CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

0339-35-Totaal versie 19 mei 2021

Raadscommissie 16 december 2021, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Gelegenheid voor indieners zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Groot Overeem II om zienswijzen mondeling toe te lichten26.632 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

 Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.  Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Ten behoeve van de planontwikkeling is een quickscan externe veiligheid6 vervaardigd. Naar aanleiding van het advies van de Veiligheidsregio Utrecht in het kader van het vooroverleg, art. 3.1.1 van het Besluit, is de quickscan aangepast waarbij ook de gevolgen van een BLEVE in beeld zijn gebracht met de daarbij behorende maatregelen.

6

SPA WNP ingenieurs, Uitbreiding bedrijventerrein Groot Overeem Quickscan externe veiligheid, 21900656.R02c, Ede, 15 maart 2021

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

27

Afbeelding 12: Verantwoording groepsrisico. Provinciale weg N224 Het plangebied ligt op een afstand van circa 15 meter tot aan as van de provinciale weg en daarmee binnen het invloedsgebied van de transporten LF1, LF2 en GF3. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter vanaf een transportroute is conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico verreist. Echter omdat het groepsrisico voor de beoogde ontwikkeling niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, volstaat een beperkte verantwoording. Maatgevende scenario's De maatgevende scenario's voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van ontvlambare gassen en brandbare vloeistoffen ligt, is een wolkbrand/gaswolkexplosie en plasbrand. Het effect van een wolkbrand is een kortdurende vlammenzee. Wanneer de brandbare wolk ingesloten is en ontstoken raakt, kan naast hittestraling ook een drukeffect ontstaan: een gaswolkexplosie. De effecten van een plasbrand zijn hittestraling en rook.

Bevt, artikel 7 In de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft, binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: 1. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; 2. de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen, indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Ad 1 Bij een calamiteit zet de brandweer zich in om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet vindt voornamelijk plaats bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of een zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden.

Een goede bereikbaarheid van het plangebied als ook de risicobron is hierbij van essentieel belang. Het plangebied en de bron zijn vanuit diverse richtingen goed bereikbaar voor de brandweer. De brandweerkazerne van Renswoude bevindt zich op circa 500 meter van het plangebied. Overige hulpdiensten kunnen de bron vanuit meerdere richtingen benaderen. De aanrijdtijd bedraagt circa 15 minuten. De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater, zowel primaire alsook secundaire of tertiaire (openwater), om een incident adequaat te kunnen bestrijden. Ten aanzien van de bluswatervoorziening ten behoeve van het plangebied is altijd een nader overleg met de Veiligheidsregio Utrecht aan te bevelen om afstemming te krijgen tussen positie van de brandkranen en de bouwkundige en installatietechnische aspecten van de gebouwen. Ad 2 In het geval van een dreigende BLEVE is het advies zo snel mogelijk van de bron vandaan te vluchten. Ook hier is het advies om onder dekking van het gebouw van de gevaarbron weg te kunnen vluchten. Om bij een optredende BLEVE het risico voor de gebruikers te verkleinen is het minimaliseren van het hoeveelheid glas aan de gevaarzijde een maatregel. Bij het plaatsvinden van een plasbrand is de verwachting dat het plangebied te maken krijgt met een hoge hittestralingsintensiteit.

Voor personen buiten is het handelingsperspectief om dekking te zoeken bij objecten zoals muren of gebouwen (schuilmogelijkheden). Wanneer de stralingsintensiteit te hoog is en het gebouw bij de brand betrokken dreigt te raken, verdient het advies om onder dekking van het gebouw van de gevaarbron weg te kunnen vluchten. Binnen het plangebied zijn er mogelijkheden voor personen om zich, in tegenovergestelde richting van de bron, buiten het invloedsgebied te begeven. Er kan van uit worden gegaan dat volwassenen in het plangebied afdoende zelfredzaam zijn en er voldoende volwassenen aanwezig zijn, die voor begeleiding van de kinderen kunnen zorgen.

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

28

Uit de quickscan externe veiligheid blijkt dat het plaatsgebonden risico in geen van de gevallen een belemmering vormt voor de planontwikkeling. Het groepsrisico blijft na planrealisatie in alle situaties waarin het plan voorziet onder de oriëntatiewaarde. De realisatie van het plan leidt ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (N224) tot een stijging van het groepsrisico. Het groepsrisico is na planrealisatie minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Omdat er sprake is van een toename van het groepsrisico, bestaat de verplichting om dit groepsrisico te verantwoorden. Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling.

5.4.

Elektromagnetische straling Het plangebied ligt niet in een indicatieve zone van een hoogspanningslijn. Er zijn evenmin zendmasten in of nabij het plangebied aanwezig, die eventueel een overschrijding van een blootstellingslimiet zouden kunnen veroorzaken. Het aspect elektromagnetische straling vormt daarom geen belemmering voor de realisatie van de planontwikkeling.

5.5.

Bodemkwaliteit Op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Om te bepalen of de bodem uit milieuhygiënisch oogpunt dat geschikt is voor bedrijfsbebouwing, is bodemonderzoek7 uitgevoerd om de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit van het plangebied te bepalen. Op basis van het vooronderzoek is voor de onderzoekslocatie de hypothese 'onverdachte locatie' gesteld met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging met diverse NEN parameters. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien in de onderzochte grondmengmonsters en grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor zware metalen zijn aangetoond. Op basis van de aangetroffen gehalten voor de PFAS parameters voldoet de bovengrond aan de functieklassen 'wonen' en 'industrie' uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende kan de grond voor wat betreft PFAS elders worden toegepast in deze functieklassen, bij toepassing boven grondwaterniveau, op de landbodem en buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. De ondergrond voldoet aan de functieklassen 'landbouw/natuur'.

