Toelichting
Tekst van het document
Heino, Woolthuisweg 1-3
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding Aanleiding Ligging plangebied Vigerende bestemmingsplannen De bij het plan behorende stukken Leeswijzer
3 3 3 4 6 6
Hoofdstuk 2 2.1 2.2
Het plan Bestaande situatie Beoogde situatie
7 7 7
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3
Beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
9 9 10 15
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Milieu- en omgevingsaspecten Algemeen Bodem Water Archeologie & cultuurhistorie Ecologie Geluid Luchtkwaliteit Geur Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Verkeer en parkeren Kabels en leidingen MER-toets
17 17 17 18 22 24 25 26 29 30 31 32 33 34
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische plantoelichting Juridische aspecten
36 36
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
38
Hoofdstuk 7 7.1 7.2
Procedure, vooroverleg en inspraak Procedurestappen Inspraak
39 39 39
2
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het planologisch mogelijk maken van een woning op een onbebouwd perceel binnen de de bebouwde omgeving van de kern Heino. In de bestaande situatie is in het plangebied reeds een twee-aaneen gebouwde woning (twee wooneenheden) met bijbehorende bijgebouwen gesitueerd, de Woolthuisweg 1-3. De overige gronden van het plangebied zijn ingericht als tuin. In de zuidelijke helft van het plangebied ligt een onbebouwd perceel dat in gebruik is als tuin en weide. Het initiatief bestaat uit de invulling van het onbebouwde perceel, gesitueerd tussen de Woolthuisweg 1-3 en de Woolthuisweg 5, middels de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en omliggende tuinen. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Heino'. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan omvat de herbestemming van de als "twee-aaneen" aangeduide woning naar één "vrijstaande" woning. De vrijgekomen woning wordt planologisch verplaatst naar het onbebouwde perceel. Dit wordt mogelijk gemaakt door een deel van de vigerende tuin bestemming te wijzigen naar 'Wonen - 1' en het toevoegen van een bouwvlak dat is voorzien van de bouwaanduiding 'vrijstaand'.
Voorliggend plan voorziet in een passend planologisch kader waarbinnen de beoogde ontwikkeling uitgevoerd kan worden. In deze plantoelichting wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied aan de Woolthuisweg 1-3 in Heino staat kadastraal bekend als gemeente Heino, sectie C, perceelnummers 4594 en 4595. Figuur 1.1 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Heino. Figuur 1.2 toont globaal de ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving, voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
3
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
Figuur 1.1: Ligging plangebied ten opzichte van Heino
Figuur 1.2:Ligging plangebied ten opzichte van directe omgeving
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
1.3.1
Bestemmingsplan 'Heino'
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Heino' welke op 22 april 2010 door de gemeenteraad van Raalte is vastgesteld. In figuur 1.3 is een uitsnede van de verbeelding behorend bij het bestemmingsplan 'Heino' opgenomen. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan.
4
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
Figuur 1.3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Heino' ter plaatse van het plangebied
In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de volgende bestemmingen: enkelbestemming 'Wonen - 1'; enkelbestemming 'Tuin'. Navolgend wordt een beschrijving van de voor het plangebied relevante bestemmingen gegeven. Enkelbestemming 'Wonen - 1' Gronden met de bestemming 'Wonen - 1' zijn bestemd voor wonen al dan niet in combinatie met ruimte voor een beroep en/of bedrijf aan huis en aan- en bijgebouwen in onder andere de volgende categorieën: ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', voor vrijstaande woningen en ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen', voor als twee-aaneen gebouwde woningen. Met de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met daaraan ondergeschikt: waterlopen en waterpartijen, groenvoorzieningen, wegen en paden. Op basis van de bouwregels mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, een en ander met inachtneming van de aangegeven maatvoeringseisen. Ter plaatse van de bestaande woning in het plangebied is een bouwvlak gelegen met de bouwaanduiding 'twee-aaneen'. Strijdigheid De noordelijke helft van het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan bestemd voor een woonfunctie middels de enkelbestemming 'Wonen - 1' en tevens voorzien van een bouwvlak en de bouwaanduiding 'twee-aaneen'.
