CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Toets_wet_natuurbescherming

Raadsvergadering 14 maart 2024, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen Wijzigingsvergunningen zonnepark Kanaaldijk Zuid: ontwerpverklaring van geen bedenkingen (bespreekstuk)8.527 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toetsing Wet natuurbescherming Zonnepark Kanaaldijk- Zuid, Heino

Toetsing Wet natuurbescherming Zonnepark Kanaaldijk- Zuid, Heino Definitief

Opdrachtgever PowerField Realisatie en Exploitatie B.V. Hogendijk 25 9101 WV Dokkum

Opdrachtnemer Eelerwoude BV Mossendamsdwarsweg 3 7472 DB Goor

Projectgegevens: Projectnummer: P7921.11 Datum: 27-1-2020 Projectleider: M. van Hoek Opgesteld: R. Kroeskop Gecontroleerd: V. de Lenne Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het bevoegd gezag stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. De opmaak van dit rapport gaat uit van dubbelzijdig afdrukken.

INHOUD

1

INLEIDING ........................................................................................................... 4

1.1

Aanleiding ............................................................................................................ 4

2

HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING ......................................................... 5

2.1 2.2

Huidige situatie .................................................................................................... 5 Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................. 5

3

NATUURWETGEVING EN -BELEID .................................................................. 8

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Inleiding ................................................................................................................ 8 Bescherming van soorten .................................................................................... 8 Bescherming van gebieden ................................................................................. 8 Bescherming van houtopstanden ........................................................................ 9 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................. 10

4

METHODE ......................................................................................................... 13

4.1 4.2

Bureauonderzoek............................................................................................... 13 Terreinbezoek .................................................................................................... 13

5

BESCHERMDE SOORTEN .............................................................................. 15

5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

Planten ............................................................................................................... 15 Zoogdieren ......................................................................................................... 16 Vleermuizen ....................................................................................................... 16 Overige zoogdieren............................................................................................ 19 Vogels ................................................................................................................ 21 Reptielen ............................................................................................................ 23 Amfibieën ........................................................................................................... 23 Vissen ................................................................................................................ 23 Ongewervelden .................................................................................................. 24

6

CONCLUSIE ...................................................................................................... 25

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

Conclusie bescherming soorten ........................................................................ 25 Conclusie bescherming gebieden ...................................................................... 26 Conclusie bescherming houtopstanden ............................................................ 26 Conclusie Natuurnetwerk Nederland ................................................................. 26 Uitvoerbaarheid van de plannen ........................................................................ 26 Geldigheid onderzoek ........................................................................................ 27

7

LITERATUURLIJST .......................................................................................... 28

BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER NATUURWETGEVING .............................................. 29

1 1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

De grondeigenaren en de firma PowerField hebben het voornemen om op een landbouwperceel, gelegen aan de Kanaaldijk- Zuid te Heino, een zonnepark te realiseren van bruto 14 hectare. Het voornemen is om hier voor een periode van 30 jaar een zonnepark te realiseren van circa 14 megawattpiek (MWp). Dit zonnepark wordt in 2019 gerealiseerd. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

4

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

2 2 HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING 2.1

Huidige situatie

Het projectgebied ligt tegen de noordgrens van de gemeente Raalte en ten noorden van Heino. Aan de noordzijde wordt het projectgebied begrensd door de Kanaaldijk-Zuid (grotendeels zandweg) en het Overijsels Kanaal. Aan de westzijde bevinden zich enkele woningen waarvan de dichtstbijzijnde (Kanaaldijk Zuid 4) zich op circa 70 meter afstand bevindt. Deze woning wordt omzoomd door forse bosschages. Deze bosschages belemmeren grotendeels het zicht op het plangebied vanaf de andere woningen (Kanaaldijk Zuid 2 en 3). Aan de zuid- en oostzijde wordt het plangebied niet echt begrensd door een natuurlijke afscheiding; aangrenzend liggen andere agrarische percelen. Aan de noordzijde van het plangebied is struweel aanwezig met soorten als boswilg, hazelaar, vuilboom en meidoorn. Door het struweel staan grote eiken waardoor het zicht op het perceel van de noordkant wordt belemmerd. Het huidige grondgebruik van het perceel is momenteel intensief grasland en akkers met maisteelt. Er is geen verlichting aanwezig in en rondom het plangebied. Rondom het plangebied liggen diverse agrarische bedrijven en erven met woningen. Figuur 1 toont de ligging van het plangebied en in figuur 2 wordt de huidige situatie op 25 juni 2019 getoond doormiddel van een foto impressie.

