Bijlage 1.2 Verzoek tot wijziging omgevingsplan (aanvulling)
Tekst van het document
Burgemeester en wethouders Renswoude Postbus 8 3927 ZL RENSWOUDE
Uw kenmerk
: 596334/597829
Ons kenmerk
: GvV/Mandersloot/14584
Inzake
: Dashorsterweg 2, 3927 CN te Renswoude
Betreft
: Definitief verzoek wijzigen tijdelijk deel omgevingsplan (LBV+)
Lunteren, 25 augustus 2025 Geacht college, Namens initiatiefnemer, Mandersloot Mesterijen V.O.F., dien ik bij deze de stukken in behorende bij het definitief verzoek tot wijzigen van het tijdelijk deel van het omgevingsplan op het perceel aan de Dashorsterweg 2 te Renswoude. Het verzoek ziet toe op het verwijderen van de agrarische bestemmingen het uitbreiden van de niet agrarische bedrijfsvoering (transportbedrijf in de vorm van een agrarisch hulpbedrijf, Mantrans B.V.). Dit verzoek komt voort uit de beslissing van de initiatiefnemer om met het agrarisch bedrijf deel te nemen aan de LBV+ regeling. Voorwaarde hierbij is het verwijderen van het agrarisch bouwvlak ter plaatse. In voorliggende brief wordt het definitief verzoek nader toegelicht en gemotiveerd. 1 Vooroverleg Op 17 september 2024 is namens initiatiefnemer een principeverzoek ingediend voor onderhavig plan. Op 25 oktober 2024 ontvingen wij de beoordeling van het plan. Deze brief is bij u bekend per kenmerk 596334/597829. In de brief wordt aangegeven dat het plan met een aantal aanpassingen en onder voorwaarden mogelijk is. Deze aanpassingen en voorwaarden zijn verwerkt in voorliggend document. Een aantal onderdelen dienen separaat te worden geregeld, zie opvolgend: 1. In het kader van deelname aan de LBV+ bestaat de verplichting om de milieuvergunning voor het houden van dieren in te trekken.
De aanvraag tot intrekken van de milieuvergunning is reeds voorbereid en staat klaar voor indienen. Hier wordt op korte termijn derhalve in voorzien. 2. Voor het nieuwe bedrijfsgebouw is een omgevingsvergunning vereist. Nadat het tijdelijk deel omgevingsplan is gewijzigd, zal hierin worden voorzien. 3. Voor de beoogde milieubelastende activiteiten is een MBA vereist. Ook hier zal in worden voorzien na wijziging van het tijdelijk deel omgevingsplan. 4. Voor de sloop van de dierenverblijven is een sloopmelding vereist. Deze zal tijdig worden ingediend, begeleid met een quick scan ecologie en welllicht een asbestinventarisatierapport. 2
Situatie
Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel aan de Dashorsterweg 2, 3927 CN te Renswoude. Dit perceel is 1
kadastraal bekend bij de gemeente Renswoude, sectie G, perceelnummers 1318, 1319, 458, 301 en 812. Op deze locatie wordt een vleeskalverhouderij en tevens een transportbedrijf geëxploiteerd. Ten behoeve van dit agrarische bedrijf is er op locatie een bedrijfswoning met bijgebouwen en een grote oppervlakte bedrijfsgebouwen aanwezig. Naast de vleeskalverenhouderij is er tevens een transportbedrijf in de vorm van een agrarische hulpbedrijf aanwezig, deze functie is wél bestemd, maar er zijn mogen geen bedrijfsgebouwen voor die functie gerealiseerd worden, wél mag er een bedrijfswoning voor deze bestemming gebouwd worden.. Het plangebied is gelegen ten zuidwesten van de dorpskern van de gemeente Renswoude en ten zuidoosten van de kern van Scherpenzeel. Rondom de locatie van initiatiefnemer zijn meerdere agrarische- en niet-agrarische bestemmingen gevestigd. In navolgende figuren zijn een deel van de hierboven genoemde gronden van het plangebied weergegeven.
