijn voor de overige 208 m², 416 m² inzetbare sloopmeters noodzakelijk. Dat betekent dat er 73 m² (1.989-1.500-416) inzetbare sloopmeters resteren om elders ingezet te worden. Door deze ontwikkeling wordt het huidige agrarisch bouwblok aanzienlijk in oppervlak gereduceerd van 8.175 m² naar een woonbestemming met een oppervlakte van 4.260 m². Er is een inpassingsplan2 vervaardigd, waardoor het plangebied een landschappelijke inpassing krijgt die enerzijds aansluit bij het coulissenlandschap en anderzijds het stroomgebied van de Lunterse Beek.
Op grond van dit inrichtingsplan worden de perceelsranden ingeplant met gebiedseigen beplanting in de vorm van hagen en houtsingels. Daarnaast wordt een korte houtwal ingeplant en een hoogstamboomgaard geplant op de locatie waar deze al begin 19e eeuw te vinden was.
2
MooiSticht, Oude Holleweg 44 Renswoude schets met randvoorwaarden ruimtelijke kwaliteit, Bunnik, april 2025
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
10
De beplanting is zo gepositioneerd dat er doorzichten in stand blijven. Daarnaast krijgt de oever van de Lunterse Beek een flauw talud met overstromingsruimte. Afbeelding 9: Inrichtingsplan.
Bij de planopzet is uitgegaan van de één-erf-gedachte. Dit houdt in dat de oude erfstructuur zoveel als mogelijk in ere wordt gehouden, waarbij zowel de nieuwe inrichting van het erf als de nieuwe bebouwing op het erf bijdragen aan het behoud en eventueel het versterken van die oude erfstructuur. Het karakter van het agrarische erf moet ook na functieverandering nog beleefbaar zijn. De oude boerderij, de representatieve voorzijde, staat op dat erf aan de weg; de overige bebouwing staat achter de boerderij. Het erf is toegankelijk via één inrit die uitkomt op het verharde deel van het erf waaraan alle bebouwing is gesitueerd. Een van die gebouwen is de nieuwe woning die het karakter krijgt van een schuurwoning. Dit is een woning met een eenvoudige hoofdmassa, die bestaat uit één bouwlaag met een zadeldak. Deze woning wordt ongeveer gesitueerd op de locatie van de voormalige kapschuur. Bij deze woning wordt een bijgebouw in de vorm van een hooiberg als berging gebouwd. De hooiberg staat vóór de schuurwoning zodat het accent op de oude boerderij als hoofdgebouw blijft liggen. Om het landelijke karakter te behouden zijn geen schuttingen of andere erfafscheidingen toegestaan. Gebruik van subtielere middelen (indien nodig), die de landschappelijke dieptewerking niet in de weg staan in de vorm van natuurvriendelijke erfafscheidingen zoals takkenrillen zijn hiervoor wel toegestaan.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
11
3.
Beleidskader
3.1.
Rijksbeleid
3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten de Rijksoverheid stelt bij de inrichting van Nederland en hoe het Rijk keuzes maakt in de uitvoering daarvan. Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven. Steeds duidelijker wordt dat de opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dat in samenhang gebeurt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en gezorgd wordt voor een duurzame verbinding van alle delen van Nederland en met de landen om ons heen. Het beleid in de leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden.
De NOVI geeft aan waar het Rijk zich op nationale schaal aan bindt, waar het regie voert richting medeoverheden of waar het juist aan de medeoverheden is om keuzes te maken. Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun omgevingsvisies uiting geven aan hun eigen verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving. Met de NOVI wordt in beeld gebracht waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. Kansen om sociale samenhang, gezondheid en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een circulaire samenleving – stevig te verankeren in onze manier van leven en werken. Daartoe zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen.
Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Ten behoeve van die afweging gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
12
▪ combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; ▪ kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; ▪ afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Planspecifiek Van de 21 nationale belangen is de opgave om de gebouwde omgeving in 2050 CO2-arm, klimaatbestendig en natuurinclusief te maken. Doordat het agrarisch bedrijf wordt beëindigd, vindt er een reductie plaats van ammoniak, geur en fijnstof. De planontwikkeling is verder niet in strijd met de uitgangspunten van de NOVI.
3.2.
