Bijlage 1 Kadernota 2027
Tekst van het document
Kadernota 2027
1
Inhoudsopgave 1 1
Aanbiedingsbrief................................................................................................................................................3
2
Leeswijzer ..........................................................................................................................................................4
3
Ontwikkeling meerjarenperspectief 2027-2030 ................................................................................................5 3.1. Inleiding ................................................................................................................................................5 3.2. Actualisatie meerjarenperspectief .......................................................................................................5
4
Dekkingsplan .....................................................................................................................................................9 4.1. Inleiding ................................................................................................................................................9 4.2. Voorstellen dekkingsplan .....................................................................................................................9
5
Ontwikkeling meerjarenperspectief ................................................................................................................12 5.1. Incidentele en structurele baten en lasten ........................................................................................12
6
Risico’s en kansen ............................................................................................................................................14
7
Uitgangspunten en parameters .......................................................................................................................15
Kadernota 2027
2
1
Aanbiedingsbrief
Renswoude, 23 juni 2026 Aan de leden van de raad van de gemeente Renswoude, Voor u ligt de kadernota 2027. Met deze kadernota stelt het college kaders voor aan de gemeenteraad voor de begroting 2027 en de meerjarenraming 2028-2030. Het coalitieakkoord krijgt in de Begroting 2027 een volledige uitwerking. Op 16 juni 2026 is het coalitieakkoord 2026-2030 ‘Met oog op de toekomst’ gepresenteerd. In een tijd van internationale onrust, groeiende onzekerheden en toenemende druk op samenleving en bestuur, wordt juist ook op lokaal niveau een beroep gedaan op verantwoordelijkheid, nuchterheid en onderlinge verbondenheid. Renswoude blijft zelfstandig. Niet om het te zijn, maar om er voor de inwoners te kunnen zijn. Een gezonde begroting is daarvoor essentieel. De kadernota bevat een eerste financiële vertaling van de ambities en afspraken die zijn opgenomen in het coalitieakkoord. Een verdere uitwerking is voorzien in de begroting waarin de benodigde middelen opgenomen worden om te komen tot een adequate taakuitvoering. De financiële positie voor gemeenten in het algemeen, maar zeker ook voor Renswoude, staat aanhoudend onder druk. De middelen die we van het rijk ontvangen zijn niet toereikend voor de stijgende kosten organisatie breed door de inflatie en specifieke uitgaven voor onderhoud van de leefomgeving, zorg en voorzieningen.
De financiële uitgangspositie van gemeente Renswoude is gelukkig solide. Zowel de jaarrekening 2025 als de geactualiseerde begroting 2026 kent een positief resultaat en de buffer voor het opvangen van tegenvallers (het weerstandsvermogen) is gezond. In de kadernota kiezen we voor een eerlijke en navolgbare lijn, met gezond verstand en een scherp oog voor de menselijke maat. We laten in de begroting zien wat de gemeente werkelijk kost en rekenen de ontwikkeling van lonen en prijzen aan beide kanten van de begroting op dezelfde manier door. Structurele uitgaven worden gedekt door structurele inkomsten, de gebruiker draagt de kosten die hij veroorzaakt en lasten schuiven we niet onnodig door naar toekomstige generaties. Het coalitieakkoord krijgt uitwerking langs de lijnen wonen & werken, fysieke leefomgeving, sociale leefomgeving, dienstverlening en bestuur. De programmabegroting bestaat daarom met ingang van de begroting 2027 uit drie programma’s, te weten fysieke leefomgeving, sociale leefomgeving en het programma bestuur & bedrijfsvoering. Deze kadernota bevat een actualisatie van het meerjarenperspectief, onder andere op basis van de meicirculaire. Deze laat op basis van de huidige inzichten een substantieel tekort zien.
Door keuzes te maken kunnen we een dekkingsvoorstel presenteren waarmee de (meerjaren)begroting voldoet aan de eisen voor een structureel en reëel evenwicht. De keuzes zijn financieel-technisch van aard, liggen op het vlak van belastingen en heffingen en de woningportefeuille. Wij nodigen u uit om tot behandeling van de kadernota 2027 over te gaan. Burgemeester en wethouders van Renswoude, Burgemeester, Mw. A.M.A. Pennarts-Pouw
Kadernota 2027
de Secretaris, Dhr. E. Jansonius
3
2
Leeswijzer