Voorliggend plan voorziet in een planologische herbestemming van de als "twee-aaneen" aangeduide woning naar een "vrijstaande" woning. Een vrijstaande woning is hier niet toegestaan omdat de bouwaanduiding niet toereikend is, derhalve is sprake van een strijdige situatie. Enkelbestemming 'Tuin' De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Met de daarbij behorende erven, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, verhardingen, met daaraan ondergeschikt: groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, wegen en paden, in- en uitritten. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van voor de voorgevellijn van en aansluitend aan woningen gelegen erkers, serres en andere gebouwen op de begane grond, luifels en dakoversteken en balkons met inachtneming van de
5
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
bijbehorende maatvoeringseisen. Strijdigheid De zuidelijke helft van het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan bestemd voor tuinen. Voorliggend plan voorziet in de planologische verplaatsing van de vrijgekomen woning naar het onbebouwde perceel ten zuiden van de Woolthuisweg 1-3, welke bestemd is als 'Tuin'. Op basis van het geldende bestemmingsplan is de realisatie van één vrijstaande vrijstaande woning in het zuidelijke deel van het plangebied niet toegestaan, dit omdat ter plekke van de tuin bestemming geen hoofdgebouw mag worden gebouwd. Het geldende bestemmingsplan bevat geen wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden welke voor voorliggend initiatief uitkomst bieden. Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.
1.3.2
Bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren'
Het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren' voorziet in de planologische verankering van het parkeerbeleid van de gemeente Raalte en is door de gemeenteraad vastgesteld op 27 september 2018. Het bestemmingsplan komt voort uit de wens van de gemeente Raalte om de parkeerregeling vast te leggen in alle geldende bestemmingsplannen binnen de gemeentegrenzen. Het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren' blijft onverkort van toepassing. De beoogde ontwikkeling voldoet aan de parkeerregeling zoals opgenomen in het parkeerbeleidsplan "Parkeernormen Raalte 2015" (zie 4.11 Verkeer en parkeren) en is derhalve niet strijdig met het bestemmingsplan.
1.4
De bij het plan behorende stukken
Het onderhavige bestemmingsplan 'Heino, Woolthuisweg 1-3' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Toelichting; Bijlagen bij de toelichting; Verbeelding (identificatie NL.IMRO.0177.BP20230020-VG01); Regels.
1.5
Leeswijzer
De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In Hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het plan. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In Hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In Hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In Hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid en in Hoofdstuk 7 worden de procedure en het overleg toegelicht.
6
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
Hoofdstuk 2 2.1
Het plan
Bestaande situatie
Het plangebied is gelegen aan de Woolthuisweg 1-3 in de kern van Heino. Het plangebied is in het noorden begrensd door een waterloop, aan de oost- en westzijde door respectievelijk de Meidoorn en de Woolthuisweg en aan de zuidzijde door de Woolthuisweg 5. In Figuur 2.1 is een vogelvlucht van de huidige situatie in het plangebied opgenomen. In de noordelijke helft van het plangebied (perceelnummer 4594) is in de huidige situatie een twee-aaneen gebouwde woning met bijgebouwen en omliggende tuinen gelegen, de Woolthuisweg 1-3. De zuidelijke helft van het plangebied (perceelnummer 4595) is in de huidige situatie onbebouwd, in gebruik als tuin en voorzien van een omheining. In figuur 2.1 is een vogelvluchtaanzicht opgenomen van het plangebied met de onbebouwde grond en rechts daarnaast de bestaande woning.
Figuur 2.1: Vogelvluchtaanzicht plangebied
2.2
Beoogde situatie
2.2.1
Stedenbouwkundige inpassing
Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bebouwing in de noordelijke helft van het plangebied te behouden en in de zuidelijke helft een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en omliggende tuinen te realiseren. De beoogde ontwikkeling wordt ingepast in het stedenbouwkundige bebouwingsbeeld en karakter. De parkeerbehoefte van de vrijstaande woningen, welke 2,3 parkeerplaatsen per woning bedraagt (zie 4.11 Verkeer en parkeren), wordt op het eigen terrein opgelost door de realisatie van tenminste 3 parkeerplaatsen per wooneenheid. De vrijstaande woning wordt in dezelfde voorgevellijn gesitueerd als de bestaande woningen aan de Woolthuisweg, in combinatie met het gedeeltelijk behoud van de enkelbestemming 'Tuin' aan de voorzijde van het woonperceel. Er wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bouwmogelijkheden van de enkelbestemming 'Wonen - 1', zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Heino". Echter, voor de beoogde vrijstaande woning in de zuidelijke helft van het plangebied geldt een maximale bouwhoogte van 8 meter en een maximale goothoogte van 3 meter. Daarnaast geldt voor deze woning dat bijgebouwen uitsluitend binnen de bouwaanduiding 'bijgebouwen' mogen worden gebouwd. Hierdoor past de ontwikkeling wat betreft de situering, massa en schaal bij de bebouwingskenmerken van de omgeving.