Provinciaal beleid
3.2.1. Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Provincie Utrecht vastgesteld. De Omgevingsvisie is op 1 april 2021 in werking getreden. Met vaststelling van de Omgevingsvisie en de (Interim) Omgevingsverordening provincie Utrecht leggen Provinciale Staten de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast (Omgevingsvisie) en de juridische doorwerking hiervan (Omgevingsverordening). De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht bevat een uitwerking in thema's en in gebieden. De uitwerking is in 7 thema's gevat: ▪ stad en land gezond; ▪ klimaatbestendig en waterrobuust; ▪ duurzame energie; ▪ vitale steden en dorpen; ▪ duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; ▪ levend landschap, erfgoed en cultuur; ▪ toekomstbestendige natuur en landbouw. In de Omgevingsvisie staan zowel de ambities, als de wijze waarop de provincie daar uitvoering aan wil geven. De uitwerking in gebieden valt uiteen in drie regio's: U16, Amersfoort en Foodvalley. Renswoude behoort tot de regio Foodvalley. In de uitwerking van het beleid brengt de provincie gebiedsgericht samenhang aan tussen de thematische ambities. Het bouwplan wordt gerealiseerd door middel van functieverandering.
Door de sloop van niet meer in gebruik zijnde voormalige agrarische bedrijfsbebouwing vindt een ontstening in het buitengebied van de Regio Food Valley plaats. Daarmee wordt de landschappelijke waarde van de
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
13
Regio Food Valley versterkt en wordt een bijdrage aan de vitaliteit van het platteland gegeven. De onderhavige planontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Provincie Utrecht. 3.2.2. Omgevingsverordening Om de Omgevingsvisie in de praktijk goed te laten werken, zijn op onderdelen regels nodig. Deze regels zijn vastgelegd in één Omgevingsverordening. Deze verordening is op 1 januari 2024 samen met de Omgevingswet in werking getreden. Om de Omgevingsverordening actueel te houden, wordt de verordening regelmatig op onderdelen gewijzigd. Doel van de verordening is om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. Hierbij kan worden gedacht aan het NatuurNetwerk Nederland (NNN) en bebouwingsmogelijkheden in het stedelijk en het landelijk gebied. Planspecifiek Het plangebied ligt in het 'landelijk gebied'. Verstedelijking is in principe alleen mogelijk in het stedelijk gebied. Op grond van artikel 9.3 van de Omgevingsverordening staat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen landelijk gebied geen verstedelijking toe, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Verstedelijking wordt daarbij gedefinieerd als: 'de vestiging of uitbreiding van al bestaande stedelijke functies.
Denk daarbij aan nieuwvestiging of de vergroting van de gebruiksoppervlakte of bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. De LBV+-regeling is nog niet in de Omgevingsverordening verwerkt. Artikel 9.13 van de Omgevingsverordening bepaalt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bouw van één of meerdere nieuwe woningen toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: ▪ het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in het geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een Concentratiegebied glastuinbouw; ▪ alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 750 m² tot 2.500 m² aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2.500 m² tot 4.000 m² aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m² of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan.
(…) Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; ▪ de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij si-
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
14
tuering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en ▪ de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. De planontwikkeling vindt voor een klein deel plaats in een landbouwontwikkelingsgebied. De LBV+-regeling is er echter op gericht dat het bedrijfsmatig houden van dieren op die locatie wordt beëindigd. In dit geval wordt het overgrote deel van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. In dit geval wordt de ruimtelijke kwaliteit verhoogd doordat het bebouwingsareaal in de nabijheid van de Grebbelinie aanzienlijk wordt gereduceerd. Het verkleinde bouwperceel wordt met gebiedseigen beplanting ingepast, waardoor de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden worden behouden en versterkt. De belangen van bestaande omringende functies worden door het bouwplan niet onevenredig aangetast. Het plangebied ligt niet in het NNN. Uit de Omgevingsverordening vloeien verder geen specifieke aandachtspunten voor planontwikkeling. De Omgevingsverordening heeft daarom geen gevolgen voor de planontwikkeling.
3.3.