De kadernota 2027 vormt de opmaat naar de begroting 2027 en de meerjarenraming 2028–2030. In deze leeswijzer geven we een toelichting op de opbouw en inhoud van het document. Hoofdstuk 3 bevat een actualisatie van het meerjarenperspectief. In hoofdstuk 4 is het dekkingsplan opgenomen: het voorstel van het college om tot een structureel en reëel sluitende begroting 2027 te komen. Hoofdstuk 5 geeft het geactualiseerde meerjarenperspectief weer, inclusief het onderscheid tussen incidentele en structurele baten en lasten. In hoofdstuk 6 worden de risico’s en kansen benoemd die nog niet zijn verwerkt in de voorliggende kadernota. In hoofdstuk 7, tot slot, zijn de uitgangspunten en de parameters opgenomen die worden gehanteerd voor de begroting 2027. De financiële tabellen in deze kadernota geven inzicht in de afwijkingen ten opzichte van de geactualiseerde begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2028, zoals opgenomen in de voorjaarsrapportage 2026. Daarbij geldt: • Meer baten dan begroot zijn weergegeven als + • Minder baten dan begroot zijn weergegeven als • Meer lasten dan begroot zijn weergegeven als • Minder lasten dan begroot zijn weergegeven als +
Kadernota 2027
4
3
Ontwikkeling meerjarenperspectief 2027-2030
3.1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling van het meerjarenperspectief inzichtelijk gemaakt. De ontwikkeling van de lasten is in beperkte mate te beïnvloeden. De financiële vertaling is gemaakt op basis van de informatie die op dit moment beschikbaar is. In de komende periode, in het proces om te komen tot de begroting 2027, vindt actualisatie plaats en ontstaan aanvullende inzichten. De ontwikkeling aan de lastenkant leidt, zonder aanvullende maatregelen, tot een voordelig saldo in 2027 en tot nadelige saldi in de jaren 2028 tot en met 2030. Met het dekkingsplan (hoofdstuk 4) resteert in 2027, 2028 en 2030 een positief saldo; het jaar 2029 sluit met een tekort. Deze cijfers worden beïnvloed door bestuurlijke keuzes en door nieuwe informatie, bijvoorbeeld uit de circulaires van het rijk over de algemene uitkering (de jaarlijkse bijdrage die de gemeente via het gemeentefonds ontvangt) en uit ontwikkelingen waarvan het verloop op dit moment nog onzeker is. Meerjarenperspectief 2027 2028 2029 2030 439 -1.186 -2.070 -1.708 Benodigde dekking meerjarenperspectief 1.169 1.459 1.702 1.822 Dekking uit meerjarenperspectief
Saldo
1.609
273
-368
114
In paragraaf 5.1 wordt inzicht gegeven in de structurele en incidentele aard van het saldo. De provincie toetst of de eerste of laatste jaarschijf sluitend is. Met het positieve saldo over 2027 wordt voldaan aan de eisen.
3.2. Actualisatie meerjarenperspectief In onderstaande tabel zijn de ontwikkelingen opgenomen die leiden tot een geactualiseerd meerjarenperspectief. In de volgende paragrafen wordt hierop een (korte) toelichting gegeven. Ontwikkeling meerjarenperspectief I/S 2027 2028 2029 2030 3.2.1 Vastgestelde begroting 2026 en meerjarenraming I/S 516 -528 -267 -267 3.2.2 Voorjaarsrapportage 2026 I/S -184 -204 -604 -604 3.2.3 Meicirculaire 2026 S 584 97 -476 -189 3.2.4 Verwerking IBOR S -53 -142 -242 -297 3.2.5 Autonome ontwikkelingen S -49 -97 -171 -91 3.2.6 Personele capaciteit S -175 -175 -175 -175 3.2.7 Beleidsmatige keuzes I/S -200 -137 -136 -85
Saldo meerjarenperspectief voor dekkingsplan
439
-1.186
-2.070
-1.708
3.2.1. Vastgestelde begroting 2026 en meerjarenraming Het vertrekpunt van deze kadernota is de vastgestelde begroting 2026 en de bijbehorende meerjarenraming 2027-2029, aangevuld met de jaarschijf 2030. Voor de jaarschijf 2030 is de raming van 2029 als basis gehanteerd. Het vertrekpunt bevat zowel structurele als incidentele baten en lasten; dit onderscheid is inzichtelijk gemaakt in paragraaf 5.1.
3.2.2. Voorjaarsrapportage 2026 De voorjaarsrapportage 2026 betreft een actualisatie van de begroting 2026 op basis van de jaarrekening 2025 en actuele informatie die beschikbaar is gekomen in de eerste drie maanden van 2026. Het gaat niet om beleidsmatige aanpassingen. De mutaties bevatten zowel een structureel als een incidenteel deel; dit onderscheid is inzichtelijk gemaakt in paragraaf 5.1.
3.2.3. Meicirculaire 2026 In de meicirculaire informeert het rijk de gemeenten over de ontwikkeling van de algemene uitkering uit het gemeentefonds. De effecten van de meicirculaire 2026 zijn in deze kadernota verwerkt. Voor Renswoude leidt de meicirculaire tot een voordeel van € 584.000 in 2027 en € 97.000 in 2028, en tot een nadeel van € 476.000 in 2029 en € 189.000 in 2030. Bij de verwerking
Kadernota 2027
5
van de meicirculaire stappen we over van ramen in lopende prijzen naar ramen in constante prijzen, zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Bij lopende prijzen worden de verwachte loon- en prijsstijgingen van toekomstige jaren alvast meegeteld; bij constante prijzen rekenen we met het prijspeil van het begrotingsjaar. Tot nu toe werd de algemene uitkering in lopende prijzen geraamd, terwijl de lasten in constante prijzen werden geraamd. Baten en lasten werden daardoor niet op dezelfde manier berekend, waardoor het saldo gunstiger leek dan het werkelijk was. Door voortaan beide in constante prijzen te ramen, geeft het meerjarenperspectief een zuiverder beeld. In beleidsmatige zin bevat de circulaire nagenoeg geen nieuws. De algemene uitkering is bijgesteld op basis van de loon- en prijsontwikkeling. Daarnaast kent de circulaire de volgende effecten: • bijstelling van het plafond van het BTW-compensatiefonds (incidenteel nadeel 2027); • uitstel abonnementstarief WMO (budgetneutraal); • huishoudelijk hulp WMO (vanaf 2029 nadeel); en • CDOKE (incidenteel voordeel 2027).
