CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

B1. Zienswijze EWA VWM TEK Gelders beleid windenergie Veluwe 13 maart 2024

Raadscommissie 23 april 2024, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Zienswijze EWA VWM TEK Gelders beleid windenergie Veluwe 13 maart 20243.721 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp www.edewaaitanders.nl info@edewaaitanders.nl veenendaalwaaitmee@gmail.com tegenwind.ederveen.deklomp@gmail.com

De Klomp, 13 maart 2024

Onderwerp: Zienswijzen op het plan-MER “Gelders beleid windenergie Veluwe” dd. 12 januari 2024

Geacht college van Gedeputeerde Staten (GS) van Gelderland, Hiermee dienen wij, drie samenwerkende burgerinitiatieven Ede Waait Anders, Veenendaal Waait Mee en Tegenwind Ederveen-De Klomp onze zienswijze in met betrekking tot het plan-MER “Gelders beleid windenergie Veluwe”, 1) Procedureel: Dit plan-MER is opgesteld in opdracht van de provincie Gelderland. Aan het rapport heeft een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) ten grondslag gelegen. Over deze NRD is geadviseerd door de commissie voor de milieueffectrapportage met de titel: Wespendief en Windenergie Veluwe provincie Gelderland van 20 november 2023/ projectnummer: 3759. Wij onderschrijven hetgeen de commissie adviseerde van harte. Wij constateren, echter, dat in het plan-MER niet overal, zeker niet in de door de commissie bedoelde mate, gehoor is gegeven aan de adviezen. Wij betwijfelen derhalve of het plan-MER objectief is en vermoeden dat er sprake is geweest van sturing in de vraagstelling. Dit zou evenzeer kunnen gelden voor het al dan niet sturen of bijsturen van de vraagstelling gedurende de uitvoering van het onderzoek, alsook in het formuleren van de conclusies van het voorliggende plan-MER. 2) SMB-richtlijn: Wij missen een duidelijke verwijzing naar de Europese SMB-richtlijn die bestuurders verplicht om alle milieueffecten van een in voorbereiding zijnde besluit in de overwegingen te betrekken.

Dit is de basis van elke plan-MER procedure. Het mag duidelijk zijn dat daar, met de focus op alleen de effecten van in bedrijf zijnde industriële windturbines op de wespendief, geenszins in de volle breedte is voldaan. We wijzen, kortheidshalve, op het gehele systeem aan voorzieningen dat samenhangt met de keuze voor windenergie in onze provincie. Daarbij zullen de milieueffecten van alle onderdelen en middelen van “cradle tot cradle” moeten worden beschouwd. 3) Kader en samenhang: De Veluwe maakt deel uit van de provincie Gelderland. De provincie Gelderland heeft ten behoeve van een plan-MER voor windbeleid en de Regionale Energiestrategie (RES) een concept NRD, gedateerd 2 februari 2023, laten opstellen. Hierop zijn zienswijzen ingediend, die aanleiding waren tot wijzigingen in het voorgelegde NRD. Een plan-MER voor windbeleid en RES wordt medio 2024 verwacht. In dit toekomstige plan-MER wordt een groot aantal thema’s behandeld die onder meer betrekking hebben op milieu- en gezondheidseffecten voor de leefomgeving en het landschap. In het nu voorliggende plan-MER “Gelders beleid windenergie Veluwe” worden over verschillende van die thema’s al uitspraken gedaan en conclusies getrokken. De conclusie moet daarom zijn dat, daar waar het overeenkomstige thema’s betreft, het onderhavige plan-MER prematuur is.

