CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

zienswijzennota Start MER Htsweg 9A- versie 2

Informatievoorziening raad 21 juli 2022, gemeente RaalteBij agendapunt: Notitie Reikwijdte en detailniveau MER Heetenseweg 9A8.027 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zienswijzennota Startnotitie en concept milieueffectrapport uitbreiding varkenshouderij Heetenseweg 9A in Heeten

Gemeente Raalte v.2 28 juni 2022

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ...................................................................................2 1.1. 1.2 1.3

ZIENSWIJZEN ..............................................................................................................................................2 ADVIEZEN VAN INSTANTIES ............................................................................................................................2 LEESWIJZER ................................................................................................................................................2

HOOFDSTUK 2 ZIENSWIJZEN ..............................................................................3 2.1 INGEDIENDE ZIENSWIJZEN .............................................................................................................................3 ZIENSWIJZE 1: .........................................................................................................................................................4 ZIENSWIJZE 2: .........................................................................................................................................................5 ZIENSWIJZE 3: .........................................................................................................................................................6 ZIENSWIJZE 4: .......................................................................................................................................................11 ZIENSWIJZE 5 ........................................................................................................................................................13 ZIENSWIJZE 6 ........................................................................................................................................................14 ZIENSWIJZE 7

........................................................................................................................................................16

HOOFDSTUK 3 ADVIEZEN VAN INSTANTIES..........................................................17 3.1 3.2 3.3 3.4.

INLEIDING .................................................................................................................................................17 OMGEVINGSDIENST IJSSELLAND ....................................................................................................................17 GGD IJSSELLAND .......................................................................................................................................18 VEILIGHEIDSREGIO IJSSELLAND/BRANDWEER ...................................................................................................18

BIJLAGE 1 ZIENSWIJZEN ...................................................................................19 BIJLAGE 2 ADVIEZEN........................................................................................20

1

HOOFDSTUK 1 1.1.

INLEIDING

Zienswijzen

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Raalte heeft de startnotitie voor het milieueffectrapport en een concept milieueffectrapport voor de uitbreiding van de varkenshouderij aan de Heetenseweg 9A in Heeten gepubliceerd en ter inzage gelegd. De stukken hebben van donderdag 17 maart 2022 tot en met woensdag 27 april 2022 ter inzage gelegen. Er zijn gedurende de periode zes zienswijzen ingediend. Na de termijn is er nog een zienswijze ingekomen. Deze nota van zienswijzen is nog geen beoordeling van de zienswijzen in het kader van medewerking aan de plannen/vergunning van de ondernemer. Het geeft aan op welke wijze de in de reacties opgenomen aspecten zijn verwerkt in de notitie Reikwijdte en Detailniveau voor de op te stellen Milieueffectrapportage. Deze milieueffectrapportage moet onderdeel zijn van de vergunningaanvraag en zal inzicht moeten geven in de milieueffecten van de plannen. Op basis daarvan kunnen de milieueffecten dan op een goede manier meegewogen worden in de afweging of er definitief medewerking kan worden gegeven aan de benodigde vergunningen voor uitvoering van de beoogde plannen.

1.2

Adviezen van instanties

Tijdens de periode van inzage is ook aan instanties gevraagd om advies uit te brengen over de rapporten in het kader van de reikwijdte en het detailniveau van het definitieve MER voor de uitbreiding van de varkenshouderij.

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 van deze zienswijzennota bevat de samenvatting en beantwoording van de ingekomen zienswijzen. In hoofdstuk 3 zijn de ingekomen adviezen van instanties opgenomen en in hoofdstuk 4 zijn de punten weergegeven die in het kader van de reikwijdte en het detailniveau van het MER meegenomen dienen te worden in het definitieve MER.

2

HOOFDSTUK 2

2.1

ZIENSWIJZEN

Ingediende zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 17 maart 2022 tot en met woensdag 27 april 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn zeven zienswijzen ingediend bij het college. Zes zienswijzen zijn binnen de termijn ingediend en voorzien van de benodigde gegevens. Hiermee zijn deze zienswijzen ontvankelijk. Zienswijze 7 is te laat ingediend, en ontvangen en is daarmee niet ontvankelijk.

Nr.

Zienswijze

Datum zienswijze ontvangen

Ontvankelijk / nietontvankelijk

1

22 April 2022

ontvankelijk

2

Mondeling op 25 april en aangevuld op 26 april

ontvankelijk

3

25 april 2022

ontvankelijk

4

Per post 28 april, (gepost op 26 april 2022) + 25 april per e-mail

ontvankelijk

5

e-mail 26 april 2022

ontvankelijk

6

26 april 2022 (balie)

ontvankelijk

7

9 mei 2022 (gedateerd 5 mei/datum poststempel 6 mei 2022)

Niet- ontvankelijk

Hieronder zijn de zienswijzen samengevat en voorzien van beantwoording. Hoewel zienswijze 7 nietontvankelijk is omdat deze buiten de zienswijze ruim buiten de termijn is ingekomen (en gedateerd is) is deze wel in de beantwoording meegenomen. Hierbij wordt nogmaals opgemerkt dat de zienswijzen in deze fase worden beantwoord in het kader hoe deze aspecten meegenomen worden in de notitie Reikwijdte en detailniveau en daarmee op de aspecten die aan de orde moeten komen in de milieueffectrapportage. De aanvrager is op de hoogte gebracht van de zienswijzen en het definitieve MER zal moeten voldoen aan den notitie Reikwijdte en detailniveau. In de beantwoording van de zienswijze noemen we deze de notitie R&D.

3

Zienswijze 1: Indiener heeft de volgende zienswijze:

Argument 1 Er is veel onduidelijk en getallen/ berekeningen geven onvoldoende zekerheid over de werkelijke uitstoot en hinder van ammoniak. Er is sprake van een onderschatting van de totale ammoniak emissie van zo’n 15% door een verschil in de berekende en gemeten concentraties volgens een onderzoek van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet. Het is ook al langer bekend dat de stikstofuitstoot veel te hoog is en ongewenste effecten geeft op natuur en luchtkwaliteit en het klimaat. Indiener raad voor een verantwoorde besluitvorming aan om het boekje: Stikstof. De sluipende effecten op natuur en gezondheid van de Stichting Biowetenschappen en Maatschappij (2021) te lezen. Doordat er in de concept MER wordt uitgegaan van de berekende waardes voor uitstoot en geurhinder zal door het ‘ammoniakgat’ dit in de praktijk tot tientallen procenten ongunstiger uitvallen volgens indiener.

