0339-35-Totaal versie2 28 januari 2022
Tekst van het document
5.2.
Akoestisch onderzoek Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) zijn bedrijfsactiviteiten geen geluidgevoelige bestemming. Derhalve is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk.
5.3.
Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoen-
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
27
de afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen. Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico.
▪ Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. ▪ Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Ten behoeve van de planontwikkeling is een quickscan externe veiligheid6 vervaardigd. Naar aanleiding van het advies van de Veiligheidsregio Utrecht in het kader van het vooroverleg, art. 3.1.1 van het Besluit, is de quickscan aangepast waarbij ook de gevolgen van een BLEVE in beeld zijn gebracht met de daarbij behorende maatregelen.
6
SPA WNP ingenieurs, Uitbreiding bedrijventerrein Groot Overeem Quickscan externe veiligheid, 21900656.R02c, Ede, 15 maart 2021
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
28
Afbeelding 12: Verantwoording groepsrisico. Provinciale weg N224 Het plangebied ligt op een afstand van circa 15 meter tot aan as van de provinciale weg en daarmee binnen het invloedsgebied van de transporten LF1, LF2 en GF3. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter vanaf een transportroute is conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico verreist. Echter omdat het groepsrisico voor de beoogde ontwikkeling niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, volstaat een beperkte verantwoording. Maatgevende scenario's De maatgevende scenario's voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van ontvlambare gassen en brandbare vloeistoffen ligt, is een wolkbrand/gaswolkexplosie en plasbrand. Het effect van een wolkbrand is een kortdurende vlammenzee. Wanneer de brandbare wolk ingesloten is en ontstoken raakt, kan naast hittestraling ook een drukeffect ontstaan: een gaswolkexplosie. De effecten van een plasbrand zijn hittestraling en rook.
Bevt, artikel 7 In de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft, binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: 1. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; 2. de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen, indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Ad 1 Bij een calamiteit zet de brandweer zich in om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet vindt voornamelijk plaats bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of een zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden.
Een goede bereikbaarheid van het plangebied als ook de risicobron is hierbij van essentieel belang. Het plangebied en de bron zijn vanuit diverse richtingen goed bereikbaar voor de brandweer. De brandweerkazerne van Renswoude bevindt zich op circa 500 meter van het plangebied. Overige hulpdiensten kunnen de bron vanuit meerdere richtingen benaderen. De aanrijdtijd bedraagt circa 15 minuten. De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater, zowel primaire alsook secundaire of tertiaire (openwater), om een incident adequaat te kunnen bestrijden. Ten aanzien van de bluswatervoorziening ten behoeve van het plangebied is altijd een nader overleg met de Veiligheidsregio Utrecht aan te bevelen om afstemming te krijgen tussen positie van de brandkranen en de bouwkundige en installatietechnische aspecten van de gebouwen. Ad 2 In het geval van een dreigende BLEVE is het advies zo snel mogelijk van de bron vandaan te vluchten. Ook hier is het advies om onder dekking van het gebouw van de gevaarbron weg te kunnen vluchten. Om bij een optredende BLEVE het risico voor de gebruikers te verkleinen is het minimaliseren van het hoeveelheid glas aan de gevaarzijde een maatregel. Bij het plaatsvinden van een plasbrand is de verwachting dat het plangebied te maken krijgt met een hoge hittestralingsintensiteit.
Voor personen buiten is het handelingsperspectief om dekking te zoeken bij objecten zoals muren of gebouwen (schuilmogelijkheden). Wanneer de stralingsintensiteit te hoog is en het gebouw bij de brand betrokken dreigt te raken, verdient het advies om onder dekking van het gebouw van de gevaarbron weg te kunnen vluchten. Binnen het plangebied zijn er mogelijkheden voor personen om zich, in tegenovergestelde richting van de bron, buiten het invloedsgebied te begeven. Er kan van uit worden gegaan dat volwassenen in het plangebied afdoende zelfredzaam zijn en er voldoende volwassenen aanwezig zijn, die voor begeleiding van de kinderen kunnen zorgen.
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
29
Uit de quickscan externe veiligheid blijkt dat het plaatsgebonden risico in geen van de gevallen een belemmering vormt voor de planontwikkeling. Het groepsrisico blijft na planrealisatie in alle situaties waarin het plan voorziet onder de oriëntatiewaarde. De realisatie van het plan leidt ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (N224) tot een stijging van het groepsrisico. Het groepsrisico is na planrealisatie minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Omdat er sprake is van een toename van het groepsrisico, bestaat de verplichting om dit groepsrisico te verantwoorden. Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
5.4.
Elektromagnetische straling Het plangebied ligt niet in een indicatieve zone van een hoogspanningslijn. Er zijn evenmin zendmasten in of nabij het plangebied aanwezig, die eventueel een overschrijding van een blootstellingslimiet zouden kunnen veroorzaken. Het aspect elektromagnetische straling vormt daarom geen belemmering voor de realisatie van de planontwikkeling.
5.5.
Bodemkwaliteit Op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Om te bepalen of de bodem uit milieuhygiënisch oogpunt dat geschikt is voor bedrijfsbebouwing, is bodemonderzoek7 uitgevoerd om de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit van het plangebied te bepalen. Op basis van het vooronderzoek is voor de onderzoekslocatie de hypothese 'onverdachte locatie' gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging met diverse NEN parameters. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien in de onderzochte grondmengmonsters en grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor zware metalen zijn aangetoond. Op basis van de aangetroffen gehalten voor de PFAS parameters voldoet de bovengrond aan de functieklassen 'wonen' en 'industrie' uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende kan de grond voor wat betreft PFAS elders worden toegepast in deze functieklassen, bij toepassing boven grondwaterniveau, op de landbodem en buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. De ondergrond voldoet aan de functieklassen 'landbouw/natuur'.