7

Verhoeven Milieutechniek B.V., Diverse onderzoeken, Herontwikkelingslocatie "Groot Overeem II" te Renswoude, B20.7708 Versie: 01, Zaltbommel, 24 maart 2020

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

29

Het aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrond- of streefwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden zijn geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Zintuiglijk zijn tijdens de uitgevoerde veldwerkzaamheden geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen en daarnaast zijn geen (puin)bijmengingen waargenomen in de opgeboorde grond. Derhalve is het definitief niet noodzakelijk om een verkennend onderzoek naar asbest uit te voeren. Conclusie en aanbevelingen Door middel van het bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem van het plangebied Groot Overeem II in voldoende mate vastgelegd. Zintuiglijk en analytisch zijn geen ernstige verontreinigingen aangetroffen als gevolg van de gedempte sloten, voormalige wegen en/of tankstation ten zuiden van de onderzoekslocatie. Tevens is geen sprake van heterogene of diffuse bodemverontreinigingen. Vanuit milieuhygienisch oogpunt bestaan er geen bezwaren tegen de voorgenomen uitbreiding. Bij de afvoer van de grond dient rekening gehouden te worden met zowel de resultaten van de NEN-parameters en PFAS.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden.

5.6.

Natuur Per 1 januari 2017 is de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). De natuur in Nederland wordt door de Wnb beschermd vanuit twee invalshoeken: bescherming van gebieden en bescherming van soorten. In de Wnb blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten komt te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap. Onder de Wet natuurbescherming vervallen de voormalige tabellen 1, 2 en 3 (Flora- en faunawet) waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het 'beschermingsregime andere soorten' vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

30

In verband met de herontwikkeling van het plangebied is een quick scan flora en fauna 8 uitgevoerd. Gebiedsbescherming Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000-gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van het NNN opgenomen. Het Natura 2000 netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De overkoepelende naam voor deze gebieden is "Natura 2000gebied". Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden is de Veluwe (ruim 6 km afstand). Negatieve externe effecten op de Veluwe als gevolg van trilling, licht of geluid zijn uitgesloten wegens de afstand tussen het plangebied en dit Natura-2000 gebied. Uit stikstofonderzoek blijkt dat er door middel van intern salderen geen drempelwaardes worden overschreden mits aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan (zoals gasloos bouwen). Daardoor geldt er geen vergunningsplicht geldt ten aanzien van stikstof.

De oeverzone van de Lunterse Beek, een KRW-waterlichaam, behoort tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ontwikkeling mag niet leiden tot negatief effect op:  de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN;  de oppervlakte of de samenhang van het NNN. In overleg met het Waterschap en de provincie zal het NNN-gebied in het plangebied ingericht worden als ecologische zone. De Lunterse Beek en de oeverzone zullen dus niet onderbroken of bebouwd worden. In de huidige situatie is de oeverzone niet optimaal ecologisch ingericht: de oeverzone is smal, er is geen sprake van een brede gradiënt, de over loopt steil af en er is nauwelijks variatie in oevervegetatie. De herinrichting is juist gericht op een versterking van de natuurwaarde en de samenhang van het NNN-gebied. Er is hierom geen conflict met de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Ten aanzien van het NNN geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Aanvullend onderzoek in het kader van de gebiedsbescherming is niet noodzakelijk.

8

Breur Ecologie & Onderzoek, Quickscan Ecologie, Groot Overeem II, Renswoude, Rapportcode: QS18058-cv3, Dordrecht, 6 april 2020

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

31

Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied geschikt is als nestplaats van algemene broedvogels van grasland en akkers. Daarom wordt aanbevolen om de werkzaamheden te laten starten buiten het vogelbroedseizoen: buiten grofweg de periode maart tot en met augustus. De Lunterse Beek kan functioneren als vliegroute voor vleermuizen (met name de watervleermuis). Kunstlicht kan van negatieve invloed hierop zijn. Mits er zorg voor wordt gedragen dat het kunstlicht op het bedrijventerrein niet gericht is op de beek is er geen sprake van negatief effect, en dus geen noodzaak voor aanvullend onderzoek. Bij twijfel over wel/geen significante toename van kunstlicht dient men een deskundig ecoloog te betrekken. Afgezien van beschermde soorten is het plangebied geschikt voor onbeschermde danwel vrijgestelde soorten (zoals mol, egel, gewone pad). Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten niet nodig, wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie wordt tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlicht waarbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze wordt toegepast (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden worden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd (buiten schemerperiodes). Het heeft de voorkeur de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (maart tot en met augustus) op te starten/uit te voeren. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. De herinrichting van het plangebied biedt kansen voor natuur-inclusief ontwerpen. Hierbij valt te denken aan groene gevels of daken, of voorzieningen voor gebouwbewonende vogelsoorten en vleermuizen (zoals inbouwkasten) in de bedrijfspanden. Ten aanzien van de nieuwe beplanting in de openbare ruimte wordt aanbevolen om te kiezen voor inheemse soorten.

Ook het beheer van het groen kan op een ecologische manier ingericht worden: Zo heeft een kort gemaaid gazon een lage natuurwaarde, maar een extensief gemaaid veld is vaak rijk aan bloemen, kruiden, insecten en vogels. Een dergelijk extensief maaibeheer kan ook financieel aantrekkelijker zijn dan een intensief gazonbeheer. Naast een positief effect op de biodiversiteit hebben derge-

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

32

lijke maatregelen ook andere voordelen: Het groen zorgt voor een gezond werkklimaat, het heeft een grote waterbufferende werking (minder regenwateroverlast) en het draagt bij aan het tegengaan van hittestress. Conclusie De realisatie van het bedrijventerrein Groot Overeem II leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan de Groot Overeem II uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

5.7.

