Toelichting
Tekst van het document
Dit betekent dat wanneer op de rijbanen met een oppervlak van circa 2.000 m² een waterschijf van 0,10 m water komt te staan (dit leidt niet tot wateroverlast in de woningen), hier 200 m³ geborgen kan worden. Met de infiltratiecapaciteit van de wadi wordt gezorgd dat de rijbanen ruim binnen de 4 uur weer droog zijn. Om te voldoen aan de waterbergingsopgave dient ook waterberging buiten de woonwijk gerealiseerd te worden. Hiervoor kan de bestaande wadi aan de westzijde van het plangebied uitgebreid worden. Deze wadi heeft een bodem op NAP +4,0 m. De insteek langs de wadi ligt op circa NAP +4,55 m, waardoor een maximale vulling van 0,55 m in de wadi mogelijk is. Daarnaast dient langs de zuidzijde van het plan een wadi gerealiseerd te worden ten behoeve van de afvoer van hemelwater uit het plan naar de wadi aan de westzijde. Hierdoor kan na volledige vulling van de wadi centraal binnen de woonwijk via een slokop naar de wadi aan de rand van het plangebied afgevoerd worden. Het oppervlak van het wandelpad door de wadi, wordt hier direct naartoe afgevoerd. In de bestaande wadi is circa 525 m³ berging aanwezig. Met de uitbreiding wordt circa 1.230 m³ berging gerealiseerd. Dit betekent dat circa 705 m³ toegerekend mag worden aan de ontwikkeling. De exacte berging die gerealiseerd wordt, is afhankelijk van de exacte vormgeving in een latere fase.
Met de inrichting van het huidige plan (binnen en buiten het plangebied) kan 1.601 m³ berging in het eerste uur gerealiseerd worden, zie tabel 5. Hiermee is een overschot aan waterberging aanwezig, waardoor wijzigingen in het ontwerp niet direct leiden tot een bergingstekort. Vuilwater Het vuilwater dient aangesloten te worden op de gemeentelijke riolering. Aan de noord- en oostzijde van het plangebied is bestaande vuilwaterriolering aanwezig. Deze heeft een diameter ø250 mm. De diepteligging hiervan is toereikend om vanuit het plangebied hier onder vrijverval aan te kunnen sluiten. De woningen aan de buitenzijden van het plangebied kunnen middels een uitlegger aangesloten worden op de bestaande riolering.
28
Grondwater Het grondwater is ter hoogte van het plangebied op circa 1,2 m onder maaiveld aanwezig. Dit betekent dat het huidige maaiveld voldoende hoog ligt om voldoende ontwatering binnen het plangebied te hebben. Daarnaast mag er als gevolg van de ontwikkeling geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan. Door het realiseren van de wadi’s wordt de toename van afstromend hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak volledig gecompenseerd. Vanuit de wadi’s kan het hemelwater infiltreren in de bodem. Hiermee wordt het grondwater aangevuld. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.8
Natuur Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Met een quick scan natuur8 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Deze is opgenomen als bijlage 8. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat de Natura 2000-gebieden “Boetelerveld” en “Sallandse Heuvelrug’’ in de directe omgeving van het plangebied liggen. Deze liggen respectievelijk 3,5 en 8,6 kilometer van het plangebied verwijderd. In de voorgenoemde Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie.
Daarom heeft SAB een onderzoek stikstofdepositie9 uitgevoerd waarin de mogelijke effecten van de woningbouwontwikkeling op stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden zijn onderzocht. Deze is opgenomen als bijlage 9. Uit het onderzoek blijkt dat significant negatieve effecten op deze gebieden als gevolg van stikstofemissie van dit plan zijn uit te sluiten. Omdat negatieve
8
SAB (2023). Quick scan natuur. Raalte, Bredenhorst. Projectnummer: 180436.01. 17 oktober 2023.
9
SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. Raalte, Bredenhorst. Projectnummer: 180436.01. 15 november 2023. 29
effecten zijn uit te sluiten is een nadere beoordeling, in de vorm van een passende beoordeling, niet nodig. Daarnaast ligt het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuurzones. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Daarnaast kunnen in en nabij het plangebied soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.