Figuur 1: Luchtfoto plangebied. Bron: streetsmart.cyclomedia.com
2
Figuur 2: Luchtfoto plangebied. Bron: streetsmart.cyclomedia.com
3 Tijdelijk deel omgevingsplan De gronden vallen onder het regime van het tijdelijk deel omgevingsplan ‘Buitengebied 2010’, zoals vastgesteld op 5 oktober 2010 door de gemeente Renswoude, inclusief haar parapluplan inzake parkeren, woningsplitsing en kamerverhuur. Een deel van de gronden beschikken over de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met een ingetekend bouwvlak. De gronden zijn derhalve bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, en het behoud, herstel en de ontwikkeling van het waterhuishoudkundig systeem en de landschapsstructuur. Een ander deel van de gronden heeft de enkelbestemming ‘Bedrijf’ en de functieaanduiding ‘specifiekevorm van bedrijf – agrarisch hulpbedrijf’. Hier is een bouwvlak ingetekend. Deze gronden zijn bestemd voor een agrarisch hulpbedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch hulpbedrijf’. Tevens is de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied’ van toepassing op de gronden. Ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' zijn in aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 2 intensieve veehouderijen toegestaan binnen de aangegeven agrarische bouwvlakken. Verder vallen de gronden onder het regime van het inpassingsplan ‘Grebbelinielandschap’.
Dit inpassingsplan bevat landschappelijke en stedenbouwkundige randvoorwaarden waaraan getoetst moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
3
Figuur 3: Plankaart vigerend tijdelijk deel omgevingsplan. Bron: www.omgevingswet.overheid.nl
4
Plan
Op onderhavige locatie exploiteert initiatiefnemer een vleeskalverhouderij. Initiatiefnemer neemt met de vleeskalverhouderij deel aan met de LBV+ regeling, daartoe heeft hij een aanvraag gedaan bij Rvo. Rvo heeft positief beschikt en de vervolgstappen zijn in werking gezet. Een van de vereisten van de LBV+ is dat het bevoegde bestuursorgaan, in deze gemeente Renswoude, het omgevingsplan dusdanig aanpast dat er niet langer een veehouderij aanwezig kan zijn of kan worden gevestigd (artikel 5, lid 1, sub g van de LBV+). Hiervoor is reeds een definitief verzoek ingediend bij het college en een ontvangstbevestiging op terug verzonden. De te slopen oppervlakte aan bedrijfsgebouwen wenst initiatiefnemer via toepassing van de sloopmetersystematiek om te zetten in nieuwe bebouwing ten behoeve van het reeds, deccenialang, gevestigde en bestemde transportbedrijf ter plaatse. Toelichting op transportbedrijf Al meer dan 100 jaar boert de Familie Mandersloot op de Dashorsterweg. Van generatie op generatie is het bedrijf voortgezet. De huidige kalverhouderij is in 1973 gebouwd en was op dat moment vooruitstrevend in de kalverensector. Naast de stallen stonden ook de pluimveewagens van de familie geparkeerd. Deze vervoerde het pluimvee naar eigen slachterij en pluimveebedrijven. Hieruit is Mantrans BV ontstaan. Opgericht door Job & Gerda Mandersloot.
Vandaag de dag ligt de leiding van deze bedrijven bij hun kinderen Bastiaan, Erik, Frank & Michiel. Frank woont samen met zijn gezin op de Dashorsterweg. De werkzaamheden zijn uitgegroeid van een transporteur naar een logistieke dienstverlener in de agrarische sector. Niet alleen de Kalverhouderij was vooruitstrevend, ook het transport. Zo was Mantrans bv de 1e in heel Europa die in 2009 een drinksysteem voor pluimvee ontwikkeld had en had Mantrans BV in 2022 een wereldprimeur met de 1e pluimveewagen met airco systeem voor pluimvee groter dan eendagskuikens. 4
Beoogde eindsituatie Het agrarische bouwvlak wordt in de beoogde situatie omgezet een bedrijfsbestemming, zodat initiatiefnemer het volwaardige transportbedrijf op de locatie kan voorzien van de hoognodige bedrijfsbebouwing. In de huidige situatie is er al voor een gedeelte van de gronden een bedrijfsbestemming toegekend. Hier is echter geen bebouwing toegestaan. Vanuit de NVWA worden er steeds strengere eisen gesteld aan het wassen en reinigenvan de vrachtwagen en kratten die in aanraking komen met pluimvee. Mantrans BV heeft hier een vergunning voor zodat het eigen materiaal gereinigd en ontsmet kan worden. In het geval van dierziektes is Mantrans BV één van de aangewezen wasplaatsen die transportmateriaal vergund mag reinigen en ontsmetten. De huidige regelgeving verplicht wel om dit binnen in een afgesloten hal te doen. Om aan alle nieuwe eisen en wetgeving te kunnen voldoen is het realiseren van een nieuwe hal dan ook van grote noodzaak. Uitgangspunt (zie principebesluit) is het huidige transportbedrijf. Dit betekent dat de huidige omvang van het bedrijf uitgangspunt is en dat andere bedrijfsactiviteiten niet zijn toegestaan. Een toename van het aantal verkeersbewegingen is dan ook niet aan de orde en de wasplaats staat uitsluitend ten dienste van het eigen transportbedrijf.