Regionaal beleid
3.3.1. Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei (2005) In het Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei (LOP) stellen de gemeenten Amerongen, Barneveld, Leersum, Leusden, Maarn, Renswoude, Scherpenzeel en Woudenberg het landschapsbeleid op elkaar af. Het LOP is een uitwerking van het voormalige reconstructieplan en het (oude) streekplan. Voor de Gelderse Vallei zet het LOP in op het versterken van het landschappelijke raamwerk. Hiervoor worden beplantingen langs wegen aangevuld, bosgebieden versterkt en het bekensysteem verder ontwikkeld. Een verbetering van het recreatief netwerk is een kans die verder uitgewerkt wordt in het LOP. Naast de ruimte voor landgoederen en landelijk wonen wordt bijzondere aandacht besteed aan het behoud van het agrarische karakter en de versterking van streekeigen landschapselementen, zoals waterlopen en de EVZ en inpassingen van agrarische erven en ook kleinschalige natuurontwikkeling. Het LOP plaatst het gebied rond de Oude Holleweg binnen de gebiedsvisie van het 'landbouwontwikkelingsgebied in de vallei'. Uitgangspunt is het ontwikkelen van een grofmazig groen raamwerk met forse erfbeplantingen en daarmee ruimte bieden voor de ontwikkelingsperspectieven van agrariërs. Daarnaast wordt gestreefd naar het ruimtelijk en ecologisch ontwikkelen beken en wegen.
Op de visiekaart van het LOP ligt het plangebied in het gebied dat is aangeduid als 'ontwikkelen kampenlandschap'. Kenmerkend voor kampenlandschappen is dat het erf relatief ruim van op-
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
15
zet en onregelmatig is. Het erf kent compacte clusters van bebouwing, ingebed in het kleinschalige landschap met een onderscheiding van voor- en achterzijde. De boerderijen stonden oorspronkelijk vaak met de achterzijde of zijkant aan de weg. Andere typische objecten op het erf waren één of meer hooibergen, het bakhuis, kippenhokken, wagenloods, een melkhok op het achtererf, deels ook oude tabakschuren. Afbeelding 10: Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei.
Bij de uitbreiding van een erf binnen de clusters van bebouwing dient te worden gestreefd naar compactheid en samenhang tussen de diverse gebouwen. Zo mogelijk dienen waardevolle, oude gebouwen te worden behouden. Nieuwe schuren moeten worden ingepast met landschappelijke beplanting als onderdeel van het voormalige, huidige of nieuwe houtwallenpatroon in de omgeving. Ten behoeve van de planontwikkeling is een inrichtingsplan gemaakt (zie paragraaf 2.3). Het compacte erf met drie woningen is daarin op zorgvuldige wijze met gebiedseigen beplanting ingepast in het landschap. Het landschapsinrichtingsplan sluit aan op het LOP. 3.3.2. Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 Op 17 september 2024 heeft de gemeenteraad van Renswoude het regionaal afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 vastgesteld. In dit afwegingskader functieveranderingsbeleid is vastgelegd hoe de deelnemende gemeenten om willen gaan met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Het beleid stelt agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze (gedeeltelijk) te beëindigen. Het wijzigen van de agrarische functie in een andere functie, zoals een woon- of werkfunctie, is de daadwerkelijke functieverandering. Dit leidt op verschillende manieren tot kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied.
Door de sloopverplichting van overtollige bebouwing, landschappelijke inpassing bij hergebruik/nieuwbouw voor nieuwe woon- of werkfuncties, en natuurontwikkeling of land-
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
16
schapsverbetering in de wijdere omgeving. Op de slooplocatie kent de overtollige agrarische bebouwing een waarde. Deze waarde wordt sloopmeters genoemd. Nieuwe functies, zoals wonen, werken, het vergroten van de woninginhoud of oppervlakte aan bijgebouwen worden door de inzet van sloopmeters mogelijk gemaakt. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen werken we met een omrekening van de sloopmeters. Dit betekent dat de vrijkomende sloopmeters niet één op één ingezet kunnen worden voor een nieuwe functie. De sloopmeters zijn door de reikwijdte van het functieveranderingsbeleid tussen de deelnemende gemeenten uitwisselbaar. In paragraaf 2.3 is een berekening opgenomen hoe in dit geval die sloopmeters zijn toegepast.
3.4.