7
Verhoeven Milieutechniek B.V., Diverse onderzoeken, Herontwikkelingslocatie "Groot Overeem II" te Renswoude, B20.7708 Versie: 01, Zaltbommel, 24 maart 2020
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
30
Het aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrond- of streefwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden zijn geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Zintuiglijk zijn tijdens de uitgevoerde veldwerkzaamheden geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen en daarnaast zijn geen (puin)bijmengingen waargenomen in de opgeboorde grond. Derhalve is het definitief niet noodzakelijk om een verkennend onderzoek naar asbest uit te voeren. Conclusie en aanbevelingen Door middel van het bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem van het plangebied Groot Overeem II in voldoende mate vastgelegd. Zintuiglijk en analytisch zijn geen ernstige verontreinigingen aangetroffen als gevolg van de gedempte sloten, voormalige wegen en/of tankstation ten zuiden van de onderzoekslocatie. Tevens is geen sprake van heterogene of diffuse bodemverontreinigingen. Vanuit milieuhygienisch oogpunt bestaan er geen bezwaren tegen de voorgenomen uitbreiding. Bij de afvoer van de grond dient rekening gehouden te worden met zowel de resultaten van de NEN-parameters en PFAS.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden.
5.6.
Natuur Per 1 januari 2017 is de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). De natuur in Nederland wordt door de Wnb beschermd vanuit twee invalshoeken: bescherming van gebieden en bescherming van soorten. In de Wnb blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten komt te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap. Onder de Wet natuurbescherming vervallen de voormalige tabellen 1, 2 en 3 (Flora- en faunawet) waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het 'beschermingsregime andere soorten' vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
31
In verband met de herontwikkeling van het plangebied is een quick scan flora en fauna 8 uitgevoerd. Gebiedsbescherming Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000-gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van het NNN opgenomen. Het Natura 2000 netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De overkoepelende naam voor deze gebieden is "Natura 2000gebied". Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden is de Veluwe (ruim 6 km afstand). Negatieve externe effecten op de Veluwe als gevolg van trilling, licht of geluid zijn uitgesloten wegens de afstand tussen het plangebied en dit Natura-2000 gebied. Uit stikstofonderzoek blijkt dat er door middel van intern salderen geen drempelwaardes worden overschreden mits aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan (zoals gasloos bouwen). Daardoor geldt er geen vergunningsplicht geldt ten aanzien van stikstof.
De oeverzone van de Lunterse Beek, een KRW-waterlichaam, behoort tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ontwikkeling mag niet leiden tot negatief effect op: ▪ de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN; ▪ de oppervlakte of de samenhang van het NNN. In overleg met het Waterschap en de provincie zal het NNN-gebied in het plangebied ingericht worden als ecologische zone. De Lunterse Beek en de oeverzone zullen dus niet onderbroken of bebouwd worden. In de huidige situatie is de oeverzone niet optimaal ecologisch ingericht: de oeverzone is smal, er is geen sprake van een brede gradiënt, de over loopt steil af en er is nauwelijks variatie in oevervegetatie. De herinrichting is juist gericht op een versterking van de natuurwaarde en de samenhang van het NNN-gebied. Er is hierom geen conflict met de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Ten aanzien van het NNN geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Aanvullend onderzoek in het kader van de gebiedsbescherming is niet noodzakelijk.
8
Breur Ecologie & Onderzoek, Quickscan Ecologie, Groot Overeem II, Renswoude, Rapportcode: QS18058-cv3, Dordrecht, 6 april 2020
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
32
Soortenbescherming - quickscan Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied geschikt is als nestplaats van algemene broedvogels van grasland en akkers. Daarom wordt aanbevolen om de werkzaamheden te laten starten buiten het vogelbroedseizoen: buiten grofweg de periode maart tot en met augustus. De Lunterse Beek kan functioneren als vliegroute voor vleermuizen (met name de watervleermuis). Kunstlicht kan van negatieve invloed hierop zijn. Mits er zorg voor wordt gedragen dat het kunstlicht op het bedrijventerrein niet gericht is op de beek is er geen sprake van negatief effect, en dus geen noodzaak voor aanvullend onderzoek. Bij twijfel over wel/geen significante toename van kunstlicht dient men een deskundig ecoloog te betrekken. Afgezien van beschermde soorten is het plangebied geschikt voor onbeschermde danwel vrijgestelde soorten (zoals mol, egel, gewone pad). Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten niet nodig, wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie wordt tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlicht waarbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze wordt toegepast (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden worden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd (buiten schemerperiodes). Het heeft de voorkeur de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (maart tot en met augustus) op te starten/uit te voeren. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. De herinrichting van het plangebied biedt kansen voor natuur-inclusief ontwerpen. Hierbij valt te denken aan groene gevels of daken, of voorzieningen voor gebouwbewonende vogelsoorten en vleermuizen (zoals inbouwkasten) in de bedrijfspanden. Ten aanzien van de nieuwe beplanting in de openbare ruimte wordt aanbevolen om te kiezen voor inheemse soorten.
Ook het beheer van het groen kan op een ecologische manier ingericht worden: Zo heeft een kort gemaaid gazon een lage natuurwaarde, maar een extensief gemaaid veld is vaak rijk aan bloemen, kruiden, insecten en vogels. Een dergelijk extensief maaibeheer kan ook financieel aantrekkelijker zijn dan een intensief gazonbeheer. Naast een positief effect op de biodiversiteit hebben derge-
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
33
lijke maatregelen ook andere voordelen: Het groen zorgt voor een gezond werkklimaat, het heeft een grote waterbufferende werking (minder regenwateroverlast) en het draagt bij aan het tegengaan van hittestress. Soortenbescherming - aanvullende notitie In die zienswijze wordt beweerd dat de geplande ontwikkeling voor (onherstelbare) schade aan het natuurgebied Groot-Wolfswinkel zorgt. Het gaat hierbij om verstoring van waterhuishouding, licht- en geluidsoverlast en verlies van foerageergebied van (zeldzame) diersoorten. Daarbij wordt één diersoort expliciet genoemd en gesteld dat het plan de zeldzame en beschermde wespendief verjaagt. Naar aanleiding van die zienswijze is een aanvullende notitie9 vervaardigd. In dat nader onderzoek wordt geconstateerd dat het plangebied geen natuurgebied is en er is geen sprake van een ecologisch beheerd terrein. Het betreft een bemest raaigrasland met productiedoeleinden. Dergelijke graslanden hebben weliswaar een groen qua uiterlijk maar scoren zeer laag als het gaat om biodiversiteit. Doordat de ontwikkeling voorziet in een ecologisch ingerichte brede oeverzone langs de Lunterse beek (circa 20 meter breed) zal er in dit deel van het plangebied (het deel het meest nabij Groot-Wolfswinkel en Landgoed Wittenoord) juist een verbetering optreden ten aanzien van de biodiversiteit.
