CConstaterende datRenkum
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - BF5632_Dassenonderzoek De Hes_concept_210225.pdf

Gemeenteraad 27 september 2023, gemeente RenkumBij agendapunt: 13: Ruimtelijke kaders De Hes.5.857 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAPPORT Resultaten soortgericht onderzoek Das Onderzoek naar omvang en gebruik van een dassenburcht Klant:

AMVEST

Referentie: BF5632WATRP2101251532 Status:

Concept/0.1

Datum:

25 februari 2021

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Larixplein 1 5616 VB EINDHOVEN Water Trade register number: 56515154 +31 88 348 42 50 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Resultaten soortgericht onderzoek Das Ondertitel: Dassenonderzoek De Hes Referentie: BF5632WATRP2101251532 Status: 0.1/Concept Datum: 25 februari 2021 Projectnaam: De Hes/Arnhems Buiten Projectnummer: BF5632-100-100 Auteur(s): Geoffrey de Rooij

Opgesteld door: Geoffrey de Rooij Gecontroleerd door: Pauline Maas Datum: 22-02-2021 Goedgekeurd door: Datum:

Classificatie Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever.Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

ii

Projectgerelateerd

Inhoud

1

Inleiding

1

1.1

Aanleiding van het soortgericht onderzoek

1

1.2

Onderzoeksvragen en doel van de rapportage

1

1.3

Leeswijzer

1

2

Juridisch kader

2

2.1

Wet natuurbescherming (Wnb)

2

2.2

Soortenbescherming (Wnb hoofdstuk 3)

2

2.3

Verbodsbepalingen

2

2.4

Ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden

3

2.5

Algemene zorgplicht

4

3

Ligging plan- en onderzoeksgebied

5

4

Werkwijze onderzoek das

6

5

Onderzoeksresultaten

7

5.1

Resultaten das

7

5.2

Waarnemingen andere beschermde soorten

14

5.3

Samenvatting onderzoeksresultaten

14

6

Effectbeoordeling soortenbescherming

16

6.1

Voorgenomen ontwikkeling van het plangebied

16

6.2

Das

17

6.3

Eekhoorn

17

7

Juridische haalbaarheid

18

7.1

Onderbouwing en vergunbaarheid ontheffingsaanvraag

18

7.2

Conclusie juridische haalbaarheid

18

8

Conclusies en aanbevelingen

19

8.1

Conclusie

19

8.2

Adviezen ten aanzien van de das

19

8.3

Adviezen ten aanzien van de eekhoorn

20

Geraadpleegde bronnen

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

21

BF5632WATRP2101251532

iii

Projectgerelateerd

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding van het soortgericht onderzoek

In augustus 2020 is door de Stichting Das & Boom vastgesteld dat er een dassenburcht aanwezig is in het plangebied ‘De Hes’ te Oosterbeek. Deze locatie was eerder niet in beeld en niet vastgesteld op basis van voorafgaande verkennende natuuronderzoeken (Royal HaskoningDHV, 2017 en 2018 en EKOZA 20182019). Om inzicht te krijgen in het actuele gebruik van de burcht in samenhang met de omgeving, is aanvullend onderzoek nodig. AMVEST heeft aan Royal HaskoningDHV gevraagd een soortgericht onderzoek uit te voeren naar het gebruik van de burcht door de das (kraamburcht, bijburcht, et cetera) en het aantal dassen dat gebruik maakt van de burcht, om zo de effecten van de ingreep te beoordelen voor de das. AMVEST is voornemens het betreffende terrein te ontwikkelen tot groen woongebied. Onderhavig onderzoek kan worden gebruikt om een ontheffingsaanvraag in te dienen en in dat kader een plan met mitigerende en/of compenserende maatregelen op te stellen.

1.2

Onderzoeksvragen en doel van de rapportage

Het doel van het soortgericht vervolgonderzoek is de functie van de aanwezige dassenburcht te duiden en het aantal dassen dat er gebruik van maakt in beeld te krijgen, zodat effecten van het voornemen beoordeeld kunnen worden in het licht van de Soortenbescherming van de Wet natuurbescherming. De onderzoeksvragen van het soortgerichte onderzoek zijn als volgt: • Hoeveel dassen maken gebruik van de burchtlocatie? • Welke functie vervult de burchtlocatie voor de das, in samenhang met andere bekende burchtlocaties? • Hoe gebruiken dassen het plangebied en de wijdere omgeving? • Kunnen maatregelen genomen worden om negatieve effecten en daarmee een overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen ten aanzien van de das? o Zo ja, welke voorzorgsmaatregelen? • Zijn mitigerende of compenserende maatregelen nodig om negatieve effecten te verzachten en is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk en zo ja is een aanvraag voor een ontheffing haalbaar?