Alleen in geval van calamiteiten (zoals bijvoorbeeld een vervoersverbod bij vogelgriep waarbij een gecertificeerde wasplaats in de regio nodig is) kan de wasplaats tijdelijk voor bredere doeleinden worden ingezet. Tevens is er in de beoogde situatie op het perceel geen sprake van buitenopslag anders dan de stalling van vrachtwagens. De totale oppervlakte aan gebouwen bedraagt in de gewenste situatie 1.300 m2. Dit betreft een toename van 1.118 m2. Deze vierkante meters zullen compact worden teruggebouwd in één bedrijfsgebouw. Hierbij zal hetvoorste gedeelte van het bedrijfsgebouw blijven staan ten behoeve van een kantoor. De nieuwe hal zal ingezet worden voor opslag van kratten, shovels met bijbehorende opzetstukken, washal, etc. . Het bedrijfserf wordt in de beoogde situatie verkleind en compacter. Daarnaast wordt het erf landschappelijk ingepast in haar omgeving. In de navolgende verbeeldingen is een tekening van de gewenste situatie weergegeven.
5
Figuur 4: Gewenste situatieschets. Definitieve tekening P.M.
5 Toetsing tijdelijk deel omgevingsplan In het tijdelijk deel omgevingsplan zijn geen bevoegdheden opgenomen welke een functiewijziging van het agrarisch bouwvlak naar deels de bestemming ‘Bedrijf’ en deels de bestemming ‘Agrarisch’ zonder bouwvlak mogelijk maken. Derhalve dient buitenplans van het tijdelijk deel omgevingsplan te worden afgeweken. De gemeente Renswoude heeft het regionaal afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 vastgesteld. Voor de uitwerking van het plan kan hier op aangesloten worden. Dit vormt dan ook het beleidsmatige toetsingskader voor onderhavig plan.
De planologische uitwerking ziet toe op het omzetten van een deel van het agrarisch bouwvlak naar de bestemming ‘Bedrijf’. De overige gronden krijgen de bestemming ‘Agrarisch’ zonder bouwvlak. Idealiter wordt de nieuwe bedrijfsbestemming samengevoegd met de bestaande bedrijfsbestemming 6
om zo een duidelijk planologisch kader te krijgen in de gewenste situatie. Als bijkomend voordeel wordt het aantal toegestane bedrijven ter plaatse hierdoor verkleind van twee naar één.