Ook de mogelijkheid om te foerageren zal door de inrichting van deze zone toenemen. Gelet op de afstand tussen het nieuwe bedrijventerrein en Groot-Wolfswinkel zijn er geen externe effecten op de waterhuishouding en het geluid in Groot-Wolfswinkel. Ook van lichtvervuiling is geen sprake door de keuze van armaturen en afspraken over reclame-uitingen. Wespendieven hebben een groot territorium en foerageren met name in bosgebieden. Het plangebied (monotoon raaigrasland) heeft geen speciale betekenis voor grondwespen, het voornaamste voedsel van de wespendief, en behoort daarom niet tot essentieel functioneel leefgebied van de wespendief. Vanwege het schuwe karakter van deze vogels zullen eventueel aanwezige nesten zich in besloten en rustige bosgebieden bevinden, dit kunnen inderdaad de bossen van Groot-Wolfswinkel zijn. De boomopstanden direct langs het plangebied bevinden zich echter in een jonge ontwikkelingsfase of zijn gelegen naast wegen of wandelpaden. Nesten van de wespendief in de directe omgeving van het plangebied zijn daarom redelijkerwijs uit te sluiten. Het plangebied kan in de huidige staat wel functioneren als foerageergebied voor andere roofvogels. Dit betreft met name de buizerd en de torenvalk. Beide soorten kunnen hier jagen op muizen, en de buizerd kan hier ook wormen, mollen en amfibieën vangen.
Voor de buizerd en torenvalk geldt echter dat het plangebied eveneens geen essentiële functie als foerageergebied
9
Breur Ecologie & Onderzoek, Notitie – Renswoude, Groot Overeem II Toelichting n.a.v. zienswijzen, Rapportcode: N21061, Dordrecht, 18 oktober 2021
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
34
vervult. In de directe omgeving van het plangebied is ruim voldoende soortgelijk en hoogwaardiger foerageerhabitat aanwezig. Het plangebied is in de huidige staat zeer marginaal geschikt als broedhabitat voor vogels. Weidevogels kunnen in open grasland broeden maar zij prefereren meer open gebied, zonder hoge elementen zoals bomen of gebouwen (dit zijn namelijk uitkijkposten voor roofvogels die gemakkelijk kuikens kunnen prederen). Daarnaast bestaat het plangebied uit een monocultuur van raaigras, weidevogels zijn gebaat bij een gevarieerde bloem- en kruidenrijke vegetatie, bij voorkeur met een hoog waterpeil en plas-draszones. In de huidige situatie is daarom voornamelijk enkel de rand van het plangebied geschikt als broedhabitat voor algemene watervogels (zoals bijvoorbeeld een meerkoet). In de toekomstige situatie zal deze oeverzone echter enorm in kwaliteit verbeteren. Door de bredere en meer meanderende oeverzone komt er veel meer nestgelegenheid voor watervogels. Hiernaast kunnen er in de oevervegetatie zangvogels gaan broeden zoals bijvoorbeeld de bosrietzanger. Naarmate de oevervegetatie en bomen meer tot ontwikkeling komen zal dit deel van de beek ook geschikt worden als foerageergebied voor de ijsvogel. Op veel vogelsoorten zal de ontwikkeling dus juist een positief effect hebben.
Conclusie De realisatie van het bedrijventerrein Groot Overeem II leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan de Groot Overeem II uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).
5.7.
Stikstof Ruimtelijke plannen zijn in principe alleen mogelijk als deze niet leiden tot een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Een plan dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect. Om te bepalen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige natuurgebieden is stikstofonderzoek10 uitgevoerd. Uit eerder onderzoek, (Tauw, R001-1268961VLU-V03-los-NL, 5 april 2019). bleek uit een berekening met de destijds vigerende versie van AERIUS: versie 2016L een maximale bijdrage tussen de 0,03 en 0,07 mol/ha/jaar, afhankelijk van bepaalde keuzes in bedrijfsvoering. In onderhavig onderzoek is onderzocht of, wanneer gesaldeerd wordt met emissies door bemesting, de nettobijdrage aan de stikstofdepositie van de uitbreiding van bedrijventerrein Groot Overeem op 0,00 mol/ha/jaar of lager uitkomt. Als uitgangspunt daarbij is gehanteerd dat omdat het plangebied nu feitelijk planologisch legaal in gebruik is voor beweiding en/of bemesting, het verdwijnen daarvan in de ecologische (plan)toets mag worden betrokken ten behoeve van in-
10
Tauw, Stikstofdepositie-onderzoek uitbreiding bedrijventerrein Groot Overeem Renswoude, R001-1284168VLU-V01los-NL, Deventer, 25 januari 2022
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
35
terne saldering. Het onderzoek is uitgevoerd met de vigerende versie van het rekenmodel AERIUS; versie 2021 (releasedatum 20 januari 2022). Aangezien nog niet bekend is welke bedrijven zich op de uitbreiding van Groot Overeem zullen vestigen, is uitgegaan van algemene kentallen voor NOx en NH3-emissies en verkeersaantrekkende werking. Er is gebruik gemaakt van de kentallen uit het rapport 'Emissiekentallen NOx en NH3 voor PAS / AERIUS' (Tauw, 31 augustus 2018) dat is opgesteld in opdracht van BIJ12. De kentallen gelden voor de bruto oppervlaktes van bedrijventerreinen. Voor de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van cijfers uit de CROW-publicatie 381: Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie. Op basis daarvan zijn vier scenario's doorgerekend: gasloos/niet gasloos en mobiele werktuigen niet elektrisch/elektrisch. Afbeelding 13: Scenario's stikstofdepositie in mol/ha/jaar. mobiele werktuigen niet elektrisch energievoorziening