Tevens wordt het groene karakter ondersteund middels de aanleg van bomen en een haag rondom het perceel. In onderstaande figuur wordt de beoogde situatie in het plangebied weergegeven, waarbij op de zuidelijke helft van het plangebied het erfinrichtingsplan van voorgenomen ontwikkeling is geprojecteerd. Voor het gehele inrichtingsplan van de zuidelijke helft van het plangebied wordt verwezen naar Bijlage 1 Erfinrichtingsplan Woolthuisweg 3.
7
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
Figuur 2.2: Beoogde situatie
8
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
3.1.1.1
Algemeen
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.
In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
3.1.1.2
Doorwerking in het onderhavige plan
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een onbebouwd perceel in bebouwde omgeving van Heino waarbij het groene karakter wordt ondersteund, wat bijdraagt aan de leefbaarheid van Heino. Voorgenomen ontwikkeling betreft een gasloze en levensloopbestendige woning. Geconstateerd wordt dat de ontwikkeling daarmee past binnen de NOVI.
3.1.1.3
Conclusie
Er is geen sprake van strijdigheid met rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.1.2.1
Algemeen
De juridische borging van de nationale belangen vindt plaats in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het Barro wordt een aantal onderwerpen dat van nationale belangen is concreet benoemd. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op geformuleerde nationale belangen zoals in paragraaf 3.1.1 is vastgesteld. Sinds de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in 2010 is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' van toepassing. Hierin wordt een zorgvuldige belangenafweging en goede inpassing van nieuwe stedelijke en/of ruimtelijke initiatieven
9
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
voorgeschreven. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Uit artikel 3.1.6 lid 2 Bro volgt dat de ladder is ontwikkeld met het oog op een goede ruimtelijke ordening, om ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat de ladder doorlopen moet worden bij een project van meer dan 11 woningen.
3.1.2.2
Doorwerking in het onderhavige plan
In het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Onderhavig plan voorziet enkel in de herbestemming en planologische verplaatsing van de bestaande 'twee-aaneen' gebouwde woning (twee wooneenheden) naar twee vrijstaande woningen. De laddertoets hoeft derhalve niet doorlopen te worden.
3.1.2.3
Conclusie
Het plan is passend binnen het Rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving is integraal vastgelegd in de Omgevingsvisie- en Omgevingsverordening Overijssel. De huidige visie en verordening zijn vastgesteld op 12 april 2017. De provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening worden elk jaar bijgewerkt. Dat gebeurt met de jaarlijkse Actualisatie. Het gaat om alle eerder vastgestelde beleidswijzigingen die nog moeten worden doorvertaald in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Op 16 november 2022 zijn de 'Actualisatie Omgevingsvisie 2022' en 'Actualisatie Omgevingsverordening 2022' vastgesteld. Het plan is getoetst aan de geconsolideerde Omgevingsvisie en Omgevingsverordening vanaf 2017 (beiden 16-11-2022).
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
In de Omgevingsvisie schetsen Provinciale Staten hun visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie. Het vizier is daarbij gericht op 2030. Zij geven aan wat volgens hen de ambities en doelstellingen van provinciaal belang zijn en hoe zij Gedeputeerde Staten opdragen deze te realiseren. Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel. Dit betekent dat de provincie ruimte wil bieden voor de ontwikkeling van werkgelegenheid en hoogwaardige woonmilieus tot stand willen brengen. Dynamiek ziet de provincie als een kans om de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid te versterken. Dit wordt gedaan door in te zetten op een evenwichtige afweging van beleidsambities waaronder waterveiligheid, een gezond milieu en goede volksgezondheid. Daarnaast wordt ook gestuurd op het versterken van de waardevolle en karakteristieke kenmerken van het landschap. Om de omgevingsvisie tot uitvoering te brengen bevat deze een uitvoeringsmodel. In dat model staan de stappen 'of', 'waar' en 'hoe' centraal. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing. Soms is deze sturing normstellend, maar meestal is de sturing richtinggevend of inspirerend.
10
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die ruimtelijke onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De Omgevingsverordening richt zich dan ook net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - uitsluitend op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem. Het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' is toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in de verordening. Waar mogelijk zijn afwijkingsmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Voorliggend plan is getoetst aan de relevante beleidsregels uit de provinciale verordening en worden in de navolgende hoofdstukken beschreven.
3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus. Aan de hand van de drie niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling passend is binnen het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving. In navolgende afbeelding wordt het uitvoeringsmodel weergegeven.