6
Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024
6.1 Inleiding In het functieveranderingsbeleid is beschreven hoe betrokken gemeenten om willen gaan met het toenemende probleem van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Er wordt gestreefd naar een ruimtelijk verantwoorde inzet van sloopmeters om tot een kwaliteitsverbetering van het buitengebied te komen. Uitgangspunten zijn een goede ruimtelijke kwaliteit, een duurzaam economisch perspectief en behoud van een sterke agrarische structuur. Voor uitbreiding van niet-agrarische bedrijven geldt dat deze qua aard en omvang passend moet zijn voor het buitengebied. Bedrijven tot een oppervlakte van 500 m2 worden gezien als passend qua omvang. Met een zwaardere sloopeis zijn bedrijven tot een oppervlakte van 1.000 m2 bespreekbaar. Voor gebiedspassende bedrijven geldt een sloopeis van - 2 m2 per m2 uitbreiding van de bedrijfsbebouwing tot 500 m2; - 3 m2 per m2 uitbreiding van de bedrijfsbebouwing van 501-1.000 m2. Wanneer bedrijven met een grotere oppervlakte dan 1.000 m2 die in het buitengebied gevestigd zijn behoefte hebben aan uitbreiding en aan kunnen tonen dat verplaatsing naar een bedrijventerrein in redelijkheid niet mogelijk is, kan de gemeente onderzoeken of een maatwerkoplossing mogelijk is, middels toepassing van de menukaart. Dat valt echter buiten de reikwijdte van het functieveranderingsbeleid. 6.2
Van sloopmeters naar inzetbare sloopmeters
De mogelijkheden voor functieverandering naar ‘Bedrijf’ is o.a. afhankelijk van de te slopen vierkante meters daarom zal er eerst gekeken worden naar de hoeveelheid vierkante meters op het bedrijf. Hierbij worden de bedrijfswoningen met privébijgebouwen buiten beschouwing gelaten. In figuur 5 zijn de gebouwen te zien, in tabel 1 staan de vierkante meters. In totaal is er ca. 4.829 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig.
7
1
Figuur 5: Overzicht gebouwen. Bron:streetsmart.cyclomedia.com Tabel 1: Huidige oppervlakte gebouw (exclusief woning en privébijgebouwen)
Gebouw 1 Totaal
Oppervlakte 4.829,67 m2 4.829,67 m2
Bij een woning mag bij recht 80 m2 aan bijgebouwen aanwezig zijn, deze wordt van het totaal afgetrokken voordat de afroming zalworden toegepast. Er wordt gestart met een oppervlakte van 4.749 m2. Wanneer de kortingspercentage wordt toegepast op onderhavig plangebied dan zijn er ca. 3.124 m2 sloopmeters inzetbaar (zie tabel 2). In te zetten sloopmeters 0 – 1.000 m2 1.000 – 2.000 m2 > 2.000 m2
Kortingspercentage 0% 25% 50% Totaal
Inzetbare sloopmeters 1.000 m2 750 m2 1.374 m2 3.124 m2
Tabel 2: Inzetbare sloopmeters
6.3
Van inzetbare sloopmeters naar de nieuwe functie.
Het systeem is opgezet volgens een basis, het ‘bedrijfsrecht’ aangevuld met compensatie van sloopmeters voor de gevraagde oppervlakte per m² vloeroppervlakte (footprint) van de bedrijfsbebouwing. Hierbij zal het gaan om uitbreiding van één van de bestaande werkfuncties. Een deel van de gronden beschikken al over een niet-agrarische bedrijfsbestemming zonder bouwrecht. Initiatiefnemer wenst dit uit te breiden en de agrarische bestemming te verwijderen. Hier wenst initiatiefnemer dan wel over de mogelijkheid te beschikken om een nieuwe hal te realiseren.
8
Het nieuwe functieveranderingsbeleid staat in basis niet meer dan 1.000 m2 aan niet agrarische bedrijvigheid toe in het buitengebied (artikel 2.9.2 van het beleid). De wens is om ca. 182 m2 aan bestaande bedrijfsgebouw te behouden en in gebruik te nemen ten behoeve van een kantoor en 1.118 m2 aan bedrijfsbebouwing nieuw te realiseren. Totaal zal er in de beoogde situatie 1.300 m2 bedrijfsgebouw zijn. Deze oppervlakte is benodigd om aan alle eisen vanuit de NVWA te kunnen gaan voldoen. Het betreft een niet-agrarisch bedrijf wat wel aan de agrarische sector is gekoppeld (transport in de pluimveesector). Voor het uitbreiden van de werkfunctie geldt dat voor de eerste 500 m2 aan bedrijfsbebouwing 2 sloopmeters moeten worden aangeleverd. Boven de 500 m2 geldt een inzet van 3 inzetbare sloopmeters per vierkante meter bedrijfsbebouwing.