2.2

Voorgenomen ontwikkeling

Het voornemen is om hier voor een periode van 30 jaar een zonnepark te realiseren. In samenspraak met de gemeente, provincie en een landschapsarchitect zal het zonnepark landschappelijk ingepast gaan worden. Zodra het zonnepark is gerealiseerd zal het worden beheerd en onderhouden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het onderhoud van de systemen, maar ook het monitoren van het zonnepark en diverse administratieve werkzaamheden. Ten behoeve van dit beheer wordt niet meer dan de minimaal noodzakelijke hoeveelheid aan verlichting aangebracht (bron Powerfield). Momenteel is er nog geen concreet inrichtingsplan. Deze toetsing gaat uit naar de huidige situatie zoals die er nu ligt.

Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

5

Figuur 1. Ligging en luchtfoto plangebied.

6

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

Figuur 2. Impressie plangebied, situatie op 25 juni 2019.

Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

7

3 3 NATUURWETGEVING EN -BELEID 3.1

Inleiding

De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag en alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

3.2

Bescherming van soorten

Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De bescherming van soorten is overal en altijd van toepassing bij ontwikkelingen. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3

Bescherming van gebieden

Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden

8

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht.

is

dat

deze

Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: Binnen een straal van 10 km van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden; Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Vecht en Beneden- Reggegebied. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een AERIUS berekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen.

Echter, de gegevens die voor deze berekening noodzakelijk zijn, zijn in deze fase van de ontwikkeling nog niet beschikbaar of nog niet concreet.

3.4

Bescherming van houtopstanden

Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht. De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om:

Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

9

• • • • • •

• •

• • •

houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom: houtopstanden op erven of in tuinen; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.

De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

3.5

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

10

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren.

Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

11

Gevolgen plangebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het plangebied grenst aan de noordkant (Overijssels Kanaal noord) (zie figuur 4) aan het NNN-gebied. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Met een juiste landschappelijke inpassing en met het gebruik van streekeigen, inheems groen kan het aangrenzende NNN mogelijk worden versterkt. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Figuur 4. Plangebied ten opzichte van het NNN.

12

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

4 4 METHODE De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.1

Bureauonderzoek

Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie; • Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database.

4.2

Terreinbezoek

Op basis van een veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door R. Kroeskop uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 25 juni bij 31ºC, heldere hemel, droog weer met windkracht 1. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker.

Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

13

Kader – ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of

-

op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging,

RAVON,

Stichting

Das

en

Boom,

Vogelbescherming

Nederland,

Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

14

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

5 5 BESCHERMDE SOORTEN Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1

Planten

Voorkomen en functie Het huidige grondgebruik van het plangebied bestaat uit grasland en akkerland met maisteelt. Binnen het plangebied zijn voornamelijk soorten aangetroffen welke kenmerkend zijn voor vochtige en voedselrijke omstandigheden. Aangetroffen langs de randen en in het plangebied zijn onder andere braam, riet, gestreepte witbol, Engels raaigras, echte valeriaan, waterweegbree in de slootranden, struweel met hazelaar, eik, meidoorn en boswilg, echte koekoeksbloem, walstro, lisdodde en penningkruid. Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen binnen het plangebied en worden hier op basis van de groeiplaatsomstandigheden ook niet verwacht. Uit verspreidingsgegevens zijn tevens geen waarnemingen of locaties bekend van beschermde planten. Effecten en ontheffing Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen dan wel, gezien het huidige grondgebruik, te verwachten. Negatieve effecten op beschermde flora kan worden uitgesloten omdat deze ontbreken in het plangebied. Met de inrichting nemen mogelijkheden voor een gevarieerde vegetatie, mits het juiste beheer wordt gevoerd toe. Kansen voor ecologie Met de realisatie van het zonnepark kan de soortenrijkdom bij een juist beheer en inrichting toenemen. Door extensieve begrazing met bijvoorbeeld schapen tussen de panelen toe te passen ontstaan plaatselijk meer open plekken.

