Toelichting
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept 4.3.3
Programma Wonen 2021 – 2025
4.3.3.1 Algemeen In de nota Programma Wonen 2021-2025 geeft gemeente Raalte aan hoe ze de komende jaren willen werken aan het wonen in de gemeente. Het woonbeleid kent een aantal accentverschuivingen ten opzichte van het huidige woonbeleid. Er is de laatste jaren een toenemende woningkrapte te zien in zowel de koop- als de huursector en steeds maar stijgende koopprijzen. Tegelijkertijd zal het aantal huishoudens de komende jaren nog groeien. Dit komt enerzijds door de autonome ontwikkeling van gezinsverdunning en anderzijds door het vestigingsoverschot zoals we die de afgelopen jaren ook kenden. De inwoners van de gemeente wonen graag in Raalte en onder gezinnen is Raalte een aantrekkelijke gemeente om naar toe te verhuizen. Landelijk is sprake van woningnood en de regio en provincie hebben een forse groeiambitie die de grote steden niet kunnen oplossen zonder overige gemeenten in de regio. De gemeente Raalte wil graag haar bijdrage leveren aan deze groeiambitie en ziet dit als een kans. De ambitie van de gemeente Raalte op wonen is dat jong en oud, arm en rijk, een passende woningen kunnen vinden in een toekomstbestendige woonomgeving, waarbij de ruimte wordt gegeven aan eigenzinnig wonen voor huidige en nieuwe inwoners. 4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het Programma Wonen 2021 – 2025 Het bouwplan voldoet aan het “Programma Wonen 2021-2025''.
Het bouwplan voorziet in de behoefte aan woningen voor allerlei doelgroepen. Het bouwplan voorziet in 20 grondgebonden woningen, waarbij wordt voorzien in vrijstaande woningen, twee-onder-één-kap woningen en rijtjeswoningen. Verder wordt opgemerkt dat de toename van de geplande 14 woningen naar inmiddels 20 woningen met recente enquêtes en informatieavonden is aangetoond. Er is, ingehaald door de veranderende tijdsomstandigheden, daarom gekozen door de gemeente Raalte om bij fase 2 gedeeltelijk af te wijken van dit stedenbouwkundig ontwerp. Met voortschrijdend inzicht is de gemeente Raalte voornemens dit aantal van 14 woningen (middels een uitwerkingsbevoegdheid) te wijzigen naar 20 woningen, gezien de woningbehoefte heden ten dage hoger is. Daarnaast is met de kwantitatieve toename ook kwalitatief gezien een gevarieerder aanbod van de beoogde woningen beoogd. Van de 20 woningen zijn er 4 sociale huurwoningen. Hiermee worden woningen gebouwd voor verschillende doelgroepen. 4.3.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid zoals hiervoor is toegelicht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van de ruimtelijke planologische procedure (uitgebreide procedure) een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het project zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een uitgebreide procedure vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s besluit MER en Water. In voorliggend geval zijn de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en externe veiligheid minder van belang. Dit vanwege het feit dat: •
•
•
•
•
•
•
Geluid De woningen zullen worden gesitueerd binnen het vlak dat reeds is voorzien van een woonbestemming (hierna: woonbestemming welke nog moet worden uitgewerkt) bij de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan ‘Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg’. Gelet op de beperkte verkeersintensiteit op de Luttenbergerweg, de Heuvelweg en de Holteveensweg en de afstand van de woningen tot de hiervoor genoemde wegen wordt gesteld dat de geluidsbelasting lager is dan voorkeurswaarde (48 dB). Er is daarmee ter plaatse van de te realiseren woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai; Bodem Er bij de opstellen van het vigerende bestemmingsplan ‘Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg’ reeds bodemonderzoek heeft plaatsgevonden op de locatie van dit projectgebied. Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken wordt geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin); Luchtkwaliteit Het project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging.