Uitbreiding werkfunctie Tot en met 500 m2 aan bedrijfsbebouwing per m2 vloeroppervlakte bedrijfsbebouwing Vanaf 501 m2 – 1.000 m2 aan bedrijfsbebouwing per m2 vloeroppervlakte bedrijfsbebouwing >1.000 m2 aan bedrijfsbebouwing (zoals initiatiefnemer beoogt) Totaal Beschikbaar
Compensatie sloopmeters
Benodigde inzetbare sloopmeters
Oppervlak
2 m2 sloopmeters
1.000 m2
500 m2
3 m2 sloopmeters
1.500 m2
500 m2
3 m2 sloopmeters
900 m2
300 m2
3.400 m2 3.124 m2
1.500 m2
Tabel 3: Staffel gebiedspassende bedrijven met toepassing.
Op basis van de aanwezige (te slopen bebouwing) zouden er nog 276 inzetbare sloopmeters verworven moeten worden. Het college heeft aangegeven op dit punt maatwerk te willen toepassen. Op het perceel mag nog een woning gebouwd worden met een inhoud van 600 m3. Voor een woning met een inhoud van 600 m3 zijn andersom geredeneerd 1.200 m2 aan inzetbare sloopmeters vereist. In dit geval is een woning niet gerealiseerd en kan dit een beperkte bijdrage leveren om het totaalplaatje sluitend te krijgen. Als maatwerk worden de resterende 276 m2 6.4
Ruimtelijke aanvaardbaarheid
Met onderhavig plan wordt er niet voldaan aan de maximaal toegestaan oppervlakte aan bedrijfsbebouwing en tevens wenst initiatiefnemer minder sloopmeters aan te hoeven kopen. Derhalve is maatwerk vereist. In deze paragraaf zijn extra argumenten opgenomen (naast het wegbestemmen van de bedrijfswoning) om welke redenen maatwerk aanvaardbaar is. 9
Verdwijnen geurcontour en minder stikstof. Ten noorden van de planlocatie is een woonbestemmingen gevestigd. Vleeskalveren valt onder de categorie intensieve veehouderij. Het houden van deze dieren op deze afstand van de woonbestemming is derhalve van invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning, met name vanwege het aspect geur. Door het verwijderen van de agrarische bestemming zal de bestemming veranderd worden naar een nietagrarische bestemming. Het bedrijf van initiatiefnemer zal van een intensieve veehouderij naar een transportbedrijf welke actief is binnen de pluimveesector. Met het veranderen van het type bedrijf zal de geurcontour verdwijnen wat resulteert in een verbetering van het goed woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het projectgebied. Daarnaast zal er bijgedragen worden aan het maatschappelijke stikstofprobleem (<85% t.o.v. referentie). Oppervlakte bedrijfsgebouwen bedrijfsbestemming Om aan alle eisen vanuit de NVWA en andere instanties te kunnen voldoen is er een groter oppervlakte aan bedrijfsgebouwen dan 1.000 m2 benodigd. Dit betreft het goed, overdekt, kunnen reinigen van de vrachtwagens, kratten, shovel en andere materialen. Tevens dienen deze materialen zoveel mogelijkinpandig te worden opgeslagen om zo de kans op het verspreiden van vogelgriep of andere bacteriën zoveel mogelijk te beperken.