Beantwoording Op dit moment moet uitgegaan van de in de wetgeving vastgelegde berekeningsmethodiek voor het bepalen van de ammoniak emissie en depositie. Het meten van ammoniakemissie voordat de plannen uitgevoerd zijn is niet mogelijk. Wel vragen wij in de notitie R&D paragraaf 2.8.2 om in het MER uit te gaan van de meest recente versies van het daarvoor wettelijk voorgeschreven rekenprogramma Aerius, alle aspecten die mogelijk stikstof uitstoten hierbij mee te nemen en ook op voorhand inzicht te geven welk reductiepercentage de luchtwasser minimaal moet hebben om aan de wettelijke normen ten aanzien van stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden te voldoen. Argument 2 Indiener stelt dat het aantal dieren met de plannen globaal verdubbeld en daarmee ook de productie van fijnstof en ammoniak binnen de stal. Indiener vraagt zich af of de voorgestelde technische maatregelen wel kunnen verhinderen dat stikstof en fijnstof in de omgevingslucht terecht komen, ook bij het nemen van de maximale technische maatregelen uit het aangegeven ‘Meest Milieuvriendelijke Alternatief’. De stikstof die de dieren uitscheiden moet toch ergens naar toe, en is niet zomaar weg.

Beantwoording De toegepaste stalsystemen zijn beoordeeld en de reductiefactoren zijn daarbij vastgelegd. Ten aanzien van een aantal systemen is inderdaad gebleken dat de reductie af kan hangen van de specifieke omstandigheden. Indien dit noodzakelijk blijkt kan dit in een vergunning met een voorschrift ook geborgd worden. Voor het overige verwijzen wij naar onze beantwoording van argument 1 van de indiener. En vragen we ook om specifiek aan te geven in het MER hoe maatregelen gemonitord en geborgd worden. Argument 3 Indiener ziet ook dat de geuremissie bijna tweemaal zo hoog wordt ten opzichte van de huidige situatie, ook hier wordt dit met uitgebreide technische maatregelen nu lager ingeschat. Er wordt tot achter de komma een verbetering gemeld dit is volgens indiener misleidend omdat de berekeningen en metingen dus verschillen kunnen geven. Op dit moment is er al sprake van geurhinder in de buurt, afhankelijk van de weersomstandigheden. Op grond van de concept MER met het verschil in de berekeningen en het weer is geen duidelijkheid te geven over minder geuroverlast. Er is volgens indiener, gelet op de bijna tweemaal zo hoge emissie van geur eerder kans op een toename van geuroverlast.

Beantwoording Ook ten aanzien van de geur kan de situatie voor uitvoering van plannen alleen berekend worden met de daarvoor wettelijk aangegeven berekeningsmethode (V-stacks). Daarnaast is het meten van geur en de hinder of overlast die dit geeft is lastig objectief te meten. In het MER moet hier op basis van een hinderindicatie op basis van de berekende geurhinder van de GGD wel inzicht in worden gegeven. In Paragraaf 2.8.1 van de notitie R&D worden hiervoor, naast de al noodzakelijke berekeningen ook op een aantal specifieke extra geur aspecten gevraagd dit in het MER in beeld te brengen.

4

Argument 4 Indiener vindt dat de uitstoot aan de bron moet worden bestreden, en de beste manier is daarvoor om aan de bron maatregelen te nemen, het houden van minder vee.

Beantwoording In de notitie R&D gaan wij uit van de plannen zoals de ondernemer deze heeft beschreven en op basis waarvan het MER wordt uitgevoerd. Daarbij moeten alle ‘redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven” in beeld worden gebracht. Daarbij zal haalbaarheid en betaalbaarheid voor de initiatiefnemer een afweging zijn. Overigens worden er in productiegebied Oost (globaal Overijssel en Gelderland) in dit geval niet meer varkens gehouden. De ondernemer zal productierechten van elders uit dit gebied moeten aankopen om meer varkens op deze locatie te kunnen gaan houden. Dit neemt niet weg dat wij in paragraaf 2.8 uitdrukkelijk vragen om in het MER op verschillende aspecten uitdrukkelijk in te gaan op de emissies en de mogelijke effecten daarvan in de omgeving. Argument 5 Indiener vind dat er een keuze gemaakt moet worden efficiënter gebruik van beschikbare landbouwgrond voor het produceren van plantaardig voedsel voor mensen, niet voor productie van veevoer voor de productie van vlees. Verder gaande schaalvergroting van veehouderij is daarmee niet nodig en de daarbij horende toename van de milieudruk. Een visie op een meer circulaire, kleinschalige bedrijfsvoering in combinatie met landschapsbeheer is volgens indiener meer toekomst gericht ook gezien het stringentere beleid inzake stikstofemissie waar ondernemer en gemeente rekening mee dienen te houden.

Beantwoording In de notitie R&D gaan wij uit van de plannen zoals de ondernemer deze heeft beschreven en op basis waarvan het MER wordt uitgevoerd. Wij zijn het met indiener eens dat voldaan moet worden aan de eisen inzake het stikstofemissie en zullen hierop ook nadrukkelijk toetsen. Argument 6 De stallen komen volgens indiener het landschappelijk schoon gezien de ligging nabij landgoed Schoonheten niet ten goede, dit moet in de besluitvorming worden meegenomen.

Beantwoording In paragraaf 2.3 van de notitie R&D vragen we nadrukkelijk om de effecten op natuur en landschap te beschrijven en hierbij alternatieven af te wegen in het MER. De toekomstige situatie zal een meerwaarde moeten hebben voor de omgeving. Landschap is daarbij één van de aspecten.

Zienswijze 2: Indiener heeft de volgende zienswijze: Indiener geeft aan dat de gemeente moeten trots zijn dat er nog ondernemers met deze plannen zijn. Raalte is nog steeds een agrarische gemeente. Indiener is zeker niet tegen de plannen van zijn buren maar wil wel een aantal aandachtpunten en vragen meegeven in deze fase. Maar wenst de aanvrager heel veel succes met het uitvoeren van zijn plannen.

Argument 1 De plannen geven aan dat er 30 tot 35% minder stikstof wordt geproduceerd in de nieuwe situatie. Indiener wil weten wat er gebeurt er met deze stikstofruimte. Mag dat nog elders of voor uitbreidingen van het bedrijf in de toekomst ingezet worden? De groene gereduceerde stikstof (vanuit de landbouw) mag volgens indiener geen grijze stikstof benutting worden en ingezet worden voor bijvoorbeeld industrie. Is er voor de plannen een nieuwe of aanpassing van de Wet natuurbeschermingsvergunning nodig en welke natuurgebieden zijn het meest bepalend voor de stikstof in dit geval?

5

Beantwoording Uit de gegevens in de concept MER blijkt in het MMA inderdaad sprake van een afname van stikstof emissie en depositie. In paragraaf 2.8.2 van de notitie R&D is opgenomen dat beschreven moet worden dat de reductie die door uitvoering van de plannen ontstaat niet meer elders ingezet wordt en daarmee ten goede komt aan de natuur. Argument 2 Indiener vraagt zich af hoe wordt geur – odeur bepaald worden? Wordt dit gemeten of berekend? Wordt hier ook rekening gehouden met het pompen en mixen van mest naar en in de mestsilo’s? Zorgt het eventueel aanpassen van de ontluchting van de mestsilo met een pijp omhoog i.p.v. beneden nog voor een andere geursituatie? Of is ‘s nachts mixen mogelijk? Met het toepassen van BAT (best available techniques) kan de geringe geuroverlast ook in de toekomst zo gering blijven.