3.2.4. Verwerking IBOR (Integraal Beheer Openbare Ruimte) De openbare buitenruimte van Renswoude is bepalend voor de kwaliteit van het dagelijks leven in het dorp en vraagt om een zorgvuldige, integrale en planmatige aanpak. In het kader van het integraal beheer van de openbare ruimte is daarom meerjarig inzichtelijk gemaakt wat de kosten zijn voor onderhoud, groot onderhoud en vervangingsinvesteringen (het vervangen van bijvoorbeeld wegen, groen of speelvoorzieningen aan het einde van hun levensduur). Dit wordt verwerkt in een nieuwe nota kapitaalgoederen. Met de nieuwe nota kapitaalgoederen beschikt de gemeente over een actueel beheerplan. Volgens de regels van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) hoort daarbij een onderhoudsvoorziening: een spaarpot waarmee de kosten van groot onderhoud gelijkmatig over de jaren worden gespreid. De kosten voor groot onderhoud en de kapitaallasten (rente en afschrijving) lopen op. Het verschil tussen de geraamde kosten in de begroting 2026 en de kosten voor IBOR is in de tabel opgenomen. We zetten in op het behoud van de huidige kwaliteit van de volledige openbare buitenruimte. Voor het dorpsplein is uitgegaan van onderhoudsniveau A, voor de rest van de gemeente van de niveaus B en C.
Deze niveaus komen uit de landelijke systematiek voor de kwaliteit van de openbare ruimte: niveau A staat voor intensief onderhoud met een nette uitstraling, niveau B voor een degelijk basisniveau met lichte gebruikssporen en niveau C voor sober onderhoud waarbij slijtage zichtbaar is.
3.2.5 Autonome ontwikkelingen 2027
Voor 2027 en verder doen zich ontwikkelingen voor die autonoom zijn: ze komen op de gemeente af zonder dat hierover een beleidsafweging mogelijk is. De ontwikkeling is niet te beïnvloeden. Autonome ontwikkelingen I/S 2027 2028 2029 2030 3.2.5.1 Indexering investeringen S 0 -6 -23 -27 3.2.5.2 Rentelasten en afschrijvingen actualisatie MJIP S -18 -66 -122 -38 3.2.5.3 Actieve openbaarmaking Woo S -11 -6 -6 -6 3.2.5.4 Uitvoeren wettelijk taak WOO (formatie) S -20 -20 -20 -20
Totaal autonome ontwikkelingen
-49
-97
-171
-91
3.2.5.1 Indexering investeringen De investeringsbedragen zijn de afgelopen jaren niet aangepast aan de loon- en prijsontwikkeling. Wanneer de prijsontwikkeling voor 2026 en 2027 in de investeringen wordt doorgerekend, leidt dit vanaf 2028 tot hogere kapitaallasten (rente en afschrijving). De toename van de lasten in 2028-2030 is de doorwerking van de aanpassing in 2026 en 2027. 3.2.5.2 Rentelasten en afschrijving actualisatie MJIP In december 2025 is een langlopende lening van € 9 miljoen aangetrokken tegen een vast rentepercentage van 3,82%. De verdere financieringsbehoefte is in grote mate afhankelijk van het meerjareninvesteringsplan (MJIP). Het MJIP is op basis van de meest recente inzichten geactualiseerd. De impact van de voorgenomen nieuwe kredieten (de investeringsbudgetten die de raad beschikbaar stelt) op de rentelasten en de afschrijvingslasten is inzichtelijk gemaakt.
Kadernota 2027
6
3.2.5.3 Actieve openbaarmaking WOO De Wet open overheid (Woo) ziet naast passieve openbaarmaking (Woo-verzoeken) ook op actieve openbaarmaking. Als gemeente moeten we gefaseerd steeds meer informatiecategorieën openbaar maken op een eigen publicatieplatform. Dit platform moet worden ingekocht en ingericht. Daarnaast moeten we een werkwijze opzetten voor het anonimiseren en het daadwerkelijk openbaar maken van de stukken. De implementatie-eis voor de volgende categorieën is uitgesteld, waarschijnlijk tot begin 2027. De lasten zijn in 2027 hoger dan in de jaren daarna door de eenmalige kosten van de aanschaf en de inrichting van het platform; vanaf 2028 resteren de jaarlijkse kosten van het gebruik. 3.2.5.4 Uitvoeren wettelijke taak WOO In 2025 is het aantal Woo-verzoeken gestegen. Deze trend zet in 2026 door. De huidige formatie is hiervoor niet toereikend. Het voorstel is om 0,2 fte aan formatie toe te voegen (€ 20.000 per jaar) om aan de toename van het aantal verzoeken te kunnen voldoen.
3.2.6 Noodzakelijk uitbreiding capaciteit
Het takenpakket van gemeenten is door maatschappelijke en wettelijke ontwikkelingen voortdurend in beweging. Dit stelt eisen aan de omvang en de samenstelling van de formatie. Om de wettelijke taken en de ambities van Renswoude uit te kunnen voeren, is op onderdelen uitbreiding van de capaciteit noodzakelijk. De voorstellen worden navolgend toegelicht.