EWA I VWM I TEK 13 maart 2024

Pagina 1 uit 8

GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp

Op landelijk niveau zijn er normen voor IWT’s vastgelegd in het “Besluit windturbines leefomgeving”. Ook hierin komen thema’s voor die in onderhavig plan-MER worden behandeld. Onder meer met betrekking tot de in invloed van IWT’s op de gezondheid van mensen. Hierin worden afstandsnormen tot gebruiksfuncties en normen met betrekking tot het geluidsniveau bepaald. Wij komen hierop onder 5.4 terug. 4) Algemeen: Het onderzoek naar de effecten van industriële windturbines op de mortaliteit van de wespendief en in bijzonder op het aantal broedparen in en rondom de Veluwe oogt, onverlet in dit schrijven gemaakte opmerkingen en zienswijzen, degelijk. Hoewel de effecten van industriële windturbines op het milieu en de gezondheidseffecten voor de leefomgeving, waaronder die voor omwonenden en voor het landschap, buiten het kader vallen van dit plan-MER hopen en verwachten we dat die op dezelfde grondige wijze zullen worden bestudeerd en tot conclusies en aanbevelingen aan de GS van Gelderland zullen leiden. Wij constateren dat het mogelijk is gebleken om op basis van een modelstudie uitspraken te doen over de effecten van industriële windturbines op de populatie van de wespendief. Daarmee is voor een groot deel het probleem van “leemten in kennis” omzeild.

Onze zienswijze is dat de werkwijzen met modelstudies ten aanzien van “leemten in kennis” over effecten van industriële windturbines op het milieu en de gezondheidseffecten voor de leefomgeving van omwonenden en voor het landschap mogelijk is. 5) Diverse zienswijzen: 5.1 Juveniele wespendieven: De studie betreft alleen het aantal broedende wespendiefparen. Effecten van industriële windturbines op juveniele wespendieven worden niet meegenomen. Wij vragen ons af of hongerige jonge wespendieven, met weinig vliegervaring, relatief meer kans op aanvaringen hebben met industriële windturbines dan de meer ervaren oudere vogels. Als dat zo is, dan wordt dat duidelijk in het aantal broedparen het jaar daarop. Dit effect is niet meegenomen in de modelstudie en wordt gezien als “leemte in kennis”. Dit is vreemd omdat het hele rapport in feite een modelstudie is waardoor “leemten in kennis” juist worden overbrugd. In het geval dat de stilstandsvoorziening alleen in juli en augustus is, dan is het te verwachten dat juist in september het negatieve effect op de juveniele wespendieven het grootst zal zijn. Dit effect zou meegenomen moeten worden in de modelstudie. Zeker nu er ook in de provincie Gelderland steeds meer kleine industriële windturbines van maximaal 30 meter hoogte geplaats gaan worden binnen de 8 kilometer grens van de Veluwe.

Onze zienswijze is dat ook de effecten van industriële windturbines op juveniele wespendieven in de modelstudie kunnen en moeten worden betrokken. 5.2 beoordelingsschalen: Op pagina 8 worden de algemene beoordelingsschalen voor doelbereik en milieueffecten uitgewerkt. We zien daarin bij tabel 0.2 “Algemene beoordelingsschaal milieueffecten” een merkwaardige discontinuïteit bij de algemene toelichting. “Een risico” wordt neergezet als een effect dat “leidt tot verslechtering van de milieukwaliteit”. Dit is in feite geen risico meer, maar een zekerheid! Wat ontbreekt is “een risico” dat geen zekerheid is maar groter dan een “klein risico” waarbij een range wordt aangegeven in % dat het per jaar optreedt.

EWA I VWM I TEK 13 maart 2024

Pagina 2 uit 8

GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp

Een “klein risico” zouden effecten zijn die “door hun aard, omvang en schaal niet leiden tot belangrijke verslechtering van het milieu”. Dit is een vreemde schaal. Veel logischer is dat een klein risico een kans oplevert van niet meer dan x % per jaar dat de situatie optreedt.

De situatie dat er geen belangrijke verslechtering van het milieu plaats zal vinden, kan dan als een ‘0’ of geen effect toegevoegd worden aan de beoordelingsschaal. Hiermee wordt, anders dan nu het geval is, voorkomen dat in deze plan-MER te positieve beoordelingen worden gesuggereerd. 5.2 alternatieven: In de alternatievenbeoordeling worden de drie alternatieven elk getypeerd weergegeven als: gebiedsbescherming of stilstand of de combinatie daarvan. Deze typeringen suggereren veel meer dan zij inhouden. “Gebiedsbescherming” gaat helemaal niet over beschermen van of in een gebied. Het betreft het beschermen van de wespendief door in de zone van 2 kilometer rond de Veluwe geheel geen industriële windturbines toe te staan en daarbuiten wel. Evenmin gaat “stilstand” over 24/7 stilstand, maar over het niet draaien van de wieken op bepaalde uren per dag in de maanden mei tot en met augustus. Betere typeringen zullen het beeld van vooringenomenheid vermijden. 5.3 mens en leefomgeving: Bladzijde 11 – Onder het kopje mens en leefomgeving wordt gesteld “De effecten van windturbines op de mens en leefomgeving zijn daarom onderzocht binnen het plan-MER”. Deze bewering wordt onderbouwd met verwijzing naar het kaartje “landgebruik functies in het studiegebied”.