Stikstof Ruimtelijke plannen zijn in principe alleen mogelijk als deze niet leiden tot een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Een plan dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect. Om te bepalen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige natuurgebieden is stikstofonderzoek9 uitgevoerd. Uit eerder onderzoek, (Tauw, R001-1268961VLU-V03-los-NL, 5 april 2019). bleek uit een berekening met de destijds vigerende versie van AERIUS: versie 2016L een maximale bijdrage tussen de 0,03 en 0,07 mol/ha/jaar, afhankelijk van bepaalde keuzes in bedrijfsvoering. In onderhavig onderzoek is onderzocht of, wanneer gesaldeerd wordt met emissies door bemesting, de nettobijdrage aan de stikstofdepositie van de uitbreiding van bedrijventerrein Groot Overeem op 0,00 mol/ha/jaar of lager uitkomt. Als uitgangspunt daarbij is gehanteerd dat omdat het plangebied nu feitelijk planologisch legaal in gebruik is voor beweiding en/of bemesting, het verdwijnen daarvan in de ecologische (plan)toets mag worden betrokken ten behoeve van interne saldering.

Aangezien nog niet bekend is welke bedrijven zich op de uitbreiding van Groot Overeem zullen vestigen, is uitgegaan van algemene kentallen voor NOx en NH3-emissies en verkeersaantrekkende werking. Er is gebruik gemaakt van de kentallen uit het rapport 'Emissiekentallen NOx en NH3 voor PAS / AERIUS' (Tauw, 31 augustus 2018) dat is opgesteld in opdracht van BIJ12. De kentallen gelden voor de bruto oppervlaktes van bedrijventerreinen. Voor de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van cijfers uit de CROW-publicatie 381: Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie. Op basis daarvan zijn vier scenario's doorgerekend: gasloos/niet gasloos en mobiele werktuigen niet elektrisch/elektrisch.

9

Tauw, Stikstofdepositie-onderzoek uitbreiding bedrijventerrein Groot Overeem Renswoude, R001-1273217VLU-V02pws-NL, Deventer, 6 oktober 2020

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

33

Afbeelding 13: Scenario's stikstofdepositie in mol/ha/jaar. mobiele werktuigen niet elektrisch energievoorziening

niet gasloos gasloos

elektrisch 0,06 0,03

0,06 0,02

Ook wanneer de uitbreiding van bedrijventerrein Groot Overeem gasloos wordt gerealiseerd en er alleen elektrische (mobiele) werktuigen worden ingezet, wordt een bijdrage van maximaal 0,02 mol/ha/jaar berekend op Natura 2000-gebied Veluwe ten gevolge van de verkeersgeneratie en de NH3-emissies van het terrein. Ook al is de hoeveelheid ammoniakemissies van het terrein klein (betreft voornamelijk gebruik van oplos- en schoonmaakmiddelen), toch berekent AERIUS ten gevolge van deze emissies nog een bijdrage op de Veluwe, aangezien ammoniak veel meer (beter) deponeert dan NO x. De uitbreiding van Groot Overeem (3,9 ha) wordt gerealiseerd op grond die momenteel in gebruik is als hooiland. Op dit land wordt regelmatig mest uitgereden (mestaanwending / bemesting). Ook de bemesting op de aangrenzende zone langs de Lunterse Beek (maakt deel uit van het NNN) zal dan stoppen. Deze zone wordt als natuurstrook ingericht in overleg met het waterschap en de provincie. Deze 0,8 ha van de aangrenzende zone langs de Lunterse Beek moet als externe saldering worden aangemerkt waarvoor op grond van de beleidsregels 30% moet worden afgeroomd. Dit maakt dat in de referentiesituatie een oppervlak van 4,7 ha niet meer zal worden bemest waarvan in de berekeningen 3,9 + (0,8 * 0,30) = 4,46 ha mag worden meegenomen, als gronden die niet meer worden bemest.

Ook voor het opbrengen van mest zijn twee scenario's doorgerekend. Veiligheidshalve is uitgegaan van het scenario met de laagste depositie. Deze bedraagt 115,1 kg NH3/jaar. Dit leidt tot een maximale bijdrage van de referentiesituatie 0,03 mol/ha/jaar. Conclusie Als de uitbreiding van het bedrijventerrein Groot Overeem gasloos wordt aangelegd, wordt er geen toename in stikstofdepositie berekend (0,00 mol/ha/jaar), wanneer wordt gesaldeerd met bemesting van het hooiland in de referentiesituatie. Het plan leidt daarmee niet tot een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Het plan kan daarmee worden vastgesteld.

5.8.

Water Algemeen Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

34

uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Derhalve is een watertoets10 vervaardigd. Uit de watertoets blijkt dat de planontwikkeling invloed heeft op verschillende waterhuishoudkundige aspecten:  toename verharding – wateropgave;  afvalwater;  waterkwaliteit;  drooglegging. Toename verharding - wateropgave Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit grasland. Dit is geheel onverhard. Door de ontwikkeling van een bedrijventerrein wordt het terrein grotendeels verhard. Bij een toename van verharding zal hemelwater sneller afstromen en kan er minder water infiltreren waardoor er minder grondwateraanvulling is. Deze negatieve effecten moeten, zoals vastgelegd in het beleid van het waterschap, gecompenseerd worden. Voor toename verharding hanteert Waterschap Vallei en Veluwe als uitgangspunt dat per hectare verharding 600 m³ waterberging aangelegd moet worden. Op basis van het stedenbouwkundig plan wordt een toekomstige verharding van 32.470 m² verwacht, bestaande uit 28.165 m² bedrijfskavels en 4.305 m² verhard wegoppervlak. Er moet dus 1.950 m³ waterberging worden gerealiseerd. Uitgangspunt is dat dit grotendeels in de beekzone wordt gecompenseerd. Indien de berging niet geheel in deze zone kan worden gerealiseerd wordt in overleg met het waterschap een invulling gegeven aan de resterende berging.