Beantwoording Geur wordt uitgedrukt in Odeur units, en berekend met daarvoor voorgeschreven rekenmethodes. In Paragraaf 2.8.1 van de notitie R&D worden hiervoor, naast de al noodzakelijke berekeningen ook voor een aantal specifieke geur aspecten gevraagd dit in het MER op te nemen. Dit betreft onder andere het mixen van mest en alternatieven en mogelijkheden om geurhinder te beperken. Argument 3 Indiener vraagt zich af of de plannen voor uitbreiding van de varkenshouderij ook invloed hebben op de WOZ-waarde van zijn woning?

Beantwoording Een planologische verandering, zoals deze uitbreiding van een veehouderij kan invloed hebben op de waarde van uw woning, of dat het geval is zal afhangen van de specifieke omstandigheden. Dit kan dan ook van invloed zijn op de WOZ-waarde van uw woning. Wettelijk is bepaald dat indien u van mening bent dat u (plan) schade heeft door een planologisch besluit u, nadat alle gerechtelijke procedures tegen dat besluit zijn afgerond, hierover een planschadeverzoek kan indienen. De waarde van onroerend goed en mogelijke (plan)schade is geen direct item dat mee wordt genomen in de milieueffectrapportage en daarmee wordt dit aspect niet verder benoemd in de notitie R&D. In de ruimtelijke procedure moet de economische uitvoerbaarheid van het plan wel meegenomen worden. Overigens is een van de voorwaarden voor medewerking dat eventuele planschade voor risico en rekening van de ondernemer komt. Dit wordt in een overeenkomst vastgelegd.

Zienswijze 3: Indieners hebben de volgende zienswijze:

Argument 1 Indieners menen dat de term “Gesloten Varkensbedrijf” niet juist is. Er is sprake van vervoer van dieren, kadavers en voer en er is uitstoot naar buiten en overlast van geluid. Indiener roept op hier bij de beoordeling rekening mee te houden en aan aanvrager aan te geven deze term in het vervolgtraject niet meer te gebruiken.

Beantwoording De term “gesloten varkensbedrijf” is gangbaar in de landbouwsector om aan te geven dat de biggen die op een bedrijfslocatie geboren worden ook op deze locatie gemest worden. Er worden geen biggen af en aangevoerd op het bedrijf, zoals bij een vermeerderingsbedrijf of een vleesvarkensbedrijf wel gebeurt. In het MER moet een goede beschrijving van de bedrijfsvoering worden opgenomen en de daarmee samenhangende (milieu) effecten, daarmee moet er voldoende inzicht gegeven worden in de bedrijfsvoering en de mogelijke externe effecten hiervan. Het al dan niet gebruiken van de term ‘gesloten varkensbedrijf’ is daarmee voor de beoordeling van de milieueffecten niet van belang.

6

Argument 2a Indiener geeft aan dat er maar met een beperkt aantal buren is gesproken en er enkele hemelsbreed dichter bij het bedrijf gelegen adressen niet zijn betrokken. Indiener wil graag dat dit wordt uitgebreid en ziet graag ook bevestiging dat van de gevoerde gesprekken de vastgelegde gegevens ook door de betreffende buren akkoord zijn bevonden.

Beantwoording In paragraaf 2.7 van de notitie R&D is opgenomen dat inzicht moet worden gegeven in de dialoog met omwonenden, met daarbij onderbouwd welke omwonenden wel (of niet) betrokken zijn en worden. Of deze in hebben gestemd met de weergave van de eerdere gesprekken en ook hoe het vervolg van deze dialoog er uit gaat zien. Argument 2b Indiener ziet graag dat het dichtstbijzijnde punt van Landgoed Schoonheten in alle berekeningen wordt meegenomen. De impact van het initiatief op dit landgoed is groot, maar doordat er niet aan de rand gewoond wordt, wordt dit in het geheel niet meegenomen. De natuur kan zich niet verdedigen.

Beantwoording In paragraaf 2.9 van de notitie R&D is aangegeven dat in ieder geval voor het aspect geur op enkele punten binnen het landgoed Schoonheten ook de huidige en beoogde situatie in beeld moet worden gebracht. Hoewel dit wettelijk niet noodzakelijk is geeft dit inzicht in de geursituatie voor en na de uitvoering van de plannen. Argument 3 Gesteld wordt dat ‘innovatie en experiment’ in het uitbreidingsplan ontbreekt. Indiener verzoekt de voorliggende aanvraag hierom af te wijzen omdat deze niet voldoet aan de “Omgevingsvisie Horizon 2040”. In de concept MER is er geen sprake van innovatieve en/of experimentele maatregelen, in deze tijd is het volgens indiener zeker zaak om hieraan expliciet een hoofdstuk te wijten.

Beantwoording In paragraaf 2.13 van de notitie R&D wordt gevraagd om inzicht te geven in eventuele innovatieve technieken en de milieugevolgen hiervan in beeld te brengen. Ook wat betreft monitoring zijn er wellicht innovaties mogelijk. Door aandacht te vragen voor dit aspect kan dit ook op een goede manier meegewogen worden in het de uiteindelijke afweging of de plannen passen binnen de Omgevingsvisie Horizon 2040. Op dit moment wordt deze afweging nog niet gemaakt. Argument 4 Indiener stelt dat gerekend moet worden met de daadwerkelijk vastgestelde prestaties van installaties op basis van de omstandigheden en op basis van onafhankelijk onderzoek opgeleverde testresultaten uit de praktijk. Dit omdat er in verschillende onderzoeken blijkt dat de emissie arme stallen en technieken, waaronder luchtwassers, in de praktijk mogelijk evenveel of misschien wel meer ammoniak uitstoten. https://library.wur.nl/webquery/wurpubs/fulltext/477219 - rapport over stikstof en fosfaat excretie uit 2019 wordt door indiener aangehaald met de opmerking dat dit aspect ook getoetst moet worden in deze situatie.

Beantwoording In paragraaf 2.8.2 van de notitie R&D is opgenomen dat onder andere de emissiefactoren uit de Rav (Regeling ammoniak en veehouderij) ter discussie zijn gesteld. In de voorlopige voorziening (Rechtbank Gelderland, zaaknr. 21.228, d.d. 16-2-2021 en uitspraken van 11 mei 2022 van de rechtbank Overijssel zie o.a.: ECLI:NL:RBOVE:2022:1227 )wordt door verzoekers gesteld dat bij staltypen o.a. BWL 2009.12.V4 ten onrechte is uitgegaan van de in de Rav opgenomen emissiefactoren. In het MER moet daarom de gevolgen in beeld worden gebracht indien er rekening gehouden moet worden met een eventueel lager reductiepercentage van ammoniak. Bijvoorbeeld geen 85% reductie, maar

7

een reductie van 45% (gelijk aan het reductiepercentage van de geuremissie) Daarnaast moet worden beschreven tot welk reductie% van de wasser nog word voldaan, zodat geen sprake is toename is van ammoniakdepositie op de Natura2000 gebieden. Op deze wijze wordt meer in beeld gebracht wat de effecten bij eventuele andere en mindere ammoniakreductie kunnen zijn.