Daarnaast wordt de ontwikkeling niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’; Geur & Milieuzonering De gronden van het projectgebied bij vaststelling van het vigerende bestemmingsplan ‘Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg’ zijn voorzien van een woonbestemming en hierbinnen dus al woningen mogen worden gerealiseerd. De woningen die middels dit bestemmingsplan worden toegevoegd worden geheel binnen de uit te werken woonbestemming gesitueerd en dus niet dichterbij bedrijvigheid in de omgeving gesitueerd, waarmee ze geen belemmering vormen voor (agrarische) bedrijven in de omgeving; Ecologie Er bij het opstellen van het vigerende bestemmingsplan ‘Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg’ een natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat flora & fauna geen belemmering vormden voor de woningbouwontwikkeling. De gronden zijn daarbij in de huidige situatie vrij van ecologische verwachtingswaarden aangezien deze reeds bouwrijp zijn gemaakt, zie de luchtfoto’s in hoofdstuk 2.
Ten aanzien van stikstof wordt verwezen naar paragraaf 5.1.2.1 van deze toelichting; Archeologie & Cultuurhistorie Er bij het opstellen van het vigerende bestemmingsplan ‘Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg’ archeologisch onderzoek is verricht waarbij de archeologische dubbelbestemming binnen het projectgebied is komen te vervallen. Verder is in het projectgebied of in de directe nabijheid van het projectgebied geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden; Externe veiligheid Er bij het opstellen van het vigerende bestemmingsplan ‘Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg’ knelpunten waren opgemerkt ten opzichte van het LPG-tankstation aan de Luttenbergerweg 14. Bij fase 1c is middels omgevingsvergunning ‘Hermelijn 26 tot en met 48 Luttenberg’ dit probleem opgelost voor de gehele woningbouwlocatie aan de Luttenbergerweg, daarbij liggen de woningen in het projectgebied niet binnen de effectafstand van dit LPG-station.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept
5.1
Besluit milieueffectrapportage
5.1.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een ontwikkeling kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.1.2
Situatie projectgebied
5.1.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn ‘Boetelerveld’, ‘Sallandse Heuvelrug’ en ‘Vecht- en BenedenReggegebied’, gelegen op een afstand van respectievelijk 4,5, 4,7 en 5,3 kilometer van het projectgebied. De in dit bestemmingsplan omsloten ontwikkeling, Luttenberg fase 2, maakt onderdeel uit van het plan ‘Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg’. Voor fase 1 en 2 is gezamenlijk destijds een stikstofberekening uitgevoerd. Gezien fase 1c (eveneens gerealiseerd middels een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure) eveneens is uitgevoerd met een grotere hoeveelheid woningen is destijds de latente stikstofruimte van fase 2 aangewend. Voor voorliggend project is daarom een nieuwe stikstofberekening uitgevoerd. Zoals in bijlage 1 (stikstofberekening) van deze toelichting is beschreven, is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.1.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Dit project voorziet in een concrete woningbouwontwikkeling en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r.
Dit betekent dat dit ruimtelijke plan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor deze ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. De in het voorliggende plan besloten ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling waarbij de woningbouwmogelijkheden worden uitgebreid met 6 woningen. Immers is de uit te werken woonbestemming niet toereikend, aangezien deze – na uitwerking – slechts 14 woningen toestaat. Daartoe wordt deze ontwikkeling (20 woningen) mogelijk gemaakt middels deze bestemmingsplan herziening. Verder is, voor zover in dit kader relevant, niet sprake van een functie die leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of beschermde natuurgebieden. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen noodzaak is tot het uitvoeren van een plan-MER. 5.1.3
Conclusie
Dit project is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de voorliggend project.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept
HOOFDSTUK 6
WATER
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschap Drents Overijsselse Delta
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2022-2027. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. o o o o
Het waarborgen van voldoende water Het zorgen voor schoon water van oppervlakte water en drinkwater Het zorgen voor waterveiligheid door te beschermen tegen hoogwater en het inperken van schade door overstromingen Het duurzaam uitvoeren van de taken samen met de omgeving
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept 6.1.5
Gemeentelijk beleid
6.1.5.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: • • •
inzameling en transport van stedelijk afvalwater. het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. grondwater(maatregelen).