Hierbij kan worden gedacht aan: waterberging binnen zelfde peilvak, waterberging elders in openbaar gebied en waterberging eventueel op uitgeefbaar terrein. Naast waterberging ter compensatie van een toename verharding, is er ook een wateropgave bij het dempen van watergangen. Dat is in dit geval niet aan de orde omdat er binnen het plangebied geen open water aanwezig is. Afvalwater Het afvalwater dient aangesloten te worden op de riolering. Afhankelijk van het type industrie komt er een bepaalde hoeveelheid afvalwater vrij en heeft een bepaalde samenstelling. Er zal bekeken moeten worden of dit direct op het rioolstelsel aangesloten kan worden en of de capaciteit van het stelsel voldoende is. Op het terrein zelf is nog geen riolering aanwezig. Deze dient aangelegd te worden. Hemelwater mag niet afgevoerd worden via de vuilwaterriolering. Hemelwater mag wel via een hemelwaterafvoer (HWA) naar de waterberging afgevoerd worden. Op het bedrijventerrein wordt een Droogweerafvoer (DWA)-riolering met gemaal aangelegd,

10

Tauw, Notitie watertoets - Uitbreiding bedrijventerrein Groot Overeem, N003-1273867KVE-V02-nda-NL, Deventer, 19 april 2021

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

35

plus een HWA-stelsel richting de waterberging. Waar mogelijk wordt geprobeerd het hemelwater oppervlakkig af te voeren (dit heeft slechts betrekking op een beperkt deel van het plangebied). Het waterschap geeft aan dat het rioolgemaal van Renswoude een aandachtspunt is. Dit aandachtspunt betekent concreet dat het gemaal nu al over haar maximale capaciteit zit en dat het verder belasten van het gemaal niet acceptabel is. Het is wel mogelijk om de uitbreidingen te realiseren, maar dan moet er ook daadwerkelijk worden afgekoppeld in Renswoude. De gemeente heeft in het Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) ook daadwerkelijk gelden gereserveerd en werkzaamheden ingepland om dat te gaan doen. Dat afkoppelen (circa 2 hectare) gaat gefaseerd vanaf 2022 plaatsvinden. Het is op dit moment niet inzichtelijk hoeveel afvalwater uit het nieuwe bedrijventerrein komt. Bij de verdere uitwerking van dit plan zal met betrekking tot de afvoer van het vuile water de benodigde afstemming plaats moeten vinden tussen gemeente en waterschap. Vanuit het GRP worden de volgende eisen gesteld:  bij nieuwe ontwikkelingen mag geen hemelwater op het afvalwatersysteem worden aangesloten;  aansluitingen dienen vormgegeven te worden conform art. 2.7.4., 2.7.5. en 2.7.6 in de bouwverordening van de gemeente Renswoude.

Na overgang naar de Omgevingswet worden deze in het omgevingsplan opgenomen;  daar waar lokale ontwikkelingen gevolgen hebben voor het bestaande afvalwaterstelsel wordt met de ontwikkelaar overeengekomen hoe deze zorgdraagt voor een voldoende functionerend afvalwatersysteem. Investeringen voortvloeiend uit functiewijziging van een aangesloten perceel worden in een overeenkomst opgenomen en (deels) ten laste van de ontwikkelende partij gebracht. Waterkwaliteit De Lunterse Beek is een KRW-waterlichaam en een ecologische verbindingszone (EVZ). Langs het bestaande bedrijventerrein is een groene zone aanwezig waarin de beek natuurlijker is ingericht. Deze groene zone wordt doorgetrokken langs de uitbreiding van het bedrijventerrein. Het doel hiervan is de EVZ verder te optimaliseren, invulling te geven aan het NNN-netwerk en dit gebied ook te gebruiken voor waterberging. Drooglegging In de huidige situatie is de drooglegging -op basis van beschikbare informatie- niet voldoende voor de realisatie van een bedrijventerrein. Voor bebouwing wordt een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 meter gehanteerd. De GHG is in een peilbuis vastgesteld op +6,25 m NAP. Wanneer moet worden voldaan aan de minimale ontwateringsdiepte van 0,7 meter, dan dient het terrein opgehoogd te worden tot +6,95 m NAP.

In de praktijk betekent dit een ophoging (bij gemiddelde terreinhoogte van +6,3 m NAP) van circa 65 centimeter. De peilbuis ligt nog op enige afstand van het bedrijventerrein. Er wordt geadviseerd om nader onderzoek te doen naar de grondwaterstanden door middel van het plaat-

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

36

sen van peilbuizen in het plangebied. Hiermee kan een nauwkeuriger beeld verkregen worden van de grondwaterstanden en de noodzaak tot en mate van ophogen. Vanuit het GRP worden de volgende uitgangspunten gehanteerd ten aanzien van drooglegging:  de streefwaarden voor de ontwateringsdiepte bij ontwikkelingen zijn als volgt:  0,90 m beneden vloerpeil;  0,70 meter beneden trottoir;  0,50 meter nabij groenstroken niet zijnde wadi's en tuinen.  drainage mag niet op het (gemengd) riool worden aangesloten zonder uitdrukkelijke toestemming van de gemeente;  toepassing van drainage wordt slechts toegestaan als ophogen of functiewijziging niet mogelijk is.

5.9.