Er wordt voorbij gegaan aan het separate plan-MER voor windbeleid en RES voor de provincie Gelderland, waarin dit thema specifiek aan de orde komt. Onze zienswijze is dat dit thema “mens en leefomgeving” in dit plan-MER niet thuishoort, omdat hiervoor separaat een plan-MER procedure loopt. 5.4 referentie situatie: Op bladzijden 12 en 13 worden 3 alternatieven geformuleerd: 1) 2) 3)

Gebiedsbescherming: alleen industriële windturbines buiten 2 kilometer vanaf de Veluwe. Combinatie gebiedsbescherming en stilstand: alleen industriële windturbines buiten 1 kilometer vanaf de Veluwe, mits een stilstandsvoorziening op de dag in juli en augustus. Stilstand: industriële windturbines op iedere afstand van de Veluwe mits een stilstandsvoorziening op de dag in mei tot en met augustus.

Voor alle 3 de alternatieven geldt dat de 1% norm niet overschreden mag worden. Het betreft hier alternatieven ten opzichte van een referentie situatie. Het is niet helder welke de referentiesituatie is. Wij bepleiten dat de referentie situatie is: het door GS op 20 december 2023 genomen beleid. Zijnde het huidig geldende beleid: - waarin binnen de 1 kilometer zone geen industriële windturbines mogen komen - waarin in de zone van 1 tot 8 kilometer rondom de Veluwe ruimte wordt geboden voor 1 tot 2 windparken die in de maanden juli en augustus overdag stilstaan. - Waarbij samen met de windsector wordt ingezet op innovatie: cameradetectie met stilstand als er een wespendief nadert en het toepassen van een zwarte wiek. Onze zienswijze is dat deze situatie als referentie voor de weging in de vergelijkende overzichten meegenomen dient te worden in deze modelstudie en de conclusies daarvan moet worden

EWA I VWM I TEK 13 maart 2024

Pagina 3 uit 8

GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp

betrokken. Wij sluiten hier aan bij het advies van de Commissie van de milieurapportage in haar rapport dd. 30 november 2023/ projectnummer 3759 onder 3.1.2. Mocht om moverende reden een andere referentiesituatie worden gehanteerd dan zijn wij van mening dat de situatie volgends het besluit van GS van 20 december 2023 als alternatief expliciet beschreven en opgenomen dient te worden in de overzichten. Een tweede zienwijze met betrekking tot alternatieven is dat alternatief 3 in feite windturbines toestaat op de hele Veluwe, mits deze stilstaan in de maanden mei t/m augustus en de 1% norm niet wordt overschreden. Dit alternatief 3 is naar onze mening volkomen theoretisch en onrealistisch. Het druist in tegen de Natura 2000 bepalingen en alles wat de provincie en Nederland lief is om te behouden. Dit alternatief voegt derhalve niets toe en zou veel beter vervangen kunnen worden door het hierboven genoemde door GS op 20 december 2023 gecommuniceerde beleid. Een derde zienswijze met betrekking tot de alternatieven is dat daar waar een periode van stilstand deel uitmaakt van het alternatief, dat dit ook van invloed is op het effect van de in het “Besluit windturbines en leefomgeving” genoemde Lden. Dit Lden is gedefinieerd als een jaargemiddelde.