Overigens geeft het aangehaalde rapport een voorstel voor geactualiseerde excretieforfaits voor stikstof en fosfaat voor de uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Deze is inmiddels op basis hiervan geactualiseerd. Argument 5 Indiener vraagt om een onafhankelijk en op daadwerkelijke cijfers gebaseerd controlesysteem ter controle van de in de MER opgenomen doelstellingen en uitgangspunten. Ook vraagt hij om een systeem te ontwikkelen met voorwaarden en consequenties, dat als de voorgestelde oplossing niet, of onvoldoende werkt, er aanpassingen moeten worden gedaan zodat toch aan de gestelde eisen wordt voldaan.

Beantwoording In paragraaf 2.13 van de notitie R&D is opgenomen dat in het MER beschreven op welke wijze verschillende installaties en maatregelen gemonitord worden en hoe controle hierop plaats kan vinden. Indien noodzakelijk kunnen hiervoor ook voorschriften aan de vergunning worden verbonden. Argument 6 Indiener wil dat de door het college gevraagde “motivatie” in hoeverre de toekomstige situatie een meerwaarde oplevert voor de leefomgeving wordt gehandhaafd. Zonder meerwaarde is er volgens indiener geen levensvatbaar plan.

Beantwoording In het MER moeten de effecten op het milieu en de leefomgeving van het plan onderzocht en beschreven worden. Mede op basis daarvan zal de onderbouwing van de meerwaarde van de toekomstige leefomgeving beoordeeld kunnen worden bij de besluitvorming. Dit is daarom geen afzonderlijk aspect dat in het MER opgenomen behoeft te worden. Argument 7a Indiener geeft aan dat de in de concept MER aangegeven optie ‘Gewenst Initiatief’ nog ruimte bied ten aanzien van de reductie van geuremissie en stikstof en ammoniak emissie. Dit terwijl het college uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de plannen volgens het Meest Milieuvriendelijke alternatief” uit de concept MER of daarmee vergelijkbaar uitgevoerd moeten worden. Indiener wil dat er niet verder gesproken wordt van opties en duidelijk en objectief vast komt te staan dat dat het MMA gekozen wordt. Hierbij wil indiener graag ook weten tot welk moment er nog nieuwe alternatieven meegenomen en meegewogen kunnen worden. Dit omdat ook het wettelijk kader in beweging is en de MER uitgaat van de “oude” situatie

Argument 7b Als er in de uiteindelijke MER nog sprake is van een meerprijs voor de MMA dan verzoekt indiener een financiële onderbouwing van deze meerprijs, voor zover de ondernemer deze relevant acht.

Beantwoording In paragraaf 2.2. van de notitie R&D is opgenomen dat de initiatiefnemer de benaming van het “gewenst initiatief” aan dient te passen. Ook is daarbij aangegeven dat er aangegeven dient te worden wat de haalbaarheid hiervan is . Als het alternatief niet haalbaar/realiseerbaar wordt geacht lijkt het opnemen van een financiële vergelijking met dit alternatief ook niet relevant. Argument 8 Gesteld wordt dat het wat tegenstrijdig klinkt om onder de noemer “Kwaliteitsimpuls Groene omgeving” en uitbreiding van 1,5 ha bebouwing en her en der wat aanplant in weilanden in te kunnen stemmen. Indiener ziet dit zeker niet als kwaliteitsimpuls voor de groene omgeving en verzoekt om deze term niet meer te gebruiken.

8

Beantwoording De term “Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving” is opgenomen in de Overijsselse Omgevingsverordening in artikel 2.1.6 het schrappen van deze term, lijkt vanwege de beschrijving en motivering ten opzichte van deze verordening niet mogelijk. Uiteindelijk moet in de ruimtelijke onderbouwing aannemelijk worden gemaakt dat aan dit aspect uit de provinciale Omgevingsverordening voldaan kan worden. De beoordeling daarvan is in het kader van de reikwijdte en detailniveau van het MER nog niet aan de orde. Argument 9 Indiener stelt dat er geen alternatieve locatie in het verzoek en de concept MER Is meegenomen. Zeker nu er gevraagd is alternatieven in beschouwing te nemen die een gunstig effect op de geuremissie hebben nader uit te werken, ligt het volgens indiener voor de hand om ook naar een alternatieve locatie, zoals op het industrieterrein te kijken, omdat het een “gesloten varkensbedrijf” betreft. Ook om zo kwetsbare natuurgebieden te ontzien.

Beantwoording In paragraaf 2.2 van de notitie R&D vragen wij ook te overwegen en te beschrijven of het verplaatsen van het bedrijf naar een bedrijven terrein een reëel en uitvoerbaar alternatief is. Als dit zo is moet dit meegenomen worden, wij verwachten echter dat dit niet haalbaar zal zijn. Argument 10 Indiener vraagt aan het college om duidelijk te maken aan ondernemer dat er moet worden voldaan aan actuele wettelijke kaders en dat dit geheel het risico en de verantwoordelijkheid van ondernemer is. Dit omdat veel wetgeving op het punt staat om aangepast of aangescherpt te worden.

Beantwoording Wij hebben initiatiefnemer bij ons besluit over zijn principeverzoek uitdrukkelijk op de risico’s gewezen en dat dit zijn verantwoordelijkheid is. Zie <link brief principebesluit> . Gezien de meest recent gepubliceerde richtinggevende emissiereductie die is aangegeven vanuit het Rijk vragen wij bij de te onderzoeken alternatieven ook deze emissiereductie te betrekken (paragraaf 2.2 van de notitie R&D) Argument 11 Indiener vraagt om het onmogelijk of onrealistisch te maken dat ondernemer, bij het mogelijk stopzetten van de bedrijfsvoering, op basis van de ‘rood voor rood regels’ woningen kan bouwen.

Beantwoording In het kader van de reikwijdte en detailniveau van het MER, gaan wij uit van het plan zoals de ondernemer nu heeft voorgelegd. Een eventuele mogelijke toekomstige toepassing van rood voor rood is daar geen onderdeel van. Op dit moment is het op voorhand uitsluiten van mogelijke andere toekomstige ontwikkelingen op het erf, zoals rood voor rood ook niet aan de orde. We zien het voorsorteren op rood voor rood door dit plan nu te ontwikkelen niet als reële optie: het vraagt een zeer grote investering om de plannen en bijbehorende vergunningen te realiseren. Argument 12 Indiener vraagt om exact vast te stellen hoe groot het bouwblok na uitbreiding mag zijn. Dit om oprekking van het bouwblok te voorkomen.

