Toelichting Bestemmingsplan Schanebroeksweg
Tekst van het document
Binnen deze zone biedt de Wet geluidhinder in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde is 39 dB. Analyse De te realiseren compensatiewoningen worden aangemerkt als nieuwe geluidsgevoelige objecten. Voor de bestaande bedrijfswoningen geldt dat op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder de geluidbelasting van bestaande woningen niet opnieuw getoetst hoeft te worden bij bestemmingsplanwijzigingen. Hieronder valt het omzetten van bedrijfswoningen naar reguliere woningen. In de nabijheid van het plangebied liggen geen bedrijventerreinen en spoorwegen. De aspecten industrielawaai en railverkeerlawaai zijn dan ook niet van toepassing op dit plan. In de nabijheid van het plangebied liggen wel diverse wegen, namelijk de Oude Twentseweg en de Schanebroeksweg. De nieuw te ontwikkelen woning ligt op ongeveer 500 meter afstand van de Oude Twentseweg en valt hiermee buiten de wettelijke geluidszone van deze weg. De compensatiewoningen liggen wel binnen de wettelijke geluidszone van de Schanebroeksweg. Dit betreft een doodlopende en zeer rustige weg die enkel door bestemmingsverkeer wordt gebruikt. Daarnaast geeft de atlas van de leefomgeving aan dat het geluid ter plekke van het plangebied lager dan 45 dB is, zie figuur 14.
Daarmee kunnen we aantonen dat de geluidsbelasting op de gevel(s) van de te ontwikkelen woningen de voorkeurswaarde van 48 dB niet overschrijdt. Nader onderzoek voor het aspect geluid is daarom niet noodzakelijk.
25
Figuur 14 Geluid in de omgeving ter hoogte van plangebied (rood omkaderd) (Bron: atlasvandeleefomgeving.nl) Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
4.6 Water Beleidskader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: - inzameling en transport van stedelijk afvalwater. - het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. - grondwater(maatregelen). Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) beschrijft de beleidskaders (ambities) en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits ‘vasthouden --> bergen --> afvoeren’ houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Als dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.
26
De trits ‘schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken’ omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoonhouden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en ook het zuiveringsrendement worden verhoogd. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het ‘watertoets proces’. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties.
Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. Analyse Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de korte procedure van toepassing is. Dit houdt in dat planvorming doorgang kan vinden onder voorwaarde dat de standaard waterparagraaf uit het watertoetsresultaat wordt toegepast. Het verhard oppervlak binnen het plangebied neemt af, hiermee is het mogelijk om hemelwater te infiltreren in de bodem.
Het onderliggende plan heeft een positief effect op de waterhuishouding. Conclusie Het plan is uitvoerbaar op basis van het aspect water.
4.7 Bedrijven en milieuzonering
Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
27
Analyse In de VNG-brochure: geur en veehouderij is een stappenplan benoemd met de onderzoekstappen om te onderbouwen of een woning kan worden gerealiseerd in de nabijheid van een of meerdere veehouderijen. In figuur 15 is dit stappenplan weergegeven. In onderliggend initiatief gelden de stappen van 1 naar 7b.
Figuur 15 Stappenplan realisatie woningen in nabijheid van veehouderijen (bron: VNG) Stap 1 informatieverzameling Het plangebied aan de Schanebroeksweg ligt in een agrarisch gebied met een aantal (bedrijfs-)woningen, zoals te zien is in figuur 16. De bedrijfswoningen op het erf komen uit het jaar 1993 en 1976 (figuur 17). De woningen maakten nog deel uit van het bedrijf na 19 maart 2000. Deze woningen verkeren in een goede staat. Het bedrijf aan de Schanebroeksweg 10 is een melkveebedrijf. Het bedrijf aan de Schanebroeksweg 12 houdt paarden.
28
Figuur 16 ligging plangebied in de omgeving (bron: RuimtelijkePlannen)
Figuur 17 jaartal woningen (bron: TopoTijdReis) Stap 2 planologische ruimte Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
Ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en Ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen
29
De bestaande woningen liggen beiden op 39 meter afstand van het bouwvlak van de Schanebroeksweg 10. Dit is een melkveebedrijf. De nieuw te realiseren woningen liggen beiden op minimaal 50 meter afstand van het tegenovergelegen melkveebedrijf, zoals te zien is in het inrichtingsplan (bijlage 1). Op ongeveer 220 meter afstand ligt het bedrijf aan de Schanebroeksweg 12. Dit bedrijf houdt paarden. In figuur 18 is dit weergegeven. Hierdoor kan gesteld worden dat alleen het melkveebedrijf aan de Schanebroeksweg 10 voor het aspect geur relevant is.