Archeologie Het Verdrag van Malta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland ondertekende dit verdrag van de Raad voor Europa in 1992. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. In de Erfgoedwet die op 1 juli 2016 in werking is getreden zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: "de veroorzaker betaalt". Op de Archeologische beleidsadvieskaart met voorschriften ten behoeve van de Archeologische MonumentenZorg van de gemeente Renswoude heeft het plangebied de aanduidingen Archeologisch Waardevol Gebied 3 (AWG3), Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 2 (AWV2) en Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3 (AWV 3). Hiervoor geldt dat bij bodemingrepen dieper dan de huidige verstoringsdiepte (30 cm -Mv) groter dan 100 m², 1.000 m² respectievelijk 10.000 m² voorafgaand aan de ruimtelijke planvorming archeologisch onderzoek uit te voeren.

Het archeologisch onderzoek11 bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uit door middel van boringen. Aan de hand van het booronderzoek zijn voor zover mogelijk de volgende onderzoeksvragen beantwoord:

11

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie, Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de uitbreiding van bedrijventerrein Groot-Overeem te Renswoude, gemeente Renswoude, rapport V19-4284, versie 2.0 definitief, Amersfoort, 25 augustus 2020

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

37

 wat zijn de geo(morfo)logische en bodemkundige kenmerken van de ondergrond van het plangebied?  in hoeverre is de oorspronkelijke bodemopbouw intact met het oog op de eventuele aanwezigheid en gaafheid van archeologische vindplaatsen?  bevinden zich in de ondergrond van het plangebied archeologische indicatoren en zo ja, waaruit bestaan deze?  geven de resultaten van het veldonderzoek aanleiding tot vervolgstappen in het kader van de planontwikkeling in relatie tot de archeologische monumentenzorg? Afbeelding 14: Fragment archeologische beleidsadvieskaart.

Tijdens het veldonderzoek is geconstateerd dat binnen het plangebied vergravingen hebben plaatsgevonden tot in het oorspronkelijke moedermateriaal. Daarnaast bestaat de ondergrond

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

38

uit verspoeld dekzand met een lage archeologische verwachting. Tijdens het veldonderzoek zijn geen kenmerken van begraven bodems aangetroffen. Vanwege de hoge mate van verstoring en de afwezigheid van begraven bodems heeft het plangebied een lage archeologische verwachting. Derhalve worden geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geadviseerd. Op basis van het archeologisch onderzoek hebben burgemeester en wethouders een selectiebesluit genomen en besloten het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. In het bestemmingsplan Groot Overeem II is daarom geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Ook nadat het archeologische onderzoeksproces is afgerond, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Renswoude, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

5.10. Geurhinder 5.10.1. Algemeen Het aspect geurhinder speelt in twee opzichten een rol bij het onderhavige bestemmingsplan. Enerzijds kunnen te vestigen bedrijven geurhinder veroorzaken voor bewoners van woningen in de nabijheid van het bedrijventerrein. Anderzijds is er aan de Utrechtseweg 1 een agrarisch bedrijf gevestigd dat geurhinder kan veroorzaken in het onderhavige plangebied. Derhalve is geurhinderonderzoek12 uitgevoerd. 5.10.2. Geurhinder van bedrijventerrein Geurhinder is een van de milieuaspecten die de basis vormt voor de richtafstanden die worden gebruik van het bepalen van de milieucategorie van een bedrijf in het kader bedrijven en milieuzonering (zie paragraaf 5.11). Uit het geurhinderonderzoek blijkt dat indien aan de richtafstanden wordt voldaan, er geen belemmeringen zijn voor de planontwikkeling. De richtafstanden zijn door middel van inwaartse zonering op de verbeelding opgenomen. 5.10.3. Geurhinder agrarische bedrijven De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader wat betreft geurhinder uit dierenverblijven van veehouderijen.

Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (=gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt). Bedrijven zijn aan te merken als geurgevoelig objecten.

12

Tauw, Notitie geur - Uitbreiding bedrijventerrein Groot Overeem, N001-1273867SSW-V02-mdg-NL, Deventer, 6 maart 2020

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

39

De dichtstbijzijnde veehouderij, is de veehouderij aan de Utrechtseweg 1. Het agrarisch bouwblok van deze veehouderij ligt op 45 meter van de plangrens. De geurcontouren van het bedrijf zijn in 2017 berekend en gerapporteerd door de Omgevingsdienst regio Utrecht (Kenmerk Z-2017-44807/48015, Datum 13 april 2017). De omgevingsdienst concludeert dat het woon- en leefklimaat binnen het plangebied als redelijk goed kan worden aangemerkt, hetgeen voor een bedrijventerrein als acceptabel kan worden beschouwd. De veehouderij aan de Utrechtseweg 1 vormt daarmee geen belemmering voor de vestiging van bedrijven en het realiseren van bedrijfswoningen. De Wet geurhinder en veehouderij staat de onderhavige ontwikkeling niet in de weg.

5.11. Milieuzonering In planologische procedures waarin de vestiging van woningen in de nabijheid van bedrijven mogelijk wordt gemaakt, moet rekening worden gehouden met ruimtelijk relevante milieuhygienische aspecten van die bedrijven. In de Wet ruimtelijke ordening staat het begrip "een goede ruimtelijke ordening" centraal. Ook het milieubeleid beoogt handhaving en bevordering van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Om dit te realiseren wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Milieuzonering zorgt voor een voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen en heeft twee doelen:  het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;  het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen: "zware" bedrijven zullen verder van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd dan "lichte" bedrijven. Milieuzonering heeft met name betrekking op milieuaspecten die een ruimtelijke dimensie hebben, te weten geur, stof, geluid en gevaar. Een belangrijk hulpmiddel om hiermee rekening te houden is de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', die voor het eerst in 1986 verscheen en voor het laatst in 2009 geactualiseerd.