Deze open plekken zijn gunstig voor pionier soorten. Daarnaast wordt er niet meer bemest, hierdoor krijgen belangrijke nectar producerende kruiden zoals duizendblad, knoopkruid, rolklaver en gewone smeerwortel de kans om zich te ontwikkelen. Bloeiende kruiden zijn zeer belangrijk voor vlinders, bijen en andere insecten. Er dient voor een goede vegetatieontwikkeling wel voldoende tussenruimte aanwezig te zijn tussen de panelen. Langs de randen van de sloten staan onder andere soorten van vochtige omstandigheden, daarnaast zijn er kwel bacteriën aangetroffen in de sloten. Dit is een unieke kans om de oeverzones van de sloten natuurvriendelijk in te richten zodat kansen voor diversiteit toeneemt. Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

15

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.

5.2

Zoogdieren

5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. Binnen het plangebied worden een aantal algemene voorkomende vleermuissoorten verwacht zoals gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, franjestaart, watervleermuis, meervleermuis, en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: kraamverblijfplaats; zomerverblijfplaats; paar- en/of baltsverblijfplaats; winterverblijfplaats. Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.

Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten komen binnen het plangebied niet voor, omdat bebouwing en bomen ontbreken. Binnen het plangebied staat geen houtige opstand. De beplanting in vorm van zomereiken aan de noordzijde van het plangebied zijn mogelijk wel geschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen, maar deze vallen buiten het plangebied. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden niet binnen het plangebied verwacht.

16

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

Foerageergebied en vliegroutes Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen zoals houtsingels en laanbeplanting om zich te verplaatsen. Deze beplanting kan dan gebruikt worden als vliegroute(zie kader foerageergebieden en vliegroutes). De beplanting langs het kanaal aan de noordzijde van het plangebied wordt mogelijk door vleermuizen gebruikt als vliegroute. Het Overijsselsch Kanaal dient mogelijk als vliegroute en foerageergebied voor o.a. watervleermuis. Deze mogelijke vliegroutes liggen echter buiten het plangebied en staan aan de randzone van het gebied. Gelet op het relatief grootschalige en open karakter van het plangebied (waar weersinvloeden zoals wind vrij spel hebben) is het gebied minder geschikt als foerageergebied voor vleermuizen omdat de gewenste luwe plekken in en het plangebied ontbreken.

Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

17

Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dient te allen tijde gegarandeerd te blijven. Gezien het open karakter van het gebied kan essentieel leefgebied voor bovengenoemde vleermuizen worden uitgesloten. Er heerst veel wind en gezien het huidige gebruik van de percelen is voedsel, in vorm van ongewervelden en kevers, nauwelijks aanwezig. Binnen het plangebied zijn dan ook geen vliegroutes aanwezig, deze bevinden zich echter alleen mogelijk langs de randzones van het plangebied. Negatieve effecten op verblijfplaatsen kunnen eveneens worden uitgesloten omdat deze niet aanwezig zijn of buiten het plangebied vallen. Negatieve effecten op het foerageergebied en vliegroutes zijn eveneens uit te sluiten. Alle houtopstanden rondom het plangebied blijven behouden en daarmee ook de eventuele functie als vliegroute. Bij de ontwikkeling van het zonnepark wordt geringe verlichting toegepast of aangebracht, men dient rekening te houden met vleermuizen (zie kader verlichting).

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen wordt niet noodzakelijk geacht.

Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

18

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de Rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien. Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:

-

verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;

-

beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;

-

geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.

verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;

Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.

5.2.2 Overige zoogdieren Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn ondermeer de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: haas, konijn, bruine rat, egel, ree en diverse algemene (spits)muizen. Deze soorten gebruiken het plangebied als onderdeel van hun leef- en foerageergebied. Daarnaast zullen een aantal van deze soorten het plangebied gebruiken als migratieroute. Genoemde soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime ‘andere soorten’. In de provincie Overijssel is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling opgesteld. Provincie Overijssel heeft per 1 september 2019 de vrijstelling van de ontheffingsplicht voor kleine marterachtige wezel, hermelijn en bunzing ingetrokken. Op basis daarvan is het plangebied gecontroleerd op geschiktheid voor kleine marters. Voor het overgrote deel van dit onderzoek is gebruik gemaakt van recente literatuur en verspreidingsgegevens. Hermelijn en bunzing hebben als voorkeurshabitat gevarieerde natte terreinen met oppervlaktewater. De wezel heeft als leefgebied met name drogere en kleinschalige agrarische habitats. Hierbij hebben kleine marterachtigen meerdere jachtgebieden nodig

Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

19

in de directe omgeving van hun verblijfplaats. Waar wezel en bunzing ook in buitenwijken en groene delen van dorpen en steden voor komen, komt hermelijn maar incidenteel voor bij randen van de bebouwde kom. Hierbij geldt wel dat kleine marterachtigen drukke omgevingen met aanwezigheid van drukke wegen, paden, recreanten en bedrijvigheid mijden. Het plangebied ligt in agrarisch gebied zonder landschapselementen (haag, struweel of bos). De randzone van het zonnepark, ten noorden en net buiten het plangebied, bied mogelijk geschikt biotoop voor deze soorten. Dit struweel blijft te allen tijde gehandhaafd. Daarnaast blijft het plangebied voor deze soorten ook na de ontwikkeling nog steeds voorhanden. Provincie Overijssel heeft per 1 september 2019 ook de vrijstelling van de ontheffingsplicht voor egel ingetrokken. Egel is een zeer algemeen voorkomende soort in Overijssel, de soort komt veel voor in dorpskernen en randen van de stedelijke omgeving voor. Tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei, zijn goede leefgebieden voor deze soort. Het plangebied waarbinnen de ontwikkelingen vallen zijn is dan mogelijk ook matig geschikt voor egel om te foerageren. Uit verspreidingsgegevens afkomstig uit de NDFF zijn geen individuen of verblijfplaatsen van egel binnen het plangebied bekend (NDFF, 2020).

Ook tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen (blad- en takkenhopen) van egel aangetroffen die wijzen op vaste rust en verblijfplaatsen van de soort. Grote en open vlaktes worden over het algemeen door egel vermeden (predatie roofvogels). Aangenomen kan worden dat egel binnen het plangebied niet voorkomt. Daarnaast maakt het plangebied naar verwachting onderdeel uit van het leefgebied van boommarter en steenmarter. Uit verspreidingsgegevens komt naar voren dat boommarter in de directe omgeving van het plangebied voorkomt (met name aan de andere kant van het Overijsselsch kanaal, ter hoogte van de Rechterensche Veld). Deze beschermde soorten zijn niet vrijgesteld in Overijssel. Verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen en evenmin te verwachten in het plangebied, wel kan de soort het gebied gebruiken om te foerageren. Een strikter beschermde soort die in de omgeving voorkomt is de das, das is een nationaal beschermde soort die niet is vrijgesteld in provincie Overijssel. Uit verspreidingsgegevens komt naar voren dat de das met name voorkomt in het noordwesten van het plangebied. Er zijn twee waarnemingen van das bekend ter hoogte van de Kluinhaarsweg. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar mogelijk geschikt habitat voor deze soort. Sporen of wissels van das zijn ter plaatse niet aangetroffen.

Gezien het landschap en de randzones van het plangebied is het aannemelijk dat de das gebruik maakt van het plangebied als jaag en foerageergebied. Effecten en ontheffing Verwacht wordt dat de ingreep, mits het zonnepark op een juiste wijze landschappelijk wordt ingepast, grotendeels een positief effect heeft op overige zoogdieren. Voor kleine marterachtigen geldt dat negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Het struweel aan de noordkant van het plangebied blijft gehandhaafd. Er zijn ook geen verblijfplaatsen van deze soorten aangetroffen tijdens het veldbezoek, daarnaast is er ook geen essentieel leefgebied aanwezig binnen het plangebied. De opdrachtgever zal faunapassages realiseren waardoor kleine marterachtigen nog wel gebruik kunnen blijven

20

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

maken van het plangebied. Negatieve effecten op leefgebied en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen worden met de ontwikkeling van het zonnepark niet verwacht. Voor egel geldt dat verblijfplaatsen niet zijn aangetroffen. Gezien het biotoop worden egels ook niet verwacht binnen het plangebied. Negatieve effecten op egel worden met de ontwikkeling van het zonnepark niet verwacht. Het leefgebied van steenmarter, boommarter, en das is binnen het plangebied niet uit te sluiten, er worden met ontwikkelingen van het zonnepark geen negatieve effecten op deze soorten verwacht omdat verblijfplaatsen niet aangetroffen zijn en/ of verloren gaan. Beplanting in de randzones blijven gehandhaafd waardoor mogelijk aanwezige verblijven van boommarter behouden blijven. Het zonnepark moet wel ten allen tijden bereikbaar blijven zodat beschermde en overige zoogdieren onder het hek door kunnen. Hierdoor blijft het mogelijke foerageergebied van steenmarter, boommarter en das ten alle tijden toegankelijk en treden er geen negatieve effecten op. Geadviseerd wordt om het hek 10 centimeter vanaf het maaiveld te laten beginnen, zodat steenmarter, das en andere (kleinere) zoogdieren gebruik kunnen (blijven) maken van het plangebied. Op een paar plekken zal de opdrachtgever gaten in het gaas maken van 20 bij 40 cm waar grondgebonden zoogdieren doorheen kunnen (wildpassage).