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is allereerst het juridisch kader weergegeven van de Soortenbescherming van de Wet natuurbescherming. In hoofdstuk 3 is een beschrijving opgenomen van het plangebied en de waarnemingen vanuit het onderzoek ten behoeve van de actualisatie begin 2020. Hoofdstuk 4 beschrijft de methode van het nadere soortgerichte onderzoek naar das. In hoofdstuk 5 zijn de onderzoeksresultaten beschreven, waarbij ook wordt ingegaan op waarnemingen van andere beschermde soorten, vervolgens is in hoofdstuk 6 de voorgenomen ontwikkeling beoordeeld in het licht van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. In hoofdstuk 7 is voor de voorkomende beschermde soorten aangegeven of het voornemen haalbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming. In hoofdstuk 8 zijn de conclusies en het advies opgenomen. Tot slot is een overzicht van de geraadpleegde literatuur opgenomen.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

1

Projectgerelateerd

2

JURIDISCH KADER

2.1

Wet natuurbescherming (Wnb)

In Nederland is de bescherming van bepaalde soorten planten en dieren geregeld in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Deze wet bevat regels voor de bescherming van natuurgebieden, in het wild levende dier- en plantensoorten en houtopstanden in Nederland. Naast de bescherming van natuur en biodiversiteit voorziet de Wnb in de decentralisatie van taken en bevoegdheden en de vereenvoudiging van regelgeving. De Europese regelgeving, met name de Vogel- en Habitatrichtlijn, vormt het kader en het uitgangspunt van deze wet. Het instrumentarium van de Wnb sluit aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. De uitwerking van de wet is vastgelegd in de regeling en het besluit natuurbescherming1. Onderhavige rapportage is gericht op het onderdeel Soortenbescherming onder de Wnb, onderstaande is hiervoor het relevante toetsingskader opgenomen.

2.2

Soortenbescherming (Wnb hoofdstuk 3)

De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn2, Habitatrichtlijn3 en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming nodig hebben. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: •

•

•

2.3

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb) Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2 van de Wnb) Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn. Beschermingsregime andere soorten (paragraaf 3.3 van de Wnb) Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A en B van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten van nature voorkomend in Nederland.

Verbodsbepalingen

Elk van de beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van deze verboden. De verbodsbepalingen zijn een-op-een overgenomen uit de genoemde richtlijnen (zie Tabel 2-1) en verdragen en zijn uitsluitend van toepassing op de in deze richtlijnen en verdragen genoemde soorten. De bepalingen in paragraaf 3.10 zien toe op de ‘nationale’ andere soorten die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen. Bij de toetsing aan het soortbeschermingsdeel van de Wnb wordt bepaald of beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen in het onderzoeksgebied en of de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten aangetast wordt als gevolg van het project, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt.

1

http://wetten.overheid.nl/BWBR0038662/2017-01-01 http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:31979L0409:NL:HTML 3 http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:31992L0043:NL:HTML 2

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

2

Projectgerelateerd

Tabel 2-1: overzicht van de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming, onderdeel Soortenbescherming. Beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten § 3.1

Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten § 3.2

Beschermingsregime Andere soorten § 3.3

Art. 3.1 lid 1 Art. 3.5 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden opzettelijk te doden of te vangen. of te vangen.

Art. 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

Art. 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Art. 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Art. 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art. 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Art. 3.1 lid 4 Het is verboden vogels opzettelijk te storen.

Art. 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Art. 3.1 lid 5 Opzettelijk storen is niet verboden indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art. 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

2.4

Art. 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden

In beginsel moet met voorzorgsmaatregelen ervoor worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast en soorten niet worden verwond of gedood. Lukt dat niet en worden dus verbodsbepalingen overtreden, dan moeten mitigerende maatregelen genomen worden en is een ontheffing nodig. Het beschermingsregime van de soort bepaalt de mogelijkheid tot het verkrijgen van een ontheffing. Artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wnb bevatten de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden per beschermingsregime. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of dwingende reden van groot openbaar belang). Onder de Wnb geldt voor deze soorten een ontheffingsplicht, behalve als het bevoegd gezag door middel van een zogenoemde vrijstelling anders besluit4. Voor de nationaal beschermde soorten van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht vaststellen middels een verordening. Afhankelijk van de grootte en locatie van een voorgenomen ontwikkeling, kan het bevoegd per project verschillen. Voor ‘reguliere’ ruimtelijke ingrepen is vaak de provincie is het bevoegd gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wnb.

Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag5. In het kort gaat het om de aanleg, uitbreiding en inrichting van hoofdwegen, landelijke spoorwegen en hoofdvaarwegen, primaire waterkeringen, militaire terreinen en oefengebieden, militaire luchthavens, Schiphol en overige burgerluchthavens, het landelijke gastransportnet en hoogspanningsverbindingen van tenminste 220 kV6. Het bevoegd gezag voor dit project is Provincie Gelderland.

4

Met uitzondering van een aantal in art 1.3 van de Wnb genoemde projecten (van nationaal belang). Besluit Wnb 11 oktober 2016, https://wetten.overheid.nl/BWBR0038662/2018-01-01 6 https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/wet-natuurbescherming/taken-enrolverdeling-bevoegdheden 5

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

3

Projectgerelateerd

Ook voor het aanvragen van een kapvergunning is de provincie het bevoegd gezag. Uitzondering is wanneer door RWS zelf de kapvergunning wordt aangevraagd; zij vragen deze aan bij RVO. Indien door voorzorgsmaatregelen de negatieve effecten volledig kunnen worden opgeheven, waardoor overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Het gaat erom dat de voorzorgsmaatregel zorgt dat de functionaliteit van voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde soort blijft behouden en de betreffende soort niet gedood, verwond of verstoord wordt. De voorzorgsmaatregelen worden als randvoorwaarde meegegeven aan de aannemer. Indien dit niet wenselijk of mogelijk is, dan dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om de optredende effecten te verzachten. Omdat sprake is van het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen, moet een ontheffing worden aangevraagd. In specifieke gevallen geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht als ruimtelijke ontwikkelingen uitgevoerd worden volgens een goedgekeurde gedragscode.

2.5

Algemene zorgplicht

Voor alle in het wild levende planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht conform Wnb artikel 1.11. Deze plicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk worden voorkomen, en dat bij de inrichting aandacht wordt besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is. Opzettelijkheid In de Wnb is voor veel verbodsbepalingen de term opzettelijk van toepassing. Niet-opzettelijke handelingen waarbij verbodsbepalingen overtreden worden zijn niet verboden.

Daarbij is van belang dat het Europese Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant”. Wezenlijke invloed Met de term ‘wezenlijke invloed’ wordt gedoeld op een wezenlijk negatieve invloed op een soort of populatie. Om te bepalen of sprake is van een wezenlijk (negatieve) invloed dienen de effecten van de activiteiten of werkzaamheden op de populatie te worden onderzocht. Of hiervan sprake is hangt af van de lokale, regionale, landelijke en Europese stand van de soort. Op welk van deze niveaus de effecten op een soort moeten worden onderzocht, hangt af van de soort. Er is geen sprake van een wezenlijke invloed wanneer de populatie de mogelijke negatieve effecten van de activiteiten of werkzaamheden zélf op een zodanige wijze (bijvoorbeeld doordat voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders) teniet kan doen dat er geen invloed is op de huidige staat van instandhouding van de soort. In alle gevallen geldt proportionaliteit. Effecten op een zeer zeldzame soort zullen op een lager niveau moeten worden bezien dan een zeer algemene soort.

Bij soorten die zich niet over grote afstanden kunnen verplaatsen, zoals amfibieën, reptielen, planten en veel soorten insecten, is eerder sprake van een wezenlijk negatieve invloed dan bij soorten die zich over grotere afstanden kunnen verplaatsen. Verder is van belang of het effect van tijdelijke of permanente aard is. Van tijdelijke effecten kan een populatie van een soort zich over het algemeen gemakkelijker herstellen dan wanneer het om een aanhoudend negatief effect gaat.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

4

Projectgerelateerd

3

LIGGING PLAN- EN ONDERZOEKSGEBIED

Het plangebied voor het soortgerichte onderzoek naar de das, betreft een deel van het voormalige KEMAterrein, in de gemeente Oosterbeek (Figuur 3-1; rood omlijnd). Het plangebied wordt omgeven door zowel woonwijken als natuurgebieden met oud landgoedbos en grasland. Ten noorden van het plangebed ligt de Utrechtseweg. Het onderzoeksgebied is breder dan het plangebied, vanwege het in kaart brengen van mogelijke relaties met andere dassenfamilies en hun burchten. In de onderstaande afbeelding is de ligging en begrenzing van het plan- en studiegebied weergeven (Figuur 3-1). Het onderzoeksgebied, ruimer dan het plangebied (Figuur 3-1; rode stippellijn), ligt vlak tegen de bebouwde kom van Arnhem aan en bestaat onder meer uit ruw gazon en bosschages, als onderdeel van een parkachtig landschap tussen de bebouwing van Oosterbeek in het westen en Arnhem in het oosten. Het plangebied ligt op de zuidflank van de Veluwse stuwwal en is licht glooiend. Vlak ten zuiden van het plangebied liggen de uiterwaarden van de Neder-Rijn. Het onderzoeksgebied wordt doorsneden door twee spoorlijnen.