niet gasloos gasloos
elektrisch 0,06 0,03
0,06 0,03
Ook wanneer de uitbreiding van bedrijventerrein Groot Overeem gasloos wordt gerealiseerd en er alleen elektrische (mobiele) werktuigen worden ingezet, wordt een bijdrage van maximaal 0,03 mol/ha/jaar berekend op Natura 2000-gebied Veluwe ten gevolge van de verkeersgeneratie en de NH3-emissies van het terrein. Ook al is de hoeveelheid ammoniakemissies van het terrein klein (betreft voornamelijk gebruik van oplos- en schoonmaakmiddelen), toch berekent AERIUS ten gevolge van deze emissies nog een bijdrage op de Veluwe, aangezien ammoniak veel meer (beter) deponeert dan NOx. De uitbreiding van Groot Overeem (3,9 ha) wordt gerealiseerd op grond die momenteel in gebruik is als hooiland. Op dit land wordt regelmatig mest uitgereden (mestaanwending / bemesting). Ook de bemesting op de aangrenzende zone langs de Lunterse Beek (maakt deel uit van het NNN) zal dan stoppen. Deze zone wordt als natuurstrook ingericht in overleg met het waterschap en de provincie. Deze 0,8 ha van de aangrenzende zone langs de Lunterse Beek moet als externe saldering worden aangemerkt waarvoor op grond van de beleidsregels 30% moet worden afgeroomd. Dit maakt dat in de referentiesituatie een oppervlak van 4,7 ha niet meer zal worden bemest waarvan in de berekeningen 3,9 + (0,8 * 0,30) = 4,46 ha mag worden meegenomen, als gronden die niet meer worden bemest.
De ammoniakemissie die vrijkomt door het bemesten is op drie methoden vastgesteld. Veiligheidshalve is uitgegaan van het scenario met de laagste depositie. Deze bedraagt 115,1 kg NH3/jaar. Dit leidt tot een maximale bijdrage van de referentiesituatie 0,03 mol/ha/jaar.
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
36
Conclusie Als de uitbreiding van het bedrijventerrein Groot Overeem gasloos wordt aangelegd, wordt er geen toename in stikstofdepositie berekend (0,00 mol/ha/jaar), wanneer wordt gesaldeerd met bemesting van het hooiland in de referentiesituatie. Het plan leidt daarmee niet tot een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Het plan kan daarmee worden vastgesteld.
5.8.
Water Algemeen Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Derhalve is een watertoets11 vervaardigd. Uit de watertoets blijkt dat de planontwikkeling invloed heeft op verschillende waterhuishoudkundige aspecten: ▪ toename verharding – wateropgave; ▪ afvalwater; ▪ waterkwaliteit; ▪ drooglegging. Toename verharding - wateropgave Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit grasland. Dit is geheel onverhard. Door de ontwikkeling van een bedrijventerrein wordt het terrein grotendeels verhard. Bij een toename van verharding zal hemelwater sneller afstromen en kan er minder water infiltreren waardoor er minder grondwateraanvulling is. Deze negatieve effecten moeten, zoals vastgelegd in het beleid van het waterschap, gecompenseerd worden. Voor toename verharding hanteert Waterschap Vallei en Veluwe als uitgangspunt dat per hectare verharding 600 m³ waterberging aangelegd moet worden.
Op basis van het stedenbouwkundig plan wordt een toekomstige verharding van 32.470 m² verwacht, bestaande uit 28.165 m² bedrijfskavels en 4.305 m² verhard wegoppervlak. Er moet dus 1.950 m³ waterberging worden gerealiseerd. Uitgangspunt is dat dit grotendeels in de beekzone wordt gecompenseerd. Indien de berging niet geheel in deze zone kan worden gerealiseerd wordt in overleg met het waterschap een invulling gegeven aan de resterende berging. Hierbij kan worden gedacht aan: waterberging binnen zelfde peilvak, waterberging elders in openbaar gebied en waterberging eventueel op uitgeefbaar terrein.
11
Tauw, Notitie watertoets - Uitbreiding bedrijventerrein Groot Overeem, N003-1273867KVE-V02-nda-NL, Deventer, 19 april 2021
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
37
Naast waterberging ter compensatie van een toename verharding, is er ook een wateropgave bij het dempen van watergangen. Dat is in dit geval niet aan de orde omdat er binnen het plangebied geen open water aanwezig is. Afvalwater Het afvalwater dient aangesloten te worden op de riolering. Afhankelijk van het type industrie komt er een bepaalde hoeveelheid afvalwater vrij en heeft een bepaalde samenstelling. Er zal bekeken moeten worden of dit direct op het rioolstelsel aangesloten kan worden en of de capaciteit van het stelsel voldoende is. Op het terrein zelf is nog geen riolering aanwezig. Deze dient aangelegd te worden. Hemelwater mag niet afgevoerd worden via de vuilwaterriolering. Hemelwater mag wel via een hemelwaterafvoer (HWA) naar de waterberging afgevoerd worden. Op het bedrijventerrein wordt een Droogweerafvoer (DWA)-riolering met gemaal aangelegd, plus een HWA-stelsel richting de waterberging. Waar mogelijk wordt geprobeerd het hemelwater oppervlakkig af te voeren (dit heeft slechts betrekking op een beperkt deel van het plangebied). Het waterschap geeft aan dat het rioolgemaal van Renswoude een aandachtspunt is. Dit aandachtspunt betekent concreet dat het gemaal nu al over haar maximale capaciteit zit en dat het verder belasten van het gemaal niet acceptabel is.