Gemeentelijk beleid
3.4.1. Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 De Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 die op 3 juli 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Renswoude loopt vooruit op de totstandkoming van de Omgevingswet. Het doel van de Omgevingsvisie is het creëren van een strategische visie voor de langere termijn voor de hele fysieke leefomgeving van Renswoude, die antwoord geeft op de vraag: Hoe ziet Renswoude er in 2030 uit? In de Omgevingsvisie wordt een aantal belangrijke thema's behandeld. Voor dit bestemmingsplan zijn met name de thema's buitengebied en voorzieningen van belang. Voor het buitengebied wordt geconstateerd dat het prachtige natuurlijke maar ook agrarische buitengebied een van de trekpleisters van de gemeente is. Het is belangrijk dat het buitengebied in balans blijft en dat kansen op het gebied van natuurontwikkeling en vrijkomende agrarische bebouwing worden benut. Daarnaast is het belangrijk dat ook agrariërs de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen. Alle ontwikkelingen in het buitengebied gaan altijd gepaard met het nodige onderzoek vooraf, het blijft immers maatwerk, waarbij nadrukkelijk aandacht geschonken wordt aan de belangen van agrariërs, landschaps- en natuurwaarden en een gezonde leefomgeving. Het doel is om hiertussen te allen tijde de juiste balans te vinden. Verrommeling van het buitengebied dient te allen tijde voorkomen te worden.
Als er agrarische bebouwing vrijkomt, kunnen hieraan uiteraard nieuwe functies worden toegekend zoals wonen of werken, maar er kan ook worden gekozen om bebouwing te slopen en de gronden te gebruiken voor naburige agrariërs die op zoek zijn naar extra gronden of voor natuurontwikkeling. De inpassing in het landschap en bescherming van aanwezige natuurwaarden is daarbij van groot belang, alsmede dat bij vrijkomende agrarische bebouwing alleen bedrijfsactiviteiten mogen worden ontwikkeld die niet hinderlijk, gevaarlijk en/of schadelijk zijn voor de omgeving of het leefmilieu.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
17
In dit geval krijgt het perceel Oude Holleweg 44 een nieuwe functie: wonen. Door de verkleining van het voormalige bouwblok, de herinrichting van het erf en de landschappelijke inpassing, past de planontwikkeling binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 3.4.2. Welstandsnota In artikel 4.19 van de Omgevingswet is aangegeven dat 'als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, (…) de gemeenteraad beleidsregels vast[stelt] voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zo veel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.' Via dit artikel is vastgelegd dat het welstandstoezicht onder de Omgevingswet loopt via het omgevingsplan. In artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet is overgangsrecht opgenomen waarin een welstandsnota na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelijkgesteld wordt aan een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet. De gemeenteraad van Renswoude heeft op 22 juni 2004 de Welstandsnota vastgesteld. Het doel van de Welstandsnota is het behouden en waar mogelijk versterken van de ruimtelijke kwaliteit. In de Welstandsnota van de gemeente Renswoude zijn gebiedsgerichte criteria opgenomen.
Met de gebiedsgerichte benaderingswijze zijn de karakteristieken van wijken en samenhangende gebieden in heel de gemeente vastgelegd en gewaardeerd. Hiermee moeten de ontwerpers van nieuwe bouwplannen rekening houden en het biedt de welstandscommissie handvatten voor het formuleren van een welstandsadvisering. De gemeente Renswoude heeft de welstandscriteria gedifferentieerd naar gebieden. Per gebied zijn specifieke criteria opgesteld. Voor het buitengebied, waartoe het plangebied behoort, zijn aanvullende criteria voor massa en vorm bebouwing en voor detaillering, kleur- en materiaalgebruik geformuleerd. ▪ Algemeen de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en gerelateerd aan de landschappelijke inrichting. ▪ Massa en vorm bebouwing de bebouwing wordt terughoudend vormgegeven; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw. ▪ Detaillering, kleur en materiaalgebruik de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren. Voor de situering van de nieuwe bebouwing is het traditionele boerenerf als metafoor gebruikt. De toekomstige perceelsopzet voegt zich zodoende naar de historisch gegroeide bebouwingsstructuur langs de Oude Holleweg. Op een boerenerf is sprake van een hoofdgebouw met bijgebouwen.