In dit kader is het vanuit economisch toekomstperspectief aanvaardbaar om een grotere oppervlakte aan bedrijfsbebouwing toe te staan. Bestaande bedrijfsbestemming Voor onderhavige locatie geldt tevens dat een deel van de gronden reeds bestemd zijn voor het uitvoeren van een niet-agrarisch bedrijf. De beoogde activiteit is derhalve niet vreemd in het gebied. In de praktijk zal het enkel beleefd worden als vergroting van de gebouwen, en niet als uitbreiding van de activiteiten. Dit is ook een voorwaarde van het principebesluit. Door in de gewenste situatie één grotere bedrijfsbestemming in te tekenen op de plankaart, wordt het aantal toegestane bedrijven ter plaatse hierdoor verkleind van twee naar één. Ruimtelijke kwaliteitsverbetering Met het herinrichten van het erf is er goed gekeken behoud van een agrarische uitstraling. Hierdoor blijft de bebouwing goed inpasbaar op het erf en in het agrarische buitengebied (de omgeving). Het grote bedrijfsgebouw zal gesloopt worden en vervangen door één compact nieuw bedrijfsgebouw met een moderne landelijke uitstraling. Het erf wordt daarnaast vergroend. Hiermee wordt voorzien in een ruimtelijke en landschappelijke kwaliteitsverbetering op het erf. 7
Ruimtelijke aspecten
7.1
Milieuzonering
Tevens dient de impact onderzocht te worden of ter plaatse van de omliggende woningen (gevoelige objecten) na het realiseren van het plan nog steeds sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Middels milieuzonering kan hierover een uitspraak worden gedaan. 10
Voor het aspect zonering tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies wordt de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” editie 2009 gebruikt. De brochure is bedoeld als hulpmiddel. Als gevolg van jurisprudentie heeft de publicatie bijna de status “pseudowetgeving” gekregen waarvan slechts gemotiveerd kan worden afgeweken. Het uitgangspunt in de nieuwe versie is gemotiveerd toepassen, met als doel te komen tot maatwerk op lokaal niveau. De brochure is toe te passen voor plannen en voor het toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De gewenste afstand tussen bedrijfsactiviteit en woningen (of andere gevoelige functies zoals scholen en kantoren) wordt mede bepaald door het type gebied waarin de gevoelige functie zich bevindt. Conform de VNG-publicatie worden daarbij omgevingstypen onderscheiden die zijn gebaseerd op functiescheiding: rustige woonwijk en gebieden die zijn gebaseerd op functiemenging: gemengd gebied. De richtafstanden die zijn vermeld in de SvB gelden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbare omgevingstype). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Voor een gemengd gebied (en daarmee te vergelijken gebieden) gelden kleinere afstanden. In een gemengd gebied komen naast wonen ook andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Dit is dan ook het gebied waar initiatiefnemer zich binnen bevindt. In de volgende tabel is per milieucategorie de bijbehorende richtafstand weergegeven.
Tabel 4: Milieucategorieën met richtafstanden.
Het beoogde transportbedrijf (binnen het tijdelijk deel opgenomen als zijnde een specifieke vorm van bedrijf – agrarische hulpbedrijf) kan worden gekwalificeerd zijnde milieucategorie 3.2. SBI Code 494-0
Omschrijving
Milieucategorie
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks: b.o. > 1.000 m2
3.2
0
0
100
30
Voor een transportbedrijf gelden voor de aspecten geur, stof en gevaar richtafstanden van respectievelijk 0, 30 en 100 meter. Voor geluid geldt een richtafstand van 100 meter in rustig woongebied (50 meter in gemengd gebied). Zoals zichtbaar in het opvolgende figuur is er sprake van een afstand van 100 meter voor 11
de locatie aan de Dashorsterweg 1 te Renswoude. Er wordt derhalve aan de grootste richtafstand voldaan. Ter ondersteuning hiervan is voor de locatie een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit akoestisch onderzoek worden de huidige bedrijfsactiviteiten vastgelegd en zijn tevens de akoestische gevolgen beschreven. PM Moet nog binnenkomen
100 meter
Figuur 6: Afstand ten opzichte van omliggende gevoelige functies. Bron: streetsmart.cyclomedia.com
7.2
Archeologie
In opdracht van de gemeente Renswoude is een archeologische beleidsadvieskaart opgesteld. Derze archeologische beleidsadvieskaart is vertaald in de bestemmingsregeling van het tijdelijk deel omgevingsplan. Zoals eerder vermeld valt het plangebied niet onder een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Er worden dan ook geen archeologische resten in de bodem verwacht. Voorde bouw van gebouwen waarbij er wordt gegraven is dan ook geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor onderhavige locatie zal er daarnaast een nieuw bedrijfsgebouw worden gerealiseerd op gronden die reeds geroerd zijn. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan. De zorgplicht is altijd van toepassing. 7.3 Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de drie basisvormen landbouw/natuur, wonen en industrie. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: -
De bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen; 12
-
Functies evenwichtig toe te delen aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; Resterende historische verontreinigingen en – aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.