3.2.6.1 3.2.6.2 3.2.6.3 3.2.6.4 3.2.6.5
Personele capaciteit Uitbreiding vergunningverlening Ecoloog Verkeerskundige Inkoopadviseur Uitbreiding projectcommunicatie Totaal
I/S S S S S S
2027 -75 -10 -10 -40 -40
2028 -75 -10 -10 -40 -40
2029 -75 -10 -10 -40 -40
2030 -75 -10 -10 -40 -40
-175
-175
-175
-175
3.2.6.1 Uitbreiding vergunningverlening Op basis van de gemeentelijke strategie voor vergunningverlening (U&A Strategie) is uitbreiding van de capaciteit nodig om vergunningverlening efficiënter en effectiever te maken en te voldoen aan de wettelijke kaders. Daarmee borgen we meerjarig de inzet voor nieuwbouwprojecten en bedrijventerrein Groot Overeem II. 3.2.6.2 Ecoloog Het borgen van ecologische kennis in de organisatie is met de veranderende wetgeving noodzakelijk. Dit vraagt om actuele kennis van wetgeving om zo de uitvoering van de projecten te waarborgen. 3.2.6.3 Verkeerskundige Het borgen van verkeerskundige kennis is nodig om algemene vragen over mobiliteit en beheer openbare ruimte binnen wettelijke kaders te beantwoorden. Ook vragen provinciale projecten en regionale projecten specifieke kennis en inzet om het belang van de gemeente te waarborgen. 3.2.6.4 Inkoopadviseur Bij de uitvoering van ruimtelijke projecten en bedrijfsvoeringsonderwerpen is continu sprake van inkoop- en aanbestedingssituaties. Het is wenselijk deze algemene kennis in huis te hebben, want deze is niet altijd toe te rekenen aan projecten. 3.2.6.5 Uitbreiding projectcommunicatie Participatie is een vast onderdeel van de werkwijze van de gemeente geworden en vraagt om borging in de formatie. Het betrekken van inwoners en ondernemers bij beleid en projecten wordt als zeer waardevol ervaren.
De afgelopen jaren is hiermee ervaring opgedaan via de inhuur van projectcommunicatie. We willen deze werkwijze borgen in onze organisatie door de formatie uit te breiden. Deze uitbreiding kan grotendeels ten laste van diverse projecten worden gebracht en deels met subsidie worden bekostigd.
Kadernota 2027
7
3.2.7 Beleidsmatige keuzes
Onze ambities sluiten aan op de schaal van onze gemeente. De financiële positie van gemeenten is voor de komende jaren onzeker. Naast de autonome ontwikkelingen geeft het college voor de komende jaren invulling aan een drietal ontwikkelingen, die hieronder specifiek worden benoemd.
Beleidsmatige keuzes 3.2.7.1 3.2.7.2 3.2.7.3
Omgevingsplan Lokalen basisschool De Borgwal Initiatief energiebatterij / D-SEH Beleidsmatige keuzes
I/S I S I
2027 -150 0 -50 -200
2028
2029
2030
0 -87 -50
0 -86 -50
0 -85 0
-137
-136
-85
3.2.7.1 Omgevingsplan In de Omgevingswet is bepaald dat vóór 2032 het vernieuwde omgevingsplan moet zijn vastgesteld. De benodigde inventarisatie moet in 2027 worden opgesteld om hier tijdig voor klaar te zijn; de bestemmingsplannen zijn al meer dan tien jaar oud en de markt wordt overvraagd. Tevens dienen de in 2023 verstrekte BOPA’s (buitenplanse omgevingsplanactiviteiten: vergunningen voor initiatieven die afwijken van het geldende omgevingsplan) uiterlijk binnen vijf jaar te zijn verwerkt in een omgevingsplan. De geraamde lasten betreffen de inhuur van een stedenbouwkundig bureau voor de inventarisatie van het buitengebied en het opstellen van de verbeelding (de digitale kaart) van het omgevingsplan. 3.2.7.2 Lokalen basisschool De Borgwal Basisschool De Borgwal heeft direct één en binnen vijftien jaar vier lokalen te weinig. De raming van de lasten is gebaseerd op het normbedrag van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor de bouw van schoollokalen. De bedragen in de tabel zijn de jaarlijkse kapitaallasten (rente en afschrijving) van deze uitbreiding; die lopen vanaf 2028 mee in de begroting. Voor basisschool de Stifthorst wordt de komende jaren geen uitbreiding verwacht. Deze prognose kan worden vernieuwd zodra de nieuwbouw Binnen de Beken daadwerkelijk is gestart (medio 2030).
3.2.7.3 Initiatief energiebatterij / D-SEH Een D-SEH (decentrale smart energy hub) is een lokaal knooppunt waar het opwekken, opslaan en gebruiken van energie slim op elkaar worden afgestemd. Om een D-SEH te realiseren dient een entiteit te worden opgericht. Dit kan een energiegemeenschap zijn in de vorm van een b.v., stichting of coöperatie. Iedere vorm vraagt een deelneming of een publiekprivate samenwerking. Dit voorstel betreft een onderzoek waarin voor iedere samenwerkingsvorm de voor- en nadelen worden benoemd, met uiteindelijk een besluit of gemeente Renswoude regie wenst te voeren over energie en het verdelen en toekennen daarvan. Samen met de provincie willen we komen tot een voorbeeldproject voor Utrecht. De lasten van het onderzoek zijn geraamd op drie jaar maal € 50.000, met dekking vanuit de CDOKE-middelen (rijksmiddelen voor klimaat- en energiebeleid). Deze rijksmiddelen zijn als onderdeel van de algemene uitkering al opgenomen in de begroting, waardoor de lasten van invloed zijn op het saldo van de meerjarenbegroting.