Het is wel mogelijk om de uitbreidingen te realiseren, maar dan moet er ook daadwerkelijk worden afgekoppeld in Renswoude. De gemeente heeft in het Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) ook daadwerkelijk gelden gereserveerd en werkzaamheden ingepland om dat te gaan doen. Dat afkoppelen (circa 2 hectare) gaat gefaseerd vanaf 2022 plaatsvinden. Het is op dit moment niet inzichtelijk hoeveel afvalwater uit het nieuwe bedrijventerrein komt. Bij de verdere uitwerking van dit plan zal met betrekking tot de afvoer van het vuile water de benodigde afstemming plaats moeten vinden tussen gemeente en waterschap. Vanuit het GRP worden de volgende eisen gesteld: ▪ bij nieuwe ontwikkelingen mag geen hemelwater op het afvalwatersysteem worden aangesloten; ▪ aansluitingen dienen vormgegeven te worden conform art. 2.7.4., 2.7.5. en 2.7.6 in de bouwverordening van de gemeente Renswoude. Na overgang naar de Omgevingswet worden deze in het omgevingsplan opgenomen; ▪ daar waar lokale ontwikkelingen gevolgen hebben voor het bestaande afvalwaterstelsel wordt met de ontwikkelaar overeengekomen hoe deze zorgdraagt voor een voldoende functionerend afvalwatersysteem. Investeringen voortvloeiend uit functiewijziging van een aangesloten perceel worden in een overeenkomst opgenomen en (deels) ten laste van de ontwikkelende partij gebracht.
Waterkwaliteit De Lunterse Beek is een KRW-waterlichaam en een ecologische verbindingszone (EVZ). Langs het bestaande bedrijventerrein is een groene zone aanwezig waarin de beek natuurlijker is ingericht. Deze groene zone wordt doorgetrokken langs de uitbreiding van het bedrijventerrein.
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
38
Het doel hiervan is de EVZ verder te optimaliseren, invulling te geven aan het NNN-netwerk en dit gebied ook te gebruiken voor waterberging. Drooglegging In de huidige situatie is de drooglegging -op basis van beschikbare informatie- niet voldoende voor de realisatie van een bedrijventerrein. Voor bebouwing wordt een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 meter gehanteerd. De GHG is in een peilbuis vastgesteld op +6,25 m NAP. Wanneer moet worden voldaan aan de minimale ontwateringsdiepte van 0,7 meter, dan dient het terrein opgehoogd te worden tot +6,95 m NAP. In de praktijk betekent dit een ophoging (bij gemiddelde terreinhoogte van +6,3 m NAP) van circa 65 centimeter. De peilbuis ligt nog op enige afstand van het bedrijventerrein. Er wordt geadviseerd om nader onderzoek te doen naar de grondwaterstanden door middel van het plaatsen van peilbuizen in het plangebied. Hiermee kan een nauwkeuriger beeld verkregen worden van de grondwaterstanden en de noodzaak tot en mate van ophogen. Vanuit het GRP worden de volgende uitgangspunten gehanteerd ten aanzien van drooglegging: ▪ de streefwaarden voor de ontwateringsdiepte bij ontwikkelingen zijn als volgt: 0,90 m beneden vloerpeil; 0,70 meter beneden trottoir; 0,50 meter nabij groenstroken niet zijnde wadi's en tuinen.
▪ drainage mag niet op het (gemengd) riool worden aangesloten zonder uitdrukkelijke toestemming van de gemeente; ▪ toepassing van drainage wordt slechts toegestaan als ophogen of functiewijziging niet mogelijk is.
5.9.
Archeologie Het Verdrag van Malta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland ondertekende dit verdrag van de Raad voor Europa in 1992. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. In de Erfgoedwet die op 1 juli 2016 in werking is getreden zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: "de veroorzaker betaalt". Op de Archeologische beleidsadvieskaart met voorschriften ten behoeve van de Archeologische MonumentenZorg van de gemeente Renswoude heeft het plangebied de aanduidingen Archeologisch Waardevol Gebied 3 (AWG3), Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 2 (AWV2) en Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3 (AWV 3). Hiervoor geldt dat bij
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
39
bodemingrepen dieper dan de huidige verstoringsdiepte (30 cm -Mv) groter dan 100 m², 1.000 m² respectievelijk 10.000 m² voorafgaand aan de ruimtelijke planvorming archeologisch onderzoek uit te voeren. Afbeelding 14: Fragment archeologische beleidsadvieskaart.
Het archeologisch onderzoek12 bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uit door middel van boringen.
12
Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie, Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de uitbreiding van bedrijventerrein Groot-Overeem te Renswoude, gemeente Renswoude, rapport V19-4284, versie 2.0 definitief, Amersfoort, 25 augustus 2020
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
40
Aan de hand van het booronderzoek zijn voor zover mogelijk de volgende onderzoeksvragen beantwoord: ▪ wat zijn de geo(morfo)logische en bodemkundige kenmerken van de ondergrond van het plangebied? ▪ in hoeverre is de oorspronkelijke bodemopbouw intact met het oog op de eventuele aanwezigheid en gaafheid van archeologische vindplaatsen? ▪ bevinden zich in de ondergrond van het plangebied archeologische indicatoren en zo ja, waaruit bestaan deze? ▪ geven de resultaten van het veldonderzoek aanleiding tot vervolgstappen in het kader van de planontwikkeling in relatie tot de archeologische monumentenzorg? Tijdens het veldonderzoek is geconstateerd dat binnen het plangebied vergravingen hebben plaatsgevonden tot in het oorspronkelijke moedermateriaal. Daarnaast bestaat de ondergrond uit verspoeld dekzand met een lage archeologische verwachting. Tijdens het veldonderzoek zijn geen kenmerken van begraven bodems aangetroffen. Vanwege de hoge mate van verstoring en de afwezigheid van begraven bodems heeft het plangebied een lage archeologische verwachting. Derhalve worden geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geadviseerd. Op basis van het archeologisch onderzoek hebben burgemeester en wethouders een selectiebesluit genomen en besloten het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen.