Als bodemgevoelig gebouw wordt beschouwd: a. Een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. Een woonschip of woonwagen. In dit geval wordt een nieuw bedrijfsgebouw opgericht voor de opslag van materiaal ten behoeve van het transportbedrijf. In dit bedrijfsgebouw zijn personen minder dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig. Het kantoor is reeds bestaand. Een bodemonderzoek hoeft om deze reden niet te worden uitgevoerd. 7.4
Verkeer en parkeren
7.4.1 Verkeer De bestaande functie maakt een agrarische bedrijfsvoering mogelijk. In de gewenste situatie zal dit wijzigen. Uitgangspunt (zie principebesluit) is het huidige transportbedrijf. Dit betekent dat de huidige omvang van het bedrijf uitgangspunt is en dat andere bedrijfsactiviteiten niet zijn toegestaan. Een toename van het aantal verkeersbewegingen is dan ook niet aan de orde en de wasplaats staat uitsluitend ten dienste van het eigen transportbedrijf. Alleen in geval van calamiteiten (zoals bijvoorbeeld een vervoersverbod bij vogelgriep waarbij een gecertificeerde wasplaats in de regio nodig is) kan de wasplaats tijdelijk voor bredere doeleinden worden ingezet. Een overzicht van de verkeersbewegingen is opgenomen in het akoestisch onderzoek (PM). 7.4.2 Parkeren Met het wijzigen van het gebruik ter plaatse, wijzigt ook de parkeerbehoefte op een perceel. De gemeente Renswoude beschikt over een parkeernota. Voor werken gelden in het buitengebied per 100 m2 bvo parkeernormen van 2,7 voor een kantoor zonder baliefunctie en 1,1 voor opslag. De parkeerbehoefte is met inachtneming van deze normen als volgt:
Onderdeel Kantoor Opslag Totaal
Berekening 182/100 x 2,7 1.118/100 x 1,1
Parkeerbehoefte 5 parkeerplaatsen 13 parkeerplaatsen 18 parkeerplaatsen
In de huidige situatie zijn op de locatie 32 parkeerplaatsen aanwezig. Aan het aantal benodigde parkeerplaatsen kan derhalve ruim worden voldaan. 7.5
Landschap
13
7.5.1 Landschap Gelderse Vallei (omgevingsverordening) Onderhavig plangebied ligt in het deelgebied ‘Landschap Gelderse Vallei’. De provinciale verordening verwijst voor een beschrijving van de landschapskwaliteiten door naar de ‘Kwaliteitsgids Utrechtse landschappen’. De specifieke locatie valt onder het deelgebied ‘Mozaïek’. Dit is en halfopen landschap met een grote diversiteit aan beplantingselementen. Steeds in maat en vorm variërende ruimten vormen een mozaïek van kamers. Bomenrijen, lanen, bospercelen, houtwallen en boomgroepen wisselen elkaar voortdurend af en om kaderen akkers, weilanden, tuinbouwpercelen en kwekerijen. Beplante wegen en verscholen beken slingeren door dit mozaïek. Dorpen en erven met oude en nieuwegebouwen door elkaar liggen verscholen tussen het groen. 7.5.2 Grebbelinielandschap Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het Grebbelinielandschap. De gronden kennen in dit kader de dubbelbestemming ‘Waarde – Grebbelinielandschap’. Hierbij is het volgende artikel betrokken:
Artikel 3 Waarde - Grebbelinielandschap Lid 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Grebbelinielandschap' aangewezen gronden zijn- behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorische waarden, deeluitmakende van de Grebbelinie zoals beschreven in Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie behorende bij deze regels. Lid 3.2 Afwijken van de bouwregels Toepassing bij afwijken a. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken geldt de voorwaarde dat voor het bouwen van bouwwerken geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorisch waarden, deeluitmakende van de Grebbelinie; b. Bij de afweging voor verlening van de onder a bedoelde omgevingsvergunning, wordt in ieder geval het bepaalde in Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie behorende bij deze regels betrokken. Het plangebied is gelegen binnen de zone ‘half-open Grebbelinie’. In de half-open linie staan de openheid en zicht van en naar de linie-elementen centraal. Het gebied wordt gekenmerkt door een verspreide ligging van erven en beplantingen. Het doel is het erf een compacte indeling te geven waardoor deze het verlies aan openheid en zicht beperkt.