Kadernota 2027
8
4
Dekkingsplan
4.1. Inleiding De ontwikkeling van het meerjarenperspectief vraagt om keuzes. Het coalitieakkoord ‘Met oog op de toekomst’ bevat de financiële uitgangspunten die daarbij leidend zijn: een gezonde begroting als voorwaarde voor een zelfstandig Renswoude, een eerlijke en navolgbare lijn, kostendekkende tarieven, een eerlijke en realistische toerekening van kosten, waardering van het bezit tegen de reële restwaarde en het dekken van structurele uitgaven met structurele inkomsten. Om te komen tot een structureel en reëel sluitende begroting 2027 stelt het college, in lijn met deze uitgangspunten, oplossingen voor in vier richtingen: financieel technische uitgangspunten, de ontwikkeling van de lastendruk, de overige belastingen en heffingen en de woningportefeuille. De voorstellen worden navolgend toegelicht.
4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4
Dekkingsplan Financieel technische uitgangspunten Ontwikkeling lastendruk Overige belastingen en heffingen Keuzes woonportefeuille
I/S I/S S S S
Totaal
2027 236 232 76 625
2028 333 317 85 724
2029 375 327 93 907
2030 392 337 101 992
1.169
1.459
1.702
1.822
2027
2028
2030
4.2. Voorstellen dekkingsplan 4.2.1 Financieel technische uitgangspunten 4.2.1.1 4.2.1.2
Dekking: Financieel technische uitgangspunten Toerekening kosten aan projecten en investeringen Grondslag financiering investeringen Totaal
I/S S S
70 166
73 260
2029 75 300
236
333
375
78 314 392
4.2.1.1 Toerekening kosten aan projecten en investeringen Aan grondexploitaties (de ontwikkeling van bouwlocaties) en investeringen werkt zowel vast personeel als ingehuurd personeel. De kosten van inhuur worden al aan deze projecten toegerekend; de salariskosten van het vaste personeel komen nu nog ten laste van de algemene middelen (het geld dat de gemeente vrij kan besteden). Daardoor drukken deze kosten onterecht op het jaarlijkse resultaat. Het voorstel is om ook de salariskosten (deels) toe te rekenen aan de grondexploitaties en investeringen waarvoor het werk wordt verricht. Zo worden kosten eerlijk en realistisch toegerekend aan de activiteiten waar ze bij horen. 4.2.1.2 Grondslag financiering investeringen Voor investeringen gaan we er nu van uit dat iedere euro wordt gefinancierd met externe leningen. In de praktijk zetten we ook eigen middelen in. Daardoor ramen we meer rentelasten dan we werkelijk betalen. Die ruimte blijft onnodig gereserveerd en is niet beschikbaar voor andere beleidsdoelen. Het voorstel is om in de ramingen uit te gaan van financiering met 80% externe leningen.
Kadernota 2027
9
4.2.2 Belasting en heffingen De lokale lasten zijn de afgelopen jaren trendmatig verhoogd met 1,4%. Dit percentage ligt substantieel lager dan de feitelijke ontwikkeling van de lonen en de prijzen. Daardoor nemen de beschikbare middelen voor de uitvoering van de taken in reële termen af; de achterblijvende indexering werkt feitelijk als een bezuiniging door in de begroting. Het COELO, het onderzoekscentrum dat jaarlijks de lokale lasten van alle gemeenten vergelijkt, maakt de ontwikkeling van de lokale lasten inzichtelijk. Uit deze cijfers blijkt dat Renswoude tot de goedkoopste gemeenten van de provincie Utrecht behoort. De OZB, bepaald op basis van de gemiddelde waarde van een woning, is in onze provincie alleen in IJsselstein en Nieuwegein lager. Renswoude kent een relatief duur rioolstelsel; dit vertaalt zich in een rioolheffing die boven het provinciale gemiddelde ligt. De afvalstoffenheffing ligt, met name voor meerpersoonshuishoudens, aanzienlijk onder het gemiddelde en behoort tot de laagste van Utrecht. Ook de ontwikkeling van de lasten van 2025 naar 2026 bevestigt dit beeld: in de provincie zijn de afvalstoffen- en de rioolheffing gemiddeld met ruim 4% verhoogd, tegenover ruim 1% in Renswoude. In onderstaande tabel zijn voorstellen opgenomen om te komen tot verhoging van de opbrengsten.