220 meter
39 meter 55 meter
Figuur 18 ligging plangebied t.o.v. naastgelegen agrarische bedrijven (bron: Pdok-Viewer) Stap 3 gezondheidsrisico’s De nieuw te realiseren woningen liggen beiden buiten de geurcirkel van 50 meter. De bestaande woningen liggen binnen de geurcirkel van 50 meter. In figuur 19 is dit weergegeven.
Figuur 19 inrichtingsplan met milieucontour van het plangebied (Bron: H.A. ten Have)
30
Stap 4 onderzoek gezondheidsrisico’s Voor de nieuw te realiseren woningen zijn geen gezondheidsrisico’s te verwachten doordat deze buiten de geurcirkel liggen. De bestaande woningen liggen binnen de geurcirkel van 50 meter. De afstand van minimaal 50 meter wordt niet gehaald voor de twee bestaande bedrijfswoningen. De voorzieningenrechter geeft in zijn uitspraak van 29 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2427 aan dat het onder omstandigheden mogelijk is om bedrijfswoningen op minder dan 50 meter om te zetten in reguliere woningen mits dit onderbouwd wordt. De rechter heeft bij dit bestemmingsplan geoordeeld dat zowel in het bestemmingsplan als in de zienswijzennota onvoldoende onderbouwd waarom het acceptabel is dat de woningen op minder dan 50 meter staan. In het hiernavolgende wordt deze onderbouwing gegeven. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.
Stap 5b Oplossingen (aanvaardbaar woon- en leefklimaat) De huidige bedrijfswoningen verkeren in een goede staat, zoals te zien is in figuur 20. Op dit moment wordt er ook al gewoond zonder dat er een connectie is met het voormalige bedrijf. Er zijn geen klachten bekend over geuroverlast. Het is, gezien de kwaliteit van de woningen en de woonsituatie niet gewenst om de woningen te slopen. Dit zou immers leiden tot ongewenste kapitaalvernietiging. Dit neemt niet weg dat onderbouwd moet worden dat met het behoud van deze woningen en het herbestemmen naar wonen sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Ook moet onderbouwd worden dat de naastgelegen veehouderij niet gehinderd wordt in de bedrijfsvoering. Dit komt in de volgende stappen aan de orde.
Figuur 20 Woningen aan de Schanebroeksweg 11 en 13 (bron: Google-Maps) Stap 6 Worden belangen van veehouderijen geschaad In onderliggend geval maakten beide bedrijfswoningen deel uit van het agrarische bedrijf na 19 maart 2000. Het bedrijf aan de Schanebroeksweg 10 heeft dus reeds jaren rekening moeten houden met de aanwezigheid van deze bedrijfswoningen bij zijn bedrijfsvoering. De omzetting van deze bedrijfswoningen bij het herbestemmen naar ‘Wonen’ brengt dus geen nieuwe belemmering voor dit naastgelegen melkveebedrijf. Uit een uitspraak van de AbRvS blijkt dat de omzetting om die reden niet onaanvaardbaar is te achten (ECLI:NL:RVS:2009:BH4668) De feitelijke situatie verandert dus niet voor dit melkveehouderijbedrijf. Om te bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is er een indicatieve V-stacks berekening gemaakt. Indicatief omdat er voor melkvee
31
geen vastgestelde geurnormen bestaan. In deze V-stacks berekening is voor melkvee de geuremissie gebaseerd op een rapport van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant1. Dit onderzoek vergelijkt de verschillen in geuremissies tussen verschillende stalsystemen. Uit de berekening blijkt dat de geurbelasting tussen de 3- en 6 OU/s is (bijlage 9). Dit is ruim onder de wettelijke geurnorm van 14,0 OU/s, die geldt voor woningen in het buitengebied. Aangezien de gemeente Raalte geen geurbeleid hanteert, is dit de te toetsen waarde. Stap 7b positief besluit Gelet op de omliggende milieubelastende functies, de uitspraak van de Raad van State op 4 maart 2009 en de indicatieve V-stacks berekening mag er vanuit worden gegaan dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is cq. zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur. Omgekeerd levert deze ontwikkeling geen belemmeringen op voor de bedrijfsvoering van het melkveehouderij. Die voldoet dus aan de geurnormen in de bestaande situatie en heeft dus ook nog ontwikkelruimte. Conclusie Het plan is op het aspect geur uitvoerbaar en voldoet aan een goed woon- en leefklimaat. Overigens is de planverbeelding naar aanleiding van de uitspraak van de Voorzieningenrechter wél aangepast.
