Toelichting
Tekst van het document
24
Figuur 14 Geluid in de omgeving ter hoogte van plangebied (rood omkaderd) (Bron: atlasvandeleefomgeving.nl) Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
4.6 Water Beleidskader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: - inzameling en transport van stedelijk afvalwater. - het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. - grondwater(maatregelen). Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) beschrijft de beleidskaders (ambities) en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits ‘vasthouden --> bergen --> afvoeren’ houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Als dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.
25
De trits ‘schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken’ omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoonhouden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en ook het zuiveringsrendement worden verhoogd. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het ‘watertoets proces’. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties.
Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. Analyse Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de korte procedure van toepassing is. Dit houdt in dat planvorming doorgang kan vinden onder voorwaarde dat de standaard waterparagraaf uit het watertoetsresultaat wordt toegepast. Het verhard oppervlak binnen het plangebied neemt af, hiermee is het mogelijk om hemelwater te infiltreren in de bodem.
Het onderliggende plan heeft een positief effect op de waterhuishouding. Conclusie Het plan is uitvoerbaar op basis van het aspect water.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.
26
Analyse Zoals al hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. Past de nieuwe functie in de omgeving? (Externe werking); 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe? (Interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele agrarische bedrijven. Het betreft de bedrijven aan de Schanebroeksweg 10 en 12. De twee agrarische bedrijven liggen op circa 50 en 220 meter afstand.
Figuur 15 afstand tot agrarische bouwvlakken (bron: PDOK) Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
Ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en Ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen
27
De bestaande woningen liggen binnen de 50 meter gemeten vanaf de grens van het bouwvlak. Voor de bestaande bedrijfswoningen geldt dat op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder de geluidbelasting van bestaande woningen niet opnieuw getoetst hoeft te worden bij bestemmingsplanwijzigingen. Hieronder valt het omzetten van bedrijfswoningen naar reguliere woningen. De te realiseren compensatiewoningen worden wel aangemerkt als nieuw geluidsgevoelige objecten. Op het onderstaande inrichtingsplan is de 50 meter grens vanaf het bouwvlak aangegeven met de rode verticale lijn. De twee compensatiewoningen vallen buiten de richtafstand van 50 meter. Hiermee wordt er voldaan aan de richtafstand van 50 meter.
Figuur 16 inrichtingsschets met milieucontour 50 meter (bron: H.A. ten Have) Conclusie Gelet op de omliggende milieubelastende functies mag er van uit worden gegaan dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft de aspecten geluid, geur. Omgekeerd levert deze ontwikkeling geen belemmeringen op voor de bedrijfsvoering van de desbetreffende agrarische beschrijven.
4.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
28
In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • Kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen.
De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -
-
Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; Een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Analyse Initiatiefnemer heeft het plan om twee woningbouwkavels te realiseren. Hiermee is er sprake van een dusdanig kleine ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt in voorliggend plan dus geen belemmering. Conclusie Het plan is uitvoerbaar op basis van het aspect luchtkwaliteit.
29
4.9 Externe veiligheid Beleidskader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau’ voor externe veiligheid.’ Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Analyse Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.
In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 17 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Het plangebied is met blauw omlijnd.
550m
Figuur 17 uitsnede risicokaart waarin het plangebied rood is omlijnd (Bron: risicokaart.nl) Uit dit kaartbeeld blijkt dat het plangebied: • Zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • Zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • Niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
30
•
Niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Op een afstand van 550 meter is een buisleiding van de Gasunie gelegen. Ten oosten van het plangebied ligt de gasleiding A-529. De 100% letaliteitsgrens behorende bij deze leiding is 210 meter. Het plangebied valt hier ruim buiten dus een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
4.10 Verkeer & parkeren Beleidskader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer (bereikbaarheid) en parkeren. Bij het wijzigen van het bestemmingsplan moet zijn verzekerd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Naast voldoende parkeergelegenheid is de ontsluiting van de locatie van belang. Analyse Het onderliggend plan voegt twee compensatiewoningen toe aan het plangebied. Deze ontwikkeling zorgt voor een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Hier tegenover staat dat de agrarische bestemming met bijbehorende bestemmingsverkeer komt te vervallen. De nieuwe woningen krijgen een ontsluiting aan de Schanebroeksweg. Deze weg is geschikt om de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen op te vangen. Op basis van de nota ‘Parkeernormen Raalte 2015’ geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. In het onderliggend plan worden twee woningen mogelijk gemaakt. In het landschapsplan (zie bijlage 1) zijn de parkeerplekken per woning opgenomen. Het erf biedt voldoende ruimte aan parkeergelegenheid. En hiermee kan aan de parkeernorm voldaan worden. Conclusie Het aspect is uitvoerbaar op basis van het aspect verkeer en parkeren.
4.11 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de Ddrempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. • De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. • Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. • De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
31
Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: - Een oppervlakte van 100 hectare of meer, - Een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of - Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en de bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen. Analyse Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit over voorliggend plan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichting.
Daarnaast zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.12 Conclusie Op basis van uitgevoerde onderzoeken en een analyse van de beoogde situatie blijkt dat ruimtelijke en milieukundige aspecten geen belemmering vormen voor de herziening van het bestemmingsplan ter realisatie van onderliggend plan. Hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.