Dekking: Ontwikkeling lastendruk I/S 2027 2028 4.2.2.1 Optimaliseren kostendekking afvalstoffenheffing (2*10%) S 65 130 4.2.2.2 Optimaliseren kostendekking rioolheffing (10%) S 74 74 4.2.2.3 OZB, trendmatige verhoging o.b.v. pBBP-index S 73 73 4.2.2.4 OZB, areaal uitbreiding hoger ramen S 20 40
Totaal
232
2029 130 74 73 50
2030 130 74 73 60
327
337
317
In de eerste maanden van 2026 is de toerekening van de kosten aan de heffingen opnieuw tegen het licht gehouden. Hieruit is gebleken dat nog niet alle mogelijkheden volledig worden benut. Kostendekkende tarieven zijn het uitgangspunt van het coalitieakkoord: zo draagt de gebruiker de kosten die hij veroorzaakt en komt de rekening niet bij anderen terecht. Wanneer dit uitgangspunt wordt gevolgd, moeten de tarieven omhoog. Met een verhoging van de afvalstoffenheffing met 10% in zowel 2027 als 2028 en van de rioolheffing met eenmalig 10% komt de kostendekkendheid (de mate waarin de heffing de kosten dekt) uit op 96% voor afval en 100% voor riool. In het coalitieakkoord is afgesproken om de ontwikkeling van lonen en prijzen aan beide kanten van de begroting op dezelfde wijze te verwerken. Daarom worden de OZB en de overige belastingen voortaan trendmatig verhoogd op basis van de prijsindex bruto binnenlands product (pBBP), de index die ook door het Rijk wordt gehanteerd voor de ontwikkeling van de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Voor 2027 bedraagt deze index 2,5%. Hiermee sluit de indexering van de gemeentelijke tarieven aan bij de verwachte ontwikkeling van lonen en prijzen. De OZB-opbrengst groeit daarnaast doordat nieuwe woningen en bedrijfspanden worden toegevoegd (areaaluitbreiding).
Deze groei ramen we voortaan vooraf in de begroting in plaats van deze achteraf te verwerken. Het geraamde bedrag neemt toe naarmate meer woningen en bedrijfspanden worden opgeleverd.
4.2.3 Overige belasting en heffingen
Naast de OZB, de riool- en de afvalstofheffing kennen we andere belastingen en heffingen. Als onderdeel van het pakket om te komen tot een meerjarig sluitende begroting worden ook de marktgelden, toeristenbelasting en leges aangepast.
4.2.3.1 4.2.3.2 4.2.3.3
Dekking: Overige belastingen en heffingen Markt(gelden) (wordt nu niet geheven) Toeristenbelasting (€ 0,10 per jaar) Leges Omgevingsvergunningen, APV en Burgerzaken verhogen (10%) Totaal
I/S S S S
2027
2028
2029
2030
4 8 64
5 16 64
5 24 64
5 32 64
76
85
93
101
4.2.3.1 Marktgelden Marktgelden kunnen worden geïnd om de kosten van de markt te dekken en voor het gebruik van de openbare ruimte. Marktgelden en staanplaatsen zijn momenteel niet goed geregeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De leges staan wel vermeld in de legesverordening, maar de grondslag (de juridische basis om ze te mogen opleggen) is niet opgenomen in de
Kadernota 2027
10
APV, waardoor ze niet kunnen worden geheven. Het voorstel is de verordening hierop aan te passen en de marktgelden te gaan heffen. 4.2.3.2 Toeristenbelasting Overwogen kan worden de toeristenbelasting verder te verhogen. Het gemiddelde tarief in Nederland is € 2,79 (2026). Bij de begroting 2026-2029 is besloten het tarief in zeven jaarlijkse stappen van € 0,25 te verhogen naar € 2,50. Het is een bestuurlijke keuze om dit te versnellen of om extra te verhogen. De raming van de opbrengst is gebaseerd op een extra verhoging met € 0,10 in ieder jaar. Iedere extra stap van € 0,10 levert circa € 8.000 per jaar op; daarom loopt de reeks in de tabel op van € 8.000 in 2027 naar € 32.000 in 2030. 4.2.3.3 Leges omgevingsvergunningen, APV en burgerzaken Er is intern onderzoek gedaan naar de kosten van het verlenen van omgevingsvergunningen en APV-vergunningen en van burgerzaken, die worden doorberekend in de legestarieven. Hieruit blijkt dat deze taken méér kosten dan er via de leges wordt doorberekend. Kostendekkende legestarieven zijn niet verplicht. Het tekort wordt echter gedekt uit de algemene middelen en daarmee gedragen door álle inwoners. Vanuit het beginsel dat de gebruiker betaalt voor de kosten die hij veroorzaakt, is het gerechtvaardigd om de legestarieven te verhogen. Het voorstel is om de legestarieven in 2027 met 10% te verhogen.
Daarmee komt de kostendekking voor algemene dienstverlening op 25% en voor omgevingsvergunningen op 60%.
4.2.4 Woningportefeuille
Om te komen tot een sluitend meerjarenperspectief hebben we ook de mogelijkheden onderzocht om te komen tot hogere opbrengsten of lagere lasten binnen de woningportefeuille.
4.2.4.1 4.2.4.2
Dekking: Keuze woonportefeuille Afschrijving woningen Huren boven inflatie verhogen Totaal
I/S S S
2027 620 0
2028 680 34
2029 820 72
2030 860 112
620
714
892
972
4.2.4.1 Afschrijving woningen In de nota van afschrijvingen is opgenomen dat woningen in 50 jaar en overige gebouwen in 40 jaar volledig worden afgeschreven. Het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) staat toe om met een reële restwaarde te rekenen: de waarde die het gebouw aan het einde van de gebruiksduur nog heeft. De restwaarde van de woningen wordt bepaald op basis van de marktwaarde in verhuurde staat: de prijs die de woningen bij verkoop zouden opbrengen terwijl de huurders erin blijven wonen. Dit gebeurt per complex (een groep vergelijkbare woningen); in de berekening is uitgegaan van 70% van deze marktwaarde. Voor overige gebouwen is van belang of het gebouw goed verkoopbaar is als de huidige gebruiker vertrekt; daarvoor is een meer individuele waardebepaling nodig. In de berekening is er verder van uitgegaan dat de waarde boven de restwaarde in 30 jaar wordt afgeschreven in plaats van maximaal 50 jaar. Rekening houden met een restwaarde verlaagt de kapitaallasten in de exploitatie en verbetert de solvabiliteit (de verhouding tussen het eigen vermogen en de schulden). 4.2.4.2 Huren boven inflatie verhogen Bij de jaarlijkse huurverhoging worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als die voor woningcorporaties gelden.