De gebouwen staan nooit ver verspreid over het hele erf maar staan altijd geclusterd. Doordat functioneel alle schuren en stallen goed bereikbaar moeten zijn liggen deze aan een collectieve ruimte op het erf, hetgeen bijdraagt aan het zogenaamde 'één erf principe'. De
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
18
nieuwe woning zal worden gebouwd als schuurwoning. Door de eenvoudige hoofdmassa hiervan blijft de oude boerderij het belangrijkste gebouw op het compacte erf. Het definitieve ontwerp zal te zijner tijd door de welstandscommissie worden getoetst.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
19
4.
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
4.1.
Inleiding In het kader van de totstandkoming van dit TAM-omgevingsplan is onderzoek uitgevoerd naar verschillende milieu- en omgevingsaspecten om de uitvoerbaarheid van de planontwikkeling aan te tonen en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de directe omgeving en de beoogde ontwikkeling zelf. In dit hoofdstuk wordt voor de beoogde ontwikkeling nader ingegaan op de verschillende aspecten; indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De betreffende rapportages maken als bijlage deel uit van deze motivering.
4.2.
m.e.r.-beoordeling Algemeen De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de Strategische milieubeoordeling-richtlijn. Onder een plan of programma wordt in ieder geval verstaan: een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er hoeft niet (meer) getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid (meer) gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Toetsing Door de planontwikkeling neemt het ruimtebeslag af. Niet alleen het bebouwingsareaal wordt aanzienlijk gereduceerd, ook de bebouwingsmogelijkheden worden aanzienlijk ingeperkt doordat het agrarisch bouwvlak in dit TAM-omgevingsplan wordt verwijderd. Wellicht ten overvloede kan worden opgemerkt dat uit de samenvatting van de onderzoeken in dit hoofdstuk, volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten. Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3.
Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen Om de ruimte zorgvuldig te benutten en overprogrammering te voorkomen is de "Ladder voor duurzame verstedelijking" geïntroduceerd. De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
20
Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de behoefte aan die ontwikkeling (trede 1) worden aangetoond. Indien die stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien (trede 2). Het begrip stedelijke ontwikkeling wordt daarbij als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Toetsing Op grond van de jurisprudentie (AbRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4) wordt de bouw van drie woningen in het landelijk gebied niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. In dit geval wordt één woning toegevoegd. Conclusie De planontwikkeling hoeft niet te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
4.4.
Duurzaamheid & gezondheid
4.4.1. Duurzaamheid De eisen met betrekking tot de milieuprestatie en energiezuinigheid van gebouwen zijn opgenomen in artikel 4.148-4.160 (Duurzaamheid) van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierin is onder meer aangegeven dat een bouwwerk bijna energie neutraal (BENG) dient te zijn. In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren: ▪ BENG 1 Energiebehoefte: de hoeveelheid energie die een gebouw nodig heeft voor verwarming en koeling uitgedrukt in kWh per m² gebruiksoppervlakte per jaar. Deze indicator gaat over het beperken van de energievraag van het gebouw zelf. Aandachtspunten: stedenbouwkundig ontwerp, oriëntatie, compact ontwerp, schilisolatie, luchtdichtheid, zomernachtventilatie, ventilatiesysteem en zonwering. ▪ BENG 2 Primair energiegebruik: de hoeveelheid fossiele brandstof in kWh per m² gebruiksoppervlakte per jaar die nodig is voor verwarming, koeling, warm water en installaties. Let op: voor netstroom wordt het rendement van elektriciteitsproductie verrekend. Aandachtspunten: efficiënte installaties, warmteafgifte op lage temperatuur, warmwater met korte leidingen en warmteterugwinning en toepassing van hernieuwbare energie (ook BENG 3). ▪ BENG 3 Aandeel hernieuwbare energie: het percentage (in procenten) hernieuwbare energie van het totale energiegebruik.