32
5 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 5.1 Algemeen Volgens artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Ook is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich een aantal agrarische bedrijven en een aantal woningen. Met het onderzoek naar de vervolgmogelijkheden op het erf is er rekening gehouden met de omliggende functies, waaronder kinderdagverblijf ’t Schanebroekkie. Belanghebbenden in de directe omgeving van het plangebied zijn door initiatiefnemer op de hoogte gesteld van onderliggend initiatief. Vanuit de directe omgeving zijn er geen bezwaren geuit op het plan.
5.3 Economische uitvoerbaarheid In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat ruimtelijke plannen economisch uitvoerbaar moeten zijn. De gemeente Raalte heeft een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten, waarin is vastgelegd dat de kosten voor de procedure, de landschappelijke inpassing en eventuele kosten voor planschade volledig voor rekening van de initiatiefnemers komen. Het is niet nodig een exploitatieplan vast te stellen, omdat het kostenverhaal met een ontwikkelingsovereenkomst is geregeld. De economische uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling is hiermee voldoende gegarandeerd.
5.4 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.
33
6 Vooroverleg 6.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
6.2 Provincie Overijssel Omdat met alle Overijsselse gemeenten woonafspraken zijn gemaakt, is voor de kleine woningbouwplannen de voortoets in de vooroverlegfase vervallen. Het gaat om plannen met minder dan 7 woningen. Alle overige woningbouwplannen (groter dan 6 woningen) moeten wel voor het vooroverleg aan de provincie worden aangeboden. Onderhavig bestemmingsplan betreft een woningbouwplan voor twee woningen. Vooroverleg met de provincie is dan ook niet noodzakelijk. Het ontwerpbestemmingsplan zal wel op de gebruikelijke manier ter kennisgeving aan de provincie worden aangeboden.
6.3 Waterschap Drents Overijsselse Delta Vooroverleg met het Waterschap heeft plaatsgevonden via het invullen van de digitale watertoets op 6 januari 2022. De uitkomsten van de watertoets hebben ertoe geleidt dat de korte procedure van toepassing is. De bestemming en de grootte van het plan hebben geen invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De standaard waterparagraaf is te vinden in bijlage 4.
6.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal volgens artikel 3.8 lid 1 Wro gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd. Eenieder wordt hiermee in de gelegenheid gesteld om te reageren op het ontwerpbestemmingsplan. Na deze termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in deze toelichting weergegeven.
34
7 Wijze van bestemmen 7.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de juridische regeling (de regels en de verbeelding) van dit bestemmingsplan is vormgegeven. Met betrekking tot de regels en de verbeelding is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Raalte geconsolideerd'. Ten aanzien van het bestemmingsplan is een viertal regels opgenomen: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en een slotregel.
7.2 Verantwoording van de regels 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen: Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 2. Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen. Artikel 3 Agrarisch met waarden – Landschapswaarden De gronden binnen het plangebied die bij de woonbestemming zijn gelegen hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Deze gronden zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, alsmede voor bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, (erf)ontsluitingen en voet- en fietspaden, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding waaronder ook voorzieningen ten behoeve van het tijdelijk bergen van water. Artikel 4 Wonen De bestaande woningen en bijbehorende bijgebouwen en tuinen zijn voorzien van de bestemming Wonen. De inhoudsmaat voor woningen bedraagt maximaal 750 m³. Artikel 5 Wonen-2 De nieuwe (schuur)woningen en bijbehorende tuinen zijn voorzien van de bestemming Wonen-2. Het hoofdgebouw en bijgebouw zijn binnen deze bestemming aaneengesloten. 3. Algemene regels
Dit hoofdstuk bevat de algemene regels: Artikel 6 Anti-dubbelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het
35
bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaren verschillen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw. Artikel 7 Algemene bouwregels Dit artikel bevat een aantal algemene bouwregels. Artikel 8 Algemene gebruiksregels Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is gebleken dat wonen in bijgebouwen is toegestaan als dit niet expliciet is uitgesloten. Omdat dit niet gewenst is, wordt in deze gebruiksregel wonen in bijgebouwen uitgesloten. Ook zijn prostitutiebedrijven en permanente bewoning van recreatiewoningen en plattelandskamers niet toegestaan. Artikel 9 algemene afwijkingsregels Algemene afwijkingsregels zijn opgenomen voor zaken die niet voor één specifieke bestemming gelden, maar in meerdere bestemmingen voorkomen en bijvoorbeeld gekoppeld zijn aan een aanduiding. In dit bestemmingsplan zijn o.a. algemene afwijkingsregels opgenomen voor kleinschalige windturbines. Tevens is er een afwijkingsregel opgenomen voor de herbouw van woningen buiten bestaande fundamenten. Indien aangetoond kan worden dat aan de voorkeursgrenswaarde en de overige voorwaarden wordt voldaan, is herbouw buiten de bestaande fundamenten toegestaan. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Naast de algemene afwijkingsregels zijn er ook algemene wijzigingsregels die in dit artikel worden beschreven.
Artikel 11 Overige regels In dit artikel zijn twee overige regels opgenomen. Eén omtrent de werking van wettelijke regelingen en één omtrent het toegelaten gebruik in afwijking van de bestemming. 4. Overgangs- en slotregels
Dit hoofdstuk bevat de regels betreffende overgangsrecht en de slotregel. Artikel 12 Overgangsrecht Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in lid 12.1. Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag. Het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik staat in artikel 12.2. Het betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Artikel 13 Slotregel Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
36
Bijlagen Bijlage 1 Landschapsplan Bijlage 2 QuickScan Flora & Fauna Bijlage 3 Bodemonderzoek Bijlage 4 Watertoets Bijlage 5 bestaande situatie en sloop
37