Bij de realisatie in 2026 gaan we uit van de gemiddelde huurstijging uit de Nationale Prestatieafspraken; deze is ongeveer 0,5% boven de inflatie van het afgelopen jaar. Dit is hoger dan waarmee in de begroting rekening wordt gehouden. In de berekening is een indexering van de huren met 1% boven de inflatieverwachting toegepast om te komen tot een meer realistisch niveau in de begroting.
Kadernota 2027
11
5
Ontwikkeling meerjarenperspectief
Het financiële vertrekpunt voor de begroting 2027 en de meerjarenraming 2028-2030 is de geactualiseerde begroting 2026 en de bijbehorende meerjarenraming 2027-2029, zoals opgenomen in de voorjaarsrapportage 2026 van gemeente Renswoude, aangevuld met de jaarschijf 2030. Meerjarenperspectief 2027 2028 2029 2030 439 -1.186 -2.070 -1.708 Benodigde dekking meerjarenperspectief 1.169 1.459 1.702 1.822 Dekking uit meerjarenperspectief
Saldo
1.609
273
-368
114
Op grond van artikel 189 Gemeentewet ziet de raad erop toe dat de begroting voor het komende jaar structureel en reëel in evenwicht is. De raad kan hiervan afwijken, indien aannemelijk is dat het structureel en reëel evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal worden gebracht. Met structureel evenwicht wordt bedoeld dat structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Met reëel evenwicht wordt bedoeld dat de geraamde baten en lasten in de begroting en meerjarenraming volledig en realistisch zijn. Bovenstaande tabellen laten zien dat het voorstel van het college in 2027, 2028 en 2030 leidt tot een positief begrotingssaldo. In 2029 resteert een tekort van € 368.000. Voor de beoordeling van het structurele evenwicht is daarnaast van belang welk deel van de baten en lasten incidenteel van aard is. Dit wordt in de volgende paragraaf inzichtelijk gemaakt.
5.1. Incidentele en structurele baten en lasten Het inzicht in het structurele en incidentele karakter van de baten en lasten is nodig om de raad een goede afweging te laten maken. Daarnaast baseert de provincie haar oordeel over het toezicht hierop. Om te voldoen aan de provinciale eisen moet de eerste of laatste jaarschijf van de begroting een positief saldo kennen. Structurele baten en lasten keren jaarlijks terug; incidentele baten en lasten zijn eenmalig of tijdelijk. Het uitgangspunt – ook vastgelegd in het coalitieakkoord – is dat structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Op basis van de notitie Structurele en incidentele baten en lasten van de Commissie BBV (de landelijke commissie die de begrotingsregels voor gemeenten uitlegt) zijn de baten en lasten in het meerjarenperspectief over de hele linie beoordeeld. Voor het financieel toezicht van de provincie is bepalend dat de begroting 2027 structureel en reëel in evenwicht is; daaraan voldoet deze kadernota. Het herstel van het structureel evenwicht in de jaren 2028 tot en met 2030 vraagt om nadere keuzes en blijft een aandachtspunt voor de komende periode. In de begroting 2027 wordt het overzicht van incidentele baten en lasten verder uitgewerkt en wordt de beoordeling per post afgestemd met de provinciaal toezichthouder. In onderstaande tabel is het structureel begrotingssaldo opgenomen.
Structureel begrotingssaldo Saldo meerjarenperspectief na dekkingsplan Af: saldo incidentele baten en lasten Structureel begrotingssaldo
2027 1.604 -326
2028 263 -478
2029 -383 -176
1.278
-215
-559
2030 94 -226 -132
Het saldo van incidentele baten en lasten bestaat uit 4 componenten. Het vertrekpunt is het incidentele saldo uit de begroting 2026. In de voorjaarsrapportage 2026 zijn aanpassingen gedaan, die van invloed zijn op het begrotingssaldo. Vanuit deze kadernota worden het omgevingplan en het initiatief ernergiebaterij / D-SEH als incidenteel beschouwd. Dit leidt tot onderstaande tabel. 3.2.1 3.2.2 3.2.7.1 3.2.7.3
Incidentele baten en lasten Incidenteel deel vastgestelde begroting 2026 en meerjarenraming Voorjaarsrapportage 2026 (incidenteel deel) Omgevingsplan Initiatief energiebatterij / D-SEH Saldo incidentele baten en lasten
I/S I I I I
2027 437 89 -150 -50
2028 184 344 0 -50
326
478
2029
2030
26 200 0 -50
26 200 0 0
176
226
De overige aanpassingen in deze Kadernota zijn structureel van aard. In onderstaande tabel zijn alle componenten van deze kadernota opgenomen. Per onderdeel is aangegeven of de baten en lasten incidenteel (I), structureel (S) of een combinatie van
Kadernota 2027
12
beide (I/S) zijn. De regels "waarvan structureel" en "waarvan incidenteel" sluiten aan op de beide voorgaande tabellen in deze paragraaf. 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6 3.2.7 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4