Conclusie: mits de voorgenomen maatregelen in acht worden genomen is het aanvragen van een ontheffing voor overige zoogdieren niet noodzakelijk.

5.3

Vogels

Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid kan gemaakt worden tussen broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten. Vogels met jaarrond beschermde nesten, komen elk jaar terug bij hun nest. Deze categorie geniet binnen de Wet natuurbescherming een aparte status. Broedvogels Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogels aangetroffen: groenling, vink, geelgors, zwartkop, kneu, putter, koolmees, glanskop en pimpelmees. De inrichting van dit zonnepark is ten aanzien van natuur redelijk beperkt. Verwacht wordt dat de herinrichting van het terrein en met de juiste landschappelijke inpassing een mogelijk positief effect optreed voor een aantal vogelsoorten. Door toename van kruiden en insecten wordt het leefgebied verbeterd. In de randzone van het zonnepark kunnen ruigere stukken gecreëerd worden om ook soorten als geelgors en kneu een kans te bieden. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal soorten is het nest jaarrond beschermd. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere jaarrondsoorten als buizerd en ooievaar waargenomen. Binnen het plangebied komen mogelijk een aantal andere jaarrond soorten voor als steenuil, ransuil, kerkuil, slechtvalk en boomvalk. Deze soorten gebruiken het perceel mogelijk als jaag en foerageergebied.

Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

21

Effecten en ontheffing Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen worden kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Binnen het plangebied zijn geen horsten of nesten van jaarrond soorten waargenomen. Mogelijk maken jaarrondsoorten wel gebruik van het plangebied als zijnde jaag en foerageergebied, ook na realisatie blijft het plangebied geschikt als foerageermogelijkheid voor deze soorten. negatieve effecten worden dan ook niet verwacht. Vogels met nieuwe beschermde status jaarrond Boerenzwaluw en huiszwaluw komen ook in het plangebied voor, maar deze soorten zijn gebaard bij bebouwing om te broeden, deze ontbreken in het plangebied. Wel maken de soorten gebruik van het plangebied om te jagen. Een andere nieuwe jaarrondsoort is torenvalk. Torenvalken broeden in opgaande beplanting (bomen) of in speciale kasten, door de afwezigheid van deze is het niet aannemelijk dat torenvalk binnen het plangebied broed, uiteraard kan de soort gebruiken maken van het plangebied om te jagen. Verwacht wordt dat met voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten op genoemde jaarrondsoorten worden verwacht. Door voldoende ruimte tussen de rijen panelen te laten Blijven er voldoende foerageermogelijkheden voor soorten met een jaarrond beschermde status om te jagen.de Aanplant langs de randen biedt eveneens (nieuwe)foerageer en dekkingsmogelijkheden voor deze soorten op.

Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met nesten van vogels, de ontwikkeling van het zonnepark dient buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.

22

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

5.4

Reptielen

Voorkomen en functie Beschermde reptielen zijn gebonden aan specifieke terreinen, waaronder heideterreinen, vennen en structuurrijke bosranden . In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop. Gezien het huidige gebruik en functie worden beschermde reptielen ook niet verwacht. Uit verspreidingsgegevens zijn ook geen waarnemingen bekend van beschermde reptielen bekend. Effecten en ontheffing Beschermde reptielen worden niet verwacht in het plangebied. Negatieve effecten op reptielen wordt daarom niet verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk geacht.

5.5

Amfibieën

Voorkomen en functie Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als migratieroute. De sloten en watergangen binnen en langs de rand van het perceel wordt mogelijk incidenteel gebruikt als voortplantingswater. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime ‘andere soorten’. In de provincie Overijssel is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling opgesteld. Andere beschermde amfibieën worden niet verwacht in het plangebied vanwege het aanwezige ongeschikte habitat voor deze soorten. Vanuit de reptielen en amfibieën atlas van Overijssel zijn in de directe omgeving geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën. Effecten en ontheffing Verwacht wordt dat de geschiktheid van het landbiotoop voor de genoemde soorten kan toenemen, door de extensivering van het te voeren beheer. Door afwezigheid van beschermde amfibieën worden negatieve effecten niet verwacht. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.