Beantwoording In het kader van de reikwijdte en detailniveau en het MER gaat het om de effecten van de plannen goed in beeld te brengen. Hierbij moet uitgegaan worden van de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan en de komende vergunningaanvraag bieden. Dit dient zoals in paragraaf 2.2. is beeld te worden gebracht. De borging van de maximale omvang is daarbij op dit moment nog niet aan de orde. Argument 13

9

Indiener vraagt het college aan te geven op welke wijze precedentwerking uit kan worden gesloten

Beantwoording Bij de afweging over de uiteindelijk vergunning kan mogelijke precedentwerking in de algemene belangenafweging meegenomen worden. Dit is voor de Reikwijdte en detailniveau van het MER geen specifiek onderdeel. Argument 14 Indiener constateert dat in het Gewenste Initiatief de verwachte verhoogde stikstof depositie met externe saldering wordt gecompenseerd. Volgens indiener moeten deze externe stikstof komen van plaatselijke stoppende veehouderij bedrijven en het om tot het moment van overname nog actief in gezette stikstof was. Er mag volgens indiener geen sprake zijn van een theoretische externe saldering.

Beantwoording Bij uitvoering van het MMA of een daarmee vergelijkbaar alternatief is op dit moment geen sprake van extern salderen. Wel is in paragraaf 2.8.2 van de notitie R&D opgenomen dat helder beschreven moet worden dat een eventuele reductie van emissie en depositie ten goede komt aan de natuur. Argument 15a Indiener geeft aan dat metingen in het kader van de grenswaarde voor endotoxinen op veel korter afstand van het perceel Heetenseweg 9 zullen plaatsvinden, het verzoek is om de feitelijk afstanden in de MER op te nemen, na feitelijke realisatie van de uitbreiding

Beantwoording In paragraaf 2.6 van de notitie R&D is opgenomen dat op basis van de “Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0” van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht van 25 november 2016 inzichtelijk worden beschreven of de advieswaarde voor endotoxinen van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 wordt overschreden of welke maatregelen worden genomen om de verspreiding van endotoxine in de omgeving te beperken. Hierbij dient de situatie en afstand van het emissiepunt ten opzichte van de dichts bij zijnde woningen zowel ten zuiden en ten noorden van het bedrijf opgenomen te worden. Argument 15b Indiener constateert dat de geurbelasting niet kan voldoen aan de advieswaarden van voorgrond 5 en achtergrond belasting 10 OUE/m3 die de GGD hanteert niet gehaald en ook niet haalbaar zijn volgens de concept MER. Indiener concludeert dan ook dat het initiatief niet kan voldoen aan de eisen zoals gesteld door de GGD en verzoekt daarom de aanvraag af te wijzen.

Beantwoording In de notitie R&D is aangegeven dat op inzichtelijke wijze in beeld moet worden gebracht welke maatregelen mogelijk kunnen zijn om te voldoen aan de door de GGD genoemde advieswaarden wat betreft de voor- en achtergrond belasting ten aanzien van geur en de haalbaarheid hiervan is. Dit is opgenomen in paragraaf 2.6 van de notitie R&D Argument 16 Indiener stelt dat in de Concept MER een gasverbruik in beide alternatieven is van 12.000 m3 op jaarbasis. De term energieneutraal kan daarom volgens indiener niet gebruikt worden. Indiener verzoekt daarom dit bij de beoordeling in ogenschouw te nemen en de term energieneutraal niet meer te gebruiken.

Beantwoording In paragraaf 2.4 van de notitie R&D is aangegeven dat het “per saldo energieneutraal zijn” nader beschreven moet worden. Hierbij zal u ook het aangegeven (gelijkblijvende) gasgebruik moeten worden betrokken. Argument 17

10

Initiatiefnemer stelt vraagtekens of de geplande zonnepanelen op het openbare net aangesloten kunnen worden vanwege de mogelijke overbelasting van het netwerk van Enexis. Indiener verzoekt dan ook dat er een garantie moet zijn van de netbeheerder dat de aansluiting op en afname van het elektriciteitsnet bij oplevering mogelijk is.

Beantwoording Op basis van bijvoorbeeld een indicatie van Enexis moet in het MER inzicht gegeven worden of de te plaatsen zonnepanelen ook aangesloten kunnen worden op het elektriciteitsnetwerk), dit is opgenomen in paragraaf 2.4 van de notitie R&D zodat daarmee de haalbaarheid van de levering van groene stroom zoals beschreven in de startnotitie en concept MER te onderbouwen. Argument 18 Indiener stelt dat onderzocht moet worden wat de extra grondwateronttrekking voor effecten op de waterhuishouding in de directe omgeving heeft, ervan uitgaande dat deze onttrekking toegestaan is.

Beantwoording In paragraaf 2.5 van de notitie R&D is opgenomen dat aan moet worden geven in hoeverre gebruik gemaakt wordt van grondwater in het waterverbruik en welke effecten dit kan hebben op de grondwaterstanden. Daarbij moet ook worden onderzocht of het mogelijk is hemelwater te gebruiken, voor bijvoorbeeld het schoonmaken van stallen en voertuigen. Verder is aangegeven dat helder beschreven en inzichtelijk in beeld gebracht te worden of de bouw van de stallen nog van invloed is op grondwaterstand in Natura 2000 gebieden of andere omliggende natuurterreinen.

Zienswijze 4: Indieners hebben de volgende zienswijze:

Argument 1 Het Landgoed Schoonheten ligt direct aangrenzend aan het varkensbedrijf. Volgens indiener van omsluit het landgoed het bedrijf aan vrijwel de gehele noord-, zuid- en oostzijde. De aangrenzende percelen zijn waardevolle natuurterreinen en ecologisch waardevolle bossen, waaronder een voormalige eendenkooi, en landschapselementen. Het landgoed spaart kosten nog moeite om de terreinen goed te beheren en te ontwikkelen. Een deel van het terrein is aangewezen als ‘zeer kwetsbaar gebied’ op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en alle bos en natuurgebieden maken onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het gehele landgoed is opengesteld voor recreatief medegebruik en vervult daarmee een belangrijke maatschappelijk functie voor onder andere inwoners van de gemeente Raalte. Het varkensbedrijf zorgt nu al voor veel overlast. De ligging en de overheersende windrichting (west) zorgt voor veel (stikstof) depositie en stankoverlast op het landgoed.

Beantwoording In paragraaf 2.8.1 wordt in de notitie R&D aangegeven dat voor geur de situatie ook voor het landgoed in beeld moet worden gebracht. In paragraaf 2.8.2 is opgenomen dat naast de ammoniakdepositie op Natura 2000 gebieden ook de effecten van ammoniak op de nabij gelegen ‘verzuring gevoelige gebieden’ in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij en eventueel andere NNN gebieden in het MER moeten worden beschreven. Dit gaat bijvoorbeeld over de gebieden die liggen binnen het Landgoed Schoonheten. Argument 2 Indieners zien geen enkele beleidsmatige onderbouwing waarom het acceptabel is om het bouwvlak te vergroten van 2 naar 3,5 hectare en dit te vergunnen. De memo van het college van 15 februari 2022 geeft

11

aan dat het geldende bestemmingsplan een maximale vergroting met een wijzigingsbevoegdheid naar 2 hectare toe kan staan. Daarbij is aangegeven dat vanwege de reconstructiezonering de maximale maatvoering van bouwvlakken niet meer bindend is voorgeschreven. Indieners vinden dit onbegrijpelijk, dat zou dan gelden voor de gehele gemeente. Indieners menen dat dit niet de bedoeling kan zijn, nu een bestemmingsplan is voortgekomen door een integrale afweging van belangen en niet uitsluitend op basis van reconstructiezonering.