Figuur 3-1: ligging en begrenzing van het plangebied (begrensd door de rode lijn), gelegen aan de Hesweg te Oosterbeek, gemeente Oosterbeek, provincie Gelderland. De rest van het kaartbeeld – binnen de rode stippellijn - geldt indicatief als studiegebied.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

5

Projectgerelateerd

4

WERKWIJZE ONDERZOEK DAS

Het doel van het soortgericht vervolgonderzoek is de functie van de aanwezige dassenburcht te duiden en het aantal dassen dat er gebruik van maakt in beeld te krijgen, zodat effecten van het voornemen beoordeeld kunnen worden in het licht van de Soortenbescherming van de Wet natuurbescherming. Als een ontheffing of een verklaring van geen bedenkingen nodig is voor het uitvoeren van de activiteiten, is het noodzakelijk om inzicht te krijgen in het effect van de activiteiten op de gunstige staat van instandhouding van de populatie van de das. De lokale populatie bestaat uit één of meerdere dassenfamilies. Er moet – in lijn met het Kennisdocument Das (BIJ12, 2017) - in beeld gebracht worden hoe groot de populatie van de das is, hoe deze zich ontwikkelt en op hoeveel exemplaren van de das de activiteit effect zal hebben en daarmee welk effect op de populatie optreedt. Dassen kiezen hun rustplaatsen vaak in droge bossen met enig reliëf en een goed vergraafbare, maar toch voldoende stevige (zand)bodem. Verblijfplaatsen liggen vaak in de directe nabijheid van voldoende geschikt foerageergebied, met name voedselrijke akker- en graslanden, alwaar voldoende insecten en met name regenwormen gevonden kunnen worden. Mogelijk betreft de locatie een vaste verblijfplaats, maar het kan ook gaan om een “bijburcht”, welke af en toe door de das gebruikt wordt.

Hoe dan ook is de constatering van Stichting Das & Boom een noodzaak gecombineerd met een gebrek aan concrete informatie over de burcht de reden om nader onderzoek te doen, om zo de betekenis van het plangebied voor de das te bepalen. Er is gebruik gemaakt van 3 losse wildcamera’s. Deze zijn op 3 locaties op de burchtlocatie geplaatst, waarvan er tweemaal een camera bij een belopen pijp. De derde camera is primair gericht op het burchtcomplex als geheel. De camera’s zijn zo geplaatst dat ze gericht zijn op belopen pijpen, alsook de burcht in bredere zin. De camera’s zijn ingesteld op het maken van foto’s wanneer zij beweging detecteren. Per detectie worden 3 foto’s met een tussenpoos van 1 seconde gemaakt. Eén van de drie camera’s is ingesteld op het maken van filmmateriaal bij passage van bewegende dieren. Het onderzoek is uitgevoerd over twee fysieke rondes, te weten op 5 januari en 15 januari, vallend in de meest optimale periode voor onderzoek naar dassen, onder voorbehoud van voldoende zacht weer zonder al te veel vorst. Tijdens deze ronde is gezocht naar sporen die wijzen op activiteit van de das en daarmee gepaard terreingebruik. Tijdens het eerste bezoek zijn een drietal wildcamera’s geplaatst. In de periode tot en met 15 januari zijn er beelden gegenereerd vanuit drie geplaatste wildcamera’s, welke reageren op beweging.

Tijdens voornoemde onderzoeksperiode van 10 dagen heeft het slechts enkele nachten licht gevroren (niet kouder dan -1 à -2 graden Celsius), dagtemperaturen varieerden van 2 graden tot ruim 10 graden Celsius. Hierbij heeft het enkele dagen geregend en is het tussendoor ook geruime tijd (naar schatting >80% van de tijd gedurende de nacht) droog geweest. Daarmee was sprake van voldoende gunstige weersomstandigheden voor onderzoek naar voorkomen en terreingebruik door de das.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

6

Projectgerelateerd

5

ONDERZOEKSRESULTATEN

Het plangebied is onderzocht op het voorkomen van de das, het bepalen van de omvang van de lokale populatie en het gebruik van het plangebied door de aanwezige das(sen). Ten slotte zijn de overige waarnemingen tijdens de soortgerichte onderzoeken vermeld.