Verder zijn er mogelijk verblijfplaatsen of (essentieel) leefgebied van bunzing, wezel en egel in het plangebied aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten wordt nader soortgericht onderzoek uitgevoerd naar deze soorten. Dit onderzoek wordt na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan conform de geldende onderzoeksprotocollen uitgevoerd. Houtopstanden Bij voorliggende ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen niet eerder wordt verleend dan nadat aangetoond kan worden dat er geen sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming danwel dat er een ontheffing kan worden verkregen. Op deze manier is juridisch-planologisch geborgd dat het benodigde vervolgonderzoek naar de bunzing, wezel en egel wordt uitgevoerd. Met inachtneming hiervan vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
30
4.9
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing In het geldende bestemmingsplan ‘Salland I’ zijn regels met betrekking tot eventuele archeologische resten opgenomen. Binnen het plangebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. Indien sprake is van bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 5 hectare en dieper dan 50 centimeter is archeologisch onderzoek nodig. Met voorliggend plan worden deze grenzen niet overschreden, waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De lage archeologische verwachtingswaarde zal worden overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Op deze manier zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het plangebied in voldoende mate beschermd. De aanwezigheid van archeologische vondsten kan echter nooit geheel worden uitgesloten.
Wanneer tijdens de uitvoering van werkzaamheden een archeologische vondst wordt gedaan moet dit op grond van de Erfgoedwet (artikel 5.10 en 5.11) verplicht worden gemeld aan de Minister van OCW en de gemeente Raalte. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.10
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing In en rondom het plangebied is geen bebouwing aanwezig met een monumentale status en/of cultuurhistorische waarde. Bij de stedenbouwkundige opzet van de beoogde woningbouw is rekening gehouden met de karakteristieken en structuur van de omgeving waartoe het plangebied behoort. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 31
4.11
Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied zal voor het autoverkeer worden ontsloten op de Burgemeester Zuidwijklaan. De ontsluiting bevindt zich tegenover de Rutenberg, waardoor hier een nieuw kruispunt wordt gerealiseerd. Voor het langzaam verkeer wordt hier een zelfstandige oversteek gerealiseerd. Aanvullend wordt ook een fiets- en voetgangersoversteek gerealiseerd aan de oostzijde van het plangebied. In het zuidoosten wordt een calamiteitenroute gecreëerd. Om inzichtelijk te krijgen wat de gevolgen zijn van voorliggende ontwikkeling op het verkeer is een verkeersonderzoek10 uitgevoerd. Deze is opgenomen als bijlage 10. Uit het onderzoek volgt dat de beoogde woningbouwontwikkeling naar verwachting circa 417 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal genereert, met 38 pae tijdens het drukste ochtendspitsuur en met 49 pae tijdens het drukste avondspitsuur. Op de getoetste gebiedsontsluitingswegen is de hoeveelheid verkeer die met de ontwikkeling meegerekend aanwezig zal zijn richting de toekomst dusdanig laag dat zich geen knelpunten voordoen. Op het voorgenomen nieuw aan te leggen kruispunt aan de N348 wordt op basis van de uitgangspunten betreffende de verdeling van het verkeer over de richtingen in het drukste avondspitsuur wel een knelpunt gemeten. Echter wanneer het huidige kruispunt inclusief ontwikkeling getoetst wordt, wordt over alle richtingen een knelpunt gemeten.
Alle geconstateerde knelpunten zijn op basis van onze worstcase-uitgangspunten echter ook aanwezig in de 2032-situatie zonder ontwikkeling en worden als gevolg van de ontwikkeling slechts marginaal vergroot. Deze knelpunten zijn redelijkerwijs niet toe te schrijven aan de ontwikkeling. Daarmee wordt geconcludeerd dat het aspect verkeer de ontwikkeling niet in de weg staat. Parkeren Ten behoeve van het stedenbouwkundig plan is een parkeerbalans opgesteld om inzichtelijk te krijgen op welke wijze in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied wordt voorzien. Daarbij wordt het parkeren zowel op eigen terrein als in openbaar gebied gerealiseerd. Het parkeren wordt grotendeels gerealiseerd aan de achterzijde van de woonkavels (77 parkeerplaatsen). Aanvullend wordt in het openbaar gebied in de resterende parkeerbehoefte voorzien (39 parkeerplaatsen). De parkeervoorzieningen worden halfverhard aangelegd en groen ingepakt met hagen dan wel groene erfafscheidingen.