Aandachtspunten: toepassing van PV, zonneboiler, bodemenergie, omgevingswarmte, biomassa en externe warmtelevering (mits hernieuwbaar). Toetsing duurzaamheid De nieuwe woning wordt gasloos en voorzien van zonnepanelen. Waar mogelijk zal bij de materialisering gebruik wordt gemaakt van hergebruikte en/of herbruikbare materialen.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
21
4.4.2. Gezondheid Ook de bevordering van gezondheid is een afwegingscriterium bij ruimtelijke ontwikkelingen. In dit hoofdstuk komt een aantal (milieu)aspecten, zoals geluidsoverlast, bodemverontreiniging, externe veiligheid, enzovoort, aan de orde waarbij de gezondheid van de toekomstige bewoners een rol speelt. Uit de uitgevoerde onderzoeken zijn geen belemmeringen naar voren gekomen ten aanzien van gezondheid. Hierdoor mag worden aangenomen dat er in- en rondom de woningen een gewenst woon- en leefklimaat zal bestaan. Dit betekent ook dat het planvoornemen geen onevenredige invloed heeft op de gezondheid van de toekomstige bewoners van de nieuwe woningen, alsmede die van de omwonenden in de (directe) omgeving. Daarnaast kan bij grotere planontwikkelingen ook gezondheidsbevordering gestimuleerd worden. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. Toetsing Bij het bouwen van één woning op een bestaand perceel in het kader van functieverandering is het onderdeel van het bevorderen van de gezondheid minder relevant, omdat er geen leefomgeving op een groter schaalniveau wordt ingericht. 4.4.3. Conclusie Het woon- en leefklimaat verbetert doordat het agrarisch bedrijf wordt beëindigd.
Uit de in dit hoofdstuk samengevatte onderzoeken blijkt dat er een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig zal zijn in- en rondom de nieuwe woningen. De gezondheid van omwonenden wordt evenmin onevenredig aangetast. Het aspect duurzaamheid en gezondheid levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5.
Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met verkeersgeneratie en -afwikkeling en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met verkeersgeneratie en -afwikkeling en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Toetsing De woningen worden ontsloten via het Oude Holleweg. Uit de ASVV2021 blijkt dat vrijstaandewoningen in het landelijk gebied 7,8 tot 8,6 autobewegingen per woning per etmaal genereren. Wanneer uitgegaan wordt van de worst case situatie betekent dit voor één extra vrijstaande woning, bij een spitsuurintensiteit van 10%, 0,86 auto's op het drukste uur van de dag. De verkeersaantrekkende werking van het huidige agrarisch bedrijf is hoger. Per saldo is er daardoor sprake van een afname van de verkeersgeneratie.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
22
Burgemeester en wethouders van Renswoude hebben op 30 mei 2016 de "Nota parkeernormen gemeente Renswoude" vastgesteld. Op basis van deze nota kan een prognose worden gemaakt van de te verwachten parkeerbehoefte bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor vrijstaande woningen in het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,5 parkeerplaats per woning. Op eigen terrein is ruim voldoende capaciteit om aan de parkeernormering te voldoen. Conclusie Het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6.
Flora & Fauna
4.6.1. Algemeen De natuur in Nederland wordt beschermd vanuit twee invalshoeken: bescherming van gebieden en bescherming van soorten. Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn(92/43/EEG). Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het Natuurbeschermingsrecht is ongewijzigd ten opzichte van de Wnb. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het 'beschermingsregime andere soorten' vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In verband met de planontwikkeling is daarom een verkennend onderzoek naar beschermde flora en fauna 3 uitgevoerd. 4.6.2.
Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en wordt in Nederland beschermd door middel van de Omgevingswet. Deze wet biedt een beschermingskader voor de aangewezen beschermde gebieden. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen.
3
Florafaunacontrole.nl, Verkennend onderzoek naar beschermde flora en fauna Oude Holleweg 44 te Renswoude, 25FF050, Renswoude, 15 mei 2025
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
23
Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden planologisch vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur(gebieden). Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. De bescherming van het NNN bestaat hieruit (artikel 7.8, lid 2, Bkl): dat geen activiteiten worden mogelijk gemaakt die leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte of samenhang van het NNN. Toetsing gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Binnenveld, op ongeveer 6,4 km ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels zijn uit te sluiten. De ontwikkeling vindt plaats op een reeds bestaand en bebouwd plangebied buiten Natura 2000-gebied.