Beantwoording Wij zijn het met indiener eens dat er een algehele belangenafweging vraagt om uiteindelijk de afweging voor het al dan niet verlenen van een vergunning voor de plannen van het bedrijf te maken. In het MER moeten, om deze belangenafweging goed te kunnen maken, alle (milieu) effecten goed worden beschreven, specifiek voor dit project op deze locatie. Deze afweging moet dus nog definitief plaatsvinden, maar bij onze reactie op het principe verzoek zijn wij hierop al wel in gegaan < link brief principe verzoek> Dit hoeft geen onderdeel van de Reikwijdte en detailniveau voor het MER te zijn. Argument 3 Gesteld wordt dat in eerdere correspondentie met de ondernemer over de notitie reikwijdte en detailniveau is aangegeven dat een uitwerking van de Omgevingsvisie Horizon 2040 bepalend is of medewerking zal worden gegeven aan het initiatief en onder welke condities. De uitwerking is nog niet met de gemeenteraad besproken en indiener vindt de toezegging dat het college wil meewerken dan ook prematuur.

Beantwoording De plannen van de indiener zijn opiniërend met de gemeenteraad besproken en deze opinie is meegewogen in onze afweging op een reactie op het principeverzoek. Dit is na de eerste reactie over de notitie reikwijdte en detailniveau geweest en hebben we een nieuwe afweging gemaakt. Voor de inhoud van de reikwijdte en detailniveau en daarmee het MER is dit geen nader aspect, wel zal in de ruimtelijke onderbouwing van het plan nader in moeten worden gegaan op de Omgevingsvisie Horizon 2040. Toetsing hieraan is op dit moment nog niet aan de orde. Argument 4 Indiener stelt gezien de overwegend negatieve inspraak tijdens het “rond de tafel” gesprek op 28 oktober 2021 dat er geen draagvlak is voor het initiatief en op grote weerstand in de omgeving kan rekenen. Indieners zijn daarom teleurgesteld dat het college medewerking wil verlenen aan de uitbreiding.

Beantwoording In november 2021 is het verzoek inderdaad besproken met de gemeenteraad. Hierbij hebben in de rond de tafel een aantal insprekers hun mening gegeven. De gemeenteraad heeft hierover vervolgens nog opiniërend gesproken in de raadsvergadering. De opinie vanuit de gemeenteraad heeft meegewogen in het besluit van ons college om onder strikte voorwaarden in principe aan de plannen mee te willen werken. Voor de reikwijdte en detailniveau voor het milieueffectrapport is draagvlak geen aspect dat meegenomen moet worden. Wel zal initiatiefnemer moeten blijven investeren in de dialoog met de omgeving. Argument 5 Indieners zien graag dat het standpunt dat ook de milieueffecten op landgoed Schoonheten in beeld moeten worden gebracht expliciet wordt opgenomen in het advies reikwijdte en detailniveau. Ook moet worden toegezien dat het onderzoek deugdelijk wordt uitgevoerd.

Beantwoording Zie de beantwoording onder argument 1. In afstemming met de Omgevingsdienst IJsselland zien wij toe op een deugdelijke uitvoering van de onderzoeken. Het MER zal tevens voor een toetsingsadvies aan de commissie MER worden voorgelegd. Argument 6

12

De uitbreiding is zo grootschalig en industrieel volgens indieners dat deze thuishoort op een industrieterrein. Een dergelijke verplaatsing moet daarom volgens indieners als MMA in het MER onderzocht worden.

Beantwoording In paragraaf 2.2 van de notitie R&D vragen wij ook te overwegen en te beschrijven of het verplaatsen van het bedrijf naar een bedrijventerrein een reëel en uitvoerbaar alternatief is. Als dit zo is moet dit meegenomen worden, wij verwachten echter dat dit niet haalbaar zal zijn. Argument 7 Indieners wijzen er op dat zij de indruk hebben dat in de Aerius berekening niet alle emissiebronnen zijn opgenomen (o.a. transport toename en mestverwerking op boerderijschaal)

Beantwoording In de notitie R&D paragraaf 2.8.2 vragen wij om in het MER uit te gaan van de meest recente versies van het daarvoor wettelijk voorgeschreven rekenprogramma Aerius en daarbij alle bronnen die mogelijk stikstof uitstoten hierbij mee te nemen.

Zienswijze 5 Indiener heeft de volgende zienswijze:

Argument 1 Indiener geeft aan dat de schaal waarop de initiatiefnemer wil produceren niet past in de schaal van het landschap. De varkenshouderij krijgt een industrieel karakter en hoort daarom volgens indiener op een industrieterrein

Beantwoording In het MER moeten de effecten op het milieu en de leefomgeving van het plan onderzocht en beschreven worden. Mede op basis daarvan zal de onderbouwing van de meerwaarde van de toekomstige leefomgeving beoordeeld kunnen worden. Dit is geen afzonderlijk aspect dat in het MER op genomen hoeft te worden. In paragraaf 2.2 van de notitie R&D vragen wij wel te overwegen en te beschrijven of het verplaatsen van het bedrijf naar een bedrijven terrein een reëel en uitvoerbaar alternatief is. Als dit zo is moet dit meegenomen worden, wij verwachten echter dat dit niet haalbaar zal zijn. Argument 2 Volgens indiener zullen de vele transportbewegingen die het gevolg zijn van het voorgenomen initiatief zorgen voor ernstige druk op de huidige infrastructuur.

Beantwoording In paragraaf 2.8.4. vragen wij aandacht om op basis van de representatieve bedrijfssituatie de akoestische gevolgen, ook van de eventuele extra transportbewegingen in kaart te brengen. Argument 3 Indiener is niet bekend dat het college bij haar opstelling ten opzichte van het initiatief heeft betrokken dat er in Europees verband en zeker in Nederland sprake is van en een overschot aan stikstof. De veehouderij moet hierin volgens indiener ook haar verantwoording nemen en het college zou moeten uitgaan van het gelijkheidsbeginsel. Meewerken aan dit initiatief zou volgens indiener aangeven dat een dergelijke andere uitbreiding niet geweigerd kan worden.

Beantwoording In het MER moeten de effecten op het milieu en de leefomgeving van het plan onderzocht en beschreven worden, waaronder ten aanzien van de emissie en depositie van ammoniak, en daarmee stikstof. In

13

paragraaf 2.8.2. van de notitie R&D is dit ook beschreven. Vooralsnog geeft het MMA in het concept MER een daling van de stikstofemissie aan. Wij onderkennen dat het stikstofdossier sterk in ontwikkeling is en blijven dit ook voor deze aanvraag en de toetsing daarvan volgen. Argument 4 Indiener vraagt zich af of de varkenshouderij niet een aanzienlijke productie heeft van methaan, dat mede oorzaak is van opwarming van het klimaat.