Het Lden is door ons zeer bekritiseerd: Vergelijkenderwijze u mag deze week gerust 100 km/h door de bebouwde kom rijden als u de week daarop de auto maar thuis laat staan, dan komt het gemiddelde uit op 50 km/h. Onze zienswijze is dat deze invloed helder in het plan-MER dient te worden verwoord en dat, indien er sprake is van periodes van stilstand ten behoeve van de wespendief, deze periodes expliciet dienen te worden uitgesloten bij het bepalen van de Lden. 5.5 Wespendief versus andere gebruiksfunctie: Dit plan-MER betreft in hoofdzaak de effecten van industriële windturbines op de populatie broedparen wespendieven. Evenwel worden er ook andere thema’s belicht zoals gebruiksfuncties en landschap. Ten aanzien van andere gebruiksfuncties en landschap merken wij op dat de effecten in relatie tot de afstand wezenlijk verschillen van die voor de wespendief. Zo is de afstand tot de Veluwe een parameter voor de mortaliteit van de wespendief. Voor wonen en landschap echter geldt dat geheel anders. Als aan de rand van het beschouwde gebied een industriële windturbines staat, is het vanaf dat punt waar de invloed van de industriële windturbines telt en juist het sterkst is. Dit houdt ook in dat voor andere gebruiksfuncties in een veel groter gebied dan binnen de begrenzing van de geschetste gebieden de invloed van de industriële windturbines optreedt.

Onze zienswijze is dat dit volstrekt onvoldoende in dit plan-MER tot uitdrukking komt. 6)

Zienswijzen ter overweging: 6.1 Hoogte van foerageren: Op welke hoogte foerageren wespendieven? Wat is het effect daarvan op de modelstudie? a. Bij een industriële windturbines met tiphoogte van 178 meter reiken de wieken vanaf 67 meter tot 178 meter met de grootste breedte op 120 meter hoogte met een oppervlak dat de helft zo groot is als bij een industriële windturbine van 243 meter tiphoogte waarvan de wieken reiken van 89 tot 243 meter met de grootste breedte op 166 meter. Dit zijn enorme verschillen waarvan het effect in het plan-MER relatief gering lijkt. b. Indien wespendieven vooral op lagere hoogtes zouden foerageren, dan moet ook het effect van lagere (circa 30 à 40 meter) en veelal snel draaiende molens worden meegenomen?

EWA I VWM I TEK 13 maart 2024

Pagina 4 uit 8

GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp

6.2 Andere tijden van gebruiksfuncties: In de alternatieven wordt gekeken naar stilstand overdag in enkele zomerse maanden die voor de foerage van de wespendief relevant zijn. Maar wat gebeurt er buiten die periodes en tijden voor andere gebruiksfuncties? 6.2.1 De periode waarin omwonenden graag buiten verblijven en de ramen open hebben komt min of meer overeen met het de periode buiten het stookseizoen. Deze is aanzienlijk ruimer dan voor de wespenpief relevant wordt geacht. 6.2.2 ‘s-nachts, buiten het begrip “overdag” volgens deze studie, draagt geluid, zeker laagfrequent geluid, verder dan overdag. Dit vooral vanwege minder maskerend geluiden in de nachtelijke uren. 6.2.3 Het eerdergenoemde effect van juist een groter gebied dat beïnvloed wordt door de industriële windturbines wanneer deze op de rand van het studiegebied staan en daarmee samenhangend meer hinder vanaf de randen van het onderzochte gebied. Onze zienswijze is dat dit niet of onvoldoende is meegenomen in de gepresenteerde tabellen en overzichten van dit plan-MER.

6.3 Energieopbrengst: In de beoordeling van energieopbrengst, in vergelijking met mortaliteit, is slechts de opbrengst van de betreffende industriële windturbine meegenomen en niet de energie die het kost om de industriële windturbine te vervaardigen, te plaatsen, te onderhouden en na afloop van de levensduur weer tot bruikbare materialen om te vormen. Evenmin is de energie die nodig is voor de technische infrastructuur, die samenhangt met het gebruiken van deze industriële windturbines, meegenomen. Te denken valt aan bekabeling, onderstations en verdeelinrichtingen en het beheer van (het goed functioneren van) het netwerk. Ook het opruimen van het oude niet meer gebruikte elektriciteitsnetwerk vergt energie om materialen te kunnen hergebruiken en de (bodem)situatie weer ordentelijk te herstellen. Tenslotte ontbreekt ook het energieverlies dat ontstaat door het niet op een optimaal niveau draaien van elektriciteitscentrales in de analyse. Onze zienswijze is dat de hiermee gemoeide energie inzet voor een zuiver beeld in de plan-MER waarop de overheid beleid formuleert niet mag ontbreken. 6.4 Kosten: De kosten voor het onderzoeken van de effecten van industriële windturbines binnen de in dit onderzoek gehanteerde alternatieven zullen al aanzienlijk zijn.