In het bestemmingsplan Groot Overeem II is daarom geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Ook nadat het archeologische onderzoeksproces is afgerond, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Renswoude, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
5.10. Geurhinder 5.10.1. Algemeen Het aspect geurhinder speelt in twee opzichten een rol bij het onderhavige bestemmingsplan. Enerzijds kunnen te vestigen bedrijven geurhinder veroorzaken voor bewoners van woningen in de nabijheid van het bedrijventerrein. Anderzijds is er aan de Utrechtseweg 1 een agrarisch bedrijf gevestigd dat geurhinder kan veroorzaken in het onderhavige plangebied. Derhalve is geurhinderonderzoek13 uitgevoerd.
13
Tauw, Notitie geur - Uitbreiding bedrijventerrein Groot Overeem, N001-1273867SSW-V02-mdg-NL, Deventer, 6 maart 2020
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
41
5.10.2. Geurhinder van bedrijventerrein Geurhinder is een van de milieuaspecten die de basis vormt voor de richtafstanden die worden gebruik van het bepalen van de milieucategorie van een bedrijf in het kader bedrijven en milieuzonering (zie paragraaf 5.11). Uit het geurhinderonderzoek blijkt dat indien aan de richtafstanden wordt voldaan, er geen belemmeringen zijn voor de planontwikkeling. De richtafstanden zijn door middel van inwaartse zonering op de verbeelding opgenomen. 5.10.3. Geurhinder agrarische bedrijven De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader wat betreft geurhinder uit dierenverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (=gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt). Bedrijven zijn aan te merken als geurgevoelig objecten. De dichtstbijzijnde veehouderij, is de veehouderij aan de Utrechtseweg 1. Het agrarisch bouwblok van deze veehouderij ligt op 45 meter van de plangrens. De geurcontouren van het bedrijf zijn in 2017 berekend en gerapporteerd door de Omgevingsdienst regio Utrecht (Kenmerk Z-2017-44807/48015, Datum 13 april 2017).
De omgevingsdienst concludeert dat het woon- en leefklimaat binnen het plangebied als redelijk goed kan worden aangemerkt, hetgeen voor een bedrijventerrein als acceptabel kan worden beschouwd. De veehouderij aan de Utrechtseweg 1 vormt daarmee geen belemmering voor de vestiging van bedrijven en het realiseren van bedrijfswoningen. De Wet geurhinder en veehouderij staat de onderhavige ontwikkeling niet in de weg.
5.11. Milieuzonering In planologische procedures waarin de vestiging van woningen in de nabijheid van bedrijven mogelijk wordt gemaakt, moet rekening worden gehouden met ruimtelijk relevante milieuhygienische aspecten van die bedrijven. In de Wet ruimtelijke ordening staat het begrip "een goede ruimtelijke ordening" centraal. Ook het milieubeleid beoogt handhaving en bevordering van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Om dit te realiseren wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Milieuzonering zorgt voor een voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen en heeft twee doelen: ▪ het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; ▪ het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen: "zware" bedrijven zullen verder van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd dan "lichte" bedrijven.
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
42
Milieuzonering heeft met name betrekking op milieuaspecten die een ruimtelijke dimensie hebben, te weten geur, stof, geluid en gevaar. Een belangrijk hulpmiddel om hiermee rekening te houden is de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', die voor het eerst in 1986 verscheen en voor het laatst in 2009 geactualiseerd. In deze brochure is een omvangrijke lijst van bedrijven opgenomen, waarin per bedrijf voor een aantal aspecten de mate van ruimtelijk relevante hinderlijkheid is weergegeven. Voor dit bestemmingsplan zijn de richtafstandenlijst en omgevingstypen belangrijkste bouwstenen van milieuzonering: ▪ richtafstandenlijst In de richtafstandenlijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. De categorie 1 staat voor de laagste potentiële milieubelastingen en de categorie 6 staat voor de hoogste potentiële milieubelasting. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven.
Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. ▪ omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten, is onder meer afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Afbeelding 15: Omgevingstype. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonRichtafstand tot omgevingstype gemengd wijk en rustig buitengebied gebied 10 meter 0 meter 30 meter 10 meter 50 meter 30 meter 100 meter 50 meter 200 meter 100 meter 300 meter 200 meter
Het uitgangspunt van de VNG handreiking is dat de gemeente deze gemotiveerd toepast. Het is een hulpmiddel, maar het legt niet vast wat wel en wat niet is toegestaan. Een gemeente dient zelf zorgvuldig af te wegen, te bepalen en te motiveren welke functies en activiteiten zij in een
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
43
bepaald gebied toelaatbaar acht en welke Staat van Bedrijfsactiviteiten zal worden toegepast, zodat maatwerk en flexibiliteit voor een plangebied ontstaat. Om te bepalen of de uitbreiding van het bedrijventerrein uit het oogpunt van milieuhinder aanvaardbaar is, is onderzoek14 uitgevoerd. Het plangebied is een uitbreiding van het bedrijventerrein Groot Overeem, waarvoor de typering 'gemengd gebied' geldt. Naast en rondom het plangebied bevinden zich diverse bestemmingen (agrarisch, wonen, natuur en bedrijf). Op pagina 30 van de VNG-handreiking wordt bovendien aangegeven dat er sprake is van het omgevingstype gemengd gebied indien gebieden direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. De Utrechtseweg is te kenmerken als doorgaande weg/hoofdinfrastructuur. Het onderhavige plangebied kan derhalve ook als 'gemengd gebied' worden getypeerd. Deze aanwijzing als gemengd gebied heeft als gevolg dat er qua milieuzonering een afstandsstap terug mag worden gemaakt en dat de richtafstanden uit de VNGhandreiking "Bedrijven en Milieuzonering" (2009) daarom met één afstandstap zijn verlaagd. Op basis van de inwaartse milieuzonering blijkt, dat de bestaande milieubelastende bestemmingen in de omgeving geen hinder geven aan gevoelige bestemmingen.