Beantwoording In paragraaf 2.8 van de notitie R&D staat aangegeven dat gemotiveerd moet worden in het MER in hoeverre de toekomstige situatie een meerwaarde oplevert voor de leefomgeving. Waarbij naast de genoemde geur, ammoniak, fijnstof en geluid ook mogelijke emissies van andere stoffen of aspecten die hinder of schade kunnen opleveren voor de omgeving betrokken moeten worden. Hierbij denken we onder andere aan de emissie van lachgas en methaan die mogelijk bij de bedrijfsprocessen vrij kunnen komen. Argument 5 Moet het beleidskader van Raalte niet geactualiseerd worden vraagt indiener, nu er een doelstelling ligt om in 2030 50% reductie na te streven en een circulaire benadering meer passen. Het gaan voor duurzaamheid en kwaliteit ligt meer voor de hand volgens indiener in plaats van vergroting van de productiecapaciteit en kostprijs verlaging voor een duurzaam inkomen.

Beantwoording Wij gaan uit van de bij ons door de ondernemer ingediende plannen en geven in de notitie R&D daarvoor aan welke aspecten in het MER meegenomen moeten worden. Argument 6 Indiener wil graag op de hoogte worden gebracht van de instanties die om advies zijn gevraagd en de door hen uitgebrachte advisering.

Beantwoording In deze nota zienswijzen is ook een overzicht van de instanties die om advies zijn gevraagd en de uitgebrachte adviezen opgenomen.

Zienswijze 6 Indieners hebben de volgende zienswijze:

Argument 1 Indieners zijn niet blij met de bouw, maar hebben het gevoel dit niet tegen te kunnen houden. Daarom wordt er belang aan gehecht dat er goed gekeken wordt naar de uitstoot van fijnstof, ammoniak en andere stoffen en de consequenties die dat heeft op de gezondheid en woongenot van indieners

Beantwoording Wij vragen in de notitie R&D om in het MER uitvoerig onderzoek te doen naar de uitstoot van de genoemde stoffen en de effecten die dit op de leefomgeving heeft goed in beeld te brengen. Argument 2

14

De aangegeven uitstoot vermindering is nog niet bewezen volgens indieners. Op dit moment ervaren indieners regelmatig de hoge geur en stikstof uitstoot en zijn er niet gerust op dat dit minder zal worden. Er worden door indieners benauwdheidklachten ervaren van ammoniakgeuren en indieners vragen daarom heel goed te kijken naar wat de uitbreiding van de stallen doet ten aanzien van de gezondheid van mens en dier. Zij hebben vaak de ramen niet open vanwege de uitstoot en kan ook de basisventilatie daarom niet aan. Een airco is daarom aangeschaft door indieners om toch frisse lucht in huis te krijgen in de zomermaanden.

Beantwoording Het aspect geur is een van de onderdelen waarover wij in het MER goed inzicht willen krijgen in de gevolgen. Ook ten aanzien van de gezondheidseffecten zal dit aspect bekeken moeten worden, zodat dit op een zorgvuldige manier in de besluitvorming meegenomen kan worden. Argument 3 Indieners geven aan dat de uitstoot van de luchtwasser nu op 15 meter hoogte is, een hogere pijp (20- 25 meter hoog) zou de uitstoot verder verplaatsen waar zij bij gebaat zouden zijn.

Beantwoording Wij vragen in de notitie R&D om in het MER reële alternatieven te onderzoeken, met name ook alternatieven die kunnen zorgen voor beperking van de geur. Wij kunnen niet beoordelen of een hogere pijp een reëel en haalbaar alternatief is en inderdaad zorgt voor beperking van de geur, maar ook hoe dit effect heeft op de andere leefomgevingsaspecten. Wij schrijven dan ook geen oplossing voor in de notitie R&D, maar vragen om reële alternatieven goed te onderzoeken. Argument 4 Omdat de stallen na uitbreiding dichter op indieners woning komen is er volgens hen sprake van een waardevermindering van de woning. Indieners vinden het jammer dat der maar weinig gesproken wordt over compensatie/planschade.

Beantwoording Een planologische verandering, zoals deze uitbreiding van een veehouderij kan invloed hebben op de waarde van uw woning, of dat het geval is zal afhangen van de specifieke omstandigheden. Dit kan dan ook van invloed zijn op de WOZ-waarde van uw woning. Wettelijk is bepaald dat indien u van mening bent dat u (plan) schade heeft door een planologisch besluit u, nadat alle gerechtelijke procedures tegen dat besluit zijn afgerond) hierover een planschadeverzoek kan indienen. De waarde van onroerend goed en mogelijke (plan)schade is geen direct item dat mee wordt genomen in de milieueffectrapportage en daarmee wordt dit aspect niet verder benoemd in de notitie R&D. In de ruimtelijke procedure moet de economische uitvoerbaarheid van het plan wel meegenomen worden. Overigens is een van de voorwaarden voor medewerking dat eventuele planschade voor risico en rekening van de ondernemer komt. Dit wordt in een overeenkomst vastgelegd. Argument 5 Indieners zien graag dat de besproken aarden wal minstens 2 meter hoog wordt. Dit terwijl deze waarschijnlijk maar 1,5 meter hoog mag worden. Bij 2 meter hoog en een goede beplanting van de wal kan de uitstoot en het aangezicht op de megastallen volgens indieners verbloemd worden. Indiener zou ook het aanbrengen van de mos/natuur dak aan hun zijde in willen brengen. Naar idee van indieners gaat de stal dan meer in de natuur op.

Beantwoording Onderdeel van de uiteindelijke plannen moet een goede landschappelijke inrichting zijn. De gevolgen van de plannen en het landschappelijke inrichtingsplan moeten onderbouwd en beschreven worden. Dit is in paragraaf 2.3. van de notitie R&D opgenomen. Het opnemen van of een hoogte van een aarden wal moet hierin meegenomen worden, in de notitie R&D schrijven wij echter niet de hoogte voor of nemen een standpunt in over de landschappelijke inrichting. Met indiener zal nog wel een nader gesprek plaatsvinden over het inrichtingsplan.

15

Argument 6 Indieners geven aan zelf bezig te zijn met duurzaam wonen, zoals zonnepanelen en elektrische boilers om zomin mogelijk het milieu te belasten.

Beantwoording Wij nemen kennis van deze goede inzet op het gebied van duurzaamheid door indieners van de zienswijze.

Zienswijze 7 Opmerking: Ondanks dat deze zienswijze te laat is ingediend, en daarmee niet ontvankelijk is, is deze toch van beantwoording voorzien. Indiener heeft de volgende zienswijze:

Argument 1 Indiener geeft aan dat hij waardeert dat het bedrijf de intentie heeft te optimaliseren maar de schaalvergroting acht hij onverteerbaar. De impact op het milieu van vlees en de negatieve consequenties daarvan ook ver buiten de gemeentegrenzen is negatief. Hij acht uitbreiding van de activiteiten dan ook uit den boze.