Het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): •
•
De trits “vasthouden --> bergen --> afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving. De trits “schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water.
Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties.
Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets, welke is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de zogenoemde “normale procedure”. Voor voorliggend bestemmingsplan zijn de relevante waterhuishoudkundige aspecten onderzocht die hieronder nader worden toegelicht. Omgang met vuilwater Vuilwater wordt apart ingezameld en afgevoerd met een openbaar vuilwaterriool. De ontwikkeling gaat uit van 20 huishoudens. Op basis van gemiddeld 2 personen per huishoudens is de afvalwaterproductie 0,36 m3/uur. Deze hoeveelheid kan onder vrij verval worden afgevoerd naar het bestaande omliggende rioolstelsel. De hoeveelheid afvalwater is relatief gering en heeft geen noemenswaardige negatieve effecten op het bestaande rioolstelsel en de zuiveringstechnische werken van het waterschap. Omgang met hemelwater Hemelwater wordt zoveel mogelijk in het projectgebied vastgehouden door het hemelwater in de (goed) waterdoorlatende bodem te infiltreren. Op eigen terrein (particulieren) wordt dat gedaan met infiltratievoorzieningen die een inhoud hebben van minimaal 20 mm ten opzicht van afstromend oppervlak. Bij extreme neerslagsituaties wordt overtollig hemelwater geloosd op het openbaar terrein.
Het hemelwater van de openbare verharding (wegen en parkeerplaatsen) wordt met molgoten afgevoerd naar één van de waterbergingen (wadi’s) in de lagere delen van het projectgebied. Ook overtollig hemelwater vanaf particuliere terreinen stroomt zichtbaar af naar deze wadi’s. De wadi’s hebben tot doel om het hemelwater tijdelijk te bergen en te infiltreren in de bodem en vangen eventuele verontreinigingen in het hemelwater af. De totale oppervlakte aan wadi’s binnen de woningbouwlocatie Luttenbergerweg bedraagt ruim 2000 m² en het afstromend verhard oppervlak circa 10.000 m². Er is voldoende ruimte om het hemelwater tijdelijk te bergen, waarmee voldaan wordt aan de uitgangspunten van het waterschap om de afvoer uit het projectgebied gelijk te stellen met de landelijke afvoer. Ontwatering en drooglegging Voor de beheersing van de grondwaterstand in het projectgebied en om de afvoer van het landelijke gebied buiten het projectgebied veilig te stellen worden de bestaande sloten gehandhaafd. Extreme neerslagsituaties Voor de beheersing van de grondwaterstand in het projectgebied en om de afvoer van het landelijke gebied buiten het projectgebied veilig te stellen worden de bestaande sloten gehandhaafd. Er wordt een hogere drooglegging aangehouden dan in een reguliere situatie. Er zijn geen sloten / waterlichamen nabij het projectgebied om overtollig grondwater af te voeren.