In deze brochure is een omvangrijke lijst van bedrijven opgenomen, waarin per bedrijf voor een aantal aspecten de mate van ruimtelijk relevante hinderlijkheid is weergegeven. Voor dit bestemmingsplan zijn de richtafstandenlijst en omgevingstypen belangrijkste bouwstenen van milieuzonering:  richtafstandenlijst In de richtafstandenlijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. De categorie 1 staat voor de laagste potentiële milieubelastingen en de categorie 6 staat voor de hoogste potentiële milieubelasting. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

40

worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.  omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten, is onder meer afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Afbeelding 15: Omgevingstype. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonRichtafstand tot omgevingstype gemengd wijk en rustig buitengebied gebied 10 meter 0 meter 30 meter 10 meter 50 meter 30 meter 100 meter 50 meter 200 meter 100 meter 300 meter 200 meter

Het uitgangspunt van de VNG handreiking is dat de gemeente deze gemotiveerd toepast. Het is een hulpmiddel, maar het legt niet vast wat wel en wat niet is toegestaan. Een gemeente dient zelf zorgvuldig af te wegen, te bepalen en te motiveren welke functies en activiteiten zij in een bepaald gebied toelaatbaar acht en welke Staat van Bedrijfsactiviteiten zal worden toegepast, zodat maatwerk en flexibiliteit voor een plangebied ontstaat. Om te bepalen of de uitbreiding van het bedrijventerrein uit het oogpunt van milieuhinder aanvaardbaar is, is onderzoek13 uitgevoerd. Het plangebied is een uitbreiding van het bedrijventerrein Groot Overeem, waarvoor de typering 'gemengd gebied' geldt. Naast en rondom het plangebied bevinden zich diverse bestemmingen (agrarisch, wonen, natuur en bedrijf). Op pagina 30 van de VNG-handreiking wordt bovendien aangegeven dat er sprake is van het omgevingstype gemengd gebied indien gebieden direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. De Utrechtseweg is te kenmerken als doorgaande weg/hoofdinfrastructuur. Het onderhavige plangebied kan derhalve ook als 'gemengd gebied' worden getypeerd. Deze aanwijzing als gemengd gebied heeft als gevolg dat er qua milieuzo-

13

SPA WNP ingenieurs, Uitbreiding bedrijventerrein Groot Overeem Onderzoek milieuzonering, 21900656.R01c, Ede, 8 oktober 2020

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

41

nering een afstandsstap terug mag worden gemaakt en dat de richtafstanden uit de VNGhandreiking "Bedrijven en Milieuzonering" (2009) daarom met één afstandstap zijn verlaagd. Op basis van de inwaartse milieuzonering blijkt, dat de bestaande milieubelastende bestemmingen in de omgeving geen hinder geven aan gevoelige bestemmingen. Voor de zuidzijde van het plangebied geldt, dat bij een invulling met milieucategorie 3.2 ter plaatse van de woning aan de Utrechtseweg 1 geen goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden. Voor de Utrechtseweg 1 geldt, dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden bij milieucategorie 3.1. Voor de bedrijfswoning aan de Utrechtseweg 26 geldt, dat getoetst dient te worden aan het activiteitenbesluit. In het algemeen blijkt dat de bedrijfsgebouwen van bedrijven op een lokaal bedrijventerrein in een hogere milieucategorie, vanwege de industriële processen, veelal een soberder uitstraling hebben dan bedrijven in de lagere milieucategorieën. Op basis van het milieuzoneringsonderzoek zou op de hoek van de Utrechtseweg en de Lunterse Beek, ook bedrijvigheid in milieucategorie 3.2 toelaatbaar zijn. Omdat de Utrechtseweg de entree van Renswoude vormt, en er veel waarde aan wordt gehecht om de ruimtelijke kwaliteit van die entree op te waarderen, is er voor gekozen om langs de Utrechtseweg bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toe te laten.

Op de verbeelding is de milieucategorie zodanig toegepast, dat ter plaatse van de Utrechtseweg 1 en Utrechtseweg 26 een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Vanuit het oogpunt van milieuzonering is er zodoende geen knelpunt voor de planontwikkeling.

5.12. Vormvrije mer-beoordeling Het Besluit ruimtelijke ordening stelt in artikel 3.1.1, onder f dat inzicht dient te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Bovendien dient het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit (tot vaststelling van het bestemmingsplan) de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3.2 Algemene Wet Bestuursrecht). In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van het onderzoek dat is verricht ten behoeve van de in dit plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, zodat voldaan wordt aan de onderzoeksverplichtingen van het Besluit ruimtelijke ordening. Voorheen kon worden volstaan met de conclusie dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Daarom wordt nog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Een samenvatting hiervan zal worden opgenomen in deze paragraaf. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieu-

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

42

gevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. Het Besluit m.e.r. stelt de volgende procedure eisen aan de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling: 1. door de initiatiefnemer wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld; 2. het bevoegd gezag neemt binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; 3. de initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de (vergunning)aanvraag. Derhalve is een M.e.r.-beoordeling14 vervaardigd met daarin een aanmeldingsnotitie. Voor de aanmeldingsnotitie zijn de in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten gebruikt. Het in de aanmeldingsnotitie en in de voorgaande paragrafen beschreven onderzoek naar milieuaspecten geeft aan dat belangrijke nadelige milieugevolgen, als gevolg van de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, zijn uitgesloten.

14

Tauw, M.e.r.-beoordeling bedrijventerrein Groot Overeem II, N001-1273217BJM-V01-mdg-NL, Deventer, 3 februari 2021

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

43

6.

Juridische planbeschrijving

6.1.