Gebleken is dat als de voormalige bedrijfswoningen wél zouden worden gesloopt dat deze iets dichterbij het melkveehouderij gebouwd zouden kunnen worden. Eventueel vervangende woningen kunnen in de toekomst dus niet meer dichterbij de veehouderij gebouwd worden.
Andere aan te houden afstanden geurhinder melkveehouderij. Geurgebiedsvisie bij de geurverordening Asten 2020. Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant 1
32
4.8 Luchtkwaliteit
Beleidskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; Kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -
-
Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; Een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
33
Analyse Initiatiefnemer heeft het plan om twee woningbouwkavels te realiseren. Hiermee is er sprake van een dusdanig kleine ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt in voorliggend plan dus geen belemmering. Conclusie Het plan is uitvoerbaar op basis van het aspect luchtkwaliteit.
4.9 Externe veiligheid
Beleidskader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau’ voor externe veiligheid.’ Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Analyse Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
In afbeelding 21 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Het plangebied is met blauw omlijnd.
550m
Figuur 21 uitsnede risicokaart waarin het plangebied rood is omlijnd (Bron: risicokaart.nl)
34
Uit dit kaartbeeld blijkt dat het plangebied: Zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); Zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; Niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; Niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op een afstand van 550 meter is een buisleiding van de Gasunie gelegen. Ten oosten van het plangebied ligt de gasleiding A-529. De 100% letaliteitsgrens behorende bij deze leiding is 210 meter. Het plangebied valt hier ruim buiten dus een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
4.10 Verkeer & parkeren
Beleidskader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer (bereikbaarheid) en parkeren. Bij het wijzigen van het bestemmingsplan moet zijn verzekerd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Naast voldoende parkeergelegenheid is de ontsluiting van de locatie van belang. Analyse Het onderliggend plan voegt twee compensatiewoningen toe aan het plangebied. Deze ontwikkeling zorgt voor een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Hier tegenover staat dat de agrarische bestemming met bijbehorende bestemmingsverkeer komt te vervallen. De nieuwe woningen krijgen een ontsluiting aan de Schanebroeksweg. Deze weg is geschikt om de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen op te vangen. Op basis van de nota ‘Parkeernormen Raalte 2015’ geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. In het onderliggend plan worden twee woningen mogelijk gemaakt. In het landschapsplan (zie bijlage 1) zijn de parkeerplekken per woning opgenomen. Het erf biedt voldoende ruimte aan parkeergelegenheid. En hiermee kan aan de parkeernorm voldaan worden. Conclusie Het aspect is uitvoerbaar op basis van het aspect verkeer en parkeren.
4.11 Mer-beoordeling
Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-
35
drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: - Een oppervlakte van 100 hectare of meer, - Een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of - Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en de bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen.
Analyse Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit over voorliggend plan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichting. Daarnaast zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.12 Conclusie
Op basis van uitgevoerde onderzoeken en een analyse van de beoogde situatie blijkt dat ruimtelijke en milieukundige aspecten geen belemmering vormen voor de herziening van het bestemmingsplan ter realisatie van onderliggend plan. Hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.
36
5 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 5.1 Algemeen
Volgens artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Ook is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich een aantal agrarische bedrijven en een aantal woningen. Met het onderzoek naar de vervolgmogelijkheden op het erf is er rekening gehouden met de omliggende functies, waaronder kinderdagverblijf ’t Schanebroekkie. Belanghebbenden in de directe omgeving van het plangebied zijn door initiatiefnemer op de hoogte gesteld van onderliggend initiatief. Vanuit de directe omgeving zijn er in eerste instantie geen bezwaren geuit op het plan.
5.3 Economische uitvoerbaarheid
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat ruimtelijke plannen economisch uitvoerbaar moeten zijn. De gemeente Raalte heeft een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten, waarin is vastgelegd dat de kosten voor de procedure, de landschappelijke inpassing en eventuele kosten voor planschade volledig voor rekening van de initiatiefnemers komen. Het is niet nodig een exploitatieplan vast te stellen, omdat het kostenverhaal met een ontwikkelingsovereenkomst is geregeld. De economische uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling is hiermee voldoende gegarandeerd.
5.4 Conclusie
Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.
37
6 Vooroverleg 6.1 Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
6.2 Provincie Overijssel
Omdat met alle Overijsselse gemeenten woonafspraken zijn gemaakt, is voor de kleine woningbouwplannen de voortoets in de vooroverlegfase vervallen. Het gaat om plannen met minder dan 7 woningen. Alle overige woningbouwplannen (groter dan 6 woningen) moeten wel voor het vooroverleg aan de provincie worden aangeboden. Onderhavig bestemmingsplan betreft een woningbouwplan voor twee woningen. Vooroverleg met de provincie is dan ook niet noodzakelijk. Het ontwerpbestemmingsplan zal wel op de gebruikelijke manier ter kennisgeving aan de provincie worden aangeboden.