Wij zijn benieuwd naar de omvang daarvan en zien deze graag in getal en in relatie tot de kosten voor uw onderzoek naar de effecten voor het milieu in brede zin en op de gezondheid van mensen in bijzonder. 6.5 Kosten in relatie tot de alternatieven a. De kosten die gemoeid zijn met de stilstandsvoorzieningen en de stilstand als zodanig zullen aanzienlijk zijn. Wij zijn benieuwd naar uw ramingen daarvoor. Graag vernemen wij of en op welke wijze initiatiefnemers voor deze kosten gecompenseerd zullen worden. b. Tevens vernemen wij graag welke wettelijk afdwingbare middelen u heeft om te voorkomen dat, ondanks vergunningsbepalingen met betrekking tot stilstand, door initiatiefnemers toch via de rechter het niet nakomen van de stilstandsbepalingen zal worden afgedwongen (hiervoor zijn in den lande al voorbeelden).

EWA I VWM I TEK 13 maart 2024

Pagina 5 uit 8

GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp

7) De beoordelingen in het plan-MER: Bij punt 8.1.2 Effectbeoordeling wordt verondersteld dat de effecten voor de natuur bij de 3 alternatieven “0” is. In deze beoordeling zijn aanvaringen van andere vogelsoorten kennelijk niet relevant geacht. Effecten op insecten evenmin. Ook is kennelijk verondersteld dat industriële windturbines geen eroderende coatings hebben en dat deze niet carcinogeen zijn. Kennelijk is niet meegenomen dat carcinogene stoffen in het milieu terecht komen en daar van invloed zijn op flora en fauna. Ditzelfde geldt voor een ongetwijfeld deels bovengronds E-netwerk. Het moge duidelijk zijn dat de conclusie van “0” kansen of risico’s onjuist is. Bij punt 8.2.2 Effectbeoordeling op het landschap. In deze beoordeling lijken er alleen gunstige effecten op te treden van het toepassen van industriële windturbines. Dit is een aperte onjuistheid. Het gaat bij is industriële windturbines om objecten van ruim anderhalf keer tot ruim 2,5 keer de hoogte van de toren van de Eusebiuskerk (93 meter) in Arnhem. Waarbij het bovenste deel van een industriële windturbine ook nog beweegt en dus een blikvanger is. Deze industriële windturbines kunnen afhankelijk van het alternatief tot aan de rand van het in beschouwing genomen gebied komen. Dus bij alternatief 3 tot op de rand van de Veluwe.

Het moge duidelijk zijn dat ook hier de conclusie van een kleine positieve kans volkomen onjuist is. Bij punt 8.3.2 Effectbeoordeling op gebruiksfuncties Ook hier worden conclusies getrokken die ver bezijden de waarheid zijn. De effecten van industriële windturbines zouden er niet zijn als deze in alternatief 3 in een aantal maanden overdag stil zouden staan. Het jaar betreft echter heel wat meer maanden dan mei tot en met augustus en heel wat meer uren dan alleen de uren “overdag”. En de effecten in dit plan-MER betreffen alleen de draaiende industriële windturbines en niet de aanpassingen van de technische infrastructuur, enzovoorts. Evenmin is systeem breed gekeken of is er gedacht vanuit cradle-to-cradle, dat inherent is aan een streven naar een circulaire economie. Het moge duidelijk zijn dat ook hier de conclusie van een kleine positieve kans volkomen prematuur en vermoedelijk onjuist is. Het bovenstaande betekent ook dat de afbeelding 8.1 een volkomen verkeerde voorstelling van zaken geeft. Bij oppervlakkige beschouwing zouden bestuurders hierdoor volledig op het verkeerde been gezet kunnen worden. Bij punt 8.4.2 effecten op het landschap Zoals hierboven door ons is aangegeven zijn de effecten op het landschap van industriële windturbines enorm groot.

Zeker als het huidige beleid gedefinieerd wordt als wat ook de werkelijke huidige situatie is, zoals GS dit in haar brief van 20 december 2023 heeft vastgesteld. Daar nog bovenop is de redenatie dat, omdat de gebiedsbescherming in alternatief 3 ontbreekt, dit de beoordeling krijgt van “geen kans of risico omdat het huidige beleid leidend is om de landschappen en kernkwaliteiten te beschermen”, volkomen onjuist. Dit alternatief zet de deur voor industriële windturbines zonder noemenswaardige restricties wagenwijd open. Het rapport is hierin geenszins objectief.