Voor de zuidzijde van het plangebied geldt, dat bij een invulling met milieucategorie 3.2 ter plaatse van de woning aan de Utrechtseweg 1 geen goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden. Voor de Utrechtseweg 1 geldt, dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden bij milieucategorie 3.1. Voor de bedrijfswoning aan de Utrechtseweg 26 geldt, dat getoetst dient te worden aan het activiteitenbesluit. In het algemeen blijkt dat de bedrijfsgebouwen van bedrijven op een lokaal bedrijventerrein in een hogere milieucategorie, vanwege de industriële processen, veelal een soberder uitstraling hebben dan bedrijven in de lagere milieucategorieën. Op basis van het milieuzoneringsonderzoek zou op de hoek van de Utrechtseweg en de Lunterse Beek, ook bedrijvigheid in milieucategorie 3.2 toelaatbaar zijn. Omdat de Utrechtseweg de entree van Renswoude vormt, en er veel waarde aan wordt gehecht om de ruimtelijke kwaliteit van die entree op te waarderen, is er voor gekozen om langs de Utrechtseweg bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toe te laten. Op de verbeelding is de milieucategorie zodanig toegepast, dat ter plaatse van de Utrechtseweg 1 en Utrechtseweg 26 een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Vanuit het oogpunt van milieuzonering is er zodoende geen knelpunt voor de planontwikkeling.
14
SPA WNP ingenieurs, Uitbreiding bedrijventerrein Groot Overeem Onderzoek milieuzonering, 21900656.R01c, Ede, 8 oktober 2020
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
44
5.12. Vormvrije mer-beoordeling Het Besluit ruimtelijke ordening stelt in artikel 3.1.1, onder f dat inzicht dient te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Bovendien dient het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit (tot vaststelling van het bestemmingsplan) de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3.2 Algemene Wet Bestuursrecht). In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van het onderzoek dat is verricht ten behoeve van de in dit plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, zodat voldaan wordt aan de onderzoeksverplichtingen van het Besluit ruimtelijke ordening. Voorheen kon worden volstaan met de conclusie dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Daarom wordt nog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Een samenvatting hiervan zal worden opgenomen in deze paragraaf. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: ▪ belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; ▪ belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. Het Besluit m.e.r. stelt de volgende procedure eisen aan de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling: 1. door de initiatiefnemer wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld; 2. het bevoegd gezag neemt binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; 3. de initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de (vergunning)aanvraag. Derhalve is een M.e.r.-beoordeling15 vervaardigd met daarin een aanmeldingsnotitie. Voor de aanmeldingsnotitie zijn de in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten gebruikt. Het in de aanmeldingsnotitie en in de voorgaande paragrafen beschreven onderzoek naar milieuaspecten geeft aan dat belangrijke nadelige milieugevolgen, als gevolg van de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, zijn uitgesloten.
15
Tauw, M.e.r.-beoordeling bedrijventerrein Groot Overeem II, N001-1273217BJM-V01-mdg-NL, Deventer, 3 februari 2021
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
45
6.
Juridische planbeschrijving
6.1.
Algemeen Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. In artikel 1.2.5 van het Bro is onder meer bepaald dat bestemmingsplannen en wijzigings- of uitwerkingsplannen digitaal beschikbaar gesteld dienen te worden. Vanaf 1 juli 2013 is daarbij toepassing van de (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP-2012) verplicht. Bij het opstellen van deze standaard is overigens ook rekening gehouden met het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012 (IMRO-2012) en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012 (PRBP-2012). Dit bestemmingsplan past binnen die standaard. De planregels zijn waar mogelijk overgenomen uit het bestemmingsplan Bedrijventerrein dat van toepassing is op het bestaande bedrijventerrein van Renswoude, zodat in het onderhavige plangebied dezelfde regeling van toepassing is als op het huidige bedrijventerrein.
6.2.
Bestemmingsplan Het digitale bestemmingsplan Groot Overeem II is de verzameling van geometrisch bepaalde objecten, die is vervat in een GML-bestand (NL.IMRO.0339.BP2020GrOvereemII-vg01) met bijbehorende regels. Dit bestemmingsplan is langs elektronische weg uitwisselbaar en raadpleegbaar. Het geeft de bestemming en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan. Met de invoering van het digitale bestemmingsplan bestaat de analoge verbeelding formeel niet meer. De analoge verbeelding is getekend op een schaal van 1:1000 en omvat één kaartblad, genummerd 0339-35-P01. De plankaart geeft de bestemming van de gronden aan. Alle gronden in het plangebied hebben de bestemmingen "Bedrijventerrein", "Groen", "Verkeer" en "Water". Daarnaast voor een deel de dubbelbestemming "Waarde – Ecologie".
6.3.
Regels De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels Inleidende regels In de Inleidende regels worden de gebruikte begrippen beschreven (artikel 1) en worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop gemeten moet worden (artikel 2). Bestemmingsregels Op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" (artikel 3) zijn bedrijven toegestaan in de categorieën 1 t/m 3.2. Door middel van aanduidingen is aangegeven welke milieucategorieën
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
46
waar zijn toegestaan. Voor de situering en volume van de bebouwing zijn op de verbeelding bouwvlakken en maatvoeringsmaten opgenomen. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan. Aan de Utrechtseweg krijgen de panden een verspringende gevellijn, waarbij de gevels van oost naar west ten opzichte van elkaar enigszins versprongen terug liggen. In de planregels is bepaald dat die voorgevels evenwijdig aan de Utrechtseweg komen te liggen. Per bouwperceel wordt afstand (x in afbeelding 16) tot de Utrechtseweg bepaald door de situering van die bouwgrens in het midden van het betreffende bouwperceel. Afbeelding 16: Verspringende gevellijn (verkaveling indicatief).