5.1

Resultaten das

Ronde 1: plaatsen van de camera’s en veldonderzoek in de omgeving • In de middag van 5 januari 2021 zijn een drietal camera’s geplaats (zie hoofdstuk 4). • Er is bij drie van de vijf holingangen (pijpen) recente graafactiviteit vastgesteld. • In de directe omgeving, zowel ten zuiden als ten westen van de burcht, zijn oppervlakken met talkrijke snuitputjes en oppervlakkige woelsporen aangetroffen, alsook op de burchtlocatie zelf. • Er zijn op de burchtlocatie diverse (verregende) pootafdrukken van de das aangetroffen, alsook de nodige pootafdrukken van honden. • In de directe omgeving van het plangebied zijn geen andere burchten of aanzetten daartoe aangetroffen. Hierbij is in het bijzonder gekeken in terreinen met bos en taluds tussen het plangebied en Landgoed Mariëndaal in het noorden. o De dichtst bij zijnde bekende dassenburcht ligt circa 1.200 meter noordelijk van de burcht in het plangebied, op landgoed Mariëndaal. Dit betreft een grote burcht met ongeveer 20 pijpen (Mondelinge mededeling Das en Boom, 2021).

Figuur 5-1: zuidelijke pijp, intensief belopen en veel recente graafactiviteit.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

7

Projectgerelateerd

Figuur 5-2: dassenprent bij zuidelijke pijp.

Figuur 5-3: westelijke pijp, eveneens als de zuidelijke pijp intensief belopen, pal onder een laurierstruik gelegen.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

8

Projectgerelateerd

Figuur 5-4: de noordelijke pijp, hier is veel grondverzet geweest, maar dat lijkt in elk geval tijdelijk gestaakt bij gebrek aan heel verse graafsporen.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

9

Projectgerelateerd

Figuur 5-5: situering van bekende dassenburchten ten opzichte van de burcht in het plangebied (op basis van mondelinge informatie Das en Boom, 2021).

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

10

Projectgerelateerd

Ronde 2: ophalen van de camera’s en tweede omgevingsonderzoek (gebruikssporen) • Rond 11 uur in de ochtend op 15 januari 2021 zijn de drie geplaatste camera’s weer in goede staat verwijderd van de onderzoekslocatie. • Er is bij drie van de vijf holingangen (pijpen) recente graafactiviteit vastgesteld, waarbij twee pijpen daadwerkelijk zijn gebruikt in de afgelopen 10 dagen. • Bij twee van de drie recent belopen pijpen is daadwerkelijk dassenactiviteit waargenomen. Het gaat hierbij hoogst waarschijnlijk telkens om dezelfde das, daar nooit twee of meer dassen tegelijk in beeld zijn gekomen en niet meerdere in- en uitsluipacties kort achter elkaar zijn vastgesteld. • Zodoende is op het moment van onderzoek sprake van een burcht die bewoond wordt door één individu van de das. • In de directe omgeving, zowel ten zuiden als ten westen van de burcht, zijn oppervlakken met talkrijke snuitputjes en oppervlakkige woelsporen aangetroffen, alsook op de burchtlocatie zelf, zie hiernavolgende afbeeldingen. • Er is een duidelijke wissel in zuidzuidoostelijke richting waargenomen in het licht berijpte gras (zie Figuur 5-9), welke in eerste instantie richting een dicht struweelperk loopt. In en rond dit struweelperk zijn talrijke verse graafsporen en snuitputten vastgesteld. o Er is (nog) geen indicatie voor een andere burcht.

o Er is een sterk vermoeden dat de das in kwestie foerageert in de dichtbij gelegen uiterwaarden langs de Neder-Rijn, waar voedselrijke graslanden en kleinschalige landschapselementen talrijk aanwezig zijn, welke ideaal foerageergebied vormen voor dassen. • Er zijn op de burchtlocatie diverse (verregende) pootafdrukken van de das aangetroffen, alsook de nodige pootafdrukken van honden.

Figuur 5-6: activiteit van de das ter hoogte van de zuidelijk georiënteerde pijp op woensdag 6 januari 2021, om 18:50 uur.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

11

Projectgerelateerd

Figuur 5-7: eenmaal was er ter hoogte van de zuidelijk georiënteerde pijp activiteit bij daglicht, op 9 januari ’21 omstreeks 9:00 uur.