EWA I VWM I TEK 13 maart 2024

Pagina 6 uit 8

GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp

Bij punt 10.3 monitoring Hier wordt nogmaals genoemd dat de conclusies gebaseerd zijn op een modelstudie en dat de waarde daarvan pas met nauwkeurige monitoring kan worden aangetoond. Ook wij bevelen een goed doordacht en verifieerbare monitoring van harte aan. Hiervoor zou een apart programma moeten worden opgezet, gefinancierd en uitgevoerd. 8) Evaluatie: Na enige tijd zal de modelstudie geëvalueerd worden. Wat kunnen daarvan de conclusies zijn? a. Zal de afname of de groei van het aantal broedparen eenduidig kunnen worden verklaard door het dan uitgevoerde beleid? Wat zou dit kunnen betekenen voor de tijdelijkheid van het beleid? b. Zal er sprake zijn van mogelijk andere invloeden, zoals bijvoorbeeld het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, op het aantal insecten waarop de wespendief jaagt? Wat zou dit kunnen betekenen voor het beleid met betrekking tot industriële windturbines? c. Zal er sprake kunnen zijn van een zekere leercurve bij de wespendief? Is deze mogelijk of waarschijnlijk en is er iets te zeggen over de tijdspanne die dit vergt? d. Hoe zal feitelijk worden vastgesteld dat er daadwerkelijk aanvaringen van wespendieven en turbinebladen plaatsvonden. 24/7 camera monitoring? e.

Hoe worden aanvaringen gerapporteerd en met welke consequenties voor te vergunnen industriële windturbines als blijkt dat de 1% norm wordt overschreden? Worden de restricties dan strenger? f. Wat gebeurt er met de onder voorwaarden afgegeven vergunningen indien de mortaliteit, zonder aanwijsbare relatie met opgerichte industriële windturbines, groter blijkt dan de 1% norm. g. Wat gebeurt er wanneer door goede monitoring blijkt dat ook andere bedreigde vogelsoorten door industriële windturbines verder in aantal afnemen? Worden de situaties waarvoor de restricties gelden dan uitgebreid? h. Wat gebeurt er wanneer blijkt of het gegronde vermoeden bestaat dat de monitoring door de exploitant te traag, onvolledig of onjuist is? Dit roept de vraag op of het verstandig is de slager zijn eigen vlees te laten keuren. Onze zienswijze is dat deze en meer wat-als situaties op voorhand doordacht moeten worden en indien deze zouden leiden tot andere beleidslijnen dat deze opnieuw voor zienswijzen voorgelegd dienen te worden. 9) Conclusie: Het onderhavige plan-MER is nog volstrekt onvoldoende om, in termen van de Europese SMB richtlijn, alle optredende milieueffecten mee te kunnen nemen.

Zoals aangetoond niet ten aanzien van de wespendief, niet ten aanzien van weidevogels, roofvogels, ganzen en andere vogelsoorten en al helemaal niet met betrekking tot de effecten van industriële windturbines in genoemde zones op het milieu in brede zin of in engere zin met betrekking tot gezondheid van mensen. Het is vreemd dat er een zeer uitgebreid MER-rapport ten aanzien van de wespendief ligt maar dat er nog geen uitgebreid rapport ligt over mogelijke invloeden van industriële windturbines op mensen.

EWA I VWM I TEK 13 maart 2024

Pagina 7 uit 8

GÉÉN INDUSTRIËLE WINDTURBINES DICHT BIJ WONINGEN ! Ede Waait Anders I Veenendaal Waait Mee I Tegenwind Ederveen-De Klomp

Met vriendelijke groet, Namens de samenwerkende burgerinitiatieven Ede Waait Anders, Veenendaal Waait Mee en Tegenwind Ederveen-De Klomp, Gert J. Muller Secretaris Email : info@edewaaitanders.nl Postadres : Wildeman 3, 3905 TK Veenendaal

EWA I VWM I TEK 13 maart 2024

Pagina 8 uit 8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14001554/1