10
Mobycon (2022). Onderbouwing verkeer Bredenhorst Raalte. Projectnummer: M07688-RE2. 7 oktober 2022. 32
Beschikbaar
Benodigd
Beschikbaar
eigen terrein
openbaar terrein
openbaar terrein
Tussen-/hoekwoning met berging en
8,4
een parkeerplaats op eigen terrein Tussen-/hoekwoning met berging en
9,6
twee parkeerplaatsen op eigen terrein Tussen-/hoekwoning met berging
16
(sociale huur) Tussen-/hoekwoning met berging (sociale
1,2
huur) en twee parkeerplaatsen op eigen terrein Totaal
77 Aantal
35,2
Norm per
Benodigd
woning Tussen-/hoekwoning met
39 Norm
Benodigd
eigen terrein
eigen terrein
7
2
14
0,8
5,6
32
2
64
1,7
54,4
10
1,6
16
0
0
4
1,6
6,4
1,3
5,2
berging en een parkeerplaats op eigen terrein Tussen-/hoekwoning met berging en twee parkeerplaatsen op eigen terrein Tussen-/hoekwoning met berging (sociale huur) Tussen-/hoekwoning met berging (sociale huur) en twee parkeerplaatsen op eigen terrein Totaal
53
100,4
65,2
Parkeerbalans (Bron: Devri).
De parkeernormen uit het gemeentelijk parkeerbeleid zijn in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect parkeren voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
33
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (bouwvergunning) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (aanlegvergunning). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in het bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. 2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 34
5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. In dit plan is een anti-dubbeltelregel opgenomen. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
35
5.2.2
De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Raalte Kern’. Het plan bevat de volgende bestemmingen ‘Agrarisch’, Groen’, ‘Tuin’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’, ‘Wonen’ en ‘Waarde - Archeologische verwachtingswaarde laag’. Agrarisch De nieuwe geluidwal is voorzien van een agrarische bestemming en is ook aangeduid als ‘geluidwal’. Daarmee wordt aangesloten bij de bestemmingsopzet van de huidige geluidwal. Ook de reeds aanwezige wijzigingsbevoegdheid is overgenomen in voorliggend plan. Groen De groenstructuren in het plangebied zijn bestemd als ‘Groen’. Binnen deze bestemming zijn onder meer voet- en rijwielpaden en afval- en calamiteitenroutes en groen-, speel- en watervoorzieningen toegestaan. Gebouwen mogen niet worden gebouwd. Voor verschillende bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn maximum bouwhoogten opgenomen. Tuin De voortuinen van de woningen hebben een tuinbestemming gekregen. De gronden zijn daarmee voornamelijk bestemd voor tuinen van de aangrenzende hoofdgebouwen. Voor gebouwen als erkers, serres, luifels e.d. zijn bouwregels opgenomen. Dat geldt ook voor diverse bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Verkeer - Verblijfsgebied De wegenstructuur in het plangebied is bestemd als ‘Verkeer’.
Dat maakt dat de gronden onder meer zijn bestemd voor straten, pleinen, voet- en rijwielpaden, groen-, water- en speelvoorzieningen. Gebouwen mogen niet worden gebouwd. Voor verschillende bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn maximum bouwhoogten opgenomen. Wonen De woonvelden hebben een woonbestemming gekregen. Binnen deze zijn uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan met een maximum van 53. De woningen moeten in een bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de opgenomen maximum bouwhoogte. De goothoogte moet tussen de 3 en 6 meter liggen. Voor de woningen aan de buitenrand geldt dat ze met hun voorgevel in de opgenomen gevellijn gebouwd moeten worden. De woningen in het binnengebied mogen in dan wel tot maximaal 3 meter van de gevellijn worden gebouwd. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn eigen bouwregels opgenomen. Waarde - Archeologische verwachtingswaarde laag De huidige archeologische verwachtingswaarde is in voorliggend bestemmingsplan overgenomen. Dat betekent dat er archeologisch onderzoek moet worden verricht bij bodemingrepen van meer dan 5 hectare en dieper dan 0,5 meter onder maaiveld.
36
5.2.3
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Parkeren In de overige regels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of een omgevingsvergunning voor het afwijking van het bestemmingsplan slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform de parkeernormennota van de gemeente Raalte. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken.
37
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In dit kader hebben in het voortraject overleggen plaatsgevonden met de provincie Overijssel en Waterschap Drents Overijssel Delta. Zij hebben toen aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de ontwikkeling.
6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal te zijner tijd voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
38