Figuur 3.1: Visualisatie Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De betreffende niveaus worden hierna toegelicht, vervolgens wordt het plan getoetst aan de betreffende niveaus uit het uitvoeringsmodel. Generieke beleidskeuzes (of) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven (waar) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen aanvaardbaar zijn, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
11
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken (hoe) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
3.2.3.1
Generieke beleidskeuzes (of)
Bij de afwegingen op het eerste niveau 'Of – generieke beleidskeuzes' zijn artikel 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) en artikel 2.2.2 (Realisatie nieuwe woningen) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Navolgend wordt aan de artikelen getoetst. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1: Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: 1. dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; 2. dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip "bestaand bebouwd gebied" nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel Onderhavig plan voorziet in de herbestemming van bestaande bebouwing en de planologische verplaatsing van één wooneenheid ten behoeve van de realisatie van een vrijstaande woning. De gronden waarop de realisatie van de vrijstaande woning, en dus een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden, is beoogd betreffen geen "bestaand bebouwd gebied" zoals omschreven in de Omgevingsverordening. Binnen het bestaande bebouwd gebied is geen ruimte beschikbaar en het bestaand bebouwd gebied is ook niet geschikt te maken door hestructurering en/of transformatie. Bovendien, hoewel de vigerende 'Tuin' bestemming niet toereikend is voor de realisatie van een vrijstaande woning, is op deze gronden de aanleg van verharding reeds toegestaan. Het groene karakter ter plaatse van voorgenomen ontwikkeling wordt behouden en ondersteunt middels de aanleg van bomen en een haag rondom het plangebied. Derhalve wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 2.1.3 lid 1 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit (leden 1, 2, 3 en 5) Lid 1: in de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Lid 2: in het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. Lid 3: in het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Lid 5: in het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 Onderhavige paragraaf past het Uitvoeringsmodel dat in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd toe.
Hierbij wordt invulling gegeven aan de OF- WAAR- en HOE-benadering en de bijbehorende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken behorende bij de vier-lagenbenadering zoals in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Het voornemen is daarmee in overeenstemming met artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen 1. Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel
12
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
onderzoek woningbouw. 2. De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.2 Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een vrijstaande woning middels de herbestemming en planologische verplaatsing van een bestaande wooneenheid. Het planvoornemen voorziet dus niet in de realisatie van nieuwe woningen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel.
3.2.3.2
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In de stedelijke omgeving is de uitdaging om de economische centra bereikbaar te houden en door herstructurering de kwaliteit van de woonomgevingen en bedrijfslocaties te vergroten. In Figuur 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.
Figuur 3.2: Uitsnede Perspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Doorwerking in het onderhavige plan Binnen gebieden met het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' is ruimte voor herstructurering, inbreiding en transformatie.
In voorliggend geval vindt herstructurering plaats binnen de bestaande bebouwde omgeving middels herbestemming van bestaande bebouwing en de planologische verplaatsing van één wooneenheid ten behoeve van de realisatie van een vrijstaande woning. Onderhavig plan voorziet in de concrete woningbehoefte van de iniatiefnemer; betreffende gaat de woning zelf bewonen. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is bij het 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.
13
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
3.2.3.3
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De "Natuurlijke laag" en de "Laag van het agrarisch cultuurlandschap" kunnen in dit geval buiten beschouwing blijven aangezien de oorspronkelijke waarden van deze lagen niet meer voorkomen in het plangebied. Daarnaast wordt de "Laag van de beleving" buiten beschouwing gelaten omdat er geen kenmerken of elementen vanuit deze laag op het plangebied van toepassing zijn. De 'Stedelijke laag' In de "Stedelijke laag" ontstaat de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen. Elke stad of dorp bezit zijn eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteiten. Het plangebied is op gebiedskenmerkenkaart in de 'Stedelijke laag' aangeduid met het gebiedstype "Woonwijken 1955 – nu". In Figuur 3.3 is dit weergegeven.
Figuur 3.3: Uitsnede 'Stedelijke laag' Woonwijken 1955 - nu De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. De tijdsgeest van de bouwperiode is af te lezen in de stedenbouwkundige structuur en architectuur. De wederopbouwwijken worden bijvoorbeeld vaak gekenmerkt door een repeterende stempelstructuur in de bouwblokken, de ruime opzet van de groene ruimte en aandacht voor details zoals deuromlijstingen pergola's boven de entrees, siermetselwerk e.d. Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. Doorwerking in het onderhavige plan Met het planologisch verplaatsen en de realisatie van de vrijstaande woning wordt rekening gehouden met omliggende functies en bestaande bebouwingsstructuren. Wat betreft bouwmogelijkheden wordt aangesloten bij het geldende bestemmingsplan.
De bouwkenmerken worden afgestemd op de omgeving zodat de woning en de bijbehorende bouwwerk(en) qua bouwmassa en verschijningsvorm goed opgaan in het bebouwingskarakter van de omgeving. De invulling van het plangebied is in overeenstemming met de ter plekke geldende gebiedskenmerken van de 'Stedelijke laag'.