Juist doordat dit gebied een grootschalige openheid of duidelijk herkenbare zichtlijnen mist, is het noodzakelijk aandacht te besteden aan de aanwezige openheid en zichtlijnen. Een goede landschappelijke inpassing van de erven betekent dat de erven interactie hebben met het half-open landschap. De erfscheidingen worden dan ook vaak vormgegeven met transparante beplantingen (zoals bomenrijen). 7.5.3 NatuurNetwerk Nederland en Groene contour Het plangebied valt buiten de provinciale Groene contour en het NatuurNetwerk Nederland. Nieuwe 14
ontwikkelingen zullen daarom niet in strijd zijn met deze ontwikkelingszones. 7.6
Ecologie
7.6.1 Soortenbescherming In het kader van sloop van bebouwing dient een ecologisch onderzoek te worden aangeleverd. Tevens aan ecologie verbonden gelden op provinciaal niveau in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen aanvullende regels. De onderzoeksresultaten zijn nog niet bekend en volgen z.s.m. 7.6.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt op 6,7 kilometer afstand van een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Het Binnenveld. Het plangebied is niet zichtbaar vanuit dit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring door sloop- en bouwwerkzaamheden zijn daarom niet aan de orde. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Op de huidige locatie is toestemming verleend voor het houden van vleeskalveren. Voorwaarde vanuit de LBV+ regeling is dat maximaal van15% van de vergunde stikstofrechten op de locatie mag achterblijven om toepassing te geven aan eventuele vervolgfuncties. 85% van de stikstofrechten worden ingeleverd t.b.v. natuurherstel. Als bijlage bij deze onderbouwing is een AERIUS-berekening opgenomen van de sloopfase, realisatiefase en gewijzigde gebruiksfase. Uit de berekening blijkt dat deze 85% wordt behaald en het plan geen significante negatieve effecten heeft op een Natura 2000-gebied.
GNN / Groene Ontwikkelingszone De onderzoekslocatie ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. 7.7 Externe veiligheid Het projectgebied ligt niet binnen een aandachtsgebied in het kader van externe veiligheid. Naar dit onderdeel hoeft derhalve geen onderzoek te worden uitgevoerd. 7.8
Waterparagraaf
7.8.1 Inleiding In de toelichting bij een ruimtelijk plan dient een beschrijving te worden gegeven over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Om de gevolgen in kaart te brengen moet een watertoets worden uitgevoerd. De watertoets houdt in dat in een zo vroeg mogelijk stadium advies gevraagd dient te worden bij de waterbeheerder. Het algemene uitgangspunt is dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding 15
mag hebben. Onder waterhuishouding vallen alle vormen van water: hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en afvalwater. Belangrijk is dat er geen afwenteling van de waterafvoer op de directe omgeving (en in de tijd) plaatsvindt. 7.8.2 Uitkomsten watertoets Voor de locatie is een wateradvies uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat de normale procedure van toepassing is. Het wateradvies is voorgelegd aan het Waterschap Vallei en Veluwe. PM
Hemelwater Het hemelwater is schoon en zal vanaf het bedrijfsgebouw en de verharding infiltreren in de bodem en worden afgevoerd naar de omliggende c-watergangen. Deze wordt derhalve niet aangesloten op de riolering. 7.8.3 Oppervlaktewater Langs het perceel liggen C watergangen. De ligging van deze watergangen blijft onveranderd. In de gewenste situatie blijven de watergangen bereikbaar voor beheer.
Figuur 7: Ligging watergangen rondom projectgebied. Bron: Legger watersysteem Vallei en Veluwe.
7.8.4 Afvalwater Het afvalwater dat vrij komt en binnen het bedrijfsgebouw wordt afgevoerd via de bestaande terreinriolering.
16
8
Afsluiting
Namens initiatiefnemer, Mandersloot Mesterijen V.O.F., verzoek ik u om op basis van deze gegevens het omgevingsplan op te laten stellen. Wij zijn van mening dat er sprake is van een passende toedeling van functies aan deze locatie. Mocht u nog vragen hebben, neemt u dan gerust contact op met ondergetekende via telefoonnummer 0342-474255. Wij zien uw terugkoppeling met belangstelling tegemoet. Hoogachtend, VAN WESTREENEN BV
E.T. (Ester) Haalboom
17