Figuur 5-8: bij de westelijke ingang was iets minder activiteit, maar toch met enige regelmaat.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

12

Projectgerelateerd

Figuur 5-9: Wissel van de das richting een struweel met plantsoen, zuidoostelijk van de burcht, in de richting van de uiterwaarden. In dit struweel is overigens geen (bij)burcht aangetroffen, wel zijn er foerageersporen gevonden.

Figuur 5-10: verse sporen van de das; deze was op zoek naar voedsel onder eiken langs de Hesweg. De burchtlocatie ligt achter het schuurtje. Oppervlakkigheid van deze woelsporen onderscheidt dassensporen van sporen van het wilde zwijn, welke veel dieper wroet en in theorie niet voorkomt in het plangebied.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

13

Projectgerelateerd

5.2

Waarnemingen andere beschermde soorten

Gedurende het dassenonderzoek zijn in de directe omgeving van de burcht een tweetal nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) aangetroffen (zie Figuur 5-11), waarvan er een te zien is in de onderstaande afbeelding (Figuur 5-11). Dit betreft een winternest, wat zich kenmerkt door een relatief grote omvang en een grote hoeveelheid bladeren in de bouw van het nest. Het gaat naar verwachting om hoogstens enkele individuen. Hiermee is het plangebied tevens van belang als algeheel leefgebied voor de eekhoorn. Hiermee zijn de conclusies van het soortgericht aanvullend onderzoek (EKOZA, 2019) achterhaald ten aanzien van de eekhoorn. De soort is destijds niet aangetroffen na gedegen onderzoek.

Figuur 5-11: waargenomen eekhoornnest, in een zomereik in de directe nabijheid van de burchtlocatie van de das.

5.3

Samenvatting onderzoeksresultaten

In het onderstaande overzicht zijn de waargenomen soorten weergeven, inclusief de functie die het plangebied voor deze soorten vervult (zie Tabel 5-1). Verder zijn waarnemingen, beschreven onder paragraaf 5.1 en paragraaf 5.2, weergegeven op een kaart (zie Figuur 5-12). Tabel 5-1: overzicht van waargenomen soorten per soortgroep en de functie die het plangebied vervuld voor deze soorten. Waargenomen soorten / functie plangebied

Beschermingscategorie

Das – het plangebied maakt onderdeel uit van een vaste verblijfslocatie én foerageergebied van ten minste één individu van de das.

Artikel 3.10

Eekhoorn – het plangebied maakt deel uit van algeheel leefgebied met vaste rust- en voortplantingsplaatsen.

Artikel 3.10

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

14

Projectgerelateerd

Figuur 5-12: overzicht gedane waarnemingen gedurende het onderzoek.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

15

Projectgerelateerd

6

EFFECTBEOORDELING SOORTENBESCHERMING

6.1

Voorgenomen ontwikkeling van het plangebied

Het plangebied wordt omgevormd naar een groene woonwijk met verschillende bebouwingsclusters. Deze worden ontsloten door een rondgaande weg of straat, welke op basis van huidige tekeningen vooral langs de randen van het plangebied zal lopen. Zowel voor aanleg van de ontsluitingsweg als de diverse woonblokken worden bomen gekapt. Ook is er aanvullend ruimtebeslag op terreindelen met gras en plantsoenen. Verder zal aanleg van funderingen en ondergrondse infrastructuur leiden tot het nodige grondwerk in het plangebied. Zie figuur 6-1 voor een voorlopige impressie van de beoogde ingreep.

Figuur 6-1: impressie van de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied De Hes. De witte ster geeft de locatie van de dassenburcht aan, oranjerode sterren markeren de locaties van de aangetroffen eekhoornnesten. Er zijn raakvlakken met de locatie van een parkeervak (gele lijnen) en enkele bouwvlakken (zwarte lijnen). Paarse kruizen markeren bomen die gerooid worden.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

16

Projectgerelateerd

6.2

Das

De burcht is gesitueerd ter hoogte van een bouwblok, waar tevens parkeervakken zijn gepland. Daarmee zou realisatie van de actuele plannen voor Arnhems Buiten leiden tot vernietiging van een bestaande burchtlocatie van ten minste 1 das, wat gelijk staat aan een overtreding van artikel 3.10, eerste lid, sub b, van de Wet natuurbescherming. Indien gewerkt wordt in de kwetsbare periode en zonder rekening te houden met het voorkomen van das, kan de uitvoering van de ingreep daarnaast leiden tot het verstoren, verwonden en/of doden van individuen van das. Dit is een overtreding van artikel 3.10, eerste lid, sub a, van de Wet natuurbescherming.