3.2.4
Conclusie provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling niet strijdig is met de uitgangspunten uit het provinciale beleid. Het initiatief is in overeenstemming met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en het in de Omgevingsverordening Overijssel verankerde beleid.
14
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040
3.3.1.1
Algemeen
De "Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040" is vastgesteld op 26 november 2020. Na een uitgebreid participatieproces is deze visie tot stand gekomen met 115 visiemakers (inwoners, ondernemers, ambtenaren en vertegenwoordigers van andere organisaties). Het document geeft richting aan ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving in de gemeente Raalte. In de leefomgeving komen veel functies en belangen bij elkaar. Daarnaast zijn er ontwikkelingen in de samenleving die tot problemen of uitdagingen in de leefomgeving leiden. De visie gaat in op het DNA van de gemeente Raalte en de belangrijkste kernopgaven voor de komende jaren: Het Buitengebied Toekomstbestendige wijken en dorpen Identiteit en regio Voor voorliggend plan is met name kernopgave 2 van belang, aangezien de planlocatie in de kern van Heino ligt. De gemeente Raalte staat voor de grote uitdaging om de wijken en dorpen niet alleen in fysieke zin te onderhouden, maar ook de leefbaarheid en vitaliteit te garanderen. De ambitie voor de wijken en dorpen in de gemeente Raalte luidt: Raalte geeft ruimte aan eigenzinning samenleven. Daarin kent de Omgevingsvisie de volgende ontwikkelrichtingen: 1. Toekomstbestendige dorpen en wijken: energieneutraal, klimaatadaptief, gezond, veilig en levensloopbestendig; 2. Flexibele en collectieve woonconcepten bij nieuwbouw en transformatie.
Zo wordt er gezorgd voor diversiteit en doorstroming en hebben de wijken en dorpen in de toekomst meer te bieden; 3. Samenwerken aan voldoende ontmoetingsplekken in elk dorp en een goede bereikbaarheid van de voorzieningen wanneer die op strategische plekken geclusterd zijn, zoals in het centrum van Raalte en Heino; 4. Nieuwbouw en transformatie binnen bestaand bebouwd gebied waarbij woningbouw zo min mogelijk ten kosten gaat van waardevol groen, binnen en buiten de kern; 5. Woningbouw voor een bovenlokale behoefte. Zo worden de dorpen leefbaar door in elk dorp ruimte te geven voor woningbouw en bedrijvigheid zodat minimaal de autonome groei van bevolking en bedrijvigheid kan worden opgevangen.
3.3.1.2
Toetsing van het initiatief aan de 'Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040'
De beoogde ontwikkeling betreft een levensloopbestendige woning welke gasloos zal worden gebouwd en draagt daardoor bij aan de verduurzamingsopgave. Deze ontwikkeling draagt bij aan het voorzien in de behoefte aan woningbouw binnen de gemeente Raalte, zonder dat dit ten koste gaat van waardevol groen. De onbebouwde grond is namelijk bestemd als 'Tuin', derhalve is verharding van de gronden reeds mogelijk. Tevens zijn de gronden niet openbaar toegankelijk. Het groene karakter van het plangbied wordt ondersteund middels de aanleg van bomen en een haag rondom het plangebied.
3.3.1.3
Conclusie
Onderhavig plan is in overeenstemming met de relevante kernopgave en bijbehorende ontwikkelingrichtingen van de Omgevingsvisie van de gemeente Raalte.