Algemeen Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. In artikel 1.2.5 van het Bro is onder meer bepaald dat bestemmingsplannen en wijzigings- of uitwerkingsplannen digitaal beschikbaar gesteld dienen te worden. Vanaf 1 juli 2013 is daarbij toepassing van de (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP-2012) verplicht. Bij het opstellen van deze standaard is overigens ook rekening gehouden met het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012 (IMRO-2012) en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012 (PRBP-2012). Dit bestemmingsplan past binnen die standaard. De planregels zijn waar mogelijk overgenomen uit het bestemmingsplan Bedrijventerrein dat van toepassing is op het bestaande bedrijventerrein van Renswoude, zodat in het onderhavige plangebied dezelfde regeling van toepassing is als op het huidige bedrijventerrein.

6.2.

Bestemmingsplan Het digitale bestemmingsplan Groot Overeem II is de verzameling van geometrisch bepaalde objecten, die is vervat in een GML-bestand (NL.IMRO.0339.BP2020GrOvereemII-ow01) met bijbehorende regels. Dit bestemmingsplan is langs elektronische weg uitwisselbaar en raadpleegbaar. Het geeft de bestemming en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan. Met de invoering van het digitale bestemmingsplan bestaat de analoge verbeelding formeel niet meer. De analoge verbeelding is getekend op een schaal van 1:1000 en omvat één kaartblad, genummerd 0339-35-P01. De plankaart geeft de bestemming van de gronden aan. Alle gronden in het plangebied hebben de bestemmingen "Bedrijventerrein", "Groen", "Verkeer" en "Water". Daarnaast voor een deel de dubbelbestemming "Waarde – Ecologie".

6.3.

Regels De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels Inleidende regels In de Inleidende regels worden de gebruikte begrippen beschreven (artikel 1) en worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop gemeten moet worden (artikel 2). Bestemmingsregels Op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" (artikel 3) zijn bedrijven toegestaan in de categorieën 1 t/m 3.2. Door middel van aanduidingen is aangegeven welke milieucategorieën

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

44

waar zijn toegestaan. Voor de situering en volume van de bebouwing zijn op de verbeelding bouwvlakken en maatvoeringsmaten opgenomen. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan. Aan de Utrechtseweg krijgen de panden een verspringende gevellijn, waarbij de gevels van oost naar west ten opzichte van elkaar enigszins versprongen terug liggen. In de planregels is bepaald dat die voorgevels evenwijdig aan de Utrechtseweg komen te liggen. Per bouwperceel wordt afstand (x in afbeelding 16) tot de Utrechtseweg bepaald door de situering van die bouwgrens in het midden van het betreffende bouwperceel. Afbeelding 16: Verspringende gevellijn.

Ter voorkoming van lichthinder zowel voor de beekzone als voor omwonenden is een nadere eisen regeling opgenomen. Door deze regeling kunnen eisen worden gesteld aan de situering, het aantal, de hoogte, de lichtsterkte, het type armatuur bij het toepassen van verlichting en/of verlichte reclame-uitingen.

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

45

In de bestemming zijn enkele afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee van de algemene regelingen kan worden afgeweken. Met één van deze afwijkingsbevoegdheden is het mogelijk om bedrijven uit een hogere milieucategorie tot toe te staan mits het bedrijven betreft die gezien de gevolgen daarvan voor de omgeving redelijkerwijs kunnen worden gelijkgesteld met bedrijven die ter plaatse zijn toegestaan. Op de verbeelding is geen veiligheidszone meer opgenomen voor het brandstofverkooppunt aan de Utrechtseweg omdat het tanken van LPG hier niet meer mogelijk is. De structurerende groengebieden van redelijke omvang in het plangebied hebben de bestemming "Groen" (artikel 4) gekregen. Ook de zone waarin de Lunterse Beek wordt heringericht heeft deze bestemming. Binnen de groenbestemming zijn watergangen, bruggen, watervoorzieningen en voet- en fietspaden toegestaan. Kleinere groenelementen zijn bestemd binnen de bestemming "Verkeer" geregeld. Met uitzondering van vergunningsvrije nutsgebouwen zijn gebouwen binnen de groenbestemming uitgesloten. De wegen in het plangebied hebben de bestemming "Verkeer" (artikel 5). De wegen mogen maximaal uit twee rijstroken bestaan. Binnen de verkeersbestemming zijn ook bruggen, duikers, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en overige bij de verkeersbestemming behorende voorzieningen toegestaan.

De huidige beekloop van de Lunterse Beek heeft de bestemming "Water". De waterbestemming is met name gericht op waterhuishoudkundige en ecologische aspecten. De oevers van de Lunterse Beek behoren tot het NNN. Op deze gronden is naast de geldende enkelbestemmingen ook de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" (artikel 7) van toepassing. Met deze dubbelbestemming wordt ingezet op instandhouding en ontwikkeling van landschapsen natuurwaarden langs de Lunterse Beek. Het oogmerk is daarbij dat voor flora en fauna verbindingen kunnen ontstaan tussen natuur- of natuurontwikkelingsgebieden. De dubbelbestemming bevat een bevoegdheid van burgemeester en wethouders om nadere eisen te stellen aan het bouwen en gebruik krachtens de andere bestemmingen van deze gronden ter voorkoming van onevenredige aantasting van de belangen van de ecologische verbindingszone. Algemene regels De Anti-dubbeltelregel (artikel 8) is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze zou zich kunnen voordoen indien een deel van een bouwperceel dat al bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken wederom bij een dergelijke berekening, doch nu ten behoeve van een ander bouwperceel wordt betrokken.