5.6

Vissen

Voorkomen en functie De watergang aan de rand van het plangebied wordt mogelijk gebruikt als leefgebied voor algemeen voorkomende vissoorten waaronder drie- en tiendoornige stekelbaars. Beschermde soorten kunnen op basis van bekende verspreidingsgegevens en het ontbreken van biotoop worden uitgesloten in het plangebied.

Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

23

Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig, deze worden op basis van het aanwezige biotoop ook niet verwacht. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

5.7

Ongewervelden

Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel, nauwe korfslak en platte schijfhoorn niet verwacht. Wel komen er een aantal zeldzame soorten voor als kanaaljuffer en bruine korenbout voor in de omgeving. Deze benoemde soorten zijn niet opgenomen in de Wet natuurbescherming.

Figuur 5. Bruine korenbout. Foto: Rinze Kroeskop

Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Potentieel habitat voor deze beschermde soort bevindt zich met name aan de randzone. Er worden dan ook geen effecten op beschermde ongewervelden verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

24

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

6 6 CONCLUSIE Op basis van deze quickscan worden de onderstaande conclusies getrokken.

6.1

Conclusie bescherming soorten

Het plangebied biedt een potentieel habitat voor een aantal beschermde soorten. Hoewel er geen gerichte en uitgebreide veldinventarisatie heeft plaatsgevonden, is op basis van de beschikbare literatuurgegevens en eenmalig veldbezoek vastgesteld dat het terrein mogelijk van belang is voor enkele algemeen beschermde soorten met een landelijke vrijstelling en voor enkele soorten zonder deze vrijstelling. Voor veel soorten maakt het plangebied onderdeel uit van het leefgebied van de betreffende soort. Gesteld kan worden dat voorgenomen ontwikkeling naar verwachting een positieve bijdrage kan leveren aan biotoopverbetering van beschermde soorten. Ten aanzien van beschermde soorten gelden de volgende aandachtspunten: Zoogdieren Negatieve effecten op steenmarter, kleine marterachtigen, egel, boommarter en das worden niet verwacht (geen verblijfplaatsen of sporen gevonden), mits het plangebied ten allen tijden toegankelijk blijft. Door het hek 10 centimeter vanaf het maaiveld te laten beginnen en eventueel met faunapassages, kunnen steenmarter, boommarter, das en andere (kleinere) zoogdieren gebruik blijven maken van het plangebied. Vogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In de regel wordt 15 maart tot 15 juli aangehouden als broedperiode, maar omdat veel soorten ook laat of vroeg broeders zijn, moet deze datum niet al te strikt toegepast worden. Op de genoemde jaarrondsoorten als buizerd, ooievaar, kerkuil en steenuil worden negatieve effecten niet verwacht. Ook na de ontwikkeling van het zonnepark blijft het perceel toegankelijk voor deze soorten. Met de voorgenomen ontwikkelingen neemt mogelijk het prooiaanbod voor jaarrond soorten toe.

Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

25

6.2

Conclusie bescherming gebieden

In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Nadere toetsing wordt niet noodzakelijk geacht.

6.3

Conclusie bescherming houtopstanden

Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

6.4

Conclusie Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

6.5

Uitvoerbaarheid van de plannen

Vanuit de eisen van het natuurbeleid NNN is het plan uitvoerbaar. Ook vanuit de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar met betrekking tot de onderdelen gebiedenbescherming, soorten en houtopstanden.

26

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

6.6

Geldigheid onderzoek

Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “ Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Voor onderzoeken waar alleen algemeen voorkomende soorten, de overige beschermde soorten van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn, mag worden volstaan met een geldigheid van 5 jaar. Waarbij ook geldt dat er in die periode weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen optreden. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Eelerwoude

Zonnepark, Heino Definitief

27

7 LITERATUURLIJST -

-

-

-

Bos, F., Bosveld, M., Groenendijk, D., Swaay, C. van, & Wynhoff, I. (2006). De dagvlinders van Nederland, - Nederlandse fauna 7. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers.

Foto’s: Rinze Kroeskop

BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER NATUURWETGEVING Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende plantenen diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd1. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 7).

De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging);

1

De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en).

Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens.

Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1.

De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de

provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling. Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.

Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora en fauna;

•

voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;

•

om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;

•

in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=81fa99b2-7610-4326-bd47-d3ae9a7387ac