3.3.2
Programma wonen 2021 - 2025
3.3.2.1
Algemeen
In het Programma Wonen 2021 - 2025 geeft gemeente Raalte aan hoe ze de komende jaren willen werken aan het wonen in de gemeente. Het woonebeleid kent een aantal accentverschuivingen ten opzichte van het huidige woonbeleid. In de gemeente kunnen jong én oud, arm en rijk, een passende woningen vinden in een toekomstbestendige woonomgeving waarbij ruimt wordt gegeven aan eigenzinning (samen) wonen voor de huidige én nieuwe inwoners. Deze ambitie wordt uitgewerkt in de volgende vijf thema's: Langer zelfstandig wonen in Raalte Duurzaam wonen in Raalte Huren in Raalte
15
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
Kopen in Raalte Bouwen in Raalte Er is de laatste jaren een toenemende woningkrapte te zien in zowel de koop- als de huursector en steeds maar stijgende koopprijzen. Tegelijkertijd zal het aantal huishoudens de komende jaren nog groeien. Dit komt enerzijds door de autonome ontwikkeling van gezinsverdunning en anderzijds door het vestigingsoverschot zoals we die de afgelopen jaren ook kenden. De inwoners van de gemeente wonen graag in Raalte en onder gezinnen is Raalte een aantrekkelijke gemeente om naar toe te verhuizen. Landelijk is sprake van woningnood en de regio en provincie hebben een forse groeiambitie die de grote steden niet kunnen oplossen zonder overige gemeenten in de regio. De gemeente Raalte wil graag haar bijdrage leveren aan deze groeiambitie en ziet dit als een kans De ambitie van de gemeente Raalte op wonen is dat jong en oud, arm en rijk, een passende woningen kunnen vinden in een toekomstbestendige woonomgeving, waarbij de ruimte wordt gegeven aan eigenzinnig wonen voor huidige en nieuwe inwoners. In het laatste thema (bouwen in Raalte) komen alle voorgaande thema's samen en gaat over welk woningbouwprogramma passend is bij de ambities van de thema's en de ontwikkelingen op de woningmarkt. Dit houdt in dat de gemeente tot 2030 uitgaat van het realiseren van 1.500 - 2.000 woningen (in plaats van 700 woningen uit het voorgaande beleid).
Hierbij geldt maatwerk per kern en een plus voor Raalte-dorp en Heino. Deze plus betekent meer bouwen dan de lokale behoefte om ook de vestigers van buiten te kunnen faciliteren. De genoemde kernen zijn hiervoor geschikt vanwege het voorzieningenniveau en ze een goede ontsluiting kennen, zowel via weg als spoor. De groei wordt benut om de woningtypen die nu nog onvoldoende in de programmering aanwezig zijn toe te voegen.
3.3.2.2
Toetsing van het initiatief aan het 'Programma wonen 2021 - 2025'
In onderhavig plan wordt middels de herbestemming en planologische verplaatsing van een bestaande 'twee-aaneen' gebouwde woning (twee wooneenheden) een vrijstaande woning geraliseerd in Heino. Er is in voorliggend geval sprake van de realisatie van een duurzame woning. Hiermee wordt ingespeeld op de woningbehoefte zoals hierboven beschreven.
3.3.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijke woonprogramma.
3.3.3
Groenbeleid 'Groen, samen doen!'
3.3.3.1
Algemeen
In januari 2017 is het groenbeleid 'Groen, samen doen' van de gemeente Raalte door de gemeenteraad vastgesteld. In dit document worden de hoofdlijnen weergegeven van het nieuwe groenbeleid en de manier waarop de gemeente hieraan wil werken. Het groenbeleid past binnen de integrale visie op de openbare ruimte en is sterk geënt op de participatiegedachte. Daarnaast biedt dit document inspiratie voor de bewoners en de vrijwilligers die zich inzetten voor het groen. Het groenbeleid dat in deze nota is vastgelegd moet bij de afweging van diverse belangen worden meegenomen. Beleid en activiteiten zijn breed van toepassing op het groen (publiek en privaat eigendom) in de gemeente Raalte. Aanpassingen op het kapbeleid worden gelijktijdig meegenomen. Bij het opstellen van het nieuwe Omgevingsplan is deze groennota een van de onderleggers. Het groenbeleid manifesteert zich rond zeven thema's. Het thema 'handhaven en versterken van groenstructuren' is met name van belang.
3.3.3.2
Toetsing van het initiatief aan het 'Groenbeleid 'Groen, samen doen!''
In voorliggend geval blijven (waardevolle) houtopstanden binnen en in de directe nabijheid van plangebied behouden en worden deze eveneens versterkt middels het aanleggen van groen rondom de beoogde woning.
3.3.3.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijke groenbeleid.
16
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Algemeen
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf.
4.2.2
Onderzoek
In oktober 2023 is door Lycens B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd met het doel de actuele bodemkwaliteit vast te stellen. Door middel van dit onderzoek is onderzocht of er door een eventuele bodemverontreiniging consequenties zijn voor de voorgenomen ontwikkeling (zie Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek). Het onderzoek is uitgevoerd conform de vigerende NEN-normen en voldoet aan de geldende wet- en regelgeving betreffende de kwaliteit van de uitvoering van milieuhygiënisch bodemonderzoek. Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende: Chemisch-analytisch is in de baksteenhoudende bovengrond een licht verhoogd gehalte aan lood gemeten. Het gehalte overschrijdt de achtergrondwaarde in geringe mate. In de visueel schone boven- en ondergrond zijn geen parameters verhoogd gemeten. Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan barium aan nikkel. Aangezien met betrekking tot de aangetoonde verhoogde concentraties geen antropogene bron bekend is, zijn deze concentraties vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.