Ter plaatse zijn geen kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels aanwezig en kunnen zich er ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden zal er tijdelijk sprake zijn van geluid, stof, trillingen en mogelijk bemaling. De werkzaamheden zijn van dien aard dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Een berekening ten aanzien van stikstof voor de aanlegfase en gebruiksfase is niet noodzakelijk. Er vindt een beëindiging van de agrarisch bedrijf plaats, hetgeen zal leiden tot een vermindering van stikstofdepositie in de omgeving. De werkzaamheden voor wat betreft het slopen van de stallen en het bouwen van één woning. Door recente jurisprudentie met betrekking op intern salderen is dit wel noodzakelijk. Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde voor stikstofgevoelige Natura2000-gebied is het overigens niet waarschijnlijk dat de stikstofdepositie hoger is dan 0,00 mol/hectare/jaar. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of de Groene Contour (GC). Hiervoor geldt geen externe werking. De planontwikkeling heeft daarmee geen negatieve effecten op de natuurwaarden van deze gebieden. Verder onderzoek of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig.
Conclusie Uit het oogpunt van de gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling. 4.6.3. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
24
buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Toetsing soortenbescherming Tijdens het verkennend onderzoek zijn huismussen waargenomen. De bebouwing binnen het plangebied heeft diverse geschikte openingen onder de daken, waarbij met name het dakvlak aan de gootzijdes openingen hebben waardoor huismussen onder het dakvlak kunnen nestelen. Daarom is aanvullend onderzoek noodzakelijk om nestlocaties van de huismus met voldoende zekerheid uit te sluiten. Dit onderzoek zal bepalen of de beoogde ingreep invloed heeft op eventuele nestlocaties van de huismus. Indien nestlocaties worden geconstateerd, kunnen verdere stappen zoals het aanvragen van een vergunning en het nemen van mitigerende maatregelen vereist zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Het kan echter niet worden uitgesloten dat vleermuizen gebruik maken van de opstallen. Daarom is aanvullend onderzoek nodig om met voldoende zekerheid verblijfplaatsen van vleermuizen uit te sluiten.
Overige beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Wel dient in alle gevallen de zorgplicht in acht te worden genomen. Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. 4.6.4. Conclusie Voor de start van de werkzaamheden dient nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen en huismussen te worden uitgevoerd. Indien (een van) deze soorten worden aangetroffen dient een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd en voor zover nodig mitigerende en compenserende maatregelen te worden genomen. De planontwikkeling heeft geen wezenlijke invloed op de gunstige instandhouding van beschermde soorten en/of gebieden. Het aspect flora en fauna levert -indien de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit, is verleend, geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7.
Luchtkwaliteit Algemeen Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10).
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
25
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ▪ er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Voor woningbouw ligt de 3%-grens op 1.500 woningen. Toetsing Omdat in het plangebied het aantal woningen met 1 toeneemt, kan worden geconcludeerd dat de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2023, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (9,8 microgram per m³) en fijn stof (16,7 microgram per m³) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m³ bevinden. De concentratie zeer fijn stof (8,7 microgram per m³) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 20 microgram per m³. In het plangebied worden de grenswaarden derhalve niet overschreden.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8.
Geluid Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Een gemeente legt in het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vast. In afdeling 3.5 van het Bkl zijn regels voor belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen opgenomen. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen (voor functies zoals wonen, onderwijs of zorg) en locaties nabij een geluidsbron. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) (lokale spoorwegen die zijn aangewezen bij omgevingsverordening, rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor lokale wegen (een verharde gemeente- of waterschapsweg met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal) en lokale spoorwegen (een spoorweg die niet is aangewezen bij omgevingsverordening). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Holleweg 44 Renswoude
26
Binnen het geluidaandachtsgebied is akoestisch onderzoek nodig om een geluidgevoelig gebouw toe te laten. Afbeelding 11: Standaardwaarden en grenswaarden. Geluidbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschapswegen Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen Industrieterreinen
Standaardwaarde
Grenswaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden 40 Lnight
60 Lden 70 Lden 65 Lden 55 Lden 45 Lnight
Toetsing Omdat de nieuwe woning in het geluidsaandachtsgebied van de Oude Holleweg wordt gebouwd, is akoestisch onderzoek4 uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de geprojecteerde woning afkomstig van de gemeentelijke wegen ten hoogste 52 dB bedraagt en dat derhalve wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. Een standaard karakteristieke geluidwering van geveldelen (GA;k) van 20 dB volstaat om een binnenwaarde van 33 dB te waarborgen. Conclusie Het aspect verkeerslawaai vormt geen belemmering voor realisatie van de aanvraag.