Beantwoording In het MER moeten de effecten op het milieu en de leefomgeving van het plan onderzocht en beschreven worden. Mede op basis daarvan zal de onderbouwing van de meerwaarde van de toekomstige leefomgeving beoordeeld kunnen worden. Dit is geen afzonderlijk aspect dat in het MER opgenomen hoeft te worden. Argument 2 De plannen gaan volgens indiener lijnrecht in recht in tegen internationale en nationale adviezen en richtlijnen rondom de actuele klimaat en stikstof crises. Maatschappelijk zou het daarom een verkeerd signaal zijn, zeker aan burgers die wel hun best doen deze crises het hoofd te bieden, om aan deze plannen mee te werken.

Beantwoording In het MER moeten de effecten op het milieu en de leefomgeving van het plan onderzocht en beschreven worden, ook ten opzichte van het internationale, nationale en provinciale beleid. Mede op basis daarvan kan dit meegewogen worden in de besluitvorming. Dit is geen afzonderlijk aspect dat in het MER opgenomen hoeft te worden.

16

HOOFDSTUK 3

3.1

ADVIEZEN VAN INSTANTIES

Inleiding

De startnotitie MER is begin 2021 toegezonden aan een aantal instanties voor advies: Omgevingsdienst IJsselland GGD IJsselland Provincie Overijssel Van de Omgevingsdienst en GGD is een advies ontvangen. De Provincie Overijssel heeft geen formele adviesreactie gegeven. De provincie zal de (ontwerp) vvgb voor de Wet natuurbescherming opstellen en daarmee is de provincie rechtstreeks bij de procedure betrokken. . Het waterschap wordt tijdens de vergunningprocedure formeel om advies gevraagd. Hierna is opgenomen op welke wijze deze reacties in de notitie R&D zijn opgenomen. Ook hebben er los van dit proces overleggen plaatsgevonden met de Veiligheidsregio IJsselland/Brandweer. Ook dit wordt in dit hoofdstuk beschreven

3.2

Omgevingsdienst IJsselland

De omgevingsdienst IJsselland heeft een globaal advies gegeven naar aanleiding van het concept MER zoals data bij het ruimtelijke principe verzoek was gevoegd, hieruit kwamen de volgende aspecten naar voren: In het kader van de stikstofproblematiek het MMA als “Gewenst bedrijfsopzet’ aanmerken en deze als zodanig uitschrijven in het MER: • Onder 2.1. en in het akoestisch onderzoek wordt gesproken over mestverwerking, die moet mestbewerking zijn. o In de notitie R&D is aangegeven dat dit aangepast moet worden. In de MER moet duidelijk zijn beschreven welke mestbewerking plaats gaat vinden en wat de effecten hiervan zijn. • Onder 2.1. wordt gesproken over een (familiebedrijf)? o In dit kader vragen we een nadere verduidelijking, waarschijnlijk wordt bedoeld dat het bedrijf door de familie gerund wordt. • Er zitten nog fouten in de V-stacks berekening. o Ten aanzien van geuremissie is in paragraaf 2.8.1. van de notitie R&D de uitgangspunten opgenomen • In de dimensioneringplannen van de stallen (1+2+3 en 6&7) voor vleesvarkens zijn de geactualiseerde richtlijnen van het klimaatplatform niet verwerkt o In paragraaf 2.8.1 van de notitie R&D wordt gevraagd dit op de juiste manier op te nemen of te motiveren • Onderdeel 10 fasering en planning: de gestelde termijnen zijn niet reëel. o In het MER moet een afdoende en reële planning opgenomen worden, deze moet actueel zijn.

• Er dient gerekend te worden met de nieuwste versie van Aerius. o Dit is in paragraaf 2.8.2. van de notitie R&D opgenomen. •

•

3.3

Wat betreft procedures rekening houden met de omgevingswet? o Vooralsnog treedt de omgevingswet niet voor 1-1-2023 in werking. Nu de vergunningaanvraag op 9 juni 2022 al is ingediend kan worden uitgegaan van de procedures onder de op dat moment geldende wetgeving. Uit de buurtdialoog blijkt dat richting omwonenden is aangegeven dat er geen toename zal zijn van de geur- en ammoniakemissie. In de gewenste situatie neemt de ammoniakemissie wel toe. De geuremissie neemt zowel in het MMA en in de gewenste situatie toe. Wellicht wordt de ammoniakdepositie bedoeld en de geurbelasting op de woningen? o Dit moet helder in het MER beschreven zijn, en ook in de dialoog met omwonenden benoemd worden. Zoals ook in paragraaf 2.8.1., 2.8.2 en 2.7 van de notitie R&D is opgenomen.

GGD IJsselland

In de brief van 4 februari 2021 vraagt de GGD IJsselland aandacht voor de volgende aspecten:

17

•

De emissie van (fijn)stof en de daaraan gerelateerde endotoxinen, en om daarbij vast te stellen of de grenswaarde van 30 EU/M3 endotoxinen niet wordt overschreden. o

•

Geurhinder ter plaatse van gevoelige bestemmingen, waarbij de GGD in het buitengebied de advieswaarden van voorgrond 5 en achtergrondbelasting 10 OUe/m3 hanteert en de geur van mestbewerking ook meegenomen moet worden in de berekening van de geurhinder o

•

In paragraaf 2.6 van de notitie R&D wordt gevraagd de situatie met betrekking tot de endotoxinen en de grenswaarde onderdeel van de MER op te nemen

Voor geurhinder wordt in paragraaf 2.8.1 gevraagd de situatie in beeld te brengen volgens de wettelijke normen en de daarbij behorende inschatting van de hinder. Ook moet volgens paragraaf 2.6 gemotiveerd worden in hoeverre aan de door de GGD genoemde grenswaarden kan worden voldaan

Geluidhinder ten aanzien van extra verkeer die samen met de omvang van het bedrijf in beeld te brengen, en hierbij ook ander geluiden, zoals achteruitrijsignalering van bijv. vrachtauto’s nadere aandacht te geven, bijvoorbeeld ook in relatie met de routering op het bedrijf. o

3.4.

In paragraaf 2.8.4. van de notitie R&D is aangegeven dat conform de representatieve bedrijfssituatie de akoestische gevolgen van de voorgenomen plannen en alternatieven in beeld moeten worden gebracht. Hierbij wordt ook aandacht gevraagd voor eventuele andere hinderlijke geluidbronnen.

Veiligheidsregio IJsselland/Brandweer

Los van het MER en ruimtelijk proces is er overleg met de brandweer over de brandveiligheidseisen geven. Dit vraagt waarschijnlijk ook nog aanpassing van de plannen. Deze aanpassingen moeten goed meegenomen worden in de MER, het aspect brandveiligheid is daarom in paragraaf 2.12 van de notitie R&D ook opgenomen.

18

BIJLAGE 1 ZIENSWIJZEN

19

BIJLAGE 2 ADVIEZEN

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=054eb7b5-f9b1-4f17-84ba-b8bcf4b4890a