De gestelde hypothese "onverdachte locatie" kan niet worden aangenomen aangezien er in de grond en het grondwater enkele van de onderzochte parameters licht verhoogd zijn gemeten. De gehanteerde strategie geeft echter een representatief beeld van de bodemkwaliteit. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van de grond en het grondwater geen belemmering tegen de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de realisatie van een vrijstaande woning. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Voor eventueel hergebruik van vrijkomende grond zal het Besluit bodemkwaliteit in acht worden genomen. De toepassing van grond elders zal moeten worden gemeld via het 'meldpunt bodemkwaliteit'.
4.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
17
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
4.3
Water
4.3.1
Beleidskader
4.3.1.1
Europees- en rijksbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027 geldt als een Nationaal Waterplan én een Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Bprw), conform de Waterwet. De Waterwet en het onderliggende Waterbesluit beschrijven de kaders voor het waterbeleid en -beheer. Ook zijn hierin een aantal verplichte elementen van het NWP en eisen voor het totstandkomingsproces opgenomen.
De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: Een veilige en klimaatbestendige delta. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De 3 hoofdambities voor het waterbeleid worden in het NWP uitgewerkt voor verschillende thema’s – klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwaterverdeling en droogte, waterkwaliteit, grondwater, scheepvaart – en voor de bijbehorende beheeren uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat. Onder de Omgevingswet is het NWP een verplicht programma waarin het nationale waterbeleid is opgenomen en waarin ook het beheerplan voor de rijkswateren wordt geïntegreerd. Daarnaast worden de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het actieplan van de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) als verplicht programma aangewezen. Dit NWP is in de geest van de nieuwe Omgevingswet opgesteld. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, valt het NWP, op grond van het overgangsrecht bij de Omgevingswet, formeel van rechtswege uiteen in de verschillende hiervoor genoemde verplichte programma’s.
4.3.1.2
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
4.3.1.3
Waterschap Drents Overijsselse Delta
Het plan is gelegen binnen het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Het bevat de uitwerking van de ambities in de watervisie ‘Meer dan water’. Het waterbeheerprogramma bestaat uit drie delen: 1. Waterbeheerprogramma WDODelta 2022-2027; 2. Gebiedsuitwerkingen WBP 2022-2027; 3. KRW factsheets en een achtergronddocument. De missie van het Waterschap is het zorgen voor veilig wonen met water, voor voldoende en schoon water voor boeren en bedrijven in de stad en de natuur. Samen met de partners wordt dit gedaan op een sobere en doelmatige wijze, zodat de mensen in het gebied gezond en veilig kunnen leven, wonen en werken. In het waterbeheerprogramma zijn doelen en maatregelen opgenomen over duurzaamheid, energie, innovatie, uitwisseling van kennis en de wijze waarop het waterschap haar taken uitvoert.
18
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
4.3.1.4
Gemeentelijk beleid
In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: inzameling en transport van stedelijk afvalwater. het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. grondwater(maatregelen). Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) beschrijft de beleidskaders (ambities) en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits 'vasthouden --> bergen --> afvoeren' houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Als dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving. De trits 'schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken' omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoonhouden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en ook het zuiveringsrendement worden verhoogd.
Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het ‘watertoets proces’. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings-als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven-en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich.
Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld.
4.3.2
Onderzoek
4.3.2.1
Digitale watertoets
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In het kader van voorliggend bestemmingsplan is de digitale watertoets uitgevoerd, het bijbehorende resultaat is bijgevoegd bij voorliggend toelichting als Bijlage 3 Digitale watertoets. Op basis van de watertoets was de 'normale procedure' van toepassing, deze is aangevraagd bij het waterschap. Hiermee is het waterschap tevens over het plan geïnformeerd.
Na beoordeling heeft het waterschap de procedure omgezet naar een 'korte procedure', dit omdat de bestemming en de grootte van het plan in ruimtelijke zin een geringe invloed op de waterhuishouding hebben. Het waterschap gaat akkoord met het planvoornemen, mits wordt voldaan aan de uitgangspunten uit de standaard waterparagraaf.
19
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
4.3.3
Waterparagraaf
4.3.3.1
Uitgangspuntennotitie
Waterveiligheid Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen wordt een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil geadviseerd. (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Voorkeursbeleid hemelwater & riolering Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur.
Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2030 van de gemeente Raalte is geen hemelwaterbeleid opgenomen. Voor het geldende hemelwaterbeleid wordt verwezen naar het ‘masterplan hemelwater’ in het GRP 2014-2020. In onderhavig plan worden geen uitlogende materialen toegepast. Afvalwater afkomstig van de nieuwe woning wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Compensatie bij aanleg verharding Voor kleine plannen geldt als regel dat voor het realiseren van verhard oppervlak een berging ter compensatie voor de versnelde afvoer voor het afstromende hemelwater benodigd is. Compensatie moet de volgende trap volgen: vasthouden-bergen-afvoeren.
Voor kleine plannen, waarvan in onderhavig geval sprake is, geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Geadviseerd wordt om de waterberging te ontwerpen op basis van bij voorkeur een vertraagde afvoer, een infiltratiesituatie. Initiatiefnemer is voornemens om ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak tenminste 10% van het verharde oppervlak in te zetten als berging voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. Ter hoogte van het onverharde oppervlak in het plangebied zal een infiltratiesituatie worden gerealiseerd met een toereikend oppervlak. Op basis van vorenstaande wordt derhalve gesteld dat middels de voorgenomen compensatie wordt voldaan aan het advies van het Waterschap. Overstromingsrisicoparagraaf Volgens artikel 2.14.4 van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel moet bij ontwikkelingen in overstroombaar gebied een overstromingsrisicoparagraaf in de toelichting bij een bestemmingsplan worden opgenomen. Het plangebied ligt in een overstroombaar gebied. Onder overstroombaar gebied verstaat men gebieden die normaal niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan).
Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). De provincie Overijssel verplicht initiatiefnemers een overstromingsrisicoparagraaf op te stellen ten behoeve van het ruimtelijke plan. In de overstromingsrisicoparagraaf moet worden aangegeven hoe rekening wordt gehouden met waterveiligheid en voorzieningen voor noodsituaties (vluchtlocaties, aangepast bouwen, evacuatieroutes, bescherming van vitale infrastructuur, geleiding van water naar gebieden waar het minder schade toebrengt). Als er zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn om in deze laaggelegen gebieden nieuwe stedelijke functies toe te voegen, dient de waterveiligheid ook op langere termijn gegarandeerd te zijn, bijvoorbeeld door de technische inrichting van het gebied en/of de wijze van bouwen. Volgens de viewer van de provincie Overijssel ligt het plangebied in overstroombaar gebied (zie Figuur 4.2).
20
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
Figuur 4.2: Uitsnede kaart 'Overstroombaar gebied' Risico-inventarisatie Op de risicokaart komt het volgende kaartbeeld naar voren bij overstromingen met een kleine kans (1/1000 tot 1/10.000 jaar). Dit zijn de overstromingen vanuit het primaire systeem waar de dijken een strenge norm hebben. Voor de betreffende locatie wordt een maximale waterdiepte van 0,5 - 1,0 meter gevonden (zie Figuur 4.3). De risicokaart geeft geen tijd tot overstroming aan.
Figuur 4.3: Uitsnede overstromingsdieptekaart Doorwerking in het plan In geval van overstroming zijn er geen belemmeringen om de beoogde ontwikkelingen op de locatie toe te staan. Het waterschap Drents Overijsselse Delta is middels de digitale watertoets over het planvoornemen geïnformeerd. Hieruit is naar voren gekomen dat de normale procedure van toepassing is. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta en de Veiligheidsregio zijn op de hoogte gesteld van de ontwikkeling. Het bestemmingsplan maakt slechts de realisatie van één woning mogelijk. Gezien de kleine kans van overstroming en het feit dat het bestemmingsplan geen verblijfsfunctie voor kwetsbare groepen mogelijk maakt, is het niet nodig om maatregelen te nemen.
21
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
4.3.4
Conclusie
In het kader van het vooroverleg wordt het bestemmingsplan en daarmee de waterparagraaf voorgelegd aan het Waterschap Drents Overijsselse Delta.
4.4
Archeologie & cultuurhistorie
4.4.1
Archeologie
4.4.1.1
Algemeen
Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor kan archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
4.4.1.2
Onderzoek
Op basis van het vigerende bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied geen archeologische dubbelbestemming. Daarnaast is op basis van de archeologische verwachtingskaart (zie Figuur 4.4) het plangebied (rode stip) aangemerkt als een gebied met een "Lage archeologische verwachting". Hiervoor geldt een vrijstelling voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Archeologisch onderzoek ten behoeve van het planvoornemen is dus niet noodzakelijk. Geconstateerd wordt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het plan.
22
bestemmingsplan Heino, Woolthuisweg 1-3
Figuur 4.4 Archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Raalte) Toevalsvondst Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
4.4.2
Cultuurhistorie
4.4.2.1
Algemeen
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" dient te bevatten.