Wel is er jarenlang de grondwaterstand gemeten waardoor nauwkeurig de inschatting is gemaakt welke hoogte de drooglegging kan garanderen. Als gevolg van de klimaatverandering nemen extreme neerslagsituaties toe. Om schade aan gebouwen door overvloedige neerslag te voorkomen wordt uitgegaan van een robuuste inrichting. Dit wordt gedaan door de vloerpeilen van kwetsbare gebouwen minimaal 20 cm hoger te houden dan het openbare gebied. Het openbaar gebied wordt zodanig ingericht dat bij extreme neerslag overtollig hemelwater afstroomt naar niet kwetsbare functies, zoals openbaar groen. Ook is er rekening gehouden met het omliggende gebied, en kan water bij extreme neerslag gebufferd worden binnen het projectgebied. Overstromingsrisico's Als gevolg van klimaatverandering nemen de overstromingsrisico’s vanuit de grote rivieren toe. Een verplicht onderdeel in de waterparagraaf is toetsing van het projectgebied aan dit risico. Het projectgebied valt buiten het overstromingsgebied met ‘kleine kans’. Voor dit projectgebied geldt dit risico dus niet. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd
•
Wijze van meten (Artikel 2) In dit artikel is bepaald hoe de verschillende meetvoorschriften dienen te worden geïnterpreteerd.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept •
Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn of onder welke voorwaarden toegestaan zijn;
In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor de desbetreffende bestemming is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van (bijvoorbeeld) een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. In dit artikel wordt ingegaan op de algemene bepalingen over bestaande afstanden en andere maten. Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels geven aan welk gebruik van gronden als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Overige regels (Artikel 11) In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van de werking van wettelijke regelingen en voldoende parkeergelegenheid opgenomen. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In het overgangsrecht is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Groen (Artikel 3) De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor (infiltratie) groenvoorzieningen, bermen en beplanting, voet en rijwielenpaden, speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept Tuin (Artikel 4) Achter de woningen die bij recht worden toegestaan zijn de gronden voorzien van de bestemming ‘Tuin’. De bestemming ‘Tuin’ is bedoeld voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen met de daarbij behorende verhardingen, erven en terreinen, en ondergeschikte voorzieningen. Verkeer - Verblijfsgebied (Artikel 5) De hoofdinfrastructuur (ontsluitingswegen) binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. De voor ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor woonstraten, pleinen, paden en voet- en rijwielpaden. Wonen - 1 (Artikel 6) De gronden ter plaatse van de bij recht toegestane woningen (noodzijde plangebied) zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor beroep en/of bedrijf aan huis. Door middel van aanduiding is op de verbeelding/plankaart aangegeven welk type woningen er zijn toegestaan (vrijstaand, twee-aaneen, of aaneengesloten). Tevens is door middel van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ het maximale aantal woningen per bouwvlak vastgelegd. Voor alle overige bouwregels is aangesloten op de woonbestemming ‘Wonen - 1’ van het bestemmingsplan “Luttenberg”.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In voorliggend geval is de gemeente Raalte de initiatiefnemer. Voor project is een grondcomplex ingesteld met bijbehorende grondexploitatie (Bijlage 3). Hierin is de verantwoording van de kosten en opbrengsten opgenomen. De exploitatie is sluitend. Het plan is dan ook economisch uitvoerbaar. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
“Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg fase 2” Concept
HOOFDSTUK 9 9.1
VOOROVERLEG EN INSPRAAK
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit project geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Het plan maakt het mogelijk om meer dan 7 woningen te realiseren. Daarom is het plan in kader van het voorkantsamenwerking met de provincie besproken. Hierin hebben zij aangegeven akkoord te zijn met de plannen omdat er woningen voor verschillende doelgroepen wordt gebouwd. 9.1.3
Waterschap Drents Overijsselse Delta
Bij het opstellen van het plan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” is contact opgenomen met het Waterschap Drents Overijsselse Delta, waar de ontwikkeling in dit plan onderdeel van is. Gezien het aantal woningen en daarmee ook het aantal vervuilingseenheden toeneemt is de digitale watertoets ingevuld, waaruit kwam dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Het plan is daarom in het kader van vooroverleg naar het Waterschap Drents Overijsselse Delta gestuurd. Het waterschap heeft nog niet gereageerd.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Bij de totstandkoming van de voorgenomen ontwikkeling is intensief overleg geweest met het Plaatselijk Belang en de bewoners van Luttenberg alsook met de direct omwonenden. Gesteld wordt dat hiermee de omwonenden en bewoners van Luttenberg voldoende betrokken zijn bij deze ontwikkeling.
9.3
Zienswijzen
Het bestemmingsplan wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Waarna deze paragraaf zal worden uitgewerkt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37