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

46

Op grond van de Algemene gebruiksregels (artikel 9) mag gebruik uitsluitend plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit volgt uit de Wro. Om iedere discussie te voorkomen, is ten aanzien van vier gebruiksvormen expliciet aangegeven dat dit hoe dan ook als strijdig gebruik wordt aangemerkt. De Algemene afwijkingsregels (artikel 10) geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om af te wijken van de bestemmingsregels. De afwijkingsregels hebben tot doel om kleine wijzigingen in het plangebied mogelijk te maken zonder dat hiervoor een volledige planprocedure voor doorlopen hoeft te worden. De afwijkingsregels hebben onder andere betrekking op nutsvoorzieningen, antennemasten, afwijkingen van maatvoeringen tot een maximum van 10%. In het plan is in de Algemene wijzigingsregels (artikel 11) de mogelijkheid opgenomen om de Staat van Bedrijfsactiviteiten te wijzigen. In de Algemene procedureregels (artikel 12) is bepaald dat bij de voorbereiding van een besluit omtrent het stellen van nadere eisen, de procedure wordt gevolgd, die is vervat in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Overgangs- en slotregels De verplichte overgangsregels voor bouwwerken en gebruik zijn conform het bepaalde in artikel 3.2.2 van het Bro opgenomen (artikel 13). Tenslotte bevat het plan een slotregel (artikel 14).

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

47

7.

Uitvoerbaarheid

7.1.

Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu het plan de bouw van meerdere hoofdgebouwen mogelijk maakt, is dit aan de orde. Alle gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van de gemeente. Het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden is anderszins verzekerd door uitgifte van de gemeentelijke gronden. De gemeente stelt daarom, op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro, geen exploitatieplan vast.

7.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voorafgaand aan de tervisielegging van het voorontwerpbestemmingsplan is op 29 oktober 2020 een digitale presentatie van de planontwikkeling gegeven aan inwoners en ondernemers. Het voorontwerp zal verder in het kader van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 worden toegezonden aan de wettelijke overlegpartners. Zowel de inspraak- als de vooroverlegreacties zullen te zijner tijd in deze paragraaf worden samengevat en beantwoord.

7.3.

Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan wordt gepubliceerd in de Staatscourant en de Heraut en gedurende zes weken ter visie gelegd. Tijdens die periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Eventuele zienswijzen worden in deze paragraaf samengevat en beantwoord.

Ontwerp Gemeente Renswoude – Bestemmingsplan Groot Overeem II

Regels

2

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

3 3 6

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Bestemmingsregels Bedrijventerrein Groen Verkeer Water Waarde - Ecologie

7 7 11 12 13 14

Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels

16 16 17 18 19 20

Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

21 21 22

Bijlagen bij regels Bijlage 1

Staat van Bedrijfsactiviteiten

Bijlage 2

Nadere toelichting staat van bedrijfsactiviteiten

ontwerp gemeente Renswoude - bestemmingsplan Groot Overeem II

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1

plan: het bestemmingsplan Groot Overeem II van de gemeente Renswoude;

1.2

bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0339.BP2020GrOvereemII-ow01 met de bijbehorende regels;

1.3

aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4

aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5

ander bouwwerk: een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

1.6

archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde die wordt gekenmerkt door sporen van menselijk handelen in het verleden die in de grond zijn achtergebleven, bijvoorbeeld potscherven, resten van voedselbereiding, graven, maar ook verkleuringen in de grond die duiden op bewoning of infrastructuur;

1.7

bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.8

bebouwingspercentage: de in procenten uitgedrukte verhouding van de oppervlakte van de bebouwing in een bouwvlak dan wel aanduidingsvlak tot de oppervlakte van dat bouwvlak dan wel aanduidingsvlak, per kavel gemeten.

1.9

bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening in dat gebouw of op dat terrein;

ontwerp gemeente Renswoude - bestemmingsplan Groot Overeem II

4

1.10 bestaande bouwwerk, object, afmeting, percentage, afstand, plaats, situatie: bouwwerk, object, afmeting, percentage, afstand, plaats, situatie, zoals dat of die rechtens bestaat of mag bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;

1.11

bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;

1.12

bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.13

BEVI: een in het Besluit externe veiligheid inrichtingen bedoelde inrichting die in belangrijke mate een verhoging van de veiligheidsrisico's kan veroorzaken vanwege risicobronnen die buiten de perceelsgrens van de betreffende bedrijfslocatie waarop die risicobronnen aanwezig zijn, een plaatsgebonden risico veroorzaakt van meer dan 10-6 per jaar;

1.14

bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.15

bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.16

bouwgrens de grens van een bouwvlak;

1.17

bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.18

bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.19

brutovloeroppervlakte: de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw;

1.20

detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

ontwerp gemeente Renswoude - bestemmingsplan Groot Overeem II

5

1.21

gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.22

onderkomen: een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover dat/die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent;

1.23

peil: 1. voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein;

1.24

plaatsgebonden risico: het in het Besluit externe veiligheid inrichtingen bedoelde risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is;

1.25

seksinrichting: een inrichting, bestaande uit een of meer voor publiek toegankelijke, besloten ruimten, waarin bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze, seksuele handelingen worden verricht; onder een hiervoor bedoelde inrichting wordt in elk geval verstaan een prostitutiebedrijf;

1.26

voorgevel: de naar de weg gekeerde of aan de voorzijde van een gebouw gelegen gevel of, indien het een gebouw betreft met meerdere zodanige gevels, één van de gevels;

1.27

voorgevelrooilijn: denkbeeldige, rechte lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.

ontwerp gemeente Renswoude - bestemmingsplan Groot Overeem II

6

Artikel 2

Wijze van meten

Bij de toepassing van de regels wordt als volgt gemeten:

2.1

bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.2

inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.3

oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.4

afstand: de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10872333/1