Recapitulatie meerjarenperspectief Vastgestelde begroting 2026 en meerjarenraming Voorjaarsrapportage 2026 Meicirculaire 2026 Verwerking IBOR Autonome ontwikkelingen Personele capaciteit Beleidsmatige keuzes Financieel technische uitgangspunten Ontwikkeling lastendruk Overige belastingen en heffingen Keuzes woonportefeuille Saldo meerjarenperspectief na dekkingsplan Waarvan structureel Waarvan incidenteel
Kadernota 2027
I/S I/S I/S S S S S I/S I/S S S S
2027 516 -184 584 -53 -49 -175 -200 236 232 76 620
2028 -528 -204 97 -142 -97 -175 -137 333 317 85 714
2029 -267 -604 -476 -242 -171 -175 -136 375 327 93 892
2030 -267 -604 -189 -297 -91 -175 -85 392 337 101 972
S I
1.604 1.278 326
263 -215 478
-383 -559 176
94 -132 226
13
6
Risico’s en kansen
Voor een aantal ontwikkelingen bestaat op dit moment nog onvoldoende inzicht in de financiële consequenties, waardoor verwerking in de financiële tabellen nog niet mogelijk is. Naar verwachting zullen deze ontwikkelingen bij het uitwerken van de begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2030 wel een rol spelen. De bijdrage van het rijk kent aanhoudende onzekerheden. In de voorjaarsnota van het rijk zijn geen concrete voorstellen opgenomen die structurele oplossingen bieden voor de ontwikkeling van de lasten voor bijvoorbeeld jeugd en Wmo. In de aanloop naar de meicirculaire heeft het rijk de Tweede Kamer geïnformeerd over het vervolg van de herijking van het gemeentefonds. In lijn met het advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft het kabinet besloten hieraan vooralsnog geen uitvoering te geven. Aan de lastenkant wordt de komende periode meer duidelijkheid verkregen over de financiële gevolgen van ontwikkelingen als de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (WMEBV), de Europese richtlijn voor informatiebeveiliging (NIS2) en de overstap van eigen software naar onlinediensten (SaaS). Naast voornoemde ontwikkelingen zijn het aanpassen van het ambitieniveau voor verduurzaming van de woningen, actualisatie van het huurbeleid en de verkoop van woningen opties die kunnen bijdragen aan een sluitende begroting.
Uitgangspunt is dat structurele lasten gedekt moeten worden door structurele baten. Het inzetten van reserves voor structurele uitgaven was in het verleden niet toegestaan. Inmiddels is het onder voorwaarden mogelijk om een deel van het overschot op de algemene reserve in te zetten voor het dekken van structurele lasten. Voorwaarde is onder meer dat de gemeente beschikt over een gezonde solvabiliteit en een toereikend weerstandsvermogen. In de begroting 2026 is voor de jaren 2026 en 2027 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Deze mogelijkheid bestaat ook voor de komende jaren. Zodra bovenstaande ontwikkelingen voldoende concreet en financieel onderbouwd zijn, zal het college deze aan de raad voorleggen en – waar mogelijk en nodig – verwerken in de programmabegroting 2027 en meerjarenraming 2028–2030.
Kadernota 2027
14
7
Uitgangspunten en parameters
Uitgangspunten Het college stelt de raad voor om de volgende uitgangspunten te hanteren bij het opstellen van de begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2030: a. Het vertrekpunt is de geactualiseerde begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029 zoals opgenomen in de voorjaarsrapportage 2026 van gemeente Renswoude; b. De geactualiseerde begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029 wordt aangevuld met de raming voor het jaar 2030; c. De begroting wordt aangevuld met de effecten van de nog te verschijnen septembercirculaire 2026 (het bericht van het rijk over de algemene uitkering); de meicirculaire 2026 is in deze kadernota verwerkt; d. De begroting 2027 dient structureel en reëel in evenwicht te zijn; e. Het beroep op het gemeentelijke weerstandsvermogen (algemene reserve) wordt zo beperkt mogelijk gehouden; f. De hieronder opgenomen parameters worden gehanteerd.
Parameters Voor de begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2030 hanteren we de volgende parameters: Uitgangspunten 2026 2027 2028-2030 Mutaties gemeente tarieven (1) 1,40% 2,5%+10% pBBP-index Leges 1,40% 1,40% pBBP-index Onroerend zaakbelastingen 2028: 2,5%+10% Afvalstoffenheffing (kostendekkend) 1,40% 2,5%+10% 2029-2030: kd 1,40% 2,5%+10% kd Rioolheffing (kostendekkend) 1,40% 2,50% pBBP-index Grafrechten 1,40% 2,5% of kd kd of pBBP-index Overige gemeentelijke belastingen en heffingen Maatstaven Algemene Uitkering (meicirculaire 2026 / CEP 2026) 1,90% 1,40% 1,10% Volume Bruto Binnenlands Product (BBP)(8 jaars gemiddelde) 3,10% 2,90% 2,40% Prijs BBP 5,10% 4,40% 3,53% Gecombineerde BBP-index Financiering 1,50% 2,00% n.t.b. Rente grondexploitaties 1,50% 2,00% n.t.b. Rente investeringen (1) Mutatie van de tarieven ten opzichte van het voorgaande jaar. kd = kostendekkend; n.t.b. = nader te bepalen; pBBP-index = trendmatige verhoging met de index prijs bruto binnenlands product.
Kadernota 2027
15