Ter voorkoming van lichthinder zowel voor de beekzone als voor omwonenden is een nadere eisen regeling opgenomen. Door deze regeling kunnen eisen worden gesteld aan de situering, het aantal, de hoogte, de lichtsterkte, het type armatuur bij het toepassen van verlichting en/of verlichte reclame-uitingen.
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
47
In de bestemming zijn enkele afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee van de algemene regelingen kan worden afgeweken. Met één van deze afwijkingsbevoegdheden is het mogelijk om bedrijven uit een hogere milieucategorie tot toe te staan mits het bedrijven betreft die gezien de gevolgen daarvan voor de omgeving redelijkerwijs kunnen worden gelijkgesteld met bedrijven die ter plaatse zijn toegestaan. Op de verbeelding is geen veiligheidszone meer opgenomen voor het brandstofverkooppunt aan de Utrechtseweg omdat het tanken van LPG hier niet meer mogelijk is. De structurerende groengebieden van redelijke omvang in het plangebied hebben de bestemming "Groen" (artikel 4) gekregen. Binnen de groenbestemming zijn watergangen, bruggen, watervoorzieningen en voet- en fietspaden toegestaan. Kleinere groenelementen zijn bestemd binnen de bestemming "Verkeer" geregeld. Met uitzondering van vergunningsvrije nutsgebouwen zijn gebouwen binnen de groenbestemming uitgesloten. De zone langs de Lunterse Beek heeft de bestemming "Natuur" (artikel 5).
Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke en/of ecologische waarden, watergangen en -partijen en voor ondergeschikt extensief dagrecreatief medegebruik en ondergeschikt educatief medegebruik en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals wegen en paden, zitbanken, informatieborden en nutsvoorzieningen. In tegenstelling tot wat in de bestemming "Natuur" veelal gebruikelijk is, is in de bestemming geen stelsel met een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (aanlegvergunningenstelsel) opgenomen, omdat voor deze gronden al het aanlegvergunningenstelsel uit de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" van toepassing is. De wegen in het plangebied hebben de bestemming "Verkeer" (artikel 6). De wegen mogen maximaal uit twee rijstroken bestaan. Binnen de verkeersbestemming zijn ook bruggen, duikers, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en overige bij de verkeersbestemming behorende voorzieningen toegestaan. De huidige beekloop van de Lunterse Beek heeft de bestemming "Water" (artikel 7). De waterbestemming is met name gericht op waterhuishoudkundige en ecologische aspecten. De oevers van de Lunterse Beek behoren tot het NNN. Op deze gronden is naast de geldende enkelbestemmingen ook de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" (artikel 8) van toepassing.
Met deze dubbelbestemming wordt ingezet op instandhouding en ontwikkeling van landschapsen natuurwaarden langs de Lunterse Beek. Het oogmerk is daarbij dat voor flora en fauna verbindingen kunnen ontstaan tussen natuur- of natuurontwikkelingsgebieden. De dubbelbestemming bevat een bevoegdheid van burgemeester en wethouders om nadere eisen te stellen aan het bouwen en gebruik krachtens de andere bestemmingen van deze gron-
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
48
den ter voorkoming van onevenredige aantasting van de belangen van de ecologische verbindingszone. Algemene regels De Anti-dubbeltelregel (artikel 9) is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze zou zich kunnen voordoen indien een deel van een bouwperceel dat al bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken wederom bij een dergelijke berekening, doch nu ten behoeve van een ander bouwperceel wordt betrokken. Op grond van de Algemene gebruiksregels (artikel 10) mag gebruik uitsluitend plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit volgt uit de Wro. Om iedere discussie te voorkomen, is ten aanzien van vier gebruiksvormen expliciet aangegeven dat dit hoe dan ook als strijdig gebruik wordt aangemerkt. De Algemene afwijkingsregels (artikel 11) geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om af te wijken van de bestemmingsregels. De afwijkingsregels hebben tot doel om kleine wijzigingen in het plangebied mogelijk te maken zonder dat hiervoor een volledige planprocedure voor doorlopen hoeft te worden. De afwijkingsregels hebben onder andere betrekking op nutsvoorzieningen, antennemasten, afwijkingen van maatvoeringen tot een maximum van 10%. In het plan is in de Algemene wijzigingsregels (artikel 12) de mogelijkheid opgenomen om de Staat van Bedrijfsactiviteiten te wijzigen.
In de Algemene procedureregels (artikel 13) is bepaald dat bij de voorbereiding van een besluit omtrent het stellen van nadere eisen, de procedure wordt gevolgd, die is vervat in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Overgangs- en slotregels De verplichte overgangsregels voor bouwwerken en gebruik zijn conform het bepaalde in artikel 3.2.2 van het Bro opgenomen (artikel 14). Tenslotte bevat het plan een slotregel (artikel 15).
Vastgesteld Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II
49
7.
Uitvoerbaarheid
7.1.
Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu het plan de bouw van meerdere hoofdgebouwen mogelijk maakt, is dit aan de orde. Alle gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van de gemeente. Het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden is anderszins verzekerd door uitgifte van de gemeentelijke gronden. De gemeente stelt daarom, op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro, geen exploitatieplan vast.
7.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voorafgaand aan de tervisielegging van het voorontwerpbestemmingsplan is op 29 oktober 2020 een digitale presentatie van de planontwikkeling gegeven aan inwoners en ondernemers. Het voorontwerp is in het kader van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 toegezonden aan de wettelijke overlegpartners. De inspraak- als de vooroverlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota Beantwoording inspraakreacties, vooroverlegreacties en ambtshalve wijzigingen 16, die als bijlage aan deze toelichting is toegevoegd/
7.3.
Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan is gepubliceerd in de Staatscourant en de Heraut en gedurende zes weken van 3 juni tot en met 14 juli 2021 ter visie gelegd. Deze termijn is vanwege problemen met de publicatie in eerste instantie, met één week verlengd. Tijdens die periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. In die periode zijn 11 zienswijze ingediend die zijn beantwoord in de Nota van beantwoording zienswijzen ontwerp bestemmingsplan Groot Overeem II17.