6.3

Eekhoorn

De nesten en een belangrijk deel van het bos als geschikt leefgebied voor de eekhoorn is gesitueerd ter hoogte van een bouwblok alsook de rondgaande ontsluitingsweg. Daarmee zou realisatie van de actuele plannen voor Arnhems Buiten leiden tot vernietiging van bestaande nestlocaties van een of meer eekhoorns, wat gelijk staat aan een overtreding van artikel 3.10, eerste lid, sub b, van de Wet natuurbescherming. Indien gewerkt wordt in de kwetsbare periode en zonder rekening te houden met het voorkomen van eekhoorn, kan de uitvoering van de ingreep daarnaast leiden tot het verstoren, verwonden en/of doden van individuen van eekhoorn. Dit is een overtreding van artikel 3.10, eerste lid, sub a, van de Wet natuurbescherming.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

17

Projectgerelateerd

7

JURIDISCHE HAALBAARHEID

De te nemen vervolgstappen zijn afhankelijk van de mogelijkheden om het ontwerp voor herinrichting van het plangebied gunstiger af te stemmen op het voorkomen van zowel de das als de eekhoorn. Een ontheffingsaanvraag ten aanzien van beide soorten is in elk geval nodig, omdat de voorgenomen ontwikkeling hoe dan ook leidt tot verminderde functionaliteit van de huidige burchtlocatie van de das alsook de nestlocaties van de eekhoorn.

7.1

Onderbouwing en vergunbaarheid ontheffingsaanvraag

Omdat beschermde soorten en/of verblijfsfuncties zijn aangetroffen, is het zaak om rekening te houden met een ontheffingsaanvraag. Hierin moet duidelijk onderbouwd worden, dat: a) er geen andere bevredigende oplossing of alternatief bestaat dat minder effect heeft op aanwezige beschermde natuurwaarden. b) de ontheffing nodig is in het kader van een geldig wettelijk belang en, c) er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Met name punt a) vraagt om een sluitende onderbouwing, waarbij het ontwerp tegen het licht moet worden gehouden om te bepalen waar alternatieven danwel optimalisaties mogelijk zijn met minder impact op beschermde soorten. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan opties die ruimtegebruik op bestaande bosschages beperken, evenals kansen voor een doorlopende groene corridor voor de das richting de uiterwaarden van de Neder-Rijn, waarbij het plangebied wordt gezien als schakel tussen leefgebieden op de Veluwe en hoogwaardige foerageergebieden in de Rijnuiterwaarden.

Het is nu niet duidelijk of andere bevredigingen oplossingen mogelijk zijn, en of er alternatieven bestaan waar de aantasting van de burchten, nestlocaties en aanliggend essentieel leefgebied door bijvoorbeeld uit te wijken naar een andere locatie of het ontwerp aan te passen. De alternatievenafweging valt echter buiten de scope van de onderhavige rapportage, wel wordt onderstaand ingegaan op of het mogelijk is een eventuele ontheffingsaanvraag te kunnen onderbouwen op basis van een geldig wettelijk belang voor de vastgestelde soorten en functie (paragraaf 7.2) en of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven om de betrokken soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan (paragraaf 7.3). De punten b) en c) zijn te onderbouwen in samenhang met de uitkomsten met betrekking tot punt a) en dienen allen te worden verwerkt in een activiteitenplan voor een ontheffingsaanvraag soortenbescherming Wet natuurbescherming.

7.2

Conclusie juridische haalbaarheid

Onder voorbehoud van een goede alternatievenafweging is er zicht op het verkrijgen van een ontheffing voor beschadigen en vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen van das en eekhoorn in het kader van een ruimtelijke ingreep zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming. Hierbij moeten de benodigde voorzorgsmaatregelen en mitigerende maatregelen worden uitgewerkt in een activiteitenplan.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

18

Projectgerelateerd

8

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

In dit hoofdstuk zijn de conclusie en aanbevelingen opgenomen naar aanleiding van soortgericht onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van de das.