6.3 Waterschap Drents Overijsselse Delta Vooroverleg met het Waterschap heeft plaatsgevonden via het invullen van de digitale watertoets op 6 januari 2022. De uitkomsten van de watertoets hebben ertoe geleidt dat de korte procedure van toepassing is. De bestemming en de grootte van het plan hebben geen invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De standaard waterparagraaf is te vinden in bijlage 4.
6.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is er één zienwijze ingediend. De zienswijze is beantwoord in de Nota zienswijzen, welke als bijlage 6 is toegevoegd. De ingediende zienswijze heeft niet geleid tot aanpassingen in het vastgestelde bestemmingsplan.
38
7 Wijze van bestemmen 7.1 Algemeen
In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de juridische regeling (de regels en de verbeelding) van dit bestemmingsplan is vormgegeven. Met betrekking tot de regels en de verbeelding is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Raalte geconsolideerd'. Ten aanzien van het bestemmingsplan is een viertal regels opgenomen: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en een slotregel.
7.2 Verantwoording van de regels 1. Inleidende regels
Dit hoofdstuk bevat twee artikelen: Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 2. Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen. Artikel 3 Agrarisch met waarden – Landschapswaarden De gronden binnen het plangebied die bij de woonbestemming zijn gelegen hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Deze gronden zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, alsmede voor bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, (erf)ontsluitingen en voet- en fietspaden, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding waaronder ook voorzieningen ten behoeve van het tijdelijk bergen van water. Artikel 4 Wonen De bestaande woningen en bijbehorende bijgebouwen en tuinen zijn voorzien van de bestemming Wonen. De inhoudsmaat voor woningen bedraagt maximaal 750 m³. Artikel 5 Wonen-2 De nieuwe (schuur)woningen en bijbehorende tuinen zijn voorzien van de bestemming Wonen-2. Het hoofdgebouw en bijgebouw zijn binnen deze bestemming aaneengesloten. 3. Algemene regels
Dit hoofdstuk bevat de algemene regels: Artikel 6 Anti-dubbelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het
39
bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaren verschillen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw. Artikel 7 Algemene bouwregels Dit artikel bevat een aantal algemene bouwregels. Artikel 8 Algemene gebruiksregels Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is gebleken dat wonen in bijgebouwen is toegestaan als dit niet expliciet is uitgesloten. Omdat dit niet gewenst is, wordt in deze gebruiksregel wonen in bijgebouwen uitgesloten. Ook zijn prostitutiebedrijven en permanente bewoning van recreatiewoningen en plattelandskamers niet toegestaan. Artikel 9 algemene afwijkingsregels Algemene afwijkingsregels zijn opgenomen voor zaken die niet voor één specifieke bestemming gelden, maar in meerdere bestemmingen voorkomen en bijvoorbeeld gekoppeld zijn aan een aanduiding. In dit bestemmingsplan zijn o.a. algemene afwijkingsregels opgenomen voor kleinschalige windturbines. Tevens is er een afwijkingsregel opgenomen voor de herbouw van woningen buiten bestaande fundamenten. Indien aangetoond kan worden dat aan de voorkeursgrenswaarde en de overige voorwaarden wordt voldaan, is herbouw buiten de bestaande fundamenten toegestaan. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Naast de algemene afwijkingsregels zijn er ook algemene wijzigingsregels die in dit artikel worden beschreven.
Artikel 11 Overige regels In dit artikel zijn twee overige regels opgenomen. Eén omtrent de werking van wettelijke regelingen en één omtrent het toegelaten gebruik in afwijking van de bestemming. 4. Overgangs- en slotregels
Dit hoofdstuk bevat de regels betreffende overgangsrecht en de slotregel. Artikel 12 Overgangsrecht Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in lid 12.1. Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag. Het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik staat in artikel 12.2. Het betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Artikel 13 Slotregel Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
40
Bijlagen Bijlage 1 Landschapsplan Bijlage 2 QuickScan Flora & Fauna Bijlage 3 Bodemonderzoek Bijlage 4 Watertoets Bijlage 5 bestaande situatie en sloop Bijlage 6 Zienswijzennota Bijlage 7 Stikstofberekening Bijlage 8 Uitspraak Raad van State Bijlage 9 V-Stack-berekening
41