8.1

Conclusie

Er is komen vaste rust- en verblijfplaatsen van das en eekhoorn voor in het plangebied. Het plangebied maakt voor een deze beschermde soorten onderdeel uit van een essentieel leef- en/of foerageergebied. De voorgenomen ontwikkeling voldoet voor de onder artikel 3.10 beschermde ‘Andere soorten’ aan een geldig wettelijk belang. Voor de onder artikel 3.10 beschermde Andere soorten (das en eekhoorn) is op basis van het onderzoek te concluderen dat het plangebied als algeheel leefgebied bestempeld kan worden in samenhang met aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen. Dat houdt in dat een aantasting van omliggend essentieel leefgebied een direct negatief effect heeft op de functionaliteit van aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van zowel das als eekhoorn. De voorgenomen ontwikkeling is – gezien aanwezigheid van alternatieve leefgebieden in de omgeving en eventuele mogelijkheden voor optimalisatie van leefgebied binnen het nieuwbouwplan – naar verwachting te verenigingen met de voorwaarde om geen afbreuk te doen aan de (gunstige) staat van instandhouding van das en eekhoorn. In het kader van een ontheffingsaanvraag is het belangrijk dat er voldoende alternatieven (ontwerp, werkwijze en planning realisatie) zijn afgewogen welke minder effect hebben op aanwezige beschermde soorten.

Daarbij geldt ook dat er een toereikend pakket mitigerende en/of compenserende maatregelen beschreven moet worden. Het is belangrijk dat afweging van alternatieven en een toereikende set mitigerende maatregelen ten aanzien van zowel das als eekhoorn worden vastgelegd in een nader op te stellen activiteitenplan. Dit document is de basis voor een ontheffingsaanvraag ten aanzien van das en eekhoorn en zal als zodanig door het bevoegd gezang (de provincie Gelderland) moeten worden goedgekeurd.

8.2

Adviezen ten aanzien van de das

In beginsel zijn er verschillende alternatieven of scenario’s te bedenken om de burcht en/of omliggend leefgebied te sparen, en wel de volgende: 1. Aanpassing ontwerp, waarbij dassenburcht en omliggend functioneel leefgebied (bos en gazon) worden ontzien, gecombineerd met een doorlopende verbinding richting de uiterwaarden, bijvoorbeeld in de groenstrook langs de spoorlijn Arnhem-Nijmegen. Zo blijft de schakel tussen de populatie in Mariëndaal (noordelijk van het plangebied) en hoogwaardig foerageergebied (Rijnuiterwaarden) in stand. 2. Mogelijk kunnen aanwezige danwel geplande groenstructuren verder geoptimaliseerd worden door toepassing van vruchtdragende boom- en struiksoorten, zoals zoete kers, wilde appel, meidoorn en sleedoorn. 3. Indien aanpassing van het ontwerp niet voldoende is om de lokale staat van instandhouding van de burcht te waarborgen, dient - bij voorkeur in overleg met Das & Boom – de bestaande dassenburcht onklaar gemaakt te worden, waarbij de aanwezige das (of dassen) naar een nieuwe burchtlocatie. o Hierbij geldt als voorwaarde dat er geen redelijke alternatieven zijn met minder impact op de dassenbucht en daarmee samenhangend leefgebied.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

19

Projectgerelateerd

8.3

Adviezen ten aanzien van de eekhoorn

Ook ten aanzien van de eekhoorn zijn er verschillende alternatieven of scenario’s te bedenken om de nesten en/of omliggend leefgebied te sparen of zelfs te optimaliseren, en wel de volgende: 1. Aanpassing ontwerp, waarbij nestlocaties en omliggend functioneel leefgebied (bos) worden ontzien. 2. Optimalisatie van bestaande en nieuwe groenstructuren, met toepassen van naaldboomsoorten (grove den, thuja) en vruchtdragende loofboomsoorten als hazelaar, walnoot en tamme kastanje, maar bijvoorbeeld ook wilde appel. 3. Indien aanpassing van het ontwerp niet voldoende is om de lokale staat van instandhouding van de burcht te waarborgen, dienen er vervangende verblijfplaatsen voor de eekhoorn te worden gerealiseerd. Advies is om deze reeds een jaar voor eventuele kap van nestbomen aan te brengen en dit als zodanig in het activiteitenplan te benoemen.

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

20

Projectgerelateerd

GERAADPLEEGDE BRONNEN • • • • •

EKOZA, 10 juli 2019. Nader onderzoek ecologie De Hes, Arnhems Buiten. BIJ12, juli 2017. Kennisdocument Das, versie 1.0. Geraadpleegd via: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soorten-ontheffingen-wet-natuurbescherming/ Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), reeks van 5-1-2011 t/m 5-1-2021. Stichting Das & Boom, telefonische consultatie gedaan omstreeks 21 januari 2021. Wet natuurbescherming, via www.overheid.nl, https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01 en http://www.stibbeblog.nl/all-blog-posts/environment-and-planning/bescherming-van-houtopstandenonder-de-wet-natuurbescherming-deel-1/

25 februari 2021

DASSENONDERZOEK DE HES

BF5632WATRP2101251532

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.renkum.nl/api/v1